Totdat het tegendeel is bewezen
Einde inhoudsopgave
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.3.6:VIII.3.6 Waardering
Totdat het tegendeel is bewezen (SteR nr. 35) 2018/VIII.3.6
VIII.3.6 Waardering
Documentgegevens:
J.H.B. Bemelmans, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
J.H.B. Bemelmans
- JCDI
JCDI:ADS598638:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoeverre komt de onschuldpresumptie in het Nederlandse dwangmiddelenstelsel nu al met al tot uitdrukking? De fundamenten van dat stelsel stemmen met het beginsel in de kern nauwgezet overeen. Dwangmiddelen beogen van oorsprong strafvorderlijke doelen na te streven en de oplegging van sancties mogelijk te maken. Het belang bij die dwangmiddelen moet steeds worden afgewogen tegen de schade die het niet-veroordeelde individu lijdt. Het verschil met de executie van een straf is derhalve levensgroot. Van dwangmiddelen kan in zijn algemeenheid niet gezegd worden dat zij de verdachte als schuldige bejegenen. Ook na de grote wijzigingen die het strafvorderlijk kader de afgelopen eeuw heeft ondergaan, worden de belangen van het individu daarin serieus genomen.
In het stelsel van dwangmiddelen hebben zich evenwel verschuivingen voorgedaan waardoor van bejegening als schuldige bij voornamelijk vrijheidsbenemende dwangmiddelen eerder en vaker sprake is. Die ontwikkeling berust ten dele op keuzes van de wetgever. Terwijl de wetgever van 1886 en in mindere mate die van 1926 de voorlopige hechtenis tot een strikt minimum wilden beperken, ziet de wetgever het dwangmiddel thans als een nuttig instrument om snel op criminaliteit te kunnen reageren. De invoering van de geschoktheid van de rechtsorde als grond voor voorlopige hechtenis en ook de recenter ingevoerde snelrechtgrond stimuleren de toepassing van voorlopige hechtenis als vorm van ‘lik op stuk-beleid’. Genoegdoening aan slachtoffers, vergelding, afschrikking en normbevestiging worden min of meer expliciet als doelstellingen genoemd. Alternatieven voor voorlopige hechtenis zijn nog altijd alleen mogelijk na schorsing van de voorlopige hechtenis, terwijl tot die schorsing geen verplichting bestaat. De wijze van tenuitvoerlegging vertoont veel gelijkenis met de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf en wordt niet als minder hardvochtig ervaren.
Ook voor zover de wetgever zulk beleid niet uitdrukkelijk heeft beoogd, blijkt de rechtspraktijk tot punitieve vrijheidsbeneming geneigd. In de toepassing van zowel de inverzekeringstelling als de voorlopige hechtenis worden gronden niet strikt geïnterpreteerd. Het weekendarrangement is daarvan het meest sprekende voorbeeld. Een schuldoordeel implicerende bijkomende motieven zijn echter ook bij de voorlopige hechtenis vermoedelijk geen uitzondering. In het systeem als begrenzende voorwaarden bedoelde vereisten die uitdrukking geven aan een proportionaliteitsbeginsel lijken soms eerder argument voor toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen dan dat zij die toepassing daadwerkelijk begrenzen.