Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/5.8.2.2
5.8.2.2 Alternatieve manieren om tot een standstill te komen
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192654:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie daarover: Bromley e.a. 2017, p. 132-133.
Vgl. Payne 2018c, p. 143-144.
Bijvoorbeeld omdat het niet om een homogene of bekende groep schuldeisers gaat, vgl. Payne 2018c, p. 143-144.
Re Metinvest B.V. [2016] EWHC 372 (Ch). Zie voor de convening hearing: Re Metinvest B.V. [2016] EWHC 79 (Ch).
Hij voegt daaraan toe dat hij geen reden ziet om met de beslissing van de meerderheid te intervenieren: “[T]here is nothing overall to suggest that there is anything which should cause the court to go behind what appears to be something which is sanctioned on good commercial grounds and which appears to provide a clear, commercial advantage to those who have voted in favour of it.”
De ter vergadering verschenen noteholders stemden unaniem vóór de scheme, zij vertegenwoordigden 85% van de waarde van de notes.
Re Metinvest B.V. [2016] EWHC 1868 (Ch).
Re DTEK Finance Plc [2016] EWHC 1083 (Ch) (Standstill scheme) . Zie daarover Pilkington 2017, §3.037.
Vgl. nr. 82 en 539.
Een gewone meerderheid in aantal, vertegenwoordigende 75% van de waarde, vgl. s899(1) Companies Act 2006 waarover uitgebreider 467 en 469-471.
Deze drempel baseerde de rechter deels op Re Sea Assets Ltd v PT Garuda Indonesia (No.2) (June 27, 2001) (Ch D). In die zaak was de rechter bereid de tenuitvoerlegging van een toewijzend vonnis te schorsen teneinde de kansen op een succesvolle herstructurering te vergroten. Zie over deze ongepubliceerde beslissing: Moss 2003; Pilkington 2017, §3.039.
Deze crediteuren voerden aan dat zij, wanneer andere crediteuren wel tot verhaal over zouden gaan, benadeeld zouden worden door de afkoelingsperiode. Hoewel de rechter het verzoek om een afkoelingsperiode toewees, achtte hij dit een wezenlijk punt. Vgl. Re Bluecrest Mercantile B.V. v. Vietnam Shipbuilding Industry Group [2013] EWHC 1146.
De rechter vreesde dat zonder een stay een “free-for-all” zou ontstaan, vgl. Re Bluecrest Mercantile B.V. v. Vietnam Shipbuilding Industry Group [2013] EWHC 1146. Zie over deze zaak: Radia & Mokhtassi 2014.
Vgl. Para 42 en 43 Schedule B1. Op grond van para 44 kan eventueel een ‘interim moratorium’ worden afgekondigd. Dit interim moratorium biedt de onderneming bescherming in de gevallen waarin er wel al een administration application is gedaan, maar daar nog niet over is beslist of de beslissing nog niet van kracht is geworden.
Para 42 Schedule B1.
Para 43 Schedule B1.
Re Atlantic Computer Systems Plc [1992] 2 W.L.R. 367, p. 524 onder (2).
Re Atlantic Computer Systems Plc [1992] 2 W.L.R. 367, p. 542 onder (3): “It must be kept in mind that the exercise envisaged by para.43 Sch. B1 is not a mechanical one; each case calls for an exercise in judicial judgment, in which the court seeks to give effect to the purpose of the statutory provisions, having regard to the parties’ interests and all the circumstances of the case. As already noted, the purpose of the prohibition is to enable or assist the company to achieve the object for which the administration order was made. The purpose of the power to give leave is to enable the court to relax the prohibition where it would be inequitable for the prohibition to apply.”
Re Atlantic Computer Systems Plc [1992] 2 W.L.R. 367, p. 524 onder (4): “The underlying principle here is that an administration for the benefit of unsecured creditors should not be conducted at the expense of those who have proprietary rights which they are seeking to exercise, save to the extent that this may be unavoidable and even then this will usually be acceptable only to a strictly limited extent.”
Re Atlantic Computer Systems Plc [1992] 2 W.L.R. 367, p. 524 onder (5). De rechter kan in zijn beoordeling meewegen: i) het antwoord op de vraag of de schuldenaar in staat is toekomstige verplichtingen ten opzichte van de crediteur te voldoen, ii) de reeds verstreken periode waarin de schuldeiser geen verhaal kon nemen en de geschatte resterende duur van de afkoelingsperiode, iii) de gevolgen van toewijzing voor de administration, iv) het doel van de administration en de kans dat dat doel verwezenlijkt wordt, en v) het gedrag van partijen. Zie Re Atlantic Computer Systems Plc [1992] 2 W.L.R. 367, p. 524 onder (6)-(8).
Re Atlantic Computer Systems Plc [1992] 2 W.L.R. 367, p. 524 onder (11).
258. Ten eerste is het (uiteraard) mogelijk via de contractuele weg tot een ‘standstill’ te komen.1 Zeker indien de voorgestelde scheme betrekking zal hebben op een relatief kleine groep financiers, is dit een reële mogelijkheid.2 Indien het echter niet mogelijk blijkt de instemming van alle betrokkenen te krijgen,3 is er sinds kort een nieuw fenomeen onder de zon: de ‘standstill scheme’.
Metinvest B.V., een Nederlandse financieringsmaatschappij van een Oekraïense mijnbouwgroep voorzag dat zij niet in staat zou zijn aan haar toekomstige betalingsverplichtingen te voldoen. De financierende banken bleken bereid de onderneming rust te verschaffen: de banken tekenden een contractuele standstill-overeenkomst. Voor een succesvolle herstructurering was echter ook vereist dat de obligatiehouders gedurende de onderhandelingen niet over zouden gaan tot het nemen van verhaal. Vanwege het grote aantal obligatiehouders was het niet mogelijk met hen eenzelfde standstill-overeenkomst te sluiten. Metinvest heeft daarom een scheme aangeboden. Het scheme-voorstel hield in dat de obligatiehouders de obligatielening vier maanden lang niet zouden opeisen en dat zij bovendien geen individuele uitwinningsacties zouden ondernemen. De vennootschap stelde daar tegenover dat zij de rente zou blijven betalen, en daar bovenop een ‘restructuring fee’ van $ 1,25 per uitstaande $ 1000 zou voldoen. De Engelse rechter sanctioneerde deze scheme.4 Justice Asplin achtte de scheme fair gelet op de korte duur van de afkoelingsperiode, het feit dat er een ‘restructuring fee’ werd betaald en in aanmerking nemende dat de kans op een hogere of zelfs volledige uitkering aanzienlijk zou worden vergroot door deze ademruimte.5 Het moratorium is vervolgens door middel van een nieuwe scheme met enkele maanden verlengd. Er was een overweldigend draagvlak voor dit tweede moratorium6 en de rechter was ervan overtuigd dat de scheme tot een veel betere uitkering voor de obligatiehouders zou leiden dan zij in het alternatieve insolventiescenario tegemoet zouden kunnen zien.7
Ook DTEK Finance Plc bewerkstelligde door middel van een scheme een ’standstill’ periode, opdat de vennootschap in relatieve rust een herstructurering kon voorbereiden.8 Door en met de homologatie van de scheme werd een moratorium van vier maanden van kracht.
Een standstill-scheme kan de vennootschap de benodigde ademruimte geven. Nadeel van een standstill-scheme is echter dat met het doorlopen van het schemeproces de nodige tijd en kosten gemoeid gaan. Ook is – vanwege het ontbreken van een cross class cram down-mechanisme9 – vereist dat een ruime meerderheid van de schemepartijen het moratoriumvoorstel (en dus waarschijnlijk ook het scheme-voorstel) steunt.10
259. De tweede manier waarop een moratorium tot stand kan komen loopt via de rechter, die gebruik kan maken van zijn ‘case management powers’. Rule 3.1(2)(f) van de Civil Procedure Rules geeft de rechter namelijk een algemene bevoegdheid “[to] stay the whole or part of any proceedings or judgment either generally or until a specified date or event”. Uit BlueCrest Mercantile B.V. v Vietnam Shipbuilding Industry Group volgt dat er ruimte is voor toewijzing van een stay, wanneer een scheme of arrangement “reasonable prospect of succeeding” heeft.11 Het is aan de rechter om te beoordelen of in het concrete geval toewijzing geboden is. Justice Blair onderkende in BlueCrest dat het tijdelijk verbieden van incassomaatregelen ten aanzien van onbetwiste vorderingen een aanzienlijke inbreuk op de rechten van de desbetreffende schuldeisers zou vormen. Het ging in BlueCrest om een ‘stay’ van twee specifieke crediteuren.12 Omdat hij echter meer gewicht toekende aan het belang van een succesvolle herstructurering, kondigde hij een afkoelingsperiode af.13
260. Ten derde kan een scheme gecombineerd worden met de opening van een formele insolventieprocedure, de administration. Vanaf het moment dat de administration is geopend, is van rechtswege een moratorium van kracht.14 Als gevolg daarvan worden alle procedures die beogen de ‘winding up’ van de onderneming te bewerkstelligen geschorst.15 Bovendien kunnen schuldeisers geen verhaal nemen op de goederen van de schuldenaar, tenzij de administrator daarmee instemt of de rechter daar toestemming voor verleent.16 De rechter of administrator moet zich daarbij laten leiden door het belang van de administration. In de gezaghebbende uitspraak Re Atlantic Computer Systems formuleerde de Engelse rechter een richtlijn voor verzoeken van crediteuren om ondanks de afkoelingsperiode tot verhaal over te mogen gaan. Voor zover een eigenaar een goed opeist dat niet tot de boedel van de schuldenaar behoort, zal dit verzoek moeten worden toegewezen.17 Wanneer de verhaalsactie van een concurrente crediteur zou leiden tot nadeel voor de gezamenlijke crediteuren, dient een afweging gemaakt te worden tussen het belang van de crediteur en het doel dat de administration probeert te verwezenlijken. Dit zal van geval tot geval beoordeeld moeten worden.18 Aan de goederenrechtelijke rechten van crediteuren wordt in beginsel een groot gewicht toegekend.19 Indien een crediteur met een ‘proprietary right’ als gevolg van het voortduren van de afkoelingsperiode een substantieel verlies zou lijden, dient het opheffingsverzoek te worden toegewezen. Dat uitgangspunt lijdt uitzondering wanneer toewijzing van het verzoek tot een dusdanig groot verlies voor andere partijen leidt, kan de balans omslaan.20 Een andere relevante factor is of de vordering van de zekerheidsgerechtigde die om opheffing verzoekt, volledig gedekt is: “If he is, delay in enforcement is likely to be less prejudicial than in cases where his security is insufficient”.21