Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/17.6:17.6 De ratio van het voorschrift dat in het geding is
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/17.6
17.6 De ratio van het voorschrift dat in het geding is
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS459454:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een volgende dimensie van het vertrouwensbeginsel is die van de ratio van het voorschrift dat in het geding is. Kort samengevat betreft deze dimensie vooral de vraag of het voorschrift waar het vertrouwen op is gericht of waar het betrekking op heeft, wel of niet het belang van de justitiabele beoogt te beschermen. De vraag is hoe deze dimensie moet worden benaderd in een EU-kader. Eerder werd onderscheid gemaakt tussen enerzijds voorschriften die specifiek voor een bepaalde vorm van rechtshulp gelden en anderzijds voorschriften van algemeen strafvorderlijke aard die een rol spelen bij een vorm van rechtshulpverlening. De specialiteitsregel is een voorbeeld van het eerste (speelt niet bij nationale opsporing, maar alleen bij bepaalde vormen van strafrechtelijke samenwerking), terwijl het verbod op overheidsuitlokking (dat in beide zojuist genoemde gevallen van toepassing is) van het tweede een voorbeeld is.
Bij die laatste categorie kan worden gedacht aan onderdelen van de vertrouwensagenda, zoals in het bijzonder de ontwikkeling van minimumnormen en procedurele waarborgen. Deze hebben niet alleen betrekking op samenwerking, maar op alle strafzaken. Zij zijn juist mede bedoeld om het vertrouwen in de verschillende rechtsstelsels te vergroten. Het belang van de betrokken burger staat overduidelijk voorop.
Verder kan in een EU-regeling het een en ander worden bepaald over het toepasselijke recht. Inmiddels is gebruikelijk dat wordt bepaald dat het recht van de uitvoerende staat van toepassing is, vooral wanneer het vormen van kleine rechtshulp betreft, maar dat waar mogelijk de voorschriften van de verzoekende staat (ook) worden nageleefd. In dat geval zijn twee stelsels in zekere mate van toepassing en kan de vraag naar de ratio van deze voorschriften dus tweemaal worden gesteld. Bovendien is de vraag welke ratio het relevante voorschrift heeft door de verzoekende staat eenvoudiger te beantwoorden waar het de eigen (in zekere zin geëxporteerde) voorschriften betreft. Over het hiervoor aangehaalde voorschrift dat zo veel mogelijk de procedurele regels van de verzoekende staat worden nageleefd kan overigens ook weer de vraag worden gesteld of daarmee het belang van de justitiabele wordt beschermd of eerder het belang van de verzoekende staat.
Waar het voorschriften eigen aan de strafrechtelijke samenwerking betreft, is binnen het EU-kader een grotere verandering te verwachten. In elk geval worden de weigeringsgronden en voorwaarden teruggedrongen, zodat het aantal voorschriften waarover deze vraag kan worden gesteld om te beginnen afneemt. Verder is het uitgangspunt van de samenwerking binnen de EU dat de rechtsstelsels qua rechtsbescherming min of meer gelijkwaardig zijn. De noodzaak om in de rechtshulpinstrumenten bijzondere voorschriften op te nemen neemt dus af. Te verwachten is derhalve dat de louter rechtshulprechtelijke voorschriften sterker ordenend zullen zijn en daardoor minder het belang van de betrokken justitiabele beogen te beschermen. In zekere zin kan worden gezegd dat er een verschuiving optreedt van ad hoc rechtsbescherming die per rechtshulpinstrument wordt geregeld, naar meer structurele rechtsbescherming in EU-verband. Die meer structurele rechtsbescherming heeft ten dele al gestalte gekregen, maar is ten dele nog in ontwikkeling. In het bijzonder zijn bepaalde richtlijnen houdende minimumnormen en procedurele waarborgen nog niet aangenomen dan wel geïmplementeerd en is de toetreding door de EU tot het EVRM niet op korte termijn te verwachten, al is van die toetreding niet zonder meer duidelijk of zij toegevoegde waarde heeft ten opzichte van de bestaande gebondenheid van lidstaten aan het EVRM en de jurisdictie over het optreden van lidstaten van het EHRM.