Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/17.4.2
17.4.2 Vertrouwen op beweringen
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS451004:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Rb Amsterdam 7 november 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:7415, sub 4. ‘Enkel in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie’ kan de conclusie worden getrokken ‘dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt’.
Zo ook: V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering. Een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning (diss. VU), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2013, p. 329-334, 343-349.
Artikel 8 Richtlijn 2011/36/EU van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad, PbEU 2011, L 101/1.
Beweringen spelen bij de samenwerking in strafzaken op diverse manieren een rol. Eerder is al gewezen op het verzoek als vehikel van allerlei beweringen waar het vertrouwen betrekking op heeft. Dat kunnen beweringen van feitelijke, juridische of gemengde aard zijn. Ook andere documenten die het verzoek flankeren bevatten dergelijke beweringen.
In algemene zin lijkt het EU-kader geen wezenlijke aanknopingspunten te bieden voor een sterker vertrouwen op beweringen van feitelijke aard.
De uniformering van de wijze waarop de ene lidstaat door de andere lidstaat wordt aangezocht, door middel van een gestandaardiseerd bevel waarvan het model doorgaans in de toepasselijke EU-wetgeving wordt geregeld, zorgt mogelijk voor enige versterking in dat opzicht doordat weinig discussie meer mogelijk is over hetgeen wel of niet moet worden vermeld. Tegelijkertijd is dat van zeer beperkte betekenis voor dit onderdeel van het vertrouwensbeginsel. Doorgaans gaat het om op zichzelf duidelijke feitelijke vraagstukken, zoals de aan een verdenking ten grondslag liggende feiten. Of die juist worden weergegeven valt of staat niet met een uniform model-bevel.
Het bevorderen van Europese netwerken van en contact tussen justitiële organisaties, onderdeel van de vertrouwensagenda, kan hier van betekenis zijn. Mocht er immers sprake zijn van onduidelijkheden of vragen, dan kunnen die sneller worden opgehelderd. Van wantrouwen is dan niet per se sprake, maar een dergelijke ontwikkeling betekent wel dat het verzoek niet bij elke onduidelijkheid of openstaande vraag behoeft te worden geweigerd.
Voor de juistheid van juridisch getinte beweringen is het noodzakelijk onderscheid te maken tussen op het nationale recht gebaseerde beweringen en beweringen over internationaal recht, in het bijzonder EU-recht. Voor die eerste beweringen is van belang dat harmonisatie van nationaal straf(proces)recht onderdeel is van de vertrouwensagenda. Men kan zeggen dat een dergelijke harmonisatie reden is minder snel op beweringen van de andere staat te vertrouwen. Hoe meer het recht van verschillende lidstaten gelijkenis vertoont, hoe eenvoudiger het is om de juistheid van het recht van een andere staat te beoordelen. Voorts is niet zonder meer gezegd dat de lidstaat die beweringen doet over zijn eigen recht het altijd bij het juiste eind heeft. Aan de andere kant dicteert EU-wetgeving in veel gevallen wel dat wordt vertrouwd op beweringen betreffende het eigen recht door de autoriteit van een (verzoekende) lidstaat. Duidelijk voorbeeld is het gebruik van lijsten met feiten waarvoor de eis van dubbele strafbaarheid niet geldt. Voor de vraag of een verzoekende staat een bepaald strafbaar feit terecht als lijstfeit heeft aangemerkt is de beoordeling door de autoriteiten van die staat beslissend. Zelfs een zeer marginale beoordeling van de juistheid van het aanmerken van een bepaald feit als lijstfeit, zoals door de Rechtbank Amsterdam in overleveringszaken gehanteerd,1 lijkt op grond van het Kaderbesluit Europees aanhoudingsbevel niet toegestaan.2 In recentere instrumenten is het systeem van lijstfeiten echter genuanceerd en in enkele gevallen zelfs facultatief gemaakt. Daarmee lijkt de Unie te zijn teruggekomen op de aanname dat er voldoende onderling vertrouwen bestaat tussen de lidstaten om over te gaan tot het zonder voorbehoud introduceren van een systeem van lijstfeiten, en dus ook tot het opleggen van vertrouwen op beweringen over als lijstfeiten te categoriseren feiten in een concreet geval van samenwerking.
Voor beweringen betreffende het EU-recht is van belang dat de finale uitleg daarvan een taak is van het Hof van Justitie. Bij twijfel over de juistheid van een bewering aangaande het EU-recht lijkt een prejudiciële vraag aangewezen. Daarbij is het zo dat elke rechter die zich voor een bepaalde vraag van uitleg van EU-recht gesteld ziet, een prejudiciële vraag kan en soms zelfs moet stellen. Dit kan ook de rechtshulprechter zijn die over de inwilliging van een bevel moet oordelen. Het is dus niet zo dat alleen de rechter in de ‘verzoekende’ lidstaat prejudiciële vragen kan stellen en daarom is er ook geen reden om terughoudend te zijn in de toetsing van een bepaalde uitleg van EU-recht, althans niet op grond van het systeem van prejudiciële vragen. Wel kan worden gezegd dat de uitleg van een punt van EU-recht soms zo nauw samenhangt met een exclusief aan de ‘verzoekende staat’ opgedragen onderdeel van het samenwerkingsinstrument dat de rechter in die staat om die reden de aangewezen figuur is het EU-recht uit te leggen en eventueel een prejudiciële vraag te stellen. Een voorbeeld kan dit verhelderen: stel dat de overlevering wordt verzocht ter berechting van vreemdeling die wordt verdacht van het bezit van een vals paspoort. Deze vervolging kan in strijd komen met het non punishment-beginsel zoals dat in het Vluchtelingenverdrag, maar ook in de Richtlijn mensenhandel is opgenomen: het slachtoffer van mensenhandel wordt niet vervolgd ‘wegens gedwongen betrokkenheid bij criminele activiteiten die een rechtstreeks gevolg is van’ die mensenhandel.3 Verdedigd kan worden dat de strafrechter die na overlevering verantwoordelijk is voor de berechting zich hierover moet buigen en dat hij, in geval van onduidelijkheid, prejudiciële vragen dient te stellen. Het is dan niet de overleveringsrechter die zich daarmee moet bezighouden, ook al zou die zelf ook best duidelijkheid kunnen verkrijgen over de uitleg van dit onderdeel van het EU-recht.