Op zoek naar de heilige graal
Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/5.7.2:5.7.2 Oprichting en vertegenwoordiging van een stichting
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/5.7.2
5.7.2 Oprichting en vertegenwoordiging van een stichting
Documentgegevens:
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633776:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van der Ploeg 2014, p. 393.
Overes 2021, Commentaar op art. 286, aant. 11.2; Asser/Rensen 2-III 2017/339; Van der Ploeg 2014, p. 393.
Van der Ploeg 2014, p. 393, 394.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De (oprichtings)eisen voor de stichting staan in titel 2.6 BW. Een stichting moet worden opgericht bij notariële akte, met daarin de statuten van de stichting. De statuten bevatten in ieder geval de naam (met ‘stichting’ als deel van de benaming), het doel, de wijze van benoeming en ontslag van bestuurders, de Nederlandse gemeente waar de stichting haar zetel heeft en de bestemming van het overschot na vereffening van de stichting in geval van ontbinding of de wijze waarop de bestemming zal worden vastgesteld (art. 2:286 BW). De oprichters kunnen in de statuten veel bepalen. Zo is statutenwijziging alleen mogelijk als en voor zover de statuten dat bepalen (art. 2:293 BW). De oprichters kunnen dus in de statuten bepalen dat statutenwijziging deels of helemaal niet mogelijk is. In uitzonderlijke gevallen kan de rechtbank de statuten wijzigen (art. 2:294 BW). De bestuurders moeten de stichting vervolgens inschrijven in het Handelsregister, alsook de naam, voornamen, de woonplaats van de oprichter(s). Ook moeten ze een authentiek afschrift of authentiek uittreksel van de akte van de oprichting met de statuten deponeren bij dat register (2:289, lid 1 BW). Zie hierover nader in paragraaf 5.8.4. Zolang de inschrijving en het deponeren niet hebben plaatsgevonden, is iedere bestuurder voor een rechtshandeling waardoor hij de stichting verbindt, naast de stichting hoofdelijk aansprakelijk (art. 2:289, lid 2 BW).
Als hoofdregel bepaalt de wet dat het bestuur bevoegd is om de stichting te vertegenwoordigen (art. 2:292 BW). De statuten bepalen wie de bestuursleden kan benoemen: de (vergadering van) aangeslotenen, andere belanghebbenden, een koepelorganisatie of een raad van toezicht.1 Of bestuurders worden ontslagen en zo ja door welk orgaan, wordt eveneens door de statuten bepaald. Ontbreekt die ontslagbevoegdheid in de statuten, dan ligt het voor de hand dat aan het benoemend orgaan die bevoegdheid toekomt.2 In bepaalde gevallen kan ook de rechtbank een bestuurder ontslaan (art. 2:298 BW). Het bestuur van de stichting heeft alle bevoegdheden die niet in de statuten aan een ander orgaan zijn opgedragen.3