HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393, m.nt. Y. Buruma, rov. 3.8.1; HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1072, rov. 2.3; HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902, NJ 2023/102, m.nt. J.M. Reijntjes, rov. 3.3.
HR, 08-07-2025, nr. 23/00614
ECLI:NL:HR:2025:1107
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
08-07-2025
- Zaaknummer
23/00614
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1107, Uitspraak, Hoge Raad, 08‑07‑2025; (Artikel 81 RO-zaken, Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2023:1354
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:608
ECLI:NL:PHR:2025:608, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 27‑05‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1107
- Vindplaatsen
Uitspraak 08‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg door voor ingang van supermarkt met kracht tegen hoofd van ander te slaan, waardoor deze met zijn hoofd op de grond valt en schedelbreuk en zwaar hersenletsel oploopt (art. 300.2 Sr). Bewijsklacht. Verweer m.b.t. betrouwbaarheid van verklaringen van getuige. HR: art. 81.1 RO.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/00614
Datum 8 juli 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 februari 2023, nummer 21-003292-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Velthoven bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3. Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van vijf maanden.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vier maanden en drie weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 juli 2025.
Conclusie 27‑05‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie A-G. Mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg. Middel waarmee wordt opgekomen tegen (de motivering van) de bewezenverklaring, omdat de verklaringen van een getuige niet als bewijs zouden kunnen dienen, faalt. Ambtshalve opmerking over overschrijding van de redelijke termijn in cassatiefase. Conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend w.b. de sanctieoplegging, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/00614
Zitting 27 mei 2025
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 14 februari 2023 (parketnr. 21-003292-20) voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel als gevolg veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden. Tevens heeft het hof een beslissing genomen over de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J. Velthoven, advocaat in Tiel , heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel keert zich tegen (de motivering van) de bewezenverklaring.
1.3
Deze conclusie leidt tot de slotsom dat het middel faalt, maar ook dat het bestreden arrest moet worden vernietigd voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf en dat deze moet worden verminderd aan de hand van de gebruikelijke maatstaf vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.
2. Het middel
2.1
Het middel is gericht tegen de bewezenverklaring van “mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft”, althans tegen de verwerping van een bewijsverweer, inhoudende een betrouwbaarheidsverweer ten aanzien van door de getuige [getuige 2] afgelegde verklaringen.
2.2
Voorafgaand aan de bespreking van het middel geef ik eerst de bewijsconstructie weer.
2.3
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op 29 juni 2018 te [plaats] [slachtoffer] heeft mishandeld door deze met kracht tegen diens hoofd te slaan, waardoor deze [slachtoffer] hard met zijn hoofd op de grond viel, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbreuk en zwaar hersenletsel ten gevolge heeft gehad.”
2.4
Aan de bewezenverklaring heeft het hof de volgende bewijsoverweging – met weglating van voetnoten – ten grondslag gelegd:
“Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaring van getuige [getuige 2] niet betrouwbaar is en niet gebruikt mag worden voor het bewijs. De overige getuigenverklaringen zijn volgens de verdediging wisselend en wijzen niet naar verdachte.
Oordeel hof
Op 2 juli 2018 heeft de partner van [slachtoffer] , [betrokkene 1] , namens [slachtoffer] aangifte gedaan van mishandeling. [slachtoffer] werd op dat moment in een kunstmatige slaap gehouden. [slachtoffer] en zijn partner waren op 29 juni 2018 bij de Albert Heijn in [plaats] . Terwijl [betrokkene 1] de boodschappen afrekende, liep [slachtoffer] alvast weg bij de kassa. Toen [betrokkene 1] de Albert Heijn uitliep, zag zij [slachtoffer] buiten op de grond liggen. [slachtoffer] was aan het stikken en aan het gorgelen in zijn eigen bloed. Er lag ook bloed onder zijn hoofd. [slachtoffer] is met een ambulance naar het UMC Utrecht gebracht. Aldaar bleek dat hij een schedelbasisfactuur had opgelopen. [slachtoffer] moest geopereerd worden, waarbij een drain werd aangelegd om het bloed en vocht uit zijn hersenen te halen.
Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij op 29 juni 2018 op de parkeerplaats van de Albert Heijn in [plaats] was. Zij zag een gekke beweging en zag toen een man vallen. Zij dacht dat zij een klap of een duw zag.
Door de politie zijn de camerabeelden van de Albert Heijn bekeken. Hierop is te zien dat de lange verdachte een beweging maakt, waarna het slachtoffer op de grond valt.
Uit de letselrapportage van 10 juli 2018 blijkt dat een oud hematoom zichtbaar is op de linker onderkaak van [slachtoffer] . Dit hematoom past zeer goed bij een kaakslag.
Het hof concludeert uit de verklaring van [getuige 1] , de waarneming van de verbalisant en de letselrapportage dat [slachtoffer] een kaakslag heeft gekregen waarna hij ten val is gekomen.
Uit voornoemde letselrapportage blijkt voorts dat bij [slachtoffer] het volgende letsel is geconstateerd:
- fractuur links occipitaal doorlopend tot de schedelbasis en door het sphenoïd rechts;
- forse subdurale bloeding rechts (met mogelijk een component van oudere datum, met nu een acute component; forse massawerking met midlineshift naar links. Links frontaal een klein schilletje subduraal bloed);
- verspreid subarachnoïdaal bloed en contusiehaarden (in de hersenen zelf);
- excoriatie occipitaal links (huidafwijking/verwonding van m.n. de hoofdhuid op de plaats waar het hoofd de grond heeft geraakt).
Uit deze letselrapportage blijkt tevens dat [slachtoffer] gedurende een periode van zestien dagen in kunstmatige slaap is gehouden. Er heeft een operatie plaatsgevonden en na twee weken kon [slachtoffer] overgeplaatst worden van de IC naar een medium care afdeling. Na een opname in het UMC Utrecht en het BovenIJ ziekenhuis in Amsterdam, is [slachtoffer] overgeplaatst naar het revalidatiecentrum [...] in [plaats] .
Het hof is van oordeel dat het letsel van [slachtoffer] gezien de aard van het letsel en de aard en de noodzaak van het medisch ingrijpen dat heeft plaatsgevonden gekwalificeerd moet worden als zwaar lichamelijk letsel. Daarbij is ook van belang dat ter terechtzitting van het hof is gebleken dat [slachtoffer] tot op heden nog altijd hinder ondervindt van de gevolgen van het opgelopen letsel en dat hij definitief is afgekeurd voor het beroep dat hij tot aan de mishandeling uitoefende.
Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat [slachtoffer] slachtoffer is geworden van mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of bewezen kan worden dat verdachte de persoon is die zich schuldig heeft gemaakt aan deze mishandeling.
Op 3 juli 2018 heeft getuige [getuige 2] zich gemeld bij de politie. Hij verklaarde dat hij aanwezig was bij de mishandeling op 29 juni 2018 bij de Albert Heijn in [plaats] . [getuige 2] was daar samen met de persoon die [slachtoffer] heeft mishandeld. [getuige 2] beschrijft het verloop van de mishandeling en wijst een persoon genaamd " [naam 1] " aan als dader.
Op 6 december 2018 heeft getuige [getuige 2] wederom contact gehad met de politie. [getuige 2] werd op die dag uitgenodigd door de politie voor een nader getuigenverhoor. Later op die dag belde [getuige 2] de verbalisant met de mededeling dat een verhoor in de avond niet ging lukken. Daarbij vroeg [getuige 2] zich af waarom hij langs moest komen, aangezien hij van de zus van de dader had gehoord dat de dader al vast zat. Verdachte is op 5 december 2018 door de politie aangehouden en in verzekering gesteld. Uit het politiesysteem B.V.H. en de G.B.A. gegevens is gebleken dat getuige [getuige 2] getrouwd is geweest met de zus van verdachte.
Op 7 december 2018 is getuige [getuige 2] telefonisch gehoord door de politie. Tijdens dat verhoor wordt aan [getuige 2] voorgehouden dat verdachte de dader van de mishandeling zou zijn. De verbalisant houdt voor: “Dus we hebben het over [verdachte] en uh klopt het dat [verdachte] geboren is in 1989?”. Getuige [getuige 2] antwoordt hier op: “Ja dat zo[u] kunnen ja volgens mij wel ja.” Gezien deze verklaringen van getuige [getuige 2] , volgt het hof de verklaring van [getuige 2] op 3 juli 2018 en de verklaring van [getuige 2] bij de raadsheer-commissaris niet voor zover hij “ [naam 1] ” noemt als dader van de mishandeling.
Uit onderzoek naar het telefoonverkeer van getuige [getuige 2] is naar voren gekomen dat verdachte waarschijnlijk de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] is. Dit telefoonnummer straalde een mast in [plaats] aan rond het tijdstip van de mishandeling.
Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof van 8 augustus 2022 verklaard dat hij op 29 juni 2018 met [naam 2] naar verschillende afspraken is geweest in Beusichem, Buren, Culemborg en Utrecht. Hoewel hij daartoe uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld, heeft verdachte deze verklaring op geen enkele wijze onderbouwd.
Gelet op de onderzochte telefoongegevens acht het hof de verklaring van verdachte dat hij niet in [plaats] is geweest op 29 juni 2018 niet geloofwaardig en bieden deze gegevens steun aan de verklaringen van getuige [getuige 2] zoals die zijn afgelegd op 6 en 7 december dat hij het over verdachte heeft als dader van de mishandeling.
Het hof concludeert aldus uit de verklaringen van getuige [getuige 2] op 6 en 7 december 2018 en de onderzochte telefoongegevens dat verdachte de persoon is die op 29 juni 2018 [slachtoffer] heeft geslagen bij de Albert Heijn in [plaats] .
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer] , waardoor zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] is ontstaan.”
2.5
Met het middel wordt, als gezegd, opgekomen tegen (de motivering van) de bewezenverklaring, althans tegen de verwerping van een bewijsverweer dienaangaande. In het bijzonder wordt geklaagd over de wijze waarop het hof is omgegaan met de verklaringen van de getuige [getuige 2] .
2.6
Volgens de steller van het middel “(heeft) het Gerechtshof in het gewezen arrest verzuimd om te motiveren welke (delen van de) verklaringen van getuige [getuige 2] redengevend zijn.” De steller van het middel brengt daarbij te berde dat “naar het oordeel van het Gerechtshof sprake is van leugenachtige verklaringen door getuige [getuige 2] ” en komt tot de gevolgtrekking dat “deze verklaringen niet als bewijs (kunnen) dienen”. Omdat er volgens de steller van het middel “voor het overige” onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is, “had het Gerechtshof tot een vrijspraak moeten komen”.
2.7
Bij de bespreking van het middel stel ik in algemene zin voorop dat de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt. De toets in cassatie is in die zin beperkt dat deze aan de feitenrechter voorbehouden selectie en waardering slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst.1.
2.8
Aan (de betrouwbaarheid van) de verklaringen van de getuige [getuige 2] (welke verklaringen het vastgestelde feitenrelaas aan de verdachte koppelen en mede op basis waarvan het hof tot een bewezenverklaring is gekomen) heeft het hof verschillende overwegingen gewijd. Daarbij heeft het hof geëxpliciteerd dat het bekend is met het feit dat de getuige [getuige 2] getrouwd is geweest met de zus van de verdachte. Ook heeft het hof nadrukkelijk stilgestaan bij een onderdeel van de verklaringen van de getuige dat niet klopt, te weten dat de getuige de verdachte aanduidt als “ [naam 1] ” en niet als “ [verdachte] ”. In dat verband heeft het hof overwogen dat het de verklaringen op dat onderdeel (“voor zover hij “ [naam 1] ” als dader noemt van de mishandeling”) niet volgt en dus voor het overige, zoals over het verloop van de mishandeling, wel.
2.9
Het hof heeft m.i. zonder de wettelijke bewijsregels te miskennen tot een bewezenverklaring (van daderschap) kunnen komen. De door het hof gehanteerde handelwijze berust op (en wordt gerechtvaardigd door) de notie dat de rechter alleen die uitlatingen als bewijsmiddel dient te gebruiken, die hij in het licht van de wettelijke voorschriften toelaatbaar en met het oog op de motivering van de bewezenverklaring geloofwaardig, betrouwbaar en redengevend acht. Daarbij zij opgemerkt dat in de bewijsvoering van het hof de verklaringen van de getuige niet op zichzelf staan. Door daarnaast stil te staan bij het onderzoek naar het telefoonverkeer, de afwezigheid van een onderbouwing van een door de verdachte gesteld alibi in combinatie met de feitelijke vaststellingen (mede volgend uit camerabeelden) over hetgeen is voorgevallen op 29 juni 2018 bij de Albert Heijn te [plaats] , is het hof niet onbegrijpelijk tot het oordeel gekomen dat het de verdachte is geweest die het slachtoffer heeft geslagen, met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. Dat oordeel is ook naar de eis der wet met redenen omkleed. Voor zover de steller van het middel meent dat het hof de verklaringen van de getuige heeft aangemerkt als leugenachtig, berust de klacht op een verkeerde lezing van het arrest en mist de klacht feitelijke grondslag. In het arrest komt het woord ‘leugenachtig’ of een daarop duidende formulering niet voor. Het hof was dan ook, anders dan de steller van het middel suggereert, niet gehouden nader te motiveren welke delen van de verklaringen van getuige [getuige 2] redengevend zijn.
2.10
Het middel faalt.
3. Slotsom
3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een op art. 81 RO gebaseerde overweging.
3.2
De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat in cassatie de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dat dient tot strafvermindering te leiden.
3.3
Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 27‑05‑2025