Einde inhoudsopgave
Grondslagen bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 73) 2010/6.5.2
6.5.2 Schade
mr. D.A.M.H.W. Strik, datum 20-07-2010
- Datum
20-07-2010
- Auteur
mr. D.A.M.H.W. Strik
- JCDI
JCDI:ADS432234:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 29 november 2002, NJ 2004, 304 (Transport Ferry Service/NS q.q.).
Section 11(e) Securities Act of 1933 bepaalt: 'In case any part of the registration statement, when such part became effectave, contained an untrue statement of a material fact or omitted to state a material fact required to be stated therein or necessary to make the statements therein not misleading, any person acquiring such security (unless it is proved that at the time of such acquisition he knew of such untruth or omission) may, either at law or in equity, in any court of competent jurisdiction, sue: 1) every person who signed the registration statement; 2. ever), person who was a director of (or person perforrning similar functions) or partner in the issuer at the time of the filing of the part of the registration statement with respect to which his liability is asserted [...J.'
Akerman v. Oryx Communications, Inc. 810 F.2d 336, 341-42 (2nd Cir. 1987).
Merrill Lynch & Co. Research Reports Sec. Litig., 289 F. Suppp. 2d 429, 437 (S.D.N.Y. 2003), Beecher v. Able, 435 F. Supp. 297, 407 (S.D.N.Y. 1975).
Cendat Corp, Litig., 264 F.3d 201, 228 n. 8 (3rd Cir. 2001), Mark v. CALPERS, 535 U.S. 929 (2002).
Voornoemde omkeringsregel is een regel van bewijslastverdeling. Deze wordt niet zonder meer toegepast voor het vaststellen van de omvang van de schade. Die moet in beginsel door de gelaedeerde aannemelijk worden gemaakt.1 Bij de vaststelling van de door aandeelhouders geleden schade gaat het erom dat de gelaedeerde zoveel mogelijk in staat wordt gesteld in de feitelijke situatie te komen te verkeren als waarin hij zou hebben verkeerd indien de financiële verslaggeving niet misleidend zou zijn geweest.2
Als de causaliteit vaststaat zou bij de vaststelling van de geleden schade een vergelijking kunnen worden gemaakt tussen de door de gelaedeerde betaalde prijs voor de aandelen en de werkelijke waarde van de aandelen op het moment van aankoop, danwel — in de spiegelbeeld situatie — het verschil tussen de werkelijke waarde van de aandelen op het moment dat de misleidende verslaggeving bekend werd gemaakt en de prijs die de gelaedeerde zou hebben ontvangen indien hij de aandelen had verkocht Bij beursgenoteerde ondernemingen zou voor de schadevaststelling kunnen worden aangesloten bij de beurskoers, in het bijzonder bij de koersdaling die plaatsvond direct nadat de misleidendheid van financiële verslaggeving bekend werd gemaakt. De vraag is binnen welke periode een en ander in de beurskoers wordt gereflecteerd en of de eerste reactie op de beurs wel een redelijke reactie is. Hier spelen vragen naar de toerekenbaarheid van de schade. De beurskoers van aandelen wordt immers door veel omstandigheden beïnvloed.
In de V.S. wordt ingevolge § 11(e) van de Securities Act of 19333 de te vergoeden schade in verband met false registration statements bij aandelenemissies gesteld als de waardedaling van de aandelen, te begroten als het verschil in de prijs waarvoor de aandelen waren gekocht welke prijs niet hoger zal zijn dan de publieksprijs — en de prijs waartegen de aandelen zijn verkocht (indien de aandelen waren verkocht voor het aanhangig maken van de vordering) of — indien hoger — de prijs waartegen de aandelen zijn verkocht gedurende het geding. 4 Koersdalingen die dateren voor de material misstatement worden daarbij buiten beschouwing gelaten.5 Koersdalingen van na het aanhangig maken van de vordering worden evenzeer buiten beschouwing gelaten. Koersstijgingen van na die datum beperken de schadevergoeding.6 Voorzover de gedaagde bewijst dat (een deel van) de schade is veroorzaakt door een waardedaling op andere gronden, kan eiser die niet verhalen.
Dit is een abstracte methode van schadeberekening, die geen recht doet aan de werkelijke impact van de misleidende verslaggeving. Bedacht moet worden dat schade die op deze wijze wordt vastgesteld een punitatief gehalte in zich kan dragen.
Terug naar art. 2:139 BW. Het causaliteitscriterium is een moeilijk neembare vestiging. Indien het wordt ingevuld zoals door de Hoge Raad in de hiervoor beschreven zaken, eventueel na omkering van de bewijslast, is het echter geen onneembare vesting.