Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/2.1:2.1 Opzet van dit deel
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/2.1
2.1 Opzet van dit deel
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS485792:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 1 kwam aan de orde dat de opkomst en de ontwikkeling van het nemo tenetur-beginsel in belastingzaken primair steunen op de rechtspraak van het EHRM over het in art. 6 EVRM belichaamde recht van de verdachte om zichzelf niet te hoeven belasten. Voorafgaand aan de beschrijving en analyse van de voor de samenloopproblematiek relevante Straatsburgse rechtspraak in hoofdstuk 4 e.v. hierna, zal ik eerst het verdragsrechtelijke en jurisprudentiële kader waarbinnen dit deel zich beweegt in kaart brengen. Het recht tegen gedwongen zelfbelasting staat namelijk niet op zichzelf. Het is onderdeel van een groter geheel, het EVRM-corpus. Ik begin dan ook in dit hoofdstuk met een globale karakterisering van het Verdrag zelf en de rechtspraak van het EHRM. Met het oog op de analyse van de Straatsburgse nemo tenetur-rechtspraak in hoofdstuk 5 e.v. ligt de nadruk op de manier waarop het Straatsburgse hof de daarin vastgelegde en belichaamde rechten uitlegt en toepast.
De verdere opzet van dit deel is als volgt. In hoofdstuk 3 zal ik het recht op een behoorlijk strafproces in art. 6 EVRM kort karakteriseren. Na een beschrijving in hoofdstuk 4 van de voor deze studie meest relevante uitspraken van het Hof over het recht tegen gedwongen zelfbelasting, zal ik in hoofdstuk 5 e.v. het toepassingsbereik van dit recht nagaan. Ik begin in hoofdstuk 5 met een schets van de normatieve grondslagen van het recht tegen gedwongen zelfbelasting. Aansluitend zal ik het toepassingsbereik van het recht tegen gedwongen zelfbelasting onderzoeken. Daarbij maak ik een onderscheid tussen het zwijgrecht in hoofdstuk 6, het meeromvattende niet-meewerkrecht in hoofdstuk 7 en de zogenoemde latente werkingssfeer van het niet-meewerkrecht in hoofdstuk 8.
In hoofdstuk 9 e.v. zal ik het toetsingskader voor de schending van het zwijgrecht en het niet-meewerkrecht onderzoeken; de toepasselijkheid ervan is dan al gegeven (hoofdstuk 5 t/m 8). Dit kader valt uiteen in drie criteria, te weten de op de verdachte uitgeoefende dwang of pressie om bewijs tegen zichzelf te verschaffen (hoofdstuk 9), de waarborgen in de nationale (straf)procedure waarin de zelfbelastende medewerking wordt afgedwongen en/of gebruikt voor sanctieoplegging (hoofdstuk 10) en het gebruik(sdoel) van de van de verdachte afgedwongen medewerking (hoofdstuk 11). Tot besluit van dit deel komt in hoofdstuk 12 de betekenis voor de nemo tenetur-problematiek van het publieke belang van het onderzoek naar en de bestraffing van delicten aan de orde.