Zie bijvoorbeeld: Tweede Kamer, vergaderjaar 1999–2000, 26800 B, nr. 9, waarin staat: ‘De verhouding tussen kerk en staat wordt in Nederland in staatsrechtelijke zin gekenmerkt door het beginsel van scheiding tussen kerk en staat. In het eindrapport dat de commissie van advies inzake de criteria voor steunverlening aan kerkgenootschappen en andere genootschappen op geestelijke grondslag (Commissie Hirsch Ballin) in maart 1988 aan het kabinet heeft uitgebracht, komt deze commissie tot de conclusie dat dit beginsel zich niet verzet tegen steunverlening door de staat aan genootschappen op geestelijke grondslag, mits de organisatorische genootschappen op gelijke voet worden behandeld en de overheid zich onthoudt van maatregelen die ertoe strekken een bepaalde godsdienst of levensbeschouwelijke richting te bevorderen ten koste van anderen’
HR, 12-08-2016, nr. 15/05590
15/05590
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
12-08-2016
- Zaaknummer
15/05590
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2016:1901, Uitspraak, Hoge Raad, 12‑08‑2016; (Cassatie)
Beroepschrift, Hoge Raad, 12‑08‑2016
- Vindplaatsen
NLF 2016/0006 met annotatie van Egbert Monsma
BNB 2016/200 met annotatie van J.A. MONSMA
Belastingblad 2016/419 met annotatie van S. BOSMA
NLF 2017/0379 met annotatie van Yves Gassler
NTFR 2016/2114 met annotatie van mr. J.F. Kastelein MRE MRICS RV
FutD 2016-2009
Viditax (FutD) 2016081212
Uitspraak 12‑08‑2016
Partij(en)
12 augustus 2016
nr. 15/05590
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam van 25 november 2015, nrs. ROT 14/7575 en 14/7576, betreffende de ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken en de aanslagen in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Molenwaard voor de jaren 2013 en 2014 betreffende de onroerende zaak [a-straat 1] te [Z] (hierna: de onroerende zaak). De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Molenwaard heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende is eigenaar van de onroerende zaak. De onroerende zaak bestaat uit een perceel grond met een oppervlakte van 1173 m² en het daarop gelegen gebouwde eigendom (hierna: het gebouw). Het gebouw is gelegen tegenover een kerkgebouw van [D] (hierna: het kerkgebouw).
2.1.2.
Tijdens de in het kerkgebouw gehouden eredienst op zondagmorgen wordt het gebouw gebruikt als crèche. Daarnaast wordt het gebouw onder meer gebruikt voor zondagsschool, jeugdclubs, catechisaties, bijeenkomsten voor Bijbelstudie en een mannenkring.
2.2.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat de waarderingsuitzondering van artikel 220d, lid 1, aanhef en letter c, Gemeentewet en artikel 2, lid 1, aanhef en letter g, Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken, niet van toepassing is. Hiertoe heeft de Rechtbank overwogen dat in het algemeen geldende spraakgebruik in een christelijke context onder een openbare eredienst moet worden verstaan een kerkdienst ter gezamenlijke verering van God en dat de onder 2.1.2 genoemde activiteiten niet daaronder kunnen worden begrepen. De Rechtbank heeft voorts overwogen dat de wetgever met de uitbreiding van de waarderingsuitzondering voor kerken per 1 januari 1995 heeft beoogd onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard onder de waarderingsuitzondering te brengen teneinde geen onderscheid te maken tussen godsdienstige en andere levensbeschouwingen, niet om christelijke activiteiten die niet zijn aan te merken als een openbare eredienst, alsnog onder de waarderingsuitzondering te brengen.
2.3.1.
Belanghebbende komt met het eerste middel tegen voormeld oordeel op met het betoog dat de in onderdeel 2.1.2 genoemde activiteiten, gelet op de uitspraken van Hof Arnhem van 14 juli 2003, nr. 01/02169, ECLI:NL:GHARN:2003:AI0192, en van 28 september 2004, nr. 03/02493, ECLI:NL:GHARN:2004:AR4814, moeten worden aangemerkt als openbare eredienst dan wel openbare bezinningssamenkomst van levensbeschouwelijke aard.
2.3.2.
Het middel faalt. Het in onderdeel 2.2 weergegeven oordeel van de Rechtbank geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 7 mei 1980, nr. 19807, ECLI:NL:HR:1980:AW9982, BNB 1980/177) en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
2.4.1.
De Rechtbank heeft het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn afgewezen. Zij heeft daartoe overwogen dat vergoeding van immateriële schade als regel alleen bij natuurlijke personen aan de orde is, maar dat rechtspersonen ook in aanmerking kunnen komen voor een dergelijke vergoeding indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden. Naar het oordeel van de Rechtbank rust daarbij op de belanghebbende een verzwaarde stelplicht.
2.4.2.
Hiertegen is het derde middel gericht. Het middel gaat kennelijk en terecht ervan uit dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld en dat dit uitgangspunt evenzeer geldt voor natuurlijke personen als voor rechtspersonen en andere entiteiten (vgl. HR 19 februari 2016, nr. 14/03907, ECLI:NL:HR:2016:252, BNB 2016/140, onderdeel 3.15).
Tot cassatie kan dit echter niet leiden. Tussen de indiening van het bezwaarschrift op 11 april 2013 en de uitspraak van de Rechtbank op 25 november 2015 zijn twee jaar en ruim zeven maanden verstreken. Uit de gedingstukken blijkt dat belanghebbende in haar bezwaarschrift heeft verzocht de uitspraak op het bezwaar aan te houden tot de Rechtbank uitspraak zou hebben gedaan in de procedure over het voorafgaande jaar waarin dezelfde kwestie aan de orde was. De Rechtbank heeft in die procedure uitspraak gedaan op 8 augustus 2014. Vervolgens heeft belanghebbende in beroep gevraagd om de uitspraak aan te houden tot zou zijn beslist op het hoger beroep tegen die uitspraak van de Rechtbank.
De hiervoor vermelde omstandigheden laten geen andere conclusie toe dan dat de overschrijding van de termijn van twee jaar voor bezwaar en beroep uitsluitend is toe te schrijven aan de inwilliging van de verzoeken van belanghebbende. Onder die bijzondere omstandigheden bestaat voor toekenning van een vergoeding van immateriële schade geen aanleiding.
2.5.
De middelen kunnen ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer C. Schaap als voorzitter, en de raadsheren Th. Groeneveld en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2016.
Beroepschrift 12‑08‑2016
Edelhoogachtbaar College,
Uw brief van 11 december 2015 ontvingen wij in goede orde. Naar aanleiding hiervan wenst ondergetekende — ten deze handelend als gemachtigde van [X] [Z] (hierna [X]) op basis van de reeds op 22 december 2015 toegezonden machtiging van 22 december 2015 — binnen de daarvoor door u gestelde termijn de gronden van het beroep in cassatie in te dienen.
Inleiding:
De gemeente Liesveld (rechtsvoorganger van de gemeente Molenwaard) heeft in het verleden tot en met het jaar 2010 een vrijstelling voor de WOZ en de onroerende-zaakbelastingen (hierna OZB) verleend voor het object [A-STRAAT 1] zijnde het ‘jeugdgebouw’ gelegen naast het kerkgebouw waarin o.a. jeugd- en kinderdiensten worden gehouden. De NHG kwam volgens de gemeente Liesveld in aanmerking voor de zogenaamde ‘kerkenvrijstelling’ omdat het jeugdgebouw voor meer dan 70% werd gebruikt voor activiteiten die vielen onder de vrijstellingen van artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten wet WOZ (hierna URUOW) en artikel 220d, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Gemeentewet (hierna: de kerkenvrijstelling). De kerkenvrijstelling werd door de gemeente Liesveld aan [X] verleend voor het ‘jeugdgebouw’ na een bezwaarprocedure waarin werd gewezen op jurisprudentie van het Hof Arnhem, te weten Hof Arnhem, zaaknummer 01-02169, ECLI:NL:GHARN:2003:AI0192 en Hof Arnhem, zaaknummer 03-02493, ECLI:NL:GHARN:2004:AR4814. Er was derhalve vanuit de gemeente sprake van een welbewuste standpuntbepaling, ook met betrekking tot de zogenaamde ‘hoofdzaakeis’.
In 2011 is na een fusie de gemeente Liesveld opgegaan in de gemeente Molenwaard. Er heeft bovendien een wijziging plaatsgevonden in de uitvoeringsorganisatie voor de gemeentelijke heffingen van de gemeente (uitvoering vanaf 2011 door de SVHW). In 2011 is de ‘kerkenvrijstelling’ opnieuw aan de orde gesteld door de SVHW, waarbij de door ons genoemde Hofuitspraken door de SVHW terzijde werden geschoven. Slechts op basis van een rechtens te beschermen opgewekt vertrouwen werd voor het jaar 2011 de ‘kerkenvrijstelling’ alsnog verleend voor het jeugdgebouw, waarbij het vertrouwen gelijktijdig werd opgeheven. Bij u ligt voor het jaar 2012 op dit moment het ontstane geschil aan uw Raad ter beoordeling voor met zaaknummer 15/05555. De WOZ/OZB voor het object [A-STRAAT 1] voor de jaren 2013 en 2014 zijn thans in geschil na ons cassatieberoep tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam met zaaknummer ROT 14/7575 en ROT 14/7576, d.d. 25 november 2015.
Wij zijn van mening dat ons cassatieberoep van belang is vanwege het feit dat er thans tegenstrijdige uitspraken van het Hof Arnhem en de Rechtbank Rotterdam liggen. De Rechtbank Rotterdam oordeelt in de door ons bestreden uitspraak ons inziens voor soortgelijke activiteiten waarvoor het Hof Arnhem in ECLI:NL:GHARN:2003:AI0192 en ECLI:NL:GHARN:2004:AR4814 de kerkenvrijstelling heeft verleend, dat deze activiteiten niet kunnen delen in de kerkenvrijstelling (zie overwegingen 2, 2.1. en 2.2 van de Rechtbank). Vanuit het oogpunt van eenheid van rechtspraak is een finaal oordeel van uw Raad haar onze mening noodzakelijk. In het navolgende gedeelte zullen wij derhalve onze cassatiemiddelen tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam uiteenzetten.
Motivering:
De Rechtbank heeft geoordeeld in overwegingen 2, 2.1. en 2.2. dat de vraag of bij de bepaling van de waarde van het WOZ-object de waarderingsuitzondering (kerkenvrijstelling) dient te worden toegepast, ontkennend moet worden beantwoord. Dat oordeel van de Rechtbank Rotterdam bestrijden wij met onderstaand middel.
Middel 1:
Het oordeel van de Rechtbank dat de kerkenvrijstelling voor het object [A-STRAAT 1] niet van toepassing is, is in strijd met artikel 220d, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Gemeentewet en artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de URUOW. Dit oordeel van de Rechtbank zoals gegeven in rechtsoverweging 2, 2.1. en 2.2. is in strijd met het recht en/of geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk in het licht van de gedingstukken dan wel is onvoldoende gemotiveerd.
Onderbouwing middel 1:
Wij zijn van mening dat het oordeel van de Rechtbank in onderdeel 2, 2.1. en 2.2. niet kan standhouden zonder nadere motivering. Daartoe dient ons inziens het volgende in aanmerking te worden genomen.
Artikel 220d van de Gemeentewet bepaalt:
- 1.
In afwijking in zoverre van artikel 220c wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:
…
- c.
onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
…
Wij zijn van mening dat de Rechtbank niet heeft kunnen volstaan met de vaststelling dat: ‘Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de crèche, de zondagschool, jeugdclubs, catechisaties, bijeenkomsten voor Bijbelstudie, de mannenkring en incidentele bezinningsbijeenkomsten, niet zijn aan te merken als openbare erediensten.’
Het oordeel van de Rechtbank kan ons inziens geen stand houden omdat de wettekst van de vrijstelling per 1 januari 1995 anders luidt en op grond van die wettekst beoordeeld moet worden of: ‘onroerende zaken in hoofdzaak bestemd zijn voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard’ (hierna: kwalificeren onder ‘het begrip’).
Het oordeel van de Rechtbank is gezien de processtukken met uitvoerige beschrijving van de activiteiten en de omvang van de activiteiten in dit licht bezien onbegrijpelijk. Namens belanghebbende is voor elke afzonderlijke activiteit gemotiveerd aangegeven waarom deze activiteit — onder de hedendaagse maatschappelijke opvattingen — onder ‘het begrip’ zou kunnen vallen. Daarbij is bovendien gewezen op de openbare jeugd- en kinderdiensten die volgens het Hof Den Haag, d.d. 29-08-1990, nr. 1679/88, belastingblad 1991, p.181 onder de term openbare eredienst kunnen vallen. Uit het bezettingsoverzicht voor 2012 blijkt bovendien dat is voldaan aan de hoofdzaakeis, zoals dat in het verleden ook door de gemeente werd erkend (ook op basis van beoordeling op grond van tijd- en ruimtebesteding van de onroerende zaak). Het oordeel van de Rechtbank Rotterdam steekt te meer gezien het feit dat door ons is gewezen op constante jurisprudentie van het Hof Arnhem in ECLI:NL:GHARN:2003:AI0192 en ECLI:NLGHARN:2004:AR4814, die is uitgesproken na de ‘uitbreiding’ van de vrijstelling per 1 januari 1995. Soortgelijke activiteiten worden door het Hof Arnhem wel gekwalificeerd onder de ‘het begrip’ en de daaraan gekoppelde vrijstelling. Deze aan de Rechtbank voorgehouden uitspraken van het Hof Arnhem vormden bovendien de meest recente jurisprudentie omtrent de ‘kerkenvrijstelling’ zodat deze de hedendaagse opvattingen omtrent de activiteiten die onder de vrijstelling kunnen vallen het meest weerspiegelen. Vanuit het oogpunt van eenheid van rechtspraak had de Rechtbank de uitspraken van het Hof Arnhem moeten volgen, dan wel uit het oogpunt van rechtsvinding en rechtszekerheid gemotiveerd moeten weerspreken.
Rechtsoverweging 2, 2.1. en 2.2 voldoen ons inziens derhalve niet aan een voldoende draagkrachtige motivering nu de uitspraken van het hof Arnhem onbesproken zijn gebleven, zodat de uitspraak ons inziens niet in stand kan blijven. Het voorgaande in aanmerking nemende, geven wij uw Raad in overweging om de uitspraak van de Rechtbank te casseren en de zaak zelf af te doen door te bepalen dat de ‘kerkenvrijstelling’ wel van toepassing is op de volgende activiteiten.
Zoals door ons is gesteld in beroep dient de zondagschool op zondagmiddag als een hedendaagse ‘kinderdienst’ te worden beschouwd. Overigens zijn deze zondagschoolgroepen evenals de erediensten in de kerk vrij toegankelijk en openbaar. Het Hof Den Haag oordeelde reeds in Hof 's‑Gravenhage, 29 augustus 1990, nr. 1679/88, Belastingblad 1991, p. 181, dat openbare jeugd- en kinderdiensten onder de term ‘openbare eredienst’ kunnen vallen zoals dat destijds in de wetgeving was opgenomen. Wij zijn derhalve van mening dat de zondagschoolgroepen als ‘kinderdiensten’ — zeker onder de hedendaagse maatschappelijke opvattingen — onder de activiteiten die onder ‘het begrip’ vallen, kunnen worden gerangschikt. Ook de tweewekelijks — na de avonderedienst op zondag — gehouden jeugdvereniging, waarbij wordt gezongen, bijbel gelezen en waarbij in groepjes over het onderwerp wordt gesproken, dient ons inziens als een vorm van jeugddienst te worden beschouwd en als zodanig als openbare eredienst te worden aangemerkt. Het kopje koffie/thee etc. en de ontspannende activiteit tussendoor, doen daaraan niets af. Deze tweewekelijkse ‘jongerendienst’ (16+) in het object [A-STRAAT 1], is eveneens mede gezien het feit dat deze aansluitend aan de eredienst in de kerk ([A-STRAAT 2]) wordt gehouden, aan te merken als jeugd(neven)dienst en is derhalve als zodanig als ‘openbare eredienst’ te beschouwen, aangezien ook deze bijeenkomsten worden aangekondigd, openbaar en vrij toegankelijk zijn. Met betrekking tot de hierboven genoemde activiteiten kan er ons inziens geen discussie bestaan of deze onder de noemer van ‘de kerkenvrijstelling’ kunnen vallen.
Met betrekking tot de crèche die openbaar toegankelijk is en gehouden wordt tijdens de morgen- eredienst voor de jongste kinderen, nemen wij het standpunt in dat deze activiteiten ten behoeve van de openbare eredienst worden gehouden. De (jongste) kinderen worden overigens tijdens de crèche bezig gehouden met christelijke liederen zingen, verhalen uit de bijbel lezen, knutselen met christelijke (thema)materialen etc. Naar onze mening kan deze activiteit vallen onder ‘het begrip’ zoals dat door het Hof Arnhem is uitgebreid en toegepast in de Hofuitspraken zoals eerder genoemd.
Ook de doordeweekse bijeenkomsten zoals jeugdclubs, catechisaties, mannenkring, Bijbelstudies en incidentele bezinningsbijeenkomsten die allen openbaar zijn en ontegenzeggelijk in het verlengde liggen van de zondagsdienst en waarbij godsdienstige verering eveneens voorop staat, zodat deze als (een onderdeel van een) openbare eredienst zijn aan te merken, met een beroep op Hof Arnhem d.d. 14-07-2003, ECLI:NL:GHARN:2003:AI0192. Zo deze activiteiten niet als (onderdeel van de) openbare eredienst zijn aan te merken, nemen wij op grond van Hof Arnhem, 28-09-2004, het standpunt in dat deze wel als openbare bezinningsbijeenkomst onder de noemer van ‘het begrip’ zijn te rangschikken. Voor dit standpunt verwijzen wij u naar al hetgeen door ons in bezwaar- en (hoger) beroepsfase is aangevoerd hieromtrent. Daarbij willen wij voor de catechisaties uitdrukkelijk het standpunt innemen, dat dit in de hedendaagse tijd geen leerbijeenkomsten meer zijn, maar veeleer bezinnings- bijeenkomsten waarin wordt gezongen, bijbel gelezen en een christelijk thema wordt besproken. Kort samengevat komt dit standpunt er op neer dat de jeugdclubs, catechisaties, mannenkring, Bijbelstudie en incidentele bezinningsbijeenkomsten, kunnen worden aangemerkt als bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard en zo kunnen worden gerangschikt als activiteiten die onder ‘het begrip’ vallen. Volgens het Hof Arnhem in de uitspraak van 28-09-2004 (ECLI:NL:GHARN:2004:AR4814), zijn deze bijeenkomsten allen bijeenkomsten die kwalificeren voor de ‘kerkenvrijstelling’.
Gezien het bezettingsoverzicht 2012 voor het gebouw [A-STRAAT 1] dat tot de gedingstukken behoort in de zaak met zaaknummer F/ 15/0555 bij uw Raad en mede gezien de uit het verleden geldende constatering (t/m 2010) dat voor het object aan de hoofdzaakeis van 70% wordt voldaan (als de bovenstaande activiteiten kwalificeren onder de ‘kerkenvrijstelling’) — mede in het licht bezien vanuit het nauwelijks wijzigende gebruik van het object door de jaren heen — zijn wij van mening dat ook in 2013 en 2014 voldaan is aan de hoofdzaakeis. Mocht u op dit punt een andere mening hebben dan wijzen wij u op het bewijsaanbod dat in het beroepschrift van 30 oktober 2014 gedaan is waarbij een bezettingsoverzicht voor de jaren 2013 en 2014 aangeboden is aan de Rechtbank (zie laatste zin van de 3e alinea op blz. 4 van het beroepschrift). Wij geven u dan ook in overweging de uitspraak van de Rechtbank te casseren en de ‘kerkenvrijstelling’ toe te passen voor het object [A-STRAAT 1], zodat de WOZ-waarde alsmede de OZB vastgesteld kunnen worden op € nihil. Voor zover u twijfelt aan het voldoen aan de hoofdzaakeis in de jaren 2013 en 2014 verzoeken wij u op basis van het bewijsaanbod aan de Rechtbank om de zaak te verwijzen naar een Hof voor een onderzoek terzake van het voldoen aan de hoofdzaakeis, waarbij een bezettingsoverzicht voor 2013 en 2014 kan worden ingediend namens belanghebbende.
Middel 2:
Het oordeel van de Rechtbank dat de beroepsgrond faalt dat er een onredelijk en willekeurig onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds openbare bezinningsamenkomsten van levensbeschouwelijke aard die worden georganiseerd door genootschappen op levensbeschouwelijke grondslag die geen kerkgenootschappen zijn en anderzijds openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard die worden georganiseerd door kerkgenootschappen en dat met het maken van dit onderscheid (zo dit rechtens al juist zou zijn) sprake is van strijd met eenieder verbindende verdragsbepalingen, in het bijzonder artikel 26 van het IVBPR, artikel 14 EVRM, artikel 1 Eerste Protocol bij EVRM, is onbegrijpelijk. Dit oordeel van de Rechtbank zoals tussen de regels door gegeven in rechtsoverweging 2.1. is in strijd met het recht en/of geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk in het licht van de gedingstukken dan wel is onvoldoende gemotiveerd.
Onderbouwing middel 2:
Vooropgesteld dient te worden dat in de hedendaagse maatschappelijke opvattingen ook het christelijk geloof in de hedendaagse ‘brede opvatting’ van het woord levensbeschouwing als een levensbeschouwing is aan te merken (zie bijvoorbeeld: J. de Schepper in zijn boek‘’Wat Christenen geloven’in hoofdstuk 3, sub 2 en 3, blz. 54 t/m 56). Dat deze opvatting over het woord levensbeschouwing een brede toepassing heeft in het huidige tijdsbestek, willen wij nog aantonen met een publicatie van de Triodos Bank op internet, waarin ze een cliënt als Evangeliegemeente de Deur als voorbeeld voor financieringen onder de noemer levensbeschouwing presenteert (zie bijlage 1).
Vanuit dit perspectief bezien verzet het in artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, neergelegde gelijkheidsbeginsel zich tegen een regeling die een verschillende fiscale behandeling kent van enerzijds eigenaren en gebruikers van gebouwen in hoofdzaak bestemd voor openbare bezinningsamenkomsten van levensbeschouwelijke aard die worden georganiseerd door genootschappen op levensbeschouwelijke grondslag die geen kerkgenootschappen zijn en anderzijds eigenaren en gebruikers van gebouwen in hoofdzaak bestemd voor openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard die worden georganiseerd door kerkgenootschappen. Ons inziens kan niet worden volgehouden dat bij een brede opvatting van levensbeschouwing zoals dat heden geldt, uit het begrip ‘bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwende aard’ de christelijke bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard moeten worden uitgesloten, door daarvoor een andere (c.q. zwaardere) eis voor de toepassing van de ‘kerkenvrijstelling’ in het leven te roepen. Dit strookt niet met hedendaagse verkeersopvattingen waarin ‘een christelijke levensbeschouwing’ in een dynamische interpretatie van het begrip levensbeschouwing zeer wel tot de mogelijkheden behoort. Een wetgeving die vervolgens een vrijstelling creëert voor het begrip ‘openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard’ is discriminatoir te noemen als uit dit begrip bij de toetsing de openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard die worden georganiseerd door kerkgenootschappen worden uitgesloten.
Indien uw Raad (met ons) tot het oordeel komt dat de wetgever dit discriminatoire standpunt niet zo heeft bedoeld en/of ingesteld, zijn wij van mening dat de SVHW en met haar de Rechtbank ten onrechte dit onderscheid wel hebben gemaakt door de activiteiten crèche, jeugdclubs, catechisaties, mannenkring, Bijbelstudie en incidentele bezinningssamenkomsten ten onrechte niet als openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard te beschouwen waardoor zij allen ten onrechte tot de conclusie zijn gekomen dat voor het object de vrijstelling niet van toepassing was.
Mocht uw Raad met de heffingsambtenaar van oordeel zijn dat de wetgever wel ‘de openbare eredienst’ en ‘het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard’ naast elkaar heeft willen noemen om te bereiken dat de eigenaren en gebruikers van onroerende zaken die in hoofdzaak bestemd zijn voor de openbare eredienst en de eigenaren en gebruikers van onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard, in gelijke mate van de waarderingsuitzondering kunnen profiteren, maar geenszins heeft willen bewerkstelligen dat bij de toepassing van de waarderingsuitzondering wordt voorbijgegaan aan de wezenverschillen tussen godsdienst en (niet-religieuze) levensovertuiging, dan zijn wij van mening dat de eenieder verbindende verdragsbepalingen zoals genoemd zich daartegen verzetten.
De motivering door het SVHW hiervoor gegeven in blz. 4 t/m 6 van het verweerschrift d.d. 5 december 2014, bevat ons inziens al een onmogelijk vol te houden en onbegrijpelijke tegenstelling. Waar wordt gewezen op het bewerkstelligen van een in gelijke mate profiteren van de waarderingsuitzondering, wordt gelijktijdig goedgekeurd dat het toepassingsbereik van de waarderingsuitzondering kan verschillen waarbij de beide toepassingsgebieden elkaar niet overlappen. Ons inziens wordt zo voor gelijke gevallen een verschillende behandeling gecreëerd waarvoor geen objectieve en redelijke rechtvaardiging kan worden gegeven. De door het SVHW daartoe genoemde wezensverschillen tussen godsdienst en levensovertuiging zijn daartoe niet toereikend, aangezien deze wezensverschillen nu juist niet mogen leiden tot ongelijke behandeling. 1. In de door SVHW en rechtbank gekozen richting wordt gekozen voor een behandeling waarbij voor de ‘vrijstelling’ de hoofdzakelijke bestemming van het object voor openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard volstaat voor niet-kerkgenootschappen, maar niet volstaat voor kerkgenootschappen.
Wij geven uw Raad in overweging om de uitspraak van de Rechtbank op dit punt te casseren en op effectieve wijze rechtsherstel te bieden door het begrip ‘onroerende zaken die in hoofdzaak bestemd zijn voor de openbare erediensten of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard’ uit te leggen zoals het Hof Arnhem dat naar onze mening heeft gedaan in zaaknummer 03/02493, d.d. 28-09-2004, ECLI:NL:GHARN:2004:AR4814. Een onroerende zaak voldoet in dat geval aan de criteria voor de vrijstelling indien in hoofdzaak wordt voldaan aan de eis dat deze onroerende zaak bestemd is voor de openbare eredienst en/of voor het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard. Aldus doende valt het object in geschil maar onze mening onder de vrijstelling aangezien van de activiteiten ruimschoots 70% beoordeeld naar gebruik in tijd en ruimte kwalificeren onder de door het hof Arnhem gegeven definities voor de activiteiten van de vrijstelling.
Middel 3:
Schending en/of verkeerde toepassing van het recht, doordat de Rechtbank in overweging 9 heeft geoordeeld dat in gevallen waarin een rechtspersoon verzoekt om een immateriële schadevergoeding er sprake moet zijn van bijzondere individuele omstandigheden waarbij met het oog daarop een verzwaarde stelplicht rust bij eiseres. ‘Die omstandigheden (…) zijn in deze zaken niet gesteld nog(?) gebleken. Het verzoek wordt om die reden afgewezen.’, aldus de Rechtbank. Dit oordeel van de Rechtbank zoals gegeven in rechtsoverweging 9 is in strijd met het recht en/of geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk in het licht van de gedingstukken dan wel is onvoldoende gemotiveerd.
Onderbouwing middel 3:
Nog afgezien van het feit dat de Rechtbank in overweging 9 zal hebben bedoeld ‘gesteld noch gebleken’ is het oordeel van de Rechtbank onbegrijpelijk. Wij zijn van mening dat het oordeel van de Rechtbank in strijd is met vaste jurisprudentie op het punt van immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.
Het oordeel van de Rechtbank in onderdeel 9 kan naar onze mening geen stand kan houden. Daartoe dient ons inziens bijvoorbeeld uw overweging 4.2. in Hoge Raad, 30-01-2015, zaaknummer 14/01954, ECLI:NL:HR:2015:147, in aanmerking te worden genomen.
Bij de beantwoording van de vraag in hoeverre recht bestaat op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn dient in een geval als het onderhavige, waarin verscheidene zaken van een belanghebbende gezamenlijk zijn behandeld, te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp (vgl. HR 21 maart 2014, nr. 12/04057, ECLI:NL:HR:2014:540, BNB 2014/117). Voorts kan het feit dat een aantal belanghebbenden samen een procedure voert of zaken van verschillende belanghebbenden gezamenlijk zijn behandeld een dermate matigende invloed hebben op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die wordt ondervonden door een te lang durende procedure dat dit een reden kan vormen om de wegens schending van de redelijke termijn toe te kennen schadevergoeding te matigen (in dezelfde zin onder meer CBB 24 juni 2014, nr. AWB 08/748 e.a., ECLI:NL:CBB:2014:234, onderscheidenlijk ABRvS 9 februari 2011, nr. 200908260/1/M2, ECLI:NL:RVS:2011:BP3701, AB 2012/107). Bij het laatsteblijft echter voorop staandat iedere belanghebbende bij de procedure of bij de gezamenlijk behandelde zaken een zelfstandig recht op schadevergoeding heeft, ook als de belanghebbende een rechtspersoon is.
Het beginsel dat ook bestuurders van rechtspersonen (en natuurlijke personen die optreden in een zakelijke daarop gelijkende hoedanigheid; die de rechtbank daarmee op een lijn stelt) spanning en frustratie kunnen ondervinden, dient ons inziens het uitgangspunt te zijn. Van omstandigheden die een matigende invloed hebben gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die wordt ondervonden door een te lang durende procedure door in dit geval de kerkbestuurders, is niets gesteld of gebleken. Laat staan van een omstandigheid die een volledig afwijzen van de immateriële schadevergoeding zouden rechtvaardigen. De Rechtbank Rotterdam kwam overigens in ROT/1031 in de procedure van dezelfde belanghebbende over 2012 tot het oordeel dat wel recht om immateriële schadevergoeding bestond. Het andersluidende oordeel van de Rechtbank thans is op dit punt onhoudbaar.
Wij geven uw Raad in overweging de uitspraak van de Rechtbank te casseren op de overweging zoals gegeven onder 9 en de zaak zelf af te doen door een vergoeding voor immateriële schade toe te kennen wegens de overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar en beroepsprocedure in de zaak voor het jaar 2013.
Conclusies
Op grond van al het voorgaande moge ik uw Raad in overweging geven:
- 1.
de uitspraak van het Hof te casseren en de ‘kerkenvrijstelling’ toe te passen voor het object [A-STRAAT 1], zodat de WOZ-waarde alsmede de OZB voor het onderhavige jaar vastgesteld kunnen worden op € nihil;
dan wel,
- 2.
op effectieve wijze rechtsherstel te bieden door het begrip, ‘onroerende zaken die in hoofdzaak bestemd zijn voor de openbare erediensten of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard’ uit te leggen zodat een onroerende zaak voldoet aan de criteria voor de vrijstelling indien in hoofdzaak wordt voldaan aan de eis dat deze onroerende zaak bestemd is voor de openbare eredienst en/of voor het houden van openbare bezinningsbijeenkomsten van levensbeschouwelijke aard. Aldus doende valt het object [A-STRAAT 1] onder de vrijstelling zodat de WOZ-waarde alsmede de OZB voor het onderhavige jaar vastgesteld kunnen worden op € nihil;
en,
- 3.
de zaak op het punt van de immateriële schadevergoeding voor de overschrijding van de redelijke termijn van art. 6 EVRM in de bezwaar- en beroepsfase voor de procedure over 2013 zelf af te doen door deze voor deze zaak vast te stellen op € 1.000.
Tevens verzoeken wij u voor dit cassatieberoep de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van het betaalde griffierecht, alsmede de proceskosten (rechtshulp door derden).
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 12‑08‑2016