HR, 04-03-1921
ECLI:NL:HR:1921:102
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-03-1921
- Zaaknummer
[04031921/NJ_1921,_p._510]
- Roepnaam
Kerk
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Bijzondere onderwerpen
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Staatsrecht / Rechtspraak
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:1921:102, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑03‑1921; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:1921:2
- Vindplaatsen
Uitspraak 04‑03‑1921
Inhoudsindicatie
Beheer van pastoriegoederen. Kerkelijk recht en wereldlijk recht. Vermogensrechtelijke verhoudingen. Gewoonterecht. Wettelijke voorschriften in cassatie.
Openbare terechtzitting van Vrijdag 4 Maart 1921.
De zitting is geopend te elf uur.
De deurwaarder roept de volgende zaken uit:
De Hooge Raad der Nederlanden, in de zaak (nº 4991) van:
1º [eischer 1] , zonder beroep, wonende te [woonplaats] ;
2º [eischer 2] , veehouder, wonende te [woonplaats] , en
3º [eischer 3] , van boerenbedrijf, wonende te [woonplaats] ,
tezamen uitmakende de Commissie van beheer der pastoriegoederen van de gecombineerde Nederduitsche Hervormde Gemeente van Beetsterzwaag, Beets en Olterterp,
eischers tot cassatie van een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden op 29 October 1919 tusschen partijen gewezen, vertegenwoordigd door Jhr. Mr. J.A. de Ranitz, advocaat bij den Hoogen Raad.
Tegen:
1º [verweerder 1] , gewezen predikant bij de gecombineerde Nederduitsche Hervormde Gemeente van Beetsterzwaag, Beets en Olterterp, thans zonder beroep, wonende te [woonplaats] , verweerder vertegenwoordigd door Jhr. Mr. A.K.C. de Brauw, eveneens advocaat bij den Hoogen Raad;
2º [verweerster 2] , en
3º [verweerder 3] , beide predikanten bij dezelfde gecombineerde gemeente, de eerste wonende te [woonplaats] , de tweede te [woonplaats] , verweerders, niet verschenen;
Gelet op het tegen de beide laatsten verleende verstek;
Gehoord de eischers en den eersten verweerder;
Gehoord den Advocaat-Generaal Ledeboer, namens den Procureur-Generaal, in zijne conclusie, strekkende tot verwerping van het beroep, met veroordeeling van de eischers in de kosten der cassatie;
Gezien de stukken;
Overwegende dat blijkens het bestreden arrest partij [verweerder 1] bij inleidende dagvaarding heeft gesteld, dat hij sinds 17 September 1899 is predikant bij de gecombineerde gemeenten van Beetsterzwaag, Beets en Olterterp en sinds het overlijden van zijn ambtgenoot [betrokkene 1] op 20 Juni 1916, de eenige predikant;
dat aan die gemeenten sedert eeuwen verbonden zijn pastorie-goederen, wier inkomsten zijn voor de predikanten;
dat die goederen vormen een stichting, waarvan rechtens de predikant beheerder is;
dat eischer derhalve is gerechtigd tot het beheer, terwijl dit feitelijk wordt gevoerd door gedaagden, de tegenwoordige verweerders;
dat met het oog op eene te verwachten vacature kerkvoogden en floreenplichtigen 24 Februari 1869 hebben besloten het beheer op te dragen aan eene commissie, te benoemen door floreenplichtigen, welke commissie jaarlijks aan de vruchtgebruikers rekening en verantwoording had te doen;
dat tengevolge van dit besluit het beheer sedert door eene commissie is gevoerd;
dat echter het voornoemde besluit onbevoegdelijk is genomen;
dat bovendien gedaagden niet door de floreenplichtigen maar door kerkvoogden zijn benoemd en dus aan het besluit van 1869 geen bevoegdheid kunnen ontleenen;
dat zij het beheer alleen hebben kunnen voeren tengevolge van het gedoogen der wettige beheerders, de beide predikanten;
dat eischer aan gedaagden 23 September 1916 heeft te kennen gegeven, dat hij zelf het beheer voortaan wenscht te voeren met aanzegging om gelden en bescheiden aan hem over te geven;
dat hij hen vervolgens heeft doen sommeeren, -
en deswege met verschillende nevenvorderingen heeft geëischt, dat de Rechtbank verklare, dat de gedaagden zijn ongerechtigd om het beheer te voeren, en dat integendeel eischer daartoe is gerechtigd, welke eisch hem bij vonnis der Arrondissements-Rechtbank te Heerenveen van 9 April 1918 is toegewezen;
Overwegende dat, nadat de tegenwoordige eischers deze uitspraak in hooger beroep hadden bestreden, het Hof rekening houdende met het door hen aangevoerde nieuwe feit, dat als [verweerder 1] op 18 November 1918 emeritaat heeft verkregen, en hij mitsdien niet meer is vertegenwoordiger van de pastorie, "het dictum van het arrest in overeenstemming brengende met de nieuwe positie", het gemelde vonnis heeft bevestigd "behalve voor zoover het dictum betreft," dit in zooverre heeft vernietigd en voor zooveel thans van belang, bij zijne uitspraak heeft verklaard, dat partij [verweerder 1] in zijne hoedanigheid, boven vermeld, gerechtigd was om het beheer te voeren over de pastoriegoederen, behoorende aan de gecombineerde gemeenten, en dat appellanten (thans eischers) ongerechtigd zijn om dat beheer te voeren en zich mitsdien daarvan hebben te onthouden;
Overwegende dat tegen deze beslissing wordt aangevoerd het middel van cassatie, luidende:
1. Schending, immers verkeerde toepassing en niet toepassing van de artikelen 1902, 1690 tot en met 1694, 1696, 1697, 946, 947, 1717, 1983, 1991, 2004, 2016, 625, 629, 639, 1349, 1356, 1365, 1373 tot en met 1376, 1390, 1401, 1829, 1830 en 1851 van het Burgerlijk Wetboek,
2. van de artikelen 3 en 14 der wet houdende Algemeene Bepalingen,
3. van de artikelen 1, 45, 48, 140, 141, 347, 353, 1771, 4 n° 2, 242 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering,
4. van de resolutie der Staten van Friesland van 31 Maart 1580 (Charterboek, dl. IV,
blz. 144), artikelen 2, 3, 6, 8 tot en met 10, 14 en 18; -
van die van 23 April 1583 (Charterboek dl. IV blz. 364), artikel 12; -
van die van 8 April 1584 (Winsemius Chronique van Friesland folio 744) artikel 6; -
van die van 25 Maart 1603 (Charterboek dl. V blz. 101) artikel 11; -
van die van 14 Maart 1645 (Charterboek dl. V blz. 489), artikel 1; -
van die van den Prins van Oranje, Stadhouder, van 21 December 1748 (verzam. placaten) artikel 41;
5. van den aanhef en de artikelen 1, 2, 4 en 5 van het decreet van de nationale vergadering van 5 Augustus 1796 (verzam. placaten II bladz. 45);
6. van de publicatie van het provinciaal bestuur van Friesland van 22 Augustus 1796 (verzam. placaten II blz. 45); -
7. van het decreet van het provinciaal bestuur van Friesland van 23 Februari 1797 (verzam. placaten II, 220);
8. van de artikelen 19, 20 en 21 en 4, 5 en 6 Add. artikelen der Staatsregeling 1798; -
9. van de artikelen 11, 13, 14 en 15 der Staatsregeling 1801,
10. van de artikelen 191, 194 en 196 en 1 en 2 der additioneele artikelen van de G.W. 1815, de artikelen 54, 165, 168 en 3 der additioneele artikelen van de G.W. 1848, van de artikelen 168 en 171 en 2 van de additioneele artikelen van de G.W. 1887;
11. van den aanhef en artikel 1 der wet tot regeling van het toezicht op de onderscheiden kerkgenootschappen van 10 September 1853 (Staatsblad nº 102);
12. van het Koninklijk Besluit van 9 Februari 1866 (Staatsblad nº 10) en speciaal de aanhef en de artikelen 5, 10 en 11, gewijzigd bij K.B. van 3 Februari 1869 nº 20,
13. van de artikelen 4, 11, 12, 16, 17, 19, 20, 23, 43, 51 en 65 van het Algemeen Reglement voor de Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden, vastgesteld bij K.B. van 23 Maart 1852 nº 3,
14. van artikel 17 van het reglement op de administratie der Kerkelijke fondsen en de kosten van den eeredienst bij de Hervormde Gemeente in de Provincie Friesland, goedgekeurd bij K.B. van 12 December 1823 nº 83, (J.H.D. Munnik, verzameling enz., 2e éditie, 1e ged.,
15. Van den aanhef en de artikelen 1 tot en met 6 van het K.B. van 12 December 1827 n° 45, -
16. Van de artikelen 1 en 2 van het reglement op de verkiezing en beroeping van predikanten bij de Hervormde Gemeente in Friesland, goedgekeurd bij K.B. van 14 September 1833 nº 102, (C. Hooijer, Kerkelijke Wetten enz. blz. 182);
1º omdat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat de pastoriegoederen van de gecombineerde gemeenten Beetsterzwaag, Beets en Olterterp in 1869, eene stichting vormden, waarvan de predikant orgaan en beheerder was;
2º omdat, het Hof heeft voorbijgezien dat in 1869 en 1873, althans omstreeks dien tijd, in de gecombineerde gemeenten een reglement is tot stand gebracht, waarbij onder anderen het beheer over de pastoriegoederen aan eene Commissie werd opgedragen, welk reglement voortdurend van kracht is geweest en ook voor den geïntimeerde, die in 1899 predikant bij de gemeente is geworden en zich bij den feitelijken toestand heeft neergelegd, verbindend is geworden;
3º omdat, al ware de beheersregeling voor geïntimeerde niet bindend, het Hof erkennende dat deze zijn emeritaat heeft verkregen, te ver is gegaan door te beslissen dat de Commissie ongerechtigd is het beheer te voeren over de pastoriegoederen en zich mitsdien daarvan heeft te onthouden;
Overwegende dat bij de toelichting van het middel, als het geheele beroep in cassatie beheerschend op den voorgrond is gesteld de schending, immers verkeerde toepassing van den aanhef en van artikel 1 der Wet tot regeling van het toezicht op de onderscheiden Kerkgenootschappen van 10 September 1853 (Staatsblad nº 102), en dit in verband moet worden gebracht daarmede, dat, naar het Hof in de vierde overweging van het arrest mededeelt, de advocaat van de nu eischers heeft toegegeven, dat in de Middeleeuwen de pastoralia eene stichting vormden en dat de pastor loci toenmaals kerkrechtelijk daarvan de beheerder was, maar met deze bijvoeging "dat dit recht ganschelijk was veranderd eerst door de Kerkhervorming gepaard aan den tachtigjarigen oorlog" en later "door de scheiding van Kerk en Staat en den invloed der Fransche revolutie, terwijl daarbij ongewijzigd zoude zijn gebleven het recht van den predikant op de opbrengst der pastoralia";
Overwegende dat volgens de genoemde wetsbepaling, aan alle Kerkgenootschappen is en blijft verzekerd de volkomen vrijheid alles, wat hunne godsdienst en de uitoefening daarvan in hunne eigen boezem betreft, te regelen, weshalve in het boven bedoelde verband de strekking van het beroep op dit wetsvoorschrift moet zijn, dat het Hof deze heeft geschonden, door in stede van zich te houden aan de bepalingen van het gemeene burgerlijke recht, onafhankelijk daarvan zich had moeten laten leiden door de desbetreffende regelen van het genootschapsrecht, in dezen van de Nederlandsch- Hervormde Kerk;
Overwegende dat, hoewel bezwaarlijk is aan te nemen in verband met de aanleiding tot en de geschiedenis van haar ontstaan, dat de genoemde wet de verre strekking zoude hebben, dat de Kerkgenootschappen ten aanzien van vermogensrechtelijke verhoudingen aan het gemeene burgerlijke recht zouden kunnen worden onttrokken door in eigen boezem, zonder de medewerking der wereldlijke overheid, vastgestelde bepalingen, in ieder geval elk beroep daarop in dezen moet afstuiten op de omstandigheid, dat, naar in de 37ste overweging van het arrest wordt vastgesteld, door de appellanten, thans eischers, geen door de daartoe bevoegden - en dit moet, in het redeverband beschouwd, worden opgevat als Kerkrechtelijk bevoegden - vastgestelde voorschriften aan het licht zijn gebracht, waarop kan worden gebaseerd het recht van kerkvoogden en floreenplichtigen om het beheer aan den predikant te ontnemen en aan een commissie over te dragen;
Overwegende dat voorts in het middel tal van wettelijke bepalingen zijn opgenomen, uitgegaan van de wereldlijke overheid, die, in den boven bedoelden "kerkrechtelijken" toestand der pastoralia in de Middeleeuwen wijziging zouden hebben gebracht en dus door het Hof, hetwelk die wijziging niet aannam, zouden zijn geschonden, althans verkeerd toegepast;
Overwegende dat bij deze bewering wordt ingenomen een standpunt, niet wel vereenigbaar met de zooeven weerlegde, immers erkend wordt, dat op de betrekkelijke verhoudingen ook het wereldlijk recht van invloed is geweest en daarin wijziging heeft gebracht, welk een en ander bij de te nemen beslissing in aanmerking had moeten worden genomen, - dat desniettemin de al of niet juistheid van het beroep op de aangehaalde artikelen nader dient te worden onderzocht;
Overwegende hieromtrent:
dat van de in de eerste drie alinea's van het middel opgenomen in dezen alleen in aanmerking komt artikel 3 der Wet houdende Algemeene Bepalingen, en wel in verband daarmede, dat het Hof in de 13de overweging van zijn arrest stelt, dat het recht ten aanzien der pastorieën in de 17de en de 18de eeuw in hoofdzaak meer het karakter draagt van gewoonterecht dan van geschreven recht;
Overwegende dat, zij het dan, dat voor de stelling, door het Hof na uitvoerig betoog als juist aangenomen, namelijk: dat de pastorie thans nog is een stichting waarvan de predikant is orgaan en beheerder, niet een beroep te doen is op een uitdrukkelijke wetsbepaling omtrent dit punt noch op eene, zooals bij gemeld artikel 3 bedoeld, - het evenmin betwistbaar is, dat, gegeven de juistheid dier stelling ten aanzien van den tijd vóór de invoering der nationale wetgeving, het niet de gewoonte is, krachtens welke die stichting als zoodanig in stand blijft, immers juist een bepaalde en ondubbelzinnige wetsuiting der bevoegde overheid noodig zoude zijn, om haar bestaan te doen ophouden of zelfs maar daarin wijziging te brengen;
Overwegende dat alzoo van schending of verkeerde toepassing van artikel 3 der genoemde wet niet wel de rede kan zijn, te minder nu bij het stellen daarvan wordt over het hoofd gezien, dat bedoeld artikel niet anders op het oog kan hebben gehad dan een wet, welke hetzij gelijktijdig, hetzij later dan die wet in werking is getreden;
Overwegende dat ten aanzien van de in de vierde alinea van het middel opgenomen artikelen van de resoluties der Staten van Friesland, als souvereinen van dat gewest, in den tijd van de Republiek der Vereenigde Nederlanden, van schending of verkeerde toepassing der daarin opgenomen laatste twee wetsbepalingen niet wel de rede kan zijn, omdat zij uitsluitend handelen over de verkiezing van predikanten, terwijl omtrent de andere valt op te merken, dat van 1580 tot 1603 die staatsresoluties geenszins hebben beoogd noch tengevolge gehad, dat de pastorie-goederen als zelfstandig geheel, niet meer zouden
strekken tot onderhoud der predikanten, maar alleen betroffen het beheer dier goederen, terwijl ook ten aanzien daarvan, reeds aanvankelijk in 1584 tot den vroegeren toestand werd teruggekeerd, welke terugkeer als in 1603 voltooid moet worden beschouwd, zoodat toen de destijds voor de vermogensrechtelijke verhoudingen der kerkelijke instellingen onbetwist bevoegde burgerlijke overheid, behoudens dan haar toezicht, den toestand, welke vóór de reformatie te dezen aanzien bestond, had hersteld;
Overwegende dat, gelijk hiermede vaststaat, tot op de revolutie, in het laatst der 18de eeuw, de rechtsverhouding nog deze was, evenals vroeger: de pastorie zelfstandige stichting tot onderhoud van den predikant en deze het haar beheerend orgaan;
Overwegende dat met de "wetten betreffende de scheiding van Kerk en Staat", gelijk zij bij pleidooi gezamenlijk door den advocaat der eischers zijn aangeduid, wel bedoeld zullen zijn die, welke in de volgende vijf alinea's van het middel zijn opgenomen, maar deze door de beslissing van het Hof niet zijn geschonden of verkeerd toegepast;
Overwegende dat dit alleen het geval zoude kunnen zijn, indien op grond daarvan zoude moeten worden aangenomen, dat in de zoo even kortelijk geformuleerde rechtsverhouding, om welke het in dezen gaat, een verandering in den zin der eischers zoude zijn tot stand gekomen;
Overwegende dat dit niet het geval is, daar het Decreet der Nationale Vergadering van 5 Augustus 1796, hetwelk juist bepaaldelijk inhoudt, dat het "onderhoud van de leeraaren der geweezen Heerschende Kerk ... op den zelfden voet blijft voortduren", waaraan de genoemde publicaties van het Provinciaal Bestuur van Friesland niets hebben veranderd, die van 1796 niet, omdat zij niets behelst, hetwelk in dit opzicht aan het decreet der Nationale Vergadering iets onttrok of daarin wijziging bracht, en evenmin die van 23 Februari 1797;
Overwegende met betrekking tot deze laatste, dat hoewel zij blijkens hare inleiding strekte om de "in voorige tijden genomene resolutien betrekkelijk den Kerkeorde en de verkiezing der leeraaren van de Hervormde Kerkgemeenten in te trekken en buiten effect te stellen voor zooverre door de hoogste politique magt in dit gewest daaromtrent mogt besloten, of sanctien verleend zijn" en zij inderdaad ook vernietigde "alle resolutieen publicatien of ordonnantien omtrent de kerkelijke bestelling van de Hervormden en betrekkelijk de verkiezing van predikanten, speciaalijk de resolutie van den 14 Maart 1645 nopens de verkiezing van leeraren van de Gereformeerde religie", deze publicatie toch slechts handelde over de benoeming der ambtsdragers in de Hervormde Kerk, en allerminst betrekking had op vermogensrechtelijke verhoudingen, met name niet betrof besluiten der vroegere "politique magt" dienaangaande;
Overwegende dat de aangehaalde artikelen der Staatsregelingen van 1798 en 1801 hier onbesproken kunnen blijven, omdat zij in het algemeen niet ter zake dienende zijn, terwijl het vierde additioneele artikel der eerstgenoemde het onderhavige geschil niet raakt, nu met de "geestelijke goederen" waarvan het de nationaalverklaring inhoudt, de pastoralia niet zijn beoogd, gelijk uit de geschiedenis van zijn ontstaan klaarblijkelijk voortvloeit en ook al ware dit niet zoo, het op die goederen nimmer is toegepast, en bij artikel 13 der Staatsregeling van 1801 de toen bestaande toestanden ten aanzien van het bezit der Kerkgenootschappen rechtens zijn verklaard;
Overwegende dat het niet wel is in te zien in welk opzicht de artikelen der opvolgende grondwetten, zooals die in de tiende alinea van het middel zijn opgenomen in dezen zouden zijn geschonden of verkeerd toegepast, zoodat dit nu nog zoude moeten worden onderzocht omtrent de artikelen van de Kerkrechtelijke reglementen en daarmede verband houdende Koninklijke Besluiten, in de laatste vijf alinea's van het middel
aangehaald, ware het niet dat deze in cassatie niet ter toetse kunnen worden gebracht,
Overwegende toch dat deze niet kunnen worden beschouwd als te vallen onder de wetten of wettelijke verordeningen beoogd bij artikel 99 der Wet op de Rechterlijke Organisatie, omdat zij niet zijn uitgegaan van een openbaar gezag, dat de bevoegdheid daartoe aan de wet, in den zin van een regeling door de wetgevende macht ontleent;
Overwegende dat zulks in het oog springt, waar men heeft te doen met een zuiver statuut der Kerk zooals het Algemeen reglement voor de Hervormde Kerk in het Koninkrijk der Nederlanden, al moge dit zijn bekrachtigd bij Koninklijk Besluit van 23 Maart 1852 nº 3, maar dit evenzeer het geval is met de in de drie laatste alinea's genoemde reglementen, hoewel daar de wereldlijke overheid bij de vaststelling meer of minder heeft medegewerkt, vermits deze slechts zijn aan te merken als regelingen van kerkelijken aard, welke de Koning zich bij gebreke van ander bestaand bevoegd of erkend gezag geroepen achtte zich aan te trekken, om aan de bestaande regeeringloosheid immers onzekerheid een einde te maken, of daarin tegemoet te komen, en welke ook sindsdien in de Kerk hebben gegolden en zijn nageleefd;
Overwegende dat ten aanzien van het in de twaalfde alinea genoemde Koninklijk Besluit van 9 Februari 1866 (Staatsblad nº 10), welks geldigheidsduur bij dat van 3 Februari 1869 (Staatsblad nº 20) enkel is verlengd, hetzelfde het geval is, voorzoover het evenmin steunt op den oorsprong uit een bevoegd openbaar gezag;
Overwegende daarbij dat gemeld Koninklijk Besluit van 1866 voor zoover het binnen 's Konings bevoegdheid lag de regelingen der Koninklijke Besluiten van 12 December 1823 (Staatsblad n° 83) en van 12 December 1827 (nº 45) in te trekken, niet te gelijkertijd met die besluiten kan zijn geschonden, en daarop dan ook in deze geen middel van cassatie gebouwd, terwijl dit laatste evenzeer is aan te nemen voor zoover het Koninklijk Besluit betrof het afstand doen door den Koning, van de door hem sinds de bepalingen dier besluiten en van dat van 14 September 1833 (nº 102) terecht of ten onrechte uitgeoefende bevoegdheden;
Overwegende dat alzoo het eerste onderdeel van het middel is ongegrond, gelijk zulks ook met het tweede het geval is, vermits de in het daarbij bedoelde reglement neergelegde regeling niet is uitgegaan, zooals het Hof vaststelt van daartoe Kerkrechtelijk bevoegde, noch steunt op bevoegdelijk gegeven voorschriften, en van een erkenning van den feitelijk bestaan hebbenden toestand door partij [verweerder 1] , naar de 39ste tot en met 42ste overweging van het arrest niet de rede kan zijn, terwijl uit al het voorafgaande volgt, dat de aangehaalde artikelen door de niet-erkenning dier regeling, voor zoover in cassatie voor onderzoek vatbaar, niet zijn geschonden of verkeerd toegepast;
Overwegende ten slotte dat ook het derde onderdeel niet tot cassatie kan leiden, nu 's Hofs uitspraak, wijziging brengende in die der Rechtbank, met den veranderden toestand op juiste wijze rekening heeft gehouden, immers daarbij is beslist, dat de eischers in hunne qualiteit niet gerechtigd zijn tot het beheer, derhalve geen beheerders zijn, en ds. [verweerder 1] , slechts daartoe gerechtigd was, zoolang hij de hoedanigheid van beheerder had, dit wil zeggen: totdat hij zijn emeritaat had verkregen, alzoo de gerechtigdheid tot voering van het beheer der onderhavige pastoralia heeft verbonden gehouden aan het predikantschap der betrekkelijke gecombineerde Kerkgemeenten;
Overwegende dat derhalve het beroep in zijn geheel is ongegrond;
Verwerpt het beroep in cassatie;
Veroordeelt de eischers in de kosten aan zijde van den eersten verweerder tot op de uitspraak van dit arrest begroot op vijf gulden veertig cent aan verschot en op zeshonderd gulden voor salaris, en aan zijde der beide laatste verweerders op niets.
Gedaan bij de Heeren Mrs. Gratama, President, Loder, Fentener van Vlissingen, Jhr. Feith en Kosters, Raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van den vierden Maart 1900 Een en Twintig, in bijzijn van Mr. Ledeboer, Advocaat-Generaal.