Einde inhoudsopgave
Forumkeuze in het Nederlandse IPR (R&P nr. 159) 2008/16.5.7.1
16.5.7.1 Artikel 22 sub 5 EEX-r/16 sub 5 Verdrag
mr. P.H.L.M. Kuypers, datum 29-02-2008
- Datum
29-02-2008
- Auteur
mr. P.H.L.M. Kuypers
- JCDI
JCDI:ADS420520:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Gaudemet-Tallon, Compétence en Europe, p. 86; Gothot-Holleaux, La Convention, p. 90; Kropholler, EZPR, p. 267; Struycken, Preadvies NVIR 1978, p. 36.
HvJ EG 4 juli 1985, zaak 220/84, AS-Autoteile/Mahle, Jur. 1985, p. 2267, NJ 1986, 509.
HvJ EG 26 maart 1992, zaak C-261/90, Reichert II, Jur. 1992, p. 1-2149, NJ 1996, 315, r.o. 26.
HvJ EG 14 december 1977, zaak 73/77, Sanders/Van der Putte, Jur. 1977, p. 2383, NJ 1978, 654, r.o. 11; Verheul, Rechtsmacht, Deel 1, p. 87.
HvJ EG 4 juli 1985, zaak 220/84, AS-Autoteile/Malhe, Jur. 1985, p. 2267, NJ 1986, 509.
Rapport Jenard, PbEG p. C 59/36, door het Hof van Justitie instemmend aangehaald in HvJ EG 26 maart 1992, zaak C-261/90, Reichert II, Jur. 1992, p. 1-2149, NJ 1996, 315, r.o. 28.
HvJ EG 20 januari 1994, zaak C-129/92, Owens Bank/Bracco, Jur. 1994, p. 1-117, NJ 1994, 351, r.o. 24.
HvJ EG 4 juli 1985, zaak 220/84, AS-Autoteile/Malhe, Jur. 1985, p. 2267, NJ 1986, 509; Hof 'sGravenhage 17 april 1997, KG 1997, 177; Verheul, Rechtsmacht, Deel 1, p. 87.
Kropholler, EZPR, p. 267.
Verheul, Rechtsmacht, Deel 1, p. 88 laat dergelijke indirecte executievorderingen vallen onder de algemene regels, derhalve — zo begrijp ik-met inbegrip van forumkeuze; idem: Pres. Rb. Breda 20 maart 1992, NIPR 1992, 265.
Hof Amsterdam 4 augustus 2005, Automatic Systems NV/Methon BV, rolnr. 2067/04, NJF 2005/439.
Verheul, Rechtsmacht, Deel 1, p. 88; Vlas, Rechtsvordering, Verdragen & Verordeningen, suppl. 292 (maart 2004), p. A-a-421; twijfelend: Kropholler, EZPR, p. 268.
Het verlenen van verlof valt daarentegen niet onder deze bepaling, Gothot/Holleaux, La Convention, p. 91.
Ras, TvP 1975, p. 888; Verheul, Rechtsmacht, Deel 1, p. 88; Pres. Rb. Utrecht 4 juni 1996, in: NIPR 1998, 98; Hof Leeuwarden 18 december 1996, NIPR 1998, 226; Hof 's-Gravenhage 17 april 1997, KG 1997, 177; anders: Pres. Rb. Maastricht 20 juni 1997, NIPR 1998, 133 en Pres. Rb. Alkmaar 29 januari 1998, KG 1998, 71 die de internationale bevoegdheid bij een vordering tot opheffing van beslag baseren op art. 24 EEX; Verheul, Rechtsmacht, Deel 1, p. 87 wijst ook op het verlof dat in staten nodig is voor executoriale maatregelen. Anders: Vzr. Rb. Maastricht 26 mei 2005, NJF 2005, 255 die een vordering tot staking van een openbare verkoop van een onroerend goed ten onrechte brengt onder art. 22 lid 1 EEX-V°.
Hof 's-Gravenhage 17 april 1997, 373, KG 1997, 177.
Kramer, Het kort geding, p. 129 en 139.
Par. 16.5.2.
Rapport Jenard, p. C 59/34; Kramer, Het kort geding, p. 139.
HvJ EG 17 november 1998, zaak C-391/95, Van Uden/Deco-Line, Jur. 1998, p. 1-7091, NJ 1999, 339, r.o. 40.
Aldus in beginsel ook: Kramer, Het kort geding, p. 140; Vzr. Rb. Maastricht 26 mei 2005, NJF 2005, 255.
HvJ EG 26 maart 1992, zaak C-261/90, Reichert II, Jur. 1992, p. 1-2149, N7 1996, 315, r.o. 28.
Ras, TvP 1975, p. 889.
Op grond van art. 22 sub 5 EEX-V°/16 sub 5 Verdrag zijn voor geschillen over de tenuitvoerlegging van beslissingen uitsluitend de gerechten van de EG respectievelijk verdragsluitende staat van de plaats van tenuitvoerlegging bevoegd. De ratio van deze bepaling is dat executie van gerechtelijke beslissingen nauw is verbonden met overheidsgezag en openbare orde.1 Er bestaat een bijzondere band tussen de tenuitvoerlegging van een gerechtelijke uitspraak en het nationale gerecht dat ter plaatse toezicht houdt op de tenuitvoerlegging.2 Het is een typisch nationale aangelegenheid, die nauwkeurig is gereguleerd. In Nederland — maar ook in andere staten — vindt de tenuitvoerlegging plaats door een functionaris die de overheid benoemt. Hiermee laat zich moeilijk rijmen dat hij aanwijzingen van buitenlandse gerechten zou moeten opvolgen bij het uitvoeren, schorsen of staken van ambtshandelingen. Het Hof van Justitie heeft daarover overwogen dat alleen de gerechten van de verdragsluitende staat op wiens grondgebied de tenuitvoerlegging plaatsvindt de voorschriften kunnen toepassen inzake het optreden binnen dat grondgebied van de met tenuitvoerlegging belaste instanties.3 Dat lijkt mij met name ook aangewezen, omdat de dwangmiddelen voor tenuitvoerlegging van een gerechtelijke uitspraak per staat verschillen. Zo is de in Nederland toegestane civiele gijzeling in vele andere EG- c.q. verdragsluitende staten onbekend of onderworpen aan andere voorwaarden. Gelet op deze gronden is het gerecht van de staat van de plaats van tenuitvoerlegging het meest geschikt om de genoemde geschillen te beslechten met uitsluiting van andere gerechten.4
Het Hof van Justitie lijkt te oordelen dat deze bepaling als uitzondering op de algemene bevoegdheidsregels strikt dient te worden geïnterpreteerd.5 De hamvraag is derhalve welke geschillen 'ten aanzien van de tenuitvoerlegging van beslissingen' dienen te worden beschouwd. De bepaling omvat volgens het Rapport Jenard alle geschillen die kunnen ontstaan door het gebruikmaken van de sterke arm, dwangmaatregelen, sequestratie, beslag teneinde de materiële tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen en akten te verzekeren.6 Het gaat dus alleen om tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen (en bijv. niet een dwangbevel) die - zo heeft het Hof van Justitie beslist - zijn gewezen door een gerecht in een EG- c.q. verdragsluitende staat, omdat art. 22 sub 5 EEX-V°/16 sub 5 Verdrag in combinatie dient te worden gelezen met art. 32 EEX-V°/25 Verdrag.7
In de omgekeerde situatie waarbij de geëxecuteerde tracht de tenuitvoerlegging te stoppen, dient onderscheid te worden gemaakt tussen de vorderingen tot staking en vorderingen die indirect de executant (beogen) te dwingen de tenuitvoerlegging te staken. De eerste categorie, vorderingen tot staking van tenuitvoerlegging, opheffmg van een (conservatoir) beslag, vermindering van het bedrag waarvoor mag worden geëxecuteerd, alsmede opschorting of schorsing van executie vallen onder art. 22 sub 5 EEX-V°/16 sub 5 Verdrag en - zo lijkt uit het arrest AS-Autoteile/Malhe te volgen niet art. 31 EEX-V°/24 EEX.8 Het zal gaan om procedures op tegenspraak ingesteld door de beslagene, geëxecuteerde of een derde.9 De tweede categorie, een vordering die niet rechtstreeks betrekking heeft op de tenuitvoerlegging, maar bijv. een bevel inhoudt aan de executant (verweerder) om op straffe van een dwangsom de executie te staken, valt niet onder art. 22 sub 5 EEX-V°/16 sub 5 Verdrag. Het doel en effect van een dergelijke indirecte vordering tot staking van de executie is (mits toegewezen) dezelfde, maar de vordering is niet gericht op reële executie of de staking daarvan.
Voor een dergelijke vordering valt de eiser eventueel terug op een forumkeuze om de executie in een andere staat te doen staken en deze rechterlijke veroordeling tot staking met behulp van een exequatur in het land van de executie te laten erkennen.10 Ook een executiegeschil over dwangsommen valt niet onder art. 22 sub 5 EEX-V°/16 sub 5 Verdrag, maar onder art. 49 EEX-V°/43 Verdrag dat de bevoegdheid voor begroting van dwangsommen legt bij het gerecht dat de dwangsommen heeft opgelegd. Daarbij blijven de regels van absolute bevoegdheid van het nationale recht van toepassing.11 De bevoegdheid vloeit dan voort uit de algemene regels van internationale bevoegdheid met inbegrip van forumkeuze. Vorderingen tot schadevergoeding wegens onrechtmatige tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen vallen niet onder deze bepaling, maar onder de algemene regels van internationale bevoegdheid, waaronder art. 23 EEX-V°/17 Verdrag.12
Het toepassingsbereik van art. 22 sub 5 EEX-V°/16 sub 5 Verdrag dient niet te worden beperkt tot executiegeschillen. Ook procedures over tenuitvoerlegging13 van conservatoire maatregelen die eventuele latere executie moeten veiligstellen worden beheerst door deze bepaling. Zo vallen onder meer geschillen over (dreigend) conservatoir beslag of sequestratie en de vordering tot opheffing daarvan onder art. 22 sub 5 EEX-V°/16 sub 5 Verdrag.14 De bevoegdheid voor de procedure tot het verlenen van conservatoire maatregelen is echter onderworpen aan art. 31 EEX-V°/24 Verdrag jo het nationale recht. De Nederlandse rechter is derhalve exclusief bevoegd betreffende vorderingen tot opheffing van conservatoir beslag of beëindiging van sequestratie waarvoor de Nederlandse gerechten verlof hebben verleend.15 De Nederlandse rechter heeft daarom geen rechtsmacht ten aanzien van een vordering tot vanwaardeverklaring betreffende een buiten Nederland gelegd conservatoir beslag of sequestratie, zelfs niet indien een forumkeuze de Nederlandse rechter als bevoegd aanwijst. Ook kan de Nederlandse rechter geen opheffing bevelen van een in het buitenland gelegd (conservatoir) beslag.16 Een eventuele forumkeuze in de onderliggende rechtsverhouding doet daaraan niet af, omdat art. 22 sub 5 EEX-V°/16 sub 5 Verdrag alleen betrekking heeft op executiegeschillen.
De vraag rijst vervolgens of nog ruimte bestaat voor art. 31 EEX-V°/24 Verdrag eventueel in combinatie met art. 23 EEX-V°/17 Verdrag, indien de rechtsverhouding tussen partijen mede door een forumkeuze wordt beheerst. Bij het aanhangig maken van de vordering inzake tenuitvoerlegging bij een gerecht dat op grond van art. 22 sub 5 EEX-V°/16 sub 5 Verdrag bevoegd is, zie ik geen probleem. De gerechten van art. 22 sub 5 EEX-V°/16 sub 5 Verdrag mogen voorlopige of bewarende maatregelen treffen, ook betreffende tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen.17 Het conflict tussen beide bepalingen ontstaat op het moment dat met een beroep op art. 31 EEX-V°/24 Verdrag een gerecht wordt geadieerd dat niet bevoegd is volgens art. 22 sub 5 EEX-V°/16 sub 5 Verdrag. Kan art. 31 EEX-V°/24 Verdrag — eventueel in combinatie met art. 23 EEX-V°/17 Verdrag — derogeren aan de bevoegdheid van art. 22 sub 5 EEX-V°/16 sub 5 Verdrag?
In het algemeen staat art. 31 EEX-V°/24 Verdrag naast de bevoegdheidsgrondslagen van de art. 2 — 24 EEX-V°/2 — 18 Verdrag. Art. 22 EEX-V°/16 Verdrag heeft geen uitsluitende werking ten aanzien van voorlopige of bewarende maatregelen in de zin van art. 31 EEX-V°/24 Verdrag.18 Voorlopige of bewarende maatregelen bij andere gerechten dan de gerechten van art. 22 EEX-V°/16 Verdrag zijn daarom mogelijk. Het Rapport Jenard merkt op dat art. 16 EEX slechts een exclusieve bevoegdheid creëert voor het bodemgeschil.19 Naar mijn mening zal voor een voorlopige of bewarende maatregel die valt onder art. 22 sub 5 EEX-V°/16 sub 5 Verdrag een uitzondering moeten worden gemaakt, omdat executiegeschillen naar Nederlands recht steeds door middel van een kort geding aanhangig (kunnen) worden gemaakt. Deze opvatting doet recht aan de reële band die het Hof van Justitie eist en het spoedeisende karakter van de voorzieningen.20 Voor geschillen over tenuitvoerlegging kan dat slechts de rechter van de plaats van tenuitvoerlegging zijn, althans dient het gerecht art. 22 sub 5 EEX-V°/16 sub 5 Verdrag te zien als het gerecht dat als forum acti het best geplaatst is over dergelijke geschillen te oordelen.21
Voor art. 31 EEX-V°/24 Verdrag zie ik in deze dus weinig ruimte — zulks in afwijking van de andere paragraaf van art. 22 EEX-V°/16 Verdrag — voor alle geschillen over tenuitvoerlegging die door een voorlopige of bewarende maatregel worden gevraagd, omdat de bijzondere bepaling van art. 22 sub 5 EEX-V°/16 sub 5 Verdrag zorgt voor de vereiste reële band. Slechts in zeer spoedeisende gevallen waar de eiser geen voorziening kan krijgen van de gerechten ex art. 22 sub 5 EEX-V°/16 sub 5 Verdrag — te beoordelen naar het nationale recht van de geadieerde rechter — is voor voorlopige en bewarende maatregelen een functie voor art. 31 EEX-V°/24 Verdrag naast art. 22 sub 5 EEX-V°/16 sub 5 Verdrag. Tijdens gerechtelijke vakanties kan bijv. een dringende voorziening zijn vereist door een ander forum. Voor geschillen over tenuitvoerlegging die de eiser aanhangig maakt door een (versnelde) bodemprocedure bestaat geen ruimte voor afwijking van het uitsluitende forum op grond van art. 31 EEX-V°/24 Verdrag.
Een (Franse) actio Pauliana, hoewel deze de verhaalsmogelijkheden van de schuldeiser beooge22 en een verklaring voor recht dat de (voormalig) executant onrechtmatig heeft gehandeld door het nemen van conservatoire of executoriale maatregelen vallen niet onder het toepassingsbereik van art. 22 sub 5 EEX-V°/16 sub 5 Verdrag. Voor zulke vorderingen kan mijns inziens worden teruggevallen op een eventuele forumkeuze die de rechtsverhouding tussen partijen beheerst.
Een forumkeuze heeft in zaken betreffende tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen dan ook een geringe ro1,23 behoudens in de gevallen dat partijen voor een beslissing over de tenuitvoerlegging (of de staking daarvan) een gerecht aanwijzen dat krachtens art. 22 sub 5 EEX-V°/16 sub 5 Verdrag (mede) bevoegd is. Een forumkeuze in de onderliggende rechtsverhouding heeft geen rechtsgevolg in het executie-geschil. De forumkeuze kan derhalve de rechtsmacht vestigen (prorogatie) noch ontnemen (derogatie) in geschillen over tenuitvoerlegging, behoudens de hiervoor geschetste gevallen.