Gerechtshof Amsterdam 14 november 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2684.
HR, 24-01-2025, nr. 24/00490
ECLI:NL:HR:2025:110
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-01-2025
- Zaaknummer
24/00490
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:110, Uitspraak, Hoge Raad, 24‑01‑2025; (Cassatie)
Herstelde arrest: ECLI:NL:HR:2024:1892
ECLI:NL:HR:2024:1892, Uitspraak, Hoge Raad, 20‑12‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2023:2684
Arrest: ECLI:NL:HR:2025:110
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:918
ECLI:NL:PHR:2024:918, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1892
Beroepschrift, Hoge Raad, 13‑02‑2024
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2025-0008
JIN 2025/19 met annotatie van mr. A.H. de Jong
PFR-Updates.nl 2024-0206
Uitspraak 24‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Herstelbeschikking (ECLI:NL:HR:2024:1892). Art. 31 Rv. Ambtshalve herstel van een verschrijving.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/00490
Datum 24 januari 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
1. [verzoeker 1],
wonende te [woonplaats],
2. [verzoekster 2],
wonende te [woonplaats], Verenigd Koninkrijk,
3. [verzoekster 3],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
hierna: verzoekers,
advocaat: A.C. de Bakker,
tegen
1. STICHTING AMSTELRING GROEP,
gevestigd te Amsterdam,
2. BEAUFIN B.V., h.o.d.n. BEAUFIN BEWINDVOERING, BUDGETBEHEER & MENTORSCHAP,
gevestigd te Amsterdam,
3. [de moeder],
wonende te [woonplaats],
4. [belanghebbende 4],
wonende te [woonplaats],
5. [belanghebbende 5],
wonende te [woonplaats],
6. [belanghebbende 6],
wonende te [woonplaats],
7. [belanghebbende 7],
wonende te [woonplaats],
8. [belanghebbende 8],
wonende te [woonplaats],
BELANGHEBBENDEN in cassatie,
hierna: de belanghebbenden,
niet verschenen.
1. Ambtshalve verbetering van een verschrijving
De Hoge Raad heeft geconstateerd dat zijn beschikking in deze zaak van 20 december 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1892) een kennelijke verschrijving bevat. In rov. 3.5 van die beschikking staat “De wettelijke voorkeursregeling van art. 1:435 lid 3 BW en art. 1:452 lid 4 BW (…)” terwijl dit moet zijn “De wettelijke voorkeursregeling van art. 1:435 lid 4 BW en art. 1:452 lid 4 BW (…)”.
De advocaat van verzoekers heeft desgevraagd laten weten geen bezwaar te hebben tegen ambtshalve verbetering op de voet van art. 31 Rv van deze verschrijving.
2. Beslissing
De Hoge Raad verbetert zijn beschikking van 20 december 2024 aldus dat in rov. 3.5 van die beschikking “art. 1:435 lid 3 BW” wordt vervangen door “art. 1:435 lid 4 BW” en stelt de verbetering op de minuut van die beschikking.
Deze beschikking is gegeven door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 24 januari 2025.
Uitspraak 20‑12‑2024
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/00490
Datum 20 december 2024
BESCHIKKING
In de zaak van
1. [verzoeker 1],
wonende te [woonplaats],
2. [verzoeker 2],
wonende te [woonplaats], Verenigd Koninkrijk,
3. [verzoeker 3],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
hierna: verzoekers,
advocaat: A.C. de Bakker,
tegen
1. STICHTING AMSTELRING GROEP,
gevestigd te Amsterdam,
2. BEAUFIN B.V., h.o.d.n. BEAUFIN BEWINDVOERING, BUDGETBEHEER & MENTORSCHAP,
gevestigd te Amsterdam,
3. [de moeder],
wonende te [woonplaats],
4. [belanghebbende 4],
wonende te [woonplaats],
5. [belanghebbende 5],
wonende te [woonplaats],
6. [belanghebbende 6],
wonende te [woonplaats],
7. [belanghebbende 7],
wonende te [woonplaats],
8. [belanghebbende 8],
wonende te [woonplaats],
BELANGHEBBENDEN in cassatie,
hierna: de belanghebbenden,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaken 10077702 EB VERZ 22-12150 en 10077801 EB VERZ 22-12151 van de rechtbank Amsterdam van 16 september 2022;
b. de beschikking in de zaak 200.320.454/01 van het gerechtshof Amsterdam van 14 november 2023.
Verzoekers hebben tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De belanghebbenden hebben geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F. Ibili strekt tot vernietiging en verwijzing.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan:
(i) Verzoeker tot cassatie 1 (hierna: de zoon) is het jongste kind van belanghebbende in cassatie 3 (hierna: de moeder). De moeder is in 1934 geboren. De echtgenoot van de moeder (tevens de vader van de zoon) is in 2007 overleden.
(ii) Uit een eerder huwelijk van de moeder zijn geboren verzoeksters tot cassatie 2 en 3 en belanghebbenden in cassatie 4 tot en met 8 (hierna gezamenlijk: de overige kinderen).
(iii) In 2014 heeft de moeder in een levenstestament aan de zoon volmacht gegeven om daarin genoemde rechtshandelingen te verrichten voor het geval zij niet ten volle in staat is haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen en haar wil te verklaren en daarvan blijkt uit een schriftelijke verklaring van een arts.
(iv) In een medische verklaring van 8 maart 2021 is door een arts vastgesteld dat de moeder niet meer in staat is haar wensen zelfstandig naar behoren te bepalen en de reikwijdte van haar beslissingen te overzien.
(v) Na een brand in haar woning eind 2021 verbleef de moeder bij de zoon. De moeder verblijft sinds 1 juli 2022 op een gesloten afdeling van een revalidatie- en zorgcentrum van belanghebbende in cassatie 1 (hierna: het zorgcentrum), aanvankelijk op grond van een inbewaringstelling. In augustus 2022 is een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf verleend ten aanzien van de moeder. Deze machtiging is nadien verlengd.
(vi) In december 2022 zijn de goederen die de zoon (zullen) toebehoren onder bewind gesteld wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden. In hoger beroep is dit bewind bij beschikking van 24 oktober 2023 opgeheven.
2.2
Op verzoek van het zorgcentrum heeft de kantonrechter bij beschikkingen van 16 september 2022 de goederen die (zullen) toebehoren aan de moeder onder bewind gesteld en een mentorschap ingesteld ten behoeve van de moeder, met benoeming van belanghebbende in cassatie 2 (hierna: Beaufin) tot bewindvoerder en tot mentor.
2.3
De moeder en de zoon hebben hoger beroep ingesteld en verzocht de verzoeken van het zorgcentrum alsnog af te wijzen, althans de zoon dan wel één van de andere kinderen te benoemen tot bewindvoerder en mentor.
2.4
Het hof1.heeft de beschikkingen van de kantonrechter bekrachtigd.
Over het procesverloop in hoger beroep heeft het hof, voor zover in cassatie van belang, het volgende overwogen.
Op de mondelinge behandeling zijn verschenen de zoon, het zorgcentrum en Beaufin. Het is het hof pas op de mondelinge behandeling gebleken dat de moeder nog twee kinderen heeft (verzoeksters tot cassatie 2 en 3) en dat zij als belanghebbenden moeten worden aangemerkt. Zij waren dus niet opgeroepen. (rov. 2.4)
Er is een proces-verbaal van de mondelinge behandeling opgemaakt en de overige kinderen zijn in de gelegenheid gesteld op dit proces-verbaal te reageren. (rov. 2.5)
De moeder is op 29 augustus 2023 in het zorgcentrum door de voorzitter in het bijzijn van de griffier gehoord. De zoon en de overige kinderen zijn in de gelegenheid gesteld om op het hiervan opgemaakte proces-verbaal te reageren. (rov. 2.6)
Beaufin heeft bij brief van 6 september 2023 gewezen op een kennelijke verschrijving in het proces-verbaal van de zitting van 18 augustus 2023. Het hof heeft alle belanghebbenden in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. (rov. 2.7)
Bij brief van 21 september 2023 heeft mr. Van Rossen namens zes kinderen (verzoekers tot cassatie 2 en 3 en belanghebbenden in cassatie 4 t/m 7) verklaringen overgelegd, naar het hof begrijpt in reactie op de processen-verbaal van de zitting op 18 augustus 2023 en het verhoor van de moeder op 29 augustus 2023. (rov. 2.8)
Bij brief van 13 oktober 2023 heeft mr. Van Rossen namens de zoon en de overige kinderen gereageerd op de brief van Beaufin van 6 september 2023. (rov. 2.8)
Over de vraag wie als bewindvoerder en mentor benoemd moet worden, heeft het hof onder meer het volgende overwogen.
Op grond van art. 1:435 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Indien lid 3 niet van toepassing is en de rechthebbende geen levensgezel heeft, bepaalt lid 4 van dit artikel dat bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot bewindvoerder wordt benoemd. In art. 1:452 BW is een vergelijkbare regeling getroffen voor de benoeming van de mentor. (rov. 5.9)
Er moet voorbij worden gegaan aan de voorkeur zoals die blijkt uit het levenstestament van de moeder, alsook aan de wettelijke voorkeur voor een kind. Het hof acht de zoon ongeschikt als bewindvoerder en mentor van de moeder. (rov. 5.10)
De andere kinderen die stellen bereid te zijn tot mentor of bewindvoerder te worden benoemd, zijn evenmin geschikt. De moeder is met haar kinderen (behalve de zoon) gebrouilleerd, als gevolg waarvan het contact met hen is afgenomen. De overige kinderen hebben zich ook niet bij het zorgcentrum gemeld toen de moeder daar werd opgenomen en hebben, volgens de ter zitting aanwezige verpleegkundige van het zorgcentrum, hun moeder daar niet bezocht. Het hof heeft daarom te veel twijfel over de betrokkenheid en geschiktheid van de overige kinderen om hen te benoemen tot bewindvoerder en mentor. (rov. 5.11)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Onderdeel 1.1 van het middel klaagt dat de beschikking van het hof in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor is tot stand gekomen. Toen tijdens de mondelinge behandeling aan het hof bleek dat de moeder nog twee kinderen (verzoeksters tot cassatie 2 en 3) heeft die als belanghebbenden moeten worden aangemerkt en niet waren opgeroepen, had het hof de mondelinge behandeling moeten aanhouden, deze kinderen alsnog moeten oproepen en alsnog in de gelegenheid moeten stellen een verweerschrift in te dienen, aldus het onderdeel.
3.2
In zaken van curatele, onderbewindstelling en mentorschap zijn onder meer de kinderen van degene die onder curatele wordt gesteld, wiens goederen onder bewind worden gesteld of ten behoeve van wie een mentorschap wordt ingesteld, belanghebbenden (art. 798 lid 2 Rv). In overeenstemming daarmee heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat de kinderen van de moeder belanghebbenden zijn.
In zaken van curatele, onderbewindstelling en mentorschap geldt dat – tenzij de rechter zich aanstonds onbevoegd verklaart of het verzoek aanstonds toewijst – de in art. 798 lid 2 Rv genoemde belanghebbenden worden opgeroepen voor de mondelinge behandeling, dat aan hen, voor zover hun woonplaats bekend is, daarbij een afschrift van het verzoekschrift wordt gezonden en dat zij het recht hebben een verweerschrift in te dienen (art. 800 lid 1 Rv en art. 282 lid 1 Rv). Een en ander geldt ook in hoger beroep (art. 361 lid 1 en lid 3 Rv en art. 362 Rv).
Indien de rechter tijdens de behandeling van de zaak constateert dat in strijd hiermee een belanghebbende niet is opgeroepen voor de mondelinge behandeling, dient de rechter, gelet op het fundamentele belang van hoor en wederhoor, die belanghebbende, voordat op het verzoek wordt beslist, in de gelegenheid te stellen alsnog gebruik te maken van zijn processuele rechten.
3.3
Uit hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, volgt dat het hof in deze zaak, toen het constateerde dat twee van de kinderen van de moeder ten onrechte niet voor de mondelinge behandeling waren opgeroepen, geen verweerschrift hadden ingediend en niet waren verschenen op de mondelinge behandeling, een nieuwe mondelinge behandeling had moeten gelasten en deze twee kinderen daarvoor had moeten oproepen. Daaraan doet niet af dat het hof deze twee kinderen na afloop van de mondelinge behandeling in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, aangezien niet blijkt dat zij daarbij in de gelegenheid zijn gesteld alsnog gebruik te maken van hun processuele rechten. De klacht slaagt.
3.4
De gegrondbevinding van onderdeel 1.1 brengt mee dat de overige onderdelen geen behandeling behoeven.
3.5
Opmerking verdient nog het volgende. Het hof heeft (in rov. 5.11) overwogen dat er te veel twijfels zijn over de betrokkenheid en geschiktheid van de daar bedoelde kinderen om (één van) hen tot bewindvoerder en mentor te benoemen. Onderdeel 2a berust op de rechtsopvatting dat voor de beantwoording van de vraag of een kind als bewindvoerder of mentor dient te worden benoemd, niet van belang is de eerdere verstandhouding van het kind met of de betrokkenheid van het kind bij de ouder wiens goederen of mentorschap het betreft. Die rechtsopvatting is onjuist. De wettelijke voorkeursregeling van art. 1:435 lid 3 BW en art. 1:452 lid 4 BW berust erop dat de betrokkene vaak het meest vertrouwd is met mensen uit zijn naaste omgeving en dat die geacht worden het beste in staat te zijn de wil van betrokkene te vertolken en de belangen van betrokkene te behartigen.2.Bij de beoordeling van de geschiktheid van een familielid dat bereid is op te treden als bewindvoerder of mentor, kan de rechter betrekken of, gelet op de band en verstandhouding tussen het familielid en de betrokkene, de veronderstelling waarop de wettelijke voorkeursregeling is gebaseerd, ook in het concrete geval juist is.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 14 november 2023;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Den Haag ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 20 december 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 20‑12‑2024
Conclusie 13‑09‑2024
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/00490
Zitting 13 september 2024
CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
1. [verzoeker 1] ,
2. [verzoekster 2] ,
3. [verzoekster 3] .
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
1. Stichting Amstelring Groep,
2. BeauFin B.V. t.h.o.d.n. Beaufin bewindvoering, budgetbeheer & mentorschap,
3. [de moeder] ,
4. [belanghebbende 4] ,
5. [belanghebbende 5] ,
6. [belanghebbende 6] ,
7. [belanghebbende 7] ,
8. [belanghebbende 8] .
1.Inleiding
In deze zaak over bewind en mentorschap van de moeder wordt in cassatie geklaagd dat het hof twee kinderen van de moeder ten onrechte niet heeft betrokken in de procedure op de wijze die geldt voor belanghebbenden, waardoor de bestreden beschikking met schending van het beginsel van hoor en wederhoor (art. 19 Rv) tot stand is gekomen. Voorts wordt in cassatie geklaagd dat het hof een onjuist criterium heeft aangelegd bij de beoordeling of afgeweken kan worden van de wettelijke voorkeur voor een van de kinderen bij de benoeming van een bewindvoerder en mentor (art. 1:435 lid 4 en art. 1:452 lid 4 BW).
2. Feiten en procesverloop
Feiten1.
2.1
[de moeder] (hierna: de moeder) is geboren op [geboortedatum] 1934. Zij heeft acht kinderen. [verzoeker 1] (hierna: de zoon) is haar jongste kind. De echtgenoot van de moeder, tevens de vader van de zoon, is in 2007 overleden. Uit een eerder huwelijk van de moeder zijn geboren: [verzoekster 2] , [verzoekster 3] , [belanghebbende 4] , [belanghebbende 5] , [belanghebbende 6] , [belanghebbende 8] en [belanghebbende 7] .
2.2
Op 3 juli 2014 heeft de moeder bij de notaris een levenstestament laten opstellen. In deze notariële akte heeft de moeder aan de zoon volmacht gegeven om de in de akte genoemde rechtshandelingen te verrichten voor het geval zij ten gevolge van haar lichamelijke en/of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet ten volle in staat is haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen en haar wil te verklaren, waarvan dient te blijken uit een schriftelijke verklaring van een ter zake kundig arts.
2.3
In een medische verklaring van 8 maart 2021 is door een arts vastgesteld dat de moeder, haar geestelijke toestand in aanmerking genomen, niet meer in staat is haar wensen zelfstandig naar behoren te bepalen en de reikwijdte van haar beslissingen te overzien.
2.4
Na een brand in haar woning op 5 december 2021 verbleef de moeder bij de zoon. De moeder verblijft sinds 1 juli 2022 op een gesloten afdeling van revalidatie- en zorgcentrum [verblijfplaats] van Amstelring , aanvankelijk op grond van een inbewaringstelling. Bij beschikking van 29 augustus 2022 is een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf verleend voor de moeder. Deze machtiging is nadien verlengd en geldt nog steeds.
2.5
Bij beschikking van 2 december 2022 zijn de goederen die de zoon (zullen) toebehoren onder bewind gesteld wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden. Bij beschikking van 24 oktober 2023 is dit bewind in hoger beroep opgeheven.
Procesverloop2.
2.6
Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen bij de griffie van de kantonrechter op 30 augustus 2022, heeft een maatschappelijk werker van Amstelring verzocht tot instelling van een bewind over de goederen die (zullen) toebehoren aan de moeder en tot instelling van een mentorschap ten behoeve van de moeder.
2.7
Bij beschikking van 16 september 2022 (zaaknummer 10077702) heeft de kantonrechter te Amsterdam de goederen die (zullen) toebehoren aan de moeder onder bewind gesteld, met benoeming van Beaufin tot bewindvoerder.
2.8
Bij beschikking van 16 september 2022 (zaaknummer 10077801) heeft de kantonrechter te Amsterdam een mentorschap ingesteld ten behoeve van de moeder, met benoeming van Beaufin tot mentor.
2.9
De zoon en de moeder zijn op 16 december 2022 in hoger beroep gekomen van beide beschikkingen. Zij hebben verzocht, met vernietiging van de bestreden beschikkingen, na wijziging van hun verzoek, de inleidende verzoeken van Amstelring af te wijzen en het bewind en het mentorschap op te heffen. Indien het bewind en het mentorschap in stand worden gelaten, houdt het verzoek in dat de zoon dan wel een van de andere kinderen wordt benoemd tot bewindvoerder en mentor.3.
2.10
Amstelring heeft op 24 februari 2023 een verweerschrift ingediend en verzocht om de bestreden beschikkingen te bekrachtigen.
2.11
De mondelinge behandeling bij het hof heeft op 18 augustus 2023 plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen:
- de zoon, bijgestaan door mr. Van Rossen;
- [betrokkene 1] en [betrokkene 2] namens Amstelring, bijgestaan door mrs. Klaassen en Terlouw;
- [betrokkene 3] en [betrokkene 4] namens Beaufin.
2.12
[belanghebbende 4] en [belanghebbende 8] zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet in persoon ter zitting verschenen. [belanghebbende 5] , [belanghebbende 6] en [belanghebbende 7] hebben bericht dat zij onderweg waren naar de zitting, maar door files niet in staat zijn de zitting bij te wonen.4.
2.13
Ter zitting is voor het hof bekend geworden dat de moeder nog twee kinderen heeft, te weten [verzoekster 2] en [verzoekster 3] (hierna: verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3), en dat zij als belanghebbenden moeten worden aangemerkt. Zij waren niet opgeroepen voor de zitting.
2.14
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Alle kinderen, op de zoon na, zijn door het hof in de gelegenheid gesteld op dit proces-verbaal te reageren.
2.15
De moeder is op 29 augustus 2023 op locatie gehoord door een raadsheer in het bijzijn van de griffier. Van dit verhoor is een proces-verbaal opgemaakt. Alle kinderen zijn door het hof in de gelegenheid gesteld op dit proces-verbaal te reageren.
2.16
Bij brief van 6 september 2023 heeft Beaufin verzocht om aanpassing van het proces-verbaal van de zitting op 18 augustus 2023 in verband met een kennelijke verschrijving. Bij brief van 3 oktober 2023 heeft het hof alle belanghebbenden in de gelegenheid gesteld om te reageren op dit verzoek.5.
2.17
Bij brief van 21 september 2023 heeft mr. Van Rossen (gelijkluidende) verklaringen in het geding gebracht van [verzoekster 2] , [verzoekster 3] , [belanghebbende 4] , [belanghebbende 5] , [belanghebbende 6] en [belanghebbende 7] .
2.18
Bij brief van 13 oktober 2023 heeft mr. Van Rossen namens de zoon en de overige kinderen6.gereageerd op de brief van Beaufin van 6 september 2023.
2.19
Bij beschikking van 14 november 2023 (hierna: de bestreden beschikking) heeft het gerechtshof Amsterdam de bestreden beschikkingen bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen.
2.20
Verzoekers tot cassatie hebben tijdig7.cassatieberoep ingesteld tegen de bestreden beschikking. De belanghebbenden in cassatie hebben geen verweerschrift ingediend.
3. Ontvankelijkheid van verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3
3.1
Art. 426 lid 1 Rv bepaalt dat beroep in cassatie tegen beschikkingen kan worden ingesteld door degenen die in één van de vorige instanties verschenen zijn. Een belanghebbende is verschenen in een vorige instantie, indien hij een verweerschrift heeft ingediend dan wel ter zitting is gehoord.8.Verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 zijn in eerste aanleg niet verschenen; zij zijn niet op de hoogte gesteld van de procedure, zij hebben geen verweerschrift ingediend en zij zijn niet voor een mondelinge behandeling uitgenodigd.9.Zoals hierna bij de bespreking van onderdeel 1 van het cassatiemiddel zal blijken, zijn verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 evenmin verschenen in de procedure in hoger beroep; zij zijn niet van het hoger beroep op de hoogte gesteld, zij hebben geen verweerschrift ingediend, zij zijn niet voor de mondelinge behandeling op 18 augustus 2023 opgeroepen, en evenmin zijn zij – uit zichzelf – ter zitting verschenen. Kunnen verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 worden ontvangen in hun cassatieberoep?
3.2
Volgens vaste rechtspraak brengen de eisen van een behoorlijke rechtspleging met zich mee dat art. 426 lid 1 Rv niet de strekking heeft om beroep in cassatie uit te sluiten als de niet verschenen belanghebbende buiten zijn schuld niet in de vorige instanties is verschenen.10.In cassatie staat vast dat verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 in de zaak over bewind en mentorschap van de moeder belanghebbenden zijn in de zin van art. 798 lid 2 Rv. Zij zijn echter niet als belanghebbenden betrokken in de procedure in eerste aanleg en evenmin – zo volgt uit de bespreking van onderdeel 1 van het cassatiemiddel – in hoger beroep, terwijl dat wel had gemoeten.
3.3
Nu verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 buiten hun schuld niet in de vorige instanties zijn verschenen, kunnen zij worden ontvangen in hun cassatieberoep.
4. Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen. Onderdeel 1 ziet op de vraag of het hof het beginsel van hoor en wederhoor (art. 19 Rv) heeft geschonden door verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 niet in de procedure te betrekken op de wijze die geldt voor belanghebbenden. Onderdeel 2 stelt aan de orde of het hof het juiste criterium heeft aangelegd bij de beoordeling of afgeweken kan worden van de wettelijke voorkeur voor een van de kinderen bij de benoeming van een bewindvoerder en mentor op grond van art. 1:435 lid 4 en art. 1:452 lid 4 BW.
Heeft het hof het beginsel van hoor en wederhoor geschonden?
4.2
Onderdeel 1 van het cassatiemiddel valt uiteen in drie subonderdelen. De belangrijkste klacht – subonderdeel 1a – houdt in dat de bestreden beschikking tot stand is gekomen in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor (art. 19 Rv), omdat verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 ten onrechte niet zijn geïnformeerd over de procedure, niet in de gelegenheid zijn gesteld om een verweerschrift in te dienen en niet zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling op 18 augustus 2023. Voor zover het hof dit verzuim heeft willen herstellen door verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 in de gelegenheid te stellen om te reageren op het proces-verbaal van de zitting op 18 augustus 2023, is dat volgens het middel niet afdoende. Voorts bevat het middel – subonderdelen 1b en 1c – motiveringsklachten met betrekking tot (i) het hiervoor gestelde verzuim in het kader van de procedure in hoger beroep, (ii) rov. 2.4 van de bestreden beschikking waar het hof overweegt dat pas ter zitting in hoger beroep bekend is geworden dat de moeder nog twee kinderen heeft (verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3), en (iii) rov. 2.6 en 2.8 van de bestreden beschikking waar het hof overweegt dat verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 in de gelegenheid zijn gesteld om te reageren op het proces-verbaal van de zitting op 18 augustus 2023 en het proces-verbaal van het verhoor van de moeder op 29 augustus 2023.
4.3
Bij de behandeling van deze klachten stel ik het volgende voorop. Verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 zijn de kinderen van de moeder uit haar eerste huwelijk. Op grond van art. 798 lid 2 Rv worden zij uit dien hoofde aangemerkt als belanghebbenden in de zaak over bewind en mentorschap van de moeder. Ook het hof gaat hiervan uit, zie rov. 2.4, slot, van de bestreden beschikking (‘Pas ter zitting in hoger beroep is bekend geworden dat de moeder nog twee kinderen heeft, te weten [verzoekster 2] en [verzoekster 3] , en dat zij als belanghebbenden moeten worden aangemerkt’).11.Belanghebbenden hebben een zelfstandige processuele positie, met daaruit voortvloeiende processuele rechten.12.Zo hebben belanghebbenden recht op inzage in en afschrift van de processtukken, dat wil zeggen: het verzoekschrift, het verweerschrift, de op de zaak betrekking hebbende bescheiden en het proces-verbaal van de zitting (art. 290 lid 1; art. 800 lid 1 Rv). Ook hebben belanghebbenden het recht om een verweerschrift in te dienen (art. 282 lid 1; art. 361 lid 3 Rv). Verder worden belanghebbenden in beginsel opgeroepen voor de mondelinge behandeling van de zaak (art. 279 lid 1; art. 361 lid 1; art. 800 lid 1 Rv). Ook ontvangen belanghebbenden een afschrift van de beschikking (art. 290 lid 3; art. 805 lid 1 Rv) en kunnen zij daarvan in hoger beroep komen (art. 358 lid 2; art. 805 Rv).
4.4
Over de mondelinge behandeling nog het volgende. Van een verplichting tot oproeping van de belanghebbenden is geen sprake. Het is aan het beleid van de rechter overgelaten of hij de belanghebbenden zal doen oproepen of niet, met dien verstande dat hij bij de invulling van dit beleid de eisen van een behoorlijke rechtspleging in acht zal moeten nemen.13.Het achterwege laten om een belanghebbende op te roepen kan in strijd komen met het beginsel van hoor en wederhoor. Dit zal met name het geval zijn wanneer de wederpartij van de verzoeker zich niet over het verzoek heeft uitgesproken en ook niet als belanghebbende is opgeroepen en gehoord,14.terwijl aannemelijk is dat deze wederpartij door de beslissing rechtstreeks in haar belangen kan worden geschaad15..
4.5
In de Aanbevelingen meerderjarigenbewind16.is, voor zover van belang, het volgende bepaald:
‘A.1. (…)
Ter beoordeling van de noodzaak en de omvang van het bewind is uitgangspunt dat verzoekers, de betrokkene en belanghebbenden worden gehoord, zo nodig op de verblijfplaats van de betrokkene. Hoewel artikel 800 Rv ruimte biedt om het verzoek aanstonds op de stukken toe te wijzen, wordt aanbevolen om daarvan in beginsel geen gebruik te maken. (…)
A.2. (…)
In de wet is bepaald welke familieleden als belanghebbenden worden aangemerkt. De belanghebbenden moeten de gelegenheid krijgen om zich over het verzoek uit te spreken. Slechts in uitzonderlijke gevallen kan de kantonrechter hier van afwijken. De betrokkene zal in het verzoekschrift moeten uitleggen waarom hij/zij niet wil dat zijn/haar familie bij de behandeling van het verzoek wordt betrokken. Een enkele vermelding in het verzoek is niet voldoende. De kantonrechter zal in de regel alleen afzien van het horen van belanghebbenden als de betrokkene in staat is om zijn/haar wil te bepalen en de voorgestelde bewindvoerder een onafhankelijke, professionele bewindvoerder is.’17.
4.6
Voor de beantwoording van de in onderdeel 1 van het cassatiemiddel aan de orde gestelde vraag of de bestreden beschikking tot stand is gekomen met schending van het beginsel van hoor en wederhoor (art. 19 Rv), is het volgende van belang.
4.7
Om te beginnen stel ik aan de orde of verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 in de procedure in hoger beroep zijn verschenen.18.Vast staat dat zij geen verweerschrift hebben ingediend en ook niet in persoon zijn verschenen op de mondelinge behandeling op 18 augustus 2023; het hof had hen niet geïnformeerd over de procedure en ook niet opgeroepen voor de zitting (zie ook rov. 2.4, slot van de bestreden beschikking: ‘Zij waren dus niet opgeroepen’). Zijn zij bij gemachtigde, in de persoon van mr. Van Rossen, verschenen in de procedure in hoger beroep? Volgens het middel (p. 11, nr. 10) is dat niet het geval. Ik zal uitleggen waarom ik het daarmee eens ben.
4.7.1
Mr. Van Rossen heeft het appelschrift ingediend namens de moeder en de zoon: alleen zij staan op p. 1 van het appelschrift vermeld als appellanten. Uit het lichaam van het appelschrift blijkt niet anders.
4.7.2
Tijdens de mondelinge behandeling op 18 augustus 2023 heeft mr. Van Rossen verklaard ‘(…) dat hij ook namens [belanghebbende 5] , [belanghebbende 6] en [belanghebbende 7] optreedt.’19.Uit het proces-verbaal blijkt verder dat tijdens de zitting is gesproken over verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3, ‘ [betrokkene 5] en [verzoekster 2] ’. De zoon heeft verklaard: ‘Mijn moeder heeft nog twee dochters: [betrokkene 5] en [verzoekster 2] . (…) [verzoekster 2] woont in Engeland en [betrokkene 5] woont in [plaats] . Zij zijn op de hoogte van deze procedure; alle broers en zussen zitten in een groepsapp.’20.Mr. Van Rossen heeft verklaard: ‘Ik heb [betrokkene 5] en [verzoekster 2] niet gesproken. Ik heb steeds met vier van de broers en zussen gesproken, maar ik heb begrepen dat het standpunt namens alle kinderen geldt.’21.Het proces-verbaal vermeldt verder: ‘De voorzitter schorst de mondelinge behandeling voor overleg in raadkamer, waarna de behandeling wordt hervat en de voorzitter mr. Van Rossen verzoekt de adresgegevens van [betrokkene 5] en [verzoekster 2] aan het hof te doen toekomen. Als belanghebbenden horen zij de stukken te krijgen – waaronder een van deze zitting op te maken proces-verbaal – en mogen zij hun visie op de zaak geven.’22.
4.7.3
Het cassatiemiddel (p. 7, nr. 4) vermeldt dat mr. Van Rossen bij brief van 23 augustus 2023 opgave heeft gedaan aan het hof van de namen en adressen van de kinderen. Ik ga ervan uit dat daarmee wordt bedoeld: de namen en adressen van verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3.23.
4.7.4
Bij brief van 21 september 2023 heeft mr. Van Rossen verklaringen van zes van de kinderen, waaronder verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3, in het geding gebracht. Het bijgevoegde V6-formulier vermeldt: ‘De verklaringen zijn het bezwaar van de kinderen omtrent de gang van zaken bij het instellen van het bewind en de uithuisplaatsing van [de moeder] .’ In rov. 2.8 van de bestreden beschikking staat dat deze verklaringen zijn overgelegd ‘(…) naar het hof begrijpt in reactie op de processen-verbaal van de zitting op 18 augustus 2023 en het verhoor van de moeder op 29 augustus 2023.’
4.7.5
Bij brief van 3 oktober 2023 heeft de griffier van het hof mr. Van Rossen bericht dat Beaufin bij brief van 6 september 2023 heeft verzocht om aanpassing van het proces-verbaal van de zitting op 18 augustus 2023 in verband met een kennelijke verschrijving. Verder schrijft de griffier: ‘Het hof is voornemens om deze verbeterde passage aan het proces-verbaal te hechten. U krijgt de gelegenheid om uiterlijk op 12 oktober 2023 schriftelijk te reageren op dit voornemen. Aangezien het hof ervan uitgaat dat u niet alleen optreedt voor [de moeder] en [verzoeker 1] , maar ook voor de overige kinderen van [de moeder] , verzoek ik u mede namens hen te reageren, indien gewenst.’
4.7.6
Bij brief van 13 oktober 2023 heeft mr. Van Rossen gereageerd op de brief van 3 oktober 2023 van de griffier van het hof. Hij schrijft daarin: ‘Nu ik de brief heb ontvangen ná het verstrijken van de termijn verzoek ik U mij een termijn van een week te geven teneinde overleg te hebben met de (grote) familie van cliënte over de inhoud van Uw brief. (…) Indien uitstel voor overleg met de kinderen niet mogelijk is acht ik wijziging van het proces-verbaal om bovenstaande redenen onjuist’. Deze brief wordt als volgt aangehaald in rov. 2.8 van de bestreden beschikking: ‘(…) Bij brief van 13 oktober 2023 heeft mr. Van Rossen namens de zoon en de overige kinderen van de moeder gereageerd op de brief van Beaufin van 6 september 2023.’
4.7.7
Uit het voorgaande leid ik af dat er aanwijzingen zijn dat het hof, zij het impliciet, ervan is uitgegaan dat mr. Van Rossen alle kinderen in hoger beroep vertegenwoordigt, ook verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3. Dat volgt uit de inhoud van de brief van 3 oktober 2023 van de griffier van het hof (4.7.5) en uit rov. 2.8 van de bestreden beschikking (4.7.6). Ik zie echter onvoldoende aanknopingspunten om aan te kunnen nemen dat mr. Van Rossen zich daadwerkelijk heeft gesteld voor verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3. Uit de gedingstukken maak ik niet op dat mr. Van Rossen zich in hoger beroep voor verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 uitdrukkelijk heeft gesteld, evenmin dat hij bij het hof de indruk heeft gewekt als gemachtigde van verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 op te treden. Hij heeft geen proceshandelingen namens hen verricht, evenmin standpunten namens hen ingenomen. In zijn uitlating ter zitting dat hij ‘ook namens [belanghebbende 5] , [belanghebbende 6] en [belanghebbende 7] optreedt’, ligt juist besloten dat hij niet voor verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 optreedt. In het licht hiervan had het hof alleen van het tegendeel kunnen uitgaan bij een uitdrukkelijke of ondubbelzinnige mededeling van mr. Van Rossen dat hij ook namens verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 optreedt. In zoverre volg ik de lezing die besloten ligt in het cassatiemiddel (p. 11, nr. 10), dat mr. Van Rossen slechts verklaringen van verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 in het geding heeft gebracht (4.7.4) ter nadere onderbouwing van de standpunten van de kinderen voor wie hij zich wel heeft gesteld.
4.7.8
Verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 kunnen derhalve niet geacht worden te zijn verschenen in de procedure in hoger beroep, nu zij geen verweerschrift hebben ingediend, niet ter zitting zijn verschenen en ook niet zijn vertegenwoordigd door mr. Van Rossen.
4.8
Voorts leid ik uit de processuele gang van zaken af dat het hof verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 voorafgaand aan de mondelinge behandeling op 18 augustus 2023 niet het appelschrift en de andere gedingstukken heeft toegezonden. Zij waren immers niet betrokken in de procedure en ook niet opgeroepen voor de zitting (zie rov. 2.4, slot, van de bestreden beschikking: ‘Zij waren dus niet opgeroepen.’). Na de mondelinge behandeling hebben verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 hooguit een aantal gedingstukken van het hof toegezonden gekregen. Ik wijs daarvoor op het volgende. Het proces-verbaal van de zitting op 18 augustus 2023 vermeldt: ‘De voorzitter schorst de mondelinge behandeling voor overleg in raadkamer, waarna de behandeling wordt hervat en de voorzitter mr. Van Rossen verzoekt de adresgegevens van [betrokkene 5] en [verzoekster 2] aan het hof te doen toekomen. Als belanghebbenden horen zij de stukken de krijgen – waaronder een van deze zitting op te maken proces-verbaal – en mogen zij hun visie op de zaak geven.’24.De bestreden beschikking vermeldt niet dat ‘de stukken’ na de mondelinge behandeling zijn toegezonden aan verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3. Ook overigens is mij niet gebleken dat verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 het appelschrift en alle andere gedingstukken hebben ontvangen. Uit de bestreden beschikking kan hooguit worden afgeleid dat het hof een aantal gedingstukken aan verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 heeft toegezonden, te weten: het proces-verbaal van de zitting op 18 augustus 2023 (rov. 2.5), het proces-verbaal van verhoor van de moeder op 29 augustus 2023 (rov. 2.6) en de brief van 6 september 2023 van Beaufin (rov. 2.7).25.
4.9
In het cassatiemiddel wordt overigens betwijfeld of de griffier van het hof verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 daadwerkelijk heeft aangeschreven om te reageren op het proces-verbaal van de zitting op 18 augustus 2023 en het proces-verbaal van verhoor van de moeder op 29 augustus 2023. Het cassatiemiddel (p. 7, nr. 4 en p. 15, nr. 18) gaat ervan uit dat de griffier hierover uitsluitend mr. Van Rossen heeft aangeschreven.
4.10
Ten slotte de oproeping van verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 voor de mondelinge behandeling op 18 augustus 2023. Het proces-verbaal van de zitting vermeldt hierover: ‘De voorzitter legt uit dat in zaken over bewind en mentorschap alle kinderen van de moeder als belanghebbende worden aangemerkt en dat zij dus moeten worden opgeroepen. Voor het hof valt nu niet te controleren of de oudste twee kinderen van de moeder op de hoogte zijn van de procedure.’26.In de bestreden beschikking stelt het hof vast dat verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 niet zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling (zie rov. 2.4, slot: ‘Zij waren dus niet opgeroepen.’). In deze gang van zaken heeft het hof geen beletsel gezien om de zaak op 18 augustus 2023 inhoudelijk te behandelen met de wel verschenen belanghebbenden.
4.11
Op zichzelf ben ik het met het middel eens dat het hof op basis van de gedingstukken veel eerder dan pas op de zitting had kunnen weten van het bestaan van verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3. In bijlage 2 bij het inleidend verzoekschrift bevindt zich een brief van [verblijfplaats] van 18 augustus 2022, waarin wordt vermeld dat de moeder acht kinderen heeft. In de inleiding van het appelschrift (p. 2) wordt vermeld dat de zoon het jongste kind is van de moeder en dat zij nog zeven kinderen heeft uit een eerder huwelijk. Deze informatie zou voor het hof voldoende aanleiding moeten zijn geweest om voor de mondelinge behandeling (via de advocaat van appellanten, de zoon en de moeder) te achterhalen wie deze kinderen zijn om hen vervolgens als belanghebbenden in de procedure te betrekken.
4.12
Maar ook wanneer met het hof wordt aangenomen dat pas ter zitting duidelijk is geworden dat de moeder nog twee kinderen heeft (verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3) die niet zijn opgeroepen, had het hof de mondelinge behandeling kunnen aanhouden om deze twee kinderen als belanghebbenden op grond van art. 361 lid 1 Rv alsnog te laten oproepen voor een nieuwe mondelinge behandeling. In de bestreden beschikking heeft het hof niet gemotiveerd waarom een nieuwe mondelinge behandeling achterwege kan blijven. Hierdoor is een processuele ongelijkheid ontstaan tussen de belanghebbenden onderling. Alle belanghebbenden hebben immers de mogelijkheid gekregen om de zaak mondeling toe te lichten, behalve verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3. Nu de mondelinge interactie tussen belanghebbenden en de rechter ter zitting van wezenlijke invloed kan zijn op de oordeelsvorming van de rechter,27.zijn verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3, die – zo begrijp ik28.– in aanmerking wensen te komen voor benoeming tot bewindvoerder en/of mentor, door deze gang van zaken op een processuele achterstand geplaatst.
4.13
Waartoe leidt dit allemaal? Uit het voorgaande maak ik op dat het hof verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 in hoger beroep niet heeft betrokken op de wijze die voor belanghebbenden is voorgeschreven. Aangezien verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 niet zijn verschenen in de procedure in hoger beroep (4.7.8) en uit de bestreden beschikking noch het procesdossier volgt dat zij alle op de zaak betrekking hebbende stukken hebben ontvangen (4.8), voert het middel terecht aan dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor (art. 19 Rv) heeft geschonden. Aannemelijk is dat verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 door de beslissing van het hof rechtstreeks in hun belangen kunnen worden geschaad, nu zij in aanmerking wensen te komen voor benoeming tot bewindvoerder en/of mentor (4.12). Verder heeft het hof steken laten vallen bij de oproeping van verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 voor de mondelinge behandeling, toen voor het hof duidelijk werd dat zij als belanghebbenden in de procedure betrokken hadden moeten worden (4.12). Het hof heeft de eisen van een behoorlijke rechtspleging niet in acht genomen door de mondelinge behandeling op 18 augustus 2023 door te laten gaan en de zaak inhoudelijk te behandelen met de verschenen belanghebbenden, in plaats van deze behandeling aan te houden en alle belanghebbenden – inclusief verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 – op te roepen voor een nieuwe mondelinge behandeling.
4.14
Met het middel (p. 12, nr. 11) ben ik het eens dat de schending van de processuele rechten van verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3, zoals hiervoor vastgesteld, niet als hersteld kan worden beschouwd door de mogelijkheid die het hof verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 heeft geboden om schriftelijk te reageren op het proces-verbaal van de zitting op 18 augustus 2023 (rov. 2.5) en – zo voeg ik daar aan toe – het proces-verbaal van verhoor van de moeder op 29 augustus 2023 (rov. 2.6) en de brief van Beaufin van 6 september 2023 (rov. 2.7). Ook de omstandigheid dat het hof blijkens rov. 5.4 van de bestreden beschikking bij zijn oordeelsvorming rekening heeft gehouden met de verklaringen van verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3, die zijn overgelegd door mr. Van Rossen bij brief van 21 september 2023, kan de vastgestelde schending niet wegnemen. Hoewel deze handelwijze van het hof blijk geeft van pogingen om de vastgestelde schending recht te zetten, laat zulks onverlet dat verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 geen kennis hebben kunnen nemen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken om vervolgens daarop effectief te kunnen reageren.
4.15
Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven of de griffier van het hof verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 daadwerkelijk heeft aangeschreven om te reageren op het proces-verbaal van de zitting op 18 augustus 2023 en het proces-verbaal van verhoor van de moeder op 29 augustus 2023, hetgeen door het middel in twijfel wordt getrokken (zie 4.9).
4.16
Mijn conclusie is dat onderdeel 1 van het middel terecht klaagt dat in hoger beroep processuele rechten van verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 als belanghebbenden zijn geschonden, zonder dat daarvoor in de bestreden beschikking een rechtvaardiging kan worden gevonden. Uit de hiervoor weergegeven gang van zaken blijkt dat het hof heeft beslist op grond van stukken tot kennisneming waarvan en uitlating waarover niet aan alle belanghebbenden voldoende gelegenheid is gegeven.29.De bestreden beschikking is daarmee tot stand gekomen in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor (art. 19 Rv) en kan niet in stand blijven. In het geding na verwijzing zullen de processuele rechten van verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 alsnog in acht moeten worden genomen. Zij moeten een afschrift van alle gedingstukken ontvangen en in de gelegenheid worden gesteld om een verweerschrift in te dienen. Verder zal een nieuwe mondelinge behandeling moeten worden bepaald, waarvoor verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 en de overige belanghebbenden moeten worden opgeroepen. Heeft het hof het juiste criterium aangelegd bij het afwijken van de wettelijke voorkeursregeling?
4.17
Onderdeel 2 van het cassatiemiddel komt op tegen rov. 5.11 van de bestreden beschikking. Allereerst voert het middel – subonderdeel 2a – aan dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door bij de beoordeling of afgeweken kan worden van de wettelijke voorkeur voor een van de kinderen bij de benoeming van een bewindvoerder en mentor op grond van art. 1:435 lid 4 en art. 1:452 lid 4 BW, ten onrechte van belang te achten of een kind (voorafgaand aan de instelling van een beschermingsmaatregel) betrokkenheid heeft getoond bij de (situatie van de) moeder. Volgens het middel heeft het hof hiermee een onjuist criterium aangelegd, omdat op grond van art. 1:435 lid 1 en art. 1:452 lid 1 BW uitsluitend beoordeeld had moeten worden of een kind bereid en geschikt is om tot bewindvoerder en mentor te worden benoemd. Verder formuleert het middel – subonderdeel 2b – een motiveringsklacht tegen het oordeel in rov. 5.11 dat bij het hof te veel twijfels bestaan over de betrokkenheid en geschiktheid van de kinderen – anders dan de zoon – om een van hen tot bewindvoerder en mentor te kunnen benoemen.
4.18
Het door het middel bestreden oordeel in rov. 5.11 is tot stand gekomen op basis van partijdebat waaraan verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 als belanghebbenden niet hebben kunnen deelnemen. Uit de bespreking van onderdeel 1 blijkt dat het hof daarmee het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. In de procedure na verwijzing zal opnieuw, nu op basis van partijdebat waaraan ook verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 hebben kunnen deelnemen, aan de orde moeten komen of een van de kinderen – anders dan de zoon30.– in aanmerking komt voor benoeming tot bewindvoerder en/of mentor van de moeder. Met het oog daarop zal ik aandacht besteden aan onderdeel 2.
4.19
Allereerst schets ik het wettelijke kader, voor zover relevant. De rechter die het bewind instelt vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel over de geschiktheid van de te benoemen persoon (art. 1:435 lid 1 BW). Hetzelfde geldt voor mentorschap (art. 1:452 lid 1 BW). De wet bevat een opsomming van gevallen waarin een vertegenwoordiger bij voorbaat ongeschikt wordt geacht om tot bewindvoerder en mentor te worden benoemd, bijvoorbeeld in geval van handelingsonbekwaamheid (art. 1:435 lid 6; art. 1:452 lid 6 BW).31.Bij de benoeming van de bewindvoerder en mentor volgt de rechter de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende/betrokkene, tenzij gegronde redenen zich daartegen verzetten (art. 1:435 lid 3; art. 1:452 lid 3 BW). Indien een uitdrukkelijke voorkeur ontbreekt of deze wel bestaat maar de rechter daaraan voorbij gaat, wordt in de wet voor wat betreft de te benoemen persoon een voorkeur uitgesproken voor de echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel van de rechthebbende/betrokkene, dan wel, bij het ontbreken daarvan, een van de ouders, kinderen, broers of zusters van de rechthebbende/betrokkene (art. 1:435 lid 4; art. 1:452 lid 4 BW). Deze wettelijke voorkeur is gebaseerd op de gedachte dat een vertrouwde persoon uit de nabije omgeving van de rechthebbende/betrokkene in het algemeen de meest aangewezen persoon is om de belangen van de rechthebbende/betrokkene te behartigen. De rechter is echter niet gehouden om deze wettelijke voorkeur voor de te benoemen persoon steeds te volgen. Hij kan van de wettelijke voorkeursregeling afwijken, indien hij daarvoor aanleiding ziet. De rechter heeft hierbij de nodige vrijheid, met dien verstande dat hij zijn beslissing dient te motiveren om inzicht te geven waarom hij van de wettelijke voorkeur voor de te benoemen persoon afwijkt.32.
4.20
Blijkens de uitdrukkelijke bedoelingen van de wetgever kunnen bij de toepassing van de wettelijke voorkeursregeling (art. 1:435 lid 4; art. 1:452 lid 4 BW) geen hoge eisen worden gesteld aan de geschiktheid van de partner of nabije familieleden van de rechthebbende/betrokkene. Ik wijs op de volgende passage uit de parlementaire geschiedenis:33.
‘Het zijn van bewindvoerder vereist in de regel geen bijzondere geschiktheid anders dan het kunnen voeren van een administratie en het invullen van een belastingaangifte, zo staat in de memorie van toelichting. Hiermee wordt bedoeld dat de partner of nabije familieleden, die bij voorkeur als curator, bewindvoerder of mentor fungeren, niet aan bijzondere geschiktheidseisen behoeven te voldoen. Voor alle kandidaten geldt dat zij handelingsbekwaam moeten zijn en bijvoorbeeld niet in staat van faillissement verkeren (…). De kantonrechter zal nagaan of de kandidaat in kwestie niet ongeschikt is, maar als deze voor zichzelf een administratie kan voeren of een belastingaangifte kan invullen, kan er doorgaans van uit worden gegaan dat deze dat ook voor een ander kan.
Aan (professionele) buitenstaanders worden wel bijzondere geschiktheidseisen gesteld in het Besluit kwaliteitseisen curatoren, bewindvoerders en mentoren. Reden voor het onderscheid is dat de buitenstaanders geen andere band met de betrokkene hebben dan hun vertegenwoordigerschap.’
4.21
Volgens de parlementaire geschiedenis betrekt de rechter twee punten bij de beoordeling van de geschiktheid van de te benoemen persoon:34.
‘Bij de beoordeling van de geschiktheid van de curator gaat het in de eerste plaats, evenals bij de bewindvoerder, om de vaardigheid een financiële huishouding te voeren, in overeenstemming met de aard, de samenstelling en de omvang van het vermogen van de betrokkene. In de regel, en behoudens indien het grotere en/of ingewikkeld samengestelde vermogens betreft, zal dit geen bijzondere kennis of kunde vereisen en mag worden verondersteld dat de te benoemen persoon in dit opzicht geschikt is. In de tweede plaats gaat het bij de vraag naar de geschiktheid over de (potentiële) onverenigbaarheden zoals voorgesteld in het vijfde en zesde lid. De in het vijfde lid genoemde categorieën worden bij voorbaat ongeschikt geacht, terwijl ten aanzien van de in het zesde lid opgesomde personen het oordeel over de geschiktheid aan de rechter wordt gelaten, met inachtneming van het belang van de betrokkene (…).’
4.22
In het kader van de wettelijke voorkeursregeling heeft de wetgever uitdrukkelijk ervan afgezien om bijzondere eisen te stellen aan de geschiktheid van de partner of nabije familieleden van de rechthebbende/betrokkene. Ik wijs op de volgende passage uit de parlementaire geschiedenis:35.
‘Het bijzondere aan curatoren, bewindvoerders en mentoren is voorts dat in beginsel iedere meerderjarige als zodanig benoemd kan worden. Aan familiecuratoren, -bewindvoerders en -mentoren worden geen bijzondere eisen gesteld.’
Zie ook de volgende passage:36.
‘De meeste curatoren, bewindvoerders en mentoren komen uit de naaste omgeving van de betrokkene. Het is van groot belang dat deze mensen uit de nabije omgeving beschikbaar en bereid zijn om deze taken uit te oefenen. De betrokkene zal vaak het meest vertrouwd zijn met mensen uit zijn naaste omgeving. Deze moeten het beste in staat worden geacht de wil van de betrokkene te kunnen vertolken en de belangen van betrokkene te behartigen. (…)Het komt voor dat er in familieverhoudingen onenigheid ontstaat over de benoeming en het functioneren van een dergelijke familievertegenwoordiger. Verschillende oplossingen voor dit probleem zijn denkbaar. In de eerste plaats kunnen hogere eisen worden gesteld aan vertegenwoordigers in het algemeen. Hiervoor is niet gekozen, omdat het stellen van hogere eisen waarschijnlijk tot gevolg heeft dat er minder vertegenwoordigers geschikt zullen worden geacht en daarom minder vertegenwoordigers beschikbaar zullen zijn. Het risico bestaat daarmee dat juist een persoon uit de nabije omgeving van de betrokkene, met wie hij vertrouwd is, minder snel tot vertegenwoordiger zal worden benoemd. Dit acht ik onwenselijk. (…)’.
Zie ook de volgende passage:37.
‘Het wetsvoorstel maakt een onderscheid tussen de personen die bij voorkeur worden benoemd – de echtgenoot, geregistreerde partner of levensgezel, één van de ouders, kinderen, broers of zusters – en andere personen. De betrokkene zal vaak het meest vertrouwd zijn met mensen uit zijn naaste omgeving. Ik vind het belangrijk dat deze mensen uit de nabije omgeving beschikbaar en bereid zijn om deze taken uit te oefenen. Indien aan deze groep personen kwaliteitseisen zouden worden gesteld, zou dat waarschijnlijk tot gevolg hebben dat er minder personen uit de nabije omgeving bereid zullen zijn of geschikt zullen worden geacht om curator, bewindvoerder of mentor te worden. De laagdrempeligheid en toegankelijkheid weegt naar mijn mening zwaarder dan het risico dat een beperkte groep misbruik maakt van de situatie.’
4.23
Uit het voorgaande volgt dat de rechter bij de benoeming van een bewindvoerder en mentor op grond van de wettelijke voorkeursregeling (art. 1:435 lid 4; art. 1:452 lid 4 BW) zich zal vergewissen van de bereidheid van de te benoemen persoon en zich een oordeel zal vormen over de geschiktheid van deze persoon (art. 1:435 lid 1; art. 1:452 lid 1 BW). Aan de geschiktheid van de te benoemen persoon kunnen geen hoge eisen worden gesteld, zo is hiervoor gebleken. Iedereen uit de nabije omgeving van de rechthebbende/betrokkene die bereid is en geschikt is bevonden, komt in principe in aanmerking voor benoeming tot bewindvoerder en mentor. Wanneer de rechter vaststelt dat iemand uit de nabije omgeving van de rechthebbende/betrokkene geschikt en bereid is om tot bewindvoerder en mentor te worden benoemd, heeft de rechter nog steeds de mogelijkheid om voorbij te gaan aan de voorkeur van de wet en iemand anders – een (professionele) derde – te benoemen. De rechter zal in dat geval voldoende inzichtelijk moeten maken waarom hij afwijkt van de wettelijke voorkeursregeling. Bij die beslissing zal de rechter rekening kunnen houden met alle relevante omstandigheden van het geval, zowel omstandigheden die betrekking hebben op de persoon naar wie de wettelijke voorkeur uitgaat – anders dan zijn geschiktheid in de zin van art. 1:435 lid 1 en art. 1:452 lid 1 BW – als omstandigheden die zich met het oog op de persoon en/of de belangen van de rechthebbende/betrokkene ertegen verzetten dat de wettelijke voorkeur wordt gevolgd.
4.24
De hiervoor vermelde omstandigheden sluiten aan bij die welke zijn genoemd in HR 17 juni 2022.38.Er bestaat echter een belangrijk verschil met de onderhavige zaak. In HR 17 juni 2022 ging het om de uitleg van gegronde redenen in de zin van art. 1:435 lid 3 BW om af te wijken van de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende voor de te benoemen bewindvoerder. In de onderhavige zaak gaat het om de mogelijkheid om af te wijken van de wettelijke voorkeur voor de te benoemen persoon op grond van art. 1:435 lid 4 en art. 1:452 lid 4 BW. Anders dan het derde lid, vermeldt het vierde lid van deze artikelen niet de zinsnede ‘tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten’. Als de wetgever dat wel zou hebben bedoeld, ligt het voor de hand dat zulks in het vierde lid zou zijn opgenomen.39.
4.25
Het derde lid van art. 1:435 en art. 1:452 BW ziet op de situatie waarin de rechthebbende/betrokkene in een concreet geval op basis van zijn eigen gevormde wil uitdrukkelijk een voorkeur aangeeft voor de te benoemen persoon. In het vierde lid geeft de wet in abstracto een voorkeur aan voor de te benoemen persoon op grond van de veronderstelling dat iemand uit de nabije omgeving in de regel de meest aangewezen persoon is om de belangen van de rechthebbende/betrokkene te behartigen. Dit verschil in uitgangspunt rechtvaardigt het hanteren van verschillende criteria bij het afwijken van de voorkeur voor de te benoemen persoon: de uitdrukkelijke wil van de rechthebbende/betrokkene kan slechts om gegronde redenen worden gepasseerd, terwijl aan de wettelijke voorkeur op minder strikte gronden kan worden voorbijgegaan. Dit impliceert ook dat, als wordt afgeweken van de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende/betrokkene, een zwaardere motiveringsplicht geldt dan wanneer wordt afgeweken van een wettelijke voorkeur.
4.26
Ik keer terug naar onderdeel 2. Alhoewel in cassatie geen klachten zijn gericht tegen rov. 5.9 en 5.10 van de bestreden beschikking, zijn deze overwegingen wel van belang voor de beoordeling van de klachten tegen rov. 5.11 van de bestreden beschikking. Ik leg dat als volgt uit.
4.27
In rov. 5.9 zet het hof het voor de zaak relevante wettelijke kader als volgt uiteen:
‘Op grond van artikel 1:435 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de bewindvoerder de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Indien lid 3 niet van toepassing is en de rechthebbende geen levensgezel heeft, bepaalt lid 4 van dit artikel dat bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot bewindvoerder benoemd [worden].
In artikel 1:452 BW is een vergelijkbare regeling getroffen voor de benoeming van de mentor.’
4.28
In rov. 5.10 gaat het hof in op de vraag of de zoon in aanmerking komt voor benoeming tot bewindvoerder en mentor. Voor zover van belang, overweegt het hof als volgt:
‘Om de redenen die hiervoor gegeven zijn, dient naar het oordeel van het hof voorbij te worden gegaan aan de voorkeur zoals die blijkt uit het levenstestament van de moeder, alsook aan de wettelijke voorkeur voor een kind. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, blijkt genoegzaam dat gegronde redenen zich tegen de benoeming van de zoon tot bewindvoerder en/of mentor verzetten. (…)’.
4.29
Uit rov. 5.9 en 5.10, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat het hof het in art. 1:435 lid 3 en art. 1:452 lid 3 BW vermelde criterium om af te wijken van de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende/betrokkene voor de te benoemen persoon (‘tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten’), ook heeft gebruikt om af te wijken van de wettelijke voorkeur voor de zoon (art. 1:435 lid 4; art. 1:452 lid 4 BW). Daarmee heeft het hof een onjuist – want: te strikt – criterium aangelegd bij de beoordeling of ten aanzien van de zoon kan worden afgeweken van de wettelijke voorkeursregeling. Deze rechtens onjuiste redenering van het hof lijkt door te werken in rov. 5.11 bij de beoordeling of een van de andere kinderen in aanmerking komt voor benoeming tot bewindvoerder en/of mentor. Het hof overweegt in rov. 5.11, voor zover van belang, als volgt:
‘Hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de betrokkenheid van de zoon, geldt nog meer ten aanzien van zijn broers en zussen, die stellen dat zij bereid zijn tot mentor en/of bewindvoerder van hun moeder te worden benoemd. (…)
Onder die omstandigheden zijn er bij het hof te veel twijfels over de betrokkenheid en geschiktheid van de andere kinderen van de moeder om hen – en meer in het bijzonder [belanghebbende 6] en [belanghebbende 7] van wie bereidverklaringen in het geding gebracht zijn – te benoemen tot bewindvoerder en mentor. (…).’
4.30
Mijn indruk is dat het hof de rechtens onjuiste redenering in rov. 5.10 ten aanzien van de zoon ook hanteert in rov. 5.11 ten aanzien van de overige kinderen. Als dat het geval is, heeft het hof in rov. 5.11 blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Als het hof in rov. 5.11 geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, heeft het hof onvoldoende duidelijk gemaakt volgens welk criterium het heeft beoordeeld of van de wettelijke voorkeur voor een kind kan worden afgeweken. Voor het geval het hof bij deze beoordeling ‘de betrokkenheid en geschiktheid’ als criterium heeft gebruikt, heeft het hof miskend dat aan de geschiktheid van de te benoemen persoon geen hoge eisen gesteld kunnen worden. Uit de door het hof in rov. 5.11 vermelde omstandigheden kan niet worden opgemaakt dat de kinderen – anders dan de zoon – ongeschikt zijn in de zin van art. 1:435 lid 1 en art. 1:452 lid 1 BW. Daarentegen kan de betrokkenheid van een kind wel een omstandigheid zijn om rekening mee te houden bij de beoordeling of afgeweken moet worden van de wettelijke voorkeursregeling, omdat de rechter daarbij acht mag slaan op alle omstandigheden van het geval (zie 4.23).
4.31
De twijfels van het hof over de betrokkenheid van de kinderen – anders dan de zoon – zijn gebaseerd op de volgende omstandigheden (rov. 5.11):(i) in het appelschrift staat beschreven dat in de loop van de jaren de moeder met haar kinderen, behalve de zoon, gebrouilleerd is als gevolg waarvan het contact tussen hen is afgenomen;40.(ii) de betrokken instanties beschikten niet over de gegevens van deze kinderen toen bleek dat de moeder niet langer bij de zoon kon verblijven en 24-uurs zorg nodig had;(iii) ook nadat de moeder op 1 juli 2022 in [verblijfplaats] was geplaatst, hebben zij zich niet gemeld bij Amstelring;(iv) volgens de verpleegkundige van [verblijfplaats] die ter zitting in hoger beroep aanwezig was, heeft zij noch een van haar collega’s sinds het verblijf van de moeder bij hen, tot op de dag van de zitting, andere familieleden gezien dan de zoon en diens zoon;(v) deze kinderen zijn niet ter zitting in hoger beroep verschenen.
4.32
In onderlinge samenhang bezien, kunnen deze omstandigheden rechtvaardigen dat de rechter afwijkt van de wettelijke voorkeur voor de benoeming van een kind. De betrokkenheid van een kind bij de situatie van een ouder kan iets zeggen over het vertrouwen dat over en weer bestaat. Vertrouwen is een belangrijk aspect bij de uitvoering van een bewind en mentorschap. Hoe meer betrokkenheid en vertrouwen er bestaat, des te groter de kans dat de bewindvoerder en mentor zijn taken in het belang van de rechthebbende/betrokkene zal (kunnen) uitoefenen. Aan de onder (v) genoemde omstandigheid kan ten aanzien van verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 echter geen betekenis worden toegekend, omdat bij de bespreking van onderdeel 1 is gebleken dat zij ten onrechte niet zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling.
4.33
In de procedure na verwijzing zal het hof, op basis van partijdebat van alle belanghebbenden, alsnog moeten beoordelen of een van de kinderen – anders dan de zoon – in aanmerking komt voor benoeming tot bewindvoerder en/of mentor, met inachtneming van het juiste criterium zoals hiervoor uiteengezet.
5. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging en verwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑09‑2024
Ontleend aan rov. 3.1 t/m 3.5 van de in cassatie bestreden beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 14 november 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2684.
Zie rov. 2.1 e.v. van de bestreden beschikking. Op voorhand merk ik op dat in onderdeel 1 van het cassatiemiddel klachten zijn geformuleerd ten aanzien van bepaalde punten uit het procesverloop. Ik kom daar bij de bespreking van onderdeel 1 op terug.
Zie rov. 5.1 van de bestreden beschikking en het proces-verbaal van de zitting op 18 augustus 2023, p. 2.
In cassatie staat niet ter discussie dat deze kinderen zijn opgeroepen voor de zitting.
Onderdeel 1 van het cassatiemiddel trekt in twijfel of deze brief daadwerkelijk is verzonden aan verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3. Zie 4.2 e.v. van mijn conclusie.
Bij de bespreking van onderdeel 1 van het cassatiemiddel ga ik in op de vraag of mr. Van Rossen ook heeft gereageerd namens verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3. Zie 4.7 e.v. van mijn conclusie.
De procesinleiding is op 13 februari 2024 via het webportaal ingediend ter griffie van de Hoge Raad.
Zie o.a. HR 6 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2764, NJ 1999/117, rov. 4; HR 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD6831, NJ 2002/38, rov. 4.2.
De beschikkingen van 16 september 2022 van de kantonrechter te Amsterdam vermelden niet dat een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden. Ik leid hieruit af dat de zaken schriftelijk zijn afgedaan.
Zie o.a. HR 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1967, NJ 2023/360, m.nt. A.I.M. van Mierlo, rov. 3.5.2; HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1279, NJ 2019/335, rov. 3.1. Zie ook B.T.M. van der Wiel & N.T. Dempsey, in: B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie (BPP nr. 20) 2019/177; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/255.
Zie ook het proces-verbaal van de zitting, p. 2 en p. 6.
Zie o.a. HR 12 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:1079, rov. 3.5; conclusie A-G De Bock, punt 3.5 e.v., voor HR 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:950, NJ 2021/257, m.nt. S.F.M. Wortmann.
HR 10 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1056, NJ 1993/777, m.nt. P.A. Stein, rov. 3.3.
HR 19 mei 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD0788, NJ 1989/802, m.nt. J.B.M. Vranken, rov. 3.4. Zie ook H.J. Snijders, C.J.M. Klaassen, H.B. Krans & G.J. Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2022, nr. 302.
HR 20 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7322, NJ 2011/212, m.nt. W.J.M. van Veen, rov. 3.7.
De aanbevelingen zijn vastgesteld door het LOVT (Landelijk Overleg Vakinhoud Toezicht) op 31 januari 2023.
De aanbeveling onder A.1. komt ook voor in de Aanbevelingen mentorschap, vastgesteld door het LOVCK&T (Landelijk Overleg Vakinhoud Civiel en Kanton & Toezicht) op 2 december 2019 (p. 4, onder 2). De aanbeveling onder A.2. komt niet terug in de Aanbevelingen mentorschap.
Zie o.a. HR 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH9287, NJ 2010/127, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.2.6 e.v.; E.L. Schaafsma-Beversluis, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering, Titel 3 Rv, aant. 11A.
Proces-verbaal van de zitting, p. 1.
Proces-verbaal van de zitting, p. 1.
Proces-verbaal van de zitting, p. 2.
Proces-verbaal van de zitting, p. 6.
Deze brief van 23 augustus 2023 wordt niet vermeld in het overzicht van ingekomen stukken in rov. 2.3 van de bestreden beschikking. De brief ontbreekt ook in het procesdossier. Ik heb overwogen om deze brief op te vragen, maar heb daarvan afgezien. Het lijkt mij zeer onwaarschijnlijk dat mr. Van Rossen zich in deze brief heeft gesteld voor verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3, anders had het hof daarvan melding gemaakt in de bestreden beschikking.
Proces-verbaal van de zitting, p. 6.
In de rov. 2.5, 2.6 en 2.7 van de bestreden beschikking vermeldt het hof dat, voor zover van belang, verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 in de gelegenheid zijn gesteld om op de genoemde stukken te reageren. Hieruit volgt echter nog niet dat zij deze stukken ook hebben ontvangen van het hof.
Proces-verbaal van de zitting, p. 2.
HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726, NJ 2022/87, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.2.3.
Dit leid ik af uit de verklaringen van verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 die zijn overgelegd bij brief van 21 september 2023 van mr. Van Rossen.
Zie o.a. HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AF1210, NJ 2004/172, m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.5.1.
Verzoekers tot cassatie hebben geen klacht gericht tegen rov. 5.10 van de bestreden beschikking, waarin het hof het verzoek om de zoon te benoemen tot bewindvoerder en mentor heeft afgewezen. Daarmee staat deze beslissing vast.
HR 19 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1079, NJ 2020/260, rov. 3.2, m.b.t. de wettelijke voorkeur in geval van bewind op grond van art. 1:435 lid 4 BW. Zie ook de conclusie van A-G Lückers, nr. 2.6 e.v. voor deze uitspraak. Zie met betrekking tot mentorschap: Kamerstukken II 1991-1992, 22 474, nr. 3, p. 24 gelezen in samenhang met nr. 6, p. 19; Aanbevelingen Mentorschap, aanbeveling A, onder 6; J.H.M. ter Haar, Groene Serie Personen- en familierecht, Titel 20, art. 1:452 BW, aant. 5.
Kamerstukken II 2011-2012, 33 054, nr. 6, p. 21-22. Zie ook Kamerstukken I 2013-2014, 33 054, C, p. 10.
Kamerstukken II 2011-2012, 33 054, nr. 3, p. 19-20.
HR 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:870, NJ 2022/229, rov. 3.3.
In het cassatiemiddel (p. 23, nr. 37) wordt nog naar voren gebracht dat het hof in rov. 5.11 niet duidelijk heeft gemaakt dat daadwerkelijk sprake is van een gebrouilleerde relatie, evenmin in welke mate daarvan sprake is en in hoeverre herstel daarvan mogelijk is. Het hof heeft de onder (i) vermelde omstandigheid ontleend aan p. 2 van het appelschrift van de zoon en de moeder. Het hof mocht deze omstandigheid dan ook meewegen in rov. 5.11. De zoon heeft in hoger beroep naar voren gebracht dat het de wens is van hem en zijn broers en zussen dat de waarneming van de belangen van de moeder in familiekring wordt belegd (zie rov. 5.1, slot, van de bestreden beschikking en proces-verbaal van de zitting op 18 augustus 2023, p. 2). Dit blijkt ook uit de gelijkluidende verklaringen van zes van de acht kinderen, waaronder verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3, overgelegd bij brief van 21 september 2023 van mr. Van Rossen. In het geding na verwijzing kunnen verzoeksters tot cassatie sub 2 en 3 het hiervoor genoemde standpunt in het cassatiemiddel eventueel naar voren brengen in het kader van de nieuwe behandeling die zal moeten plaatsvinden.
Beroepschrift 13‑02‑2024
PROCESINLEIDING VERZOEKPROCEDURE IN CASSATIE BIJ DE HOGE RAAD
Algemeen
Gerecht: | Hoge Raad der Nederlanden |
Adres: | Korte Voorhout 8 2511 EK DEN HAAG |
Datum indiening: | 13 februari 2024 |
Partijen en advocaten
Verzoekers tot cassatie:
- I.
de heer [verzoeker 1], wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan de [adres];
- II.
mevrouw [verzoekster 2], wonende te [woonplaats], ([regio], [postcode], [staat]) aan de [adres];
- III.
mevrouw [verzoekster 3], wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan de [adres];
allen voor deze zaak domicilie kiezende te (3341 LE) Hendrik-Ido-Ambacht aan de Kerkstraat 36 (postadres: Postbus 175, 3340 AD, Hendrik-Ido-Ambacht), ten kantore van De Bakker Advocaten & Erfrechtspecialisten, van wie mr. A.C. de Bakker in deze zaak tot advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden wordt gesteld en als zodanig zal optreden;
Belanghebbenden in cassatie:
- I.
de stichting STICHTING AMSTELRING GROEP, gevestigd te (1069 BW) Amsterdam aan de Saaftingestraat 8, in de feitelijke instanties bijgestaan door advocaat mr. C.G.M. Klaassen, verbonden aan het kantoor Van Doorne, gevestigd te (1081 KM) Amsterdam aan de Jachthavenweg 121, (postadres: Postbus 75265, 1070 AG, Amsterdam);
- II.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BEAUFIN B.V. t.h.o.d.n. Beaufin bewindvoering, budgetbeheer & mentorschap, gevestigd te (1043 BZ) Amsterdam aan de Naritaweg 12, (Postadres: Postbus 9407, 1006 AK, Amsterdam);
- III.
mevrouw [de moeder], wonende te ([postcode]) [woonplaats] aan de [adres] (verpleeghuis Amstelring, locatie [verpleeghuis]);
Bestreden beschikking
Instantie: | Gerechtshof Amsterdam |
Datum: | 14 november 2023 |
Zaaknummer: | 200.320.454/01 |
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, door te overwegen en te beslissen als in de beschikking van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 14 november 2023 is vermeld, zulks om de navolgende, in onderlinge samenhang te lezen redenen.
Inleiding
Bij beschikkingen d.d. 16 september 2022 van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam is een mentorschap ingesteld ten behoeve van mevrouw [de moeder] met benoeming van Beaufin B.V. tot mentor, alsmede zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan mevrouw [de moeder] onder bewind gesteld wegens haar lichamelijke/geestelijke toestand met benoeming van Beaufin B.V. tot bewindvoerder. De kinderen van mevrouw [de moeder] zijn in eerste aanleg niet opgeroepen noch gehoord door de kantonrechter.
In het inleidende verzoekschrift in eerste aanleg (verzoeker maakte gebruik van het standaard formulier dat door de rechtspraak hiervoor is opgesteld) is door de verzoekende partij geen opgave gedaan van de belanghebbenden, zulks terwijl uit de toelichting van het verzoek en uit de bij dit verzoekschrift overgelegde bijlagen genoegzaam blijkt dat mevrouw [de moeder] kinderen heeft.
De heer [verzoeker 1] (zoon van mevrouw [de moeder]) heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemde beschikkingen van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam. Ter mondelinge behandeling op 18 augustus 2023 bleek dat niet alle belanghebbenden (kinderen) zijn opgeroepen. Het Gerechtshof heeft niettemin het ingestelde beroep inhoudelijk behandeld en op 14 november 2023 een beschikking afgegeven.
De klachten in cassatie richten zich enerzijds tegen het niet informeren van alle kinderen over de procedure en het niet oproepen van allen kinderen voor de mondelinge behandeling in hoger beroep op 18 augustus 2023 en anderzijds tegen het oordeel van het Hof dat niet één van de kinderen van mevrouw [de moeder] tot bewindvoerder en/of mentor benoemd kan worden.
Ontvankelijkheid van verzoekers in cassatie sub II en III
Art. 426 lid 1 Rv stelt het beroep in cassatie tegen beschikkingen op rekest open voor belanghebbenden die in één van de vorige instanties verschenen zijn. Verzoekers in cassatie sub II en III zijn echter niet in de vorige instanties verschenen.
De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen echter mee dat moet worden aangenomen dat de in art. 426 lid 1 Rv gebezigde woorden ‘in een der vorige instantiën verschenen’, niet de strekking hebben om beroep in cassatie uit te sluiten als de niet-verschenen belanghebbende buiten zijn schuld niet in de vorige instantie is verschenen.1. Nu verzoekers in cassatie sub II en III niet zijn opgeroepen, noch in eerste aanleg noch in hoger beroep, zijn zij buiten hun schuld niet in de vorige instantie verschenen en derhalve ontvankelijk in onderhavig cassatieberoep.
Klachten
Onderdeel 1a: niet informeren en oproepen belanghebbenden (vormverzuimen)
1.
Dit middelonderdeel richt zit tegen het feit dat de bestreden beschikking in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor tot stand is gekomen en dientengevolge niet in stand kan blijven en vernietigd dient te worden. Het Gerechtshof heeft namelijk miskend dat zij eerst verzoekers in cassatie sub II en III in de gelegenheid diende te stellen om een verweerschrift in te dienen en eerst diende op te roepen voor een mondelinge behandeling, alvorens te beslissen op de voorgelegde verzoeken;
Het Hof heeft meer specifiek bij haar beoordeling van de voorgelegde verzoeken miskend dat:
- a.
in zaken van onderbewindstelling van goederen en/of de instelling van een mentorschap op grond van art. 798 lid 1 Rv de kinderen van degene wiens goederen of mentorschap het betreft als belanghebbenden aangemerkt dienen te worden; en/of
- b.
door de verzoekende partij in eerste aanleg in het verzoekschrift geen opgave is gedaan van de namen, adressen en woonplaatsen van de belanghebbenden, noch redenen zijn gesteld waarom die opgave achterwege is gelaten;2. en/of
- c.
uit het inleidende verzoekschrift in eerste aanleg en de daarbij overgelegde producties, alsmede uit het beroepschrift en de daarbij overgelegde producties blijkt dat mevrouw [de moeder] meerdere kinderen had; en/of
- d.
gezien art. 361 lid 3 Rv aan verzoekers in cassatie sub II en III een afschrift van het beroepschrift toegestuurd had moeten worden en dat zij in gelegenheid gesteld hadden moeten worden om een verweerschrift in te dienen; en/of
- e.
- f.
gezien art. 362 Rv jo 272 Rv de oproeping van niet verschenen belanghebbenden van wie de woonplaats of het werkelijk verblijf onbekend zijn geschiedt door plaatsing van de oproeping in de Staatscourant dan wel op een andere door de rechter te bepalen wijze, alsmede dat oproeping van overige niet in de procedure verschenen belanghebbenden geschiedt door de griffier bij aangetekende brief; en/of
- g.
het niet informeren van belanghebbenden over de procedure door toezending van een afschrift het beroepschrift en het niet in de gelegenheid stellen van belanghebbenden om een verweerschrift in te dienen en het niet (alsnog) oproepen van belanghebbenden voor een mondelinge behandeling, in strijd is met art. 19 Rv; en/of
- h.
het in de gelegenheid stellen van niet geïnformeerde en niet opgeroepen belanghebbenden om te reageren op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling niet als een (afdoende) herstel heeft te gelden van het verzuim om een afschrift van het beroepschrift toe te sturen en hen in de gelegenheid te stellen een verweerschrift in te dienen en/of van het verzuim om de belanghebbenden op te roepen voor de mondelinge behandeling; en/of
- i.
zij verzoekers in cassatie sub II en III niet daadwerkelijk in de gelegenheid heeft gesteld, althans niet op afdoende wijze, om te reageren op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 18 augustus 2023;
Toelichting
2.
In het navolgende zal eerst uiteen worden gezet hoe het procesverloop heeft plaatsgevonden, zulks aan de hand van de bestreden beschikking en het onderliggende procesdossier. Daarna zal met verwijzing naar het procesverloop nader worden toegelicht op welke punten er sprake is van verzuim van vormen.
I. Hetgeen overwogen wordt in de bestreden beschikking
3.
In de bestreden beschikking overweegt het Hof het navolgende ter zake het verloop van de procedure:
Onder r.o. 2.4 van de bestreden beschikking:
‘Pas ter zitting in hoger beroep is bekend geworden dat de moeder nog twee kinderen heeft, te weten [verzoekster 2] en [verzoekster 3], en dat zij als belanghebbenden moeten worden aangemerkt. Zij waren dus niet opgeroepen.’
Onder r.o. 2.5. van de bestreden beschikking overweegt het Hof vervolgens dat onder andere [verzoekster 2] en [verzoekster 3] in de gelegenheid zijn gesteld om op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 18 augustus 2023 te reageren.
Onder r.o. 2.6. van de bestreden beschikking overweegt het Hof dat onder andere [verzoekster 2] en [verzoekster 3] in de gelegenheid zijn gesteld om te reageren op het proces-verbaal van het verhoor van mevrouw [de moeder] op 29 augustus 2023.
Onder r.o. 2.8 van de bestreden beschikking overweegt het Hof dat mr. Van Rossen (advocaat van de heer [verzoeker 1] en van mevrouw [de moeder]) verklaringen van onder andere [verzoekster 2] en [verzoekster 3] heeft overgelegd, ‘naar het hof begrijpt in reactie op de processen-verbaal van de zitting op 18 augustus 2023 en het verhoor van de moeder op 29 augustus 2023.’
II. Niet in de bestreden beschikking genoemde processtukken
4.
Bij brief d.d. 23 augustus 2023 heeft mr. Van Rossen opgave gedaan aan het Hof van de namen en adressen van de kinderen van mevrouw [de moeder], zulks na daartoe door het Hof in de gelegenheid te zijn gesteld (zie hierna ook de bespreking van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 18 augustus 2023). In de bestreden beschikking wordt van deze brief geen melding gemaakt.
Onder r.o. 2.5 en 2.6 van de bestreden beschikking overweegt het Hof dat onder andere [verzoekster 2] en [verzoekster 3] in de gelegenheid zijn gesteld om te reageren op de processen-verbaal van de mondelinge behandeling op 18 augustus 2023 en het verhoor van mevrouw [de moeder] op 29 augustus 2023. In de bestreden beschikking worden echter niet genoemd de brieven van de griffier waarmee [verzoekster 2] en [verzoekster 3] zijn geïnformeerd over de procedure en waarin zij uitgenodigd zijn om te reageren op voornoemde processen-verbaal. Verzoekers in cassatie hebben reden om te veronderstellen dat die brieven ook niet zijn verstuurd. Zulks omdat de griffier bij brief d.d. 3 oktober 2023 mr. Van Rossen aanschreef (welke brief wel wordt genoemd in de bestreden beschikking) waarin de griffier het volgende schrijft:
‘Aangezien het hof ervan uitgaat dat u niet alleen optreedt voor mevrouw [de moeder] en de heer [verzoeker 1], maar ook voor de overige kinderen van mevrouw [de moeder], verzoek ik u mede namens hen te reageren, indien gewenst.’
Deze zinsnede rechtvaardigt de conclusie dat de griffier uitsluitend mr. Van Rossen heeft aangeschreven.
III. Hetgeen blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling
5.
Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling blijkt onder meer het volgende ter zake het verloop van de procedure:
‘Mr. Van Rossen verklaart dat hij ook namens [belanghebbende 5], [belanghebbende 6] en [belanghebbende 7] optreedt.’
‘De voorzitter legt uit dat in zaken over bewind en mentorschap alle kinderen van de moeder als belanghebbende worden aangemerkt en dat zij dus moeten worden opgeroepen. Voor het Hof valt nu niet te controleren of de oudste twee kinderen van de moeder op de hoogte zijn van de procedure.’
‘Mr. Van Rossen: Ik heb [betrokkene 5] en [verzoekster 2] niet gesproken. Ik heb steeds met vier van de broers en zussen gesproken, (…)’
‘De voorzitter deelt mee dat het hof zich nog zal beraden over de vraag of [verzoekster 2] en [betrokkene 5] alsnog in de procedure dienen te worden betrokken.’
‘De voorzitter schorst de mondelinge behandeling voor overleg in raadkamer, waarna de behandeling wordt hervat en de voorzitter mr. Van Rossen verzoekt de adresgegevens van [betrokkene 5] en [verzoekster 2] aan het hof te doen toekomen. Als belanghebbende horen zij de stukken te krijgen — waaronder een van deze zitting op te maken proces-verbaal — en mogen zij hun visie op de zaak geven.’
IV. Hetgeen blijkt uit het processtukken
6.
Uit de processtukken blijkt dat van meet af aan duidelijk was dat mevrouw [de moeder] meerdere kinderen had. In dit kader wordt onder meer op het volgende gewezen:
In het inleidende verzoekschrift in eerste aanleg wordt het volgende gesteld:
‘Rechthebbende heeft enkel met haar jongste zoon contact, echter blijkt met de andere kinderen geen contact te zijn.’
Als bijlage 2 bij het inleidende verzoekschrift is overgelegd een brief d.d. 18 augustus 2022 van de instelling waar mevrouw [de moeder] verblijft aan de rechtbank. In deze brief staat het volgende vermeld:
‘Mevrouw heeft 8 kinderen, het blijkt uit de informatie van de casemanager en het team van [verpleeghuis], dat zij geen contact heeft met haar andere kinderen enkel met haar jongste zoon.’
In het beroepschrift wordt in de inleiding het volgende geschreven:
‘De zoon is de jongste van het gezin. De moeder heeft nog 7 kinderen uit een eerder huwelijk.’
IV. Nadere duiding van de vormverzuimen
7.
Gezien al het voorgaande kan worden vastgesteld dat van meet af aan bekend was dat mevrouw [de moeder] acht kinderen heeft. Het Hof kan niet gevolgd worden in haar overweging onder r.o. 2.4 van de bestreden beschikking waarin het Hof overweegt dat dit eerst ter mondelinge behandeling is gebleken.
8.
Voor zover het Hof in r.o. 2.4. van de bestreden beschikking bedoelt dat zij eerst op de mondelinge behandeling bekend is geworden met de namen van twee kinderen, zijnde [verzoekster 2] en [verzoekster 3], heeft te gelden dat het Hof, reeds in eerder stadium van de procedure hier navraag naar had kunnen doen. Dit omdat:
- a.
het Landelijk procesreglement verzoekschriften rechtbanken, kanton (versie 1 februari 2022) onder 1.2.4 sub b bepaalt dat een verzoekende partij opgave dient te doen van de namen, adressen en woonplaatsen van de belanghebbenden;
- b.
in het inleidende verzoekschrift in eerste aanleg deze opgave achterwege is gelaten, terwijl uit het verzoekschrift zelf alsook uit de daarbij overgelegde bijlage 2 blijkt dat mevrouw [de moeder] kinderen heeft;
- c.
in het beroepschrift de heer [verzoeker 1] er op heeft gewezen dat hij ten onrechte niet door de kantonrechter is opgeroepen en gehoord ter zake de verzoeken tot instelling van een bewind en een mentorschap;
Voor zover het Hof in r.o. 2.4 van de bestreden beschikking bedoelt dat zij eerst op de mondelinge behandeling bekend is geworden met de namen van twee kinderen, zijnde [verzoekster 2] en [verzoekster 3] en hun woonplaatsen en adressen, heeft te gelden dat het Hof voorbij is gegaan aan het bepaalde in art. 362 Rv jo 272 Rv, inhoudende dat de oproeping van niet verschenen belanghebbenden van wie de woonplaats of het werkelijk verblijf onbekend zijn geschiedt door plaatsing van de oproeping in de Staatscourant dan wel op een andere door de rechter te bepalen wijze. Het Hof had (bijvoorbeeld) een algemene oproep kunnen plaatsen in de Staatscourant teneinde de eventueel onbekende kinderen op te roepen voor de mondelinge behandeling.
9.
Het Hof heeft weliswaar ter mondelinge behandeling aangegeven dat alle kinderen van de moeder als belanghebbenden aangemerkt dienen te worden en dat zij dus moeten worden opgeroepen, doch het Hof heeft hier vervolgens geen vervolg aan gegeven. Immers heeft het Hof nagelaten om alsnog [verzoekster 2] en [verzoekster 3] op te roepen voor een mondeling behandeling.
Weliswaar heeft het Hof mr. Van Rossen verzocht om de namen en adressen van verzoekers in cassatie sub II en III aan het Hof te berichten, hetgeen mr. Van Rossen daadwerkelijk heeft gedaan bij brief d.d. 23 augustus 2023, doch het Hof heeft daar vervolgens (zonder nadere motivering) niets mee gedaan. Het Hof heeft zodoende miskend dat zij te allen tijde belanghebbenden, bekende en onbekende, kan doen oproepen, zulks gezien art. 279 lid 1 Rv en art. 361 lid 1 Rv. Derhalve had het Hof — nadat ter mondelinge behandeling werd vastgesteld dat verzoekers in cassatie sub II en III niet waren opgeroepen, een nieuwe mondelinge behandeling moeten gelasten en verzoekers in cassatie sub II en III voor die mondelinge behandeling moeten oproepen.
10.
Het Hof heeft weliswaar ter mondelinge behandeling aangegeven dat verzoekers in cassatie sub II en III in de gelegenheid gesteld moeten worden om te kunnen reageren op het proces-verbaal van 18 augustus 2023, doch heeft verzoekers in cassatie sub II en III niet daadwerkelijk in de gelegenheid gesteld hun reactie op genoemd proces-verbaal te geven. Weliswaar heeft mr. Van Rossen bij brief d.d. 21 september 2023 verklaringen van verzoekers in cassatie sub II en III in het geding gebracht, doch mr. Van Rossen trad niet op als advocaat van verzoekers in cassatie sub II en III (hetgeen onder meer blijkt uit de door mr. Van Rossen ter mondelinge behandeling op 18 augustus 2023 afgelegde verklaring, inhoudende een verklaring voor wie hij wél optreedt).
De veronderstelling van het Hof in de brief d.d. 3 oktober 2023 van de griffier aan mr. Van Rossen, inhoudende dat het Hof veronderstelt dat mr. Van Rossen voor alle kinderen optreedt, biedt geen rechtvaardiging voor het niet aanschrijven van verzoekers in cassatie sub II en III, zulks nu mr. Van Rossen zich nimmer voor verzoekers in cassatie sub II en III heeft gesteld. Het Hof had derhalve geen grond voor voornoemde veronderstelling.
11.
In het geval het Hof haar verzuim(en) om verzoekers in cassatie sub II en III op te roepen voor de mondelinge behandeling en/of een afschrift toe te sturen van het beroepschrift en hen in de gelegenheid te stellen een verweerschrift in te dienen, heeft willen herstellen door verzoekers in cassatie sub II en III in de gelegenheid te stellen om te reageren op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 18 augustus 2023, geldt dat genoemd verzuim(en) niet op die wijze hersteld kunnen worden.
Van toepassing zijn immers art. 362 jo art. 279 lid 6 Rv jo art. 87 leden 1 en 8 Rv. Deze bepalingen brengen met zich dat, mede gelet op het uit art. 6 EVRM voortvloeiende recht op een mondelinge behandeling (‘fair and public hearing’) en de strenge jurisprudentie daaromtrent van de Hoge Raad, dat een mondelinge behandeling niet zonder meer achterwege kan worden gelaten. Alleen in zeer uitzonderlijke omstandigheden kan een mondelinge behandeling achterwege worden gelaten.3. Het Hof heeft het recht van verzoekers in cassatie sub II en III op een mondelinge behandeling miskend, zulks door geen (althans niet nogmaals) een mondelinge behandeling te gelasten en verzoekers in cassatie sub II en III voor die mondelinge behandeling op te roepen.
Het toezenden van een proces-verbaal van een gehouden mondelinge behandeling en het in de gelegenheid stellen daarop te reageren is niet gelijk te stellen met het toesturen van een afschrift van het beroepschrift en de gelegenheid bieden een verweerschrift in te dienen. Voor zover het proces-verbaal al door het Hof naar verzoekers in cassatie sub II en III is toegestuurd en voor zover zij al in de gelegenheid zijn gesteld daarop te reageren, geldt dat dit onvoldoende is, zulks omdat het proces-verbaal slechts een zakelijke weergave bevat van hetgeen ter mondelinge behandeling is besproken en geenszins een volledige en complete verhandeling van de voorliggende verzoeken en de onderbouwing daarvan, alsmede het gevoerde verweer, bevat. Evenzo geldt dat de waarde van de mondelinge behandeling hiermee wordt onderschat, zulks onder meer omdat de mondelinge behandeling interactie veronderstelt tussen rechter en rechtszoekende en omdat de mondelinge behandeling tevens de mogelijkheid biedt aan de rechter om een indruk te krijgen van de persoon van de rechtszoekende en diens beweegredenen, welke indrukken de rechter kan laten meewegen in zijn oordeelsvorming.
12.
Verzoekers in cassatie sub II en III zijn derhalve ten onrechte niet (op deugdelijke wijze) door het Hof betrokken in de procedure en niet opgeroepen voor de mondelinge behandeling met als gevolg dat zij niet zijn gehoord. Dit maakt dat er sprake is van een schending van hoor en wederhoor als bedoeld in art. 19 Rv. Deze schending dient nietigheid tot gevolg te hebben, zulks omdat de geschonden formaliteiten van wezenlijke betekenis zijn voor een behoorlijk verloop van de procedure en voor de bescherming van de rechten van verzoekers in cassatie sub II en III.
Onderdeel 1b: ontbreken motivering voor niet informeren en niet oproepen belanghebbenden
13.
Dit middelonderdeel richt zit tegen het feit dat in de bestreden beschikking niet, althans onvoldoende, is gemotiveerd waarom toezending van het beroepschrift en het geven van een termijn voor het indienen van een verweerschrift ten aanzien van verzoekers in cassatie sub II en III achterwege heeft kunnen blijven, alsmede waarom verzoekers in cassatie sub II en III niet (alsnog) zijn opgeroepen voor een mondelinge behandeling.
Toelichting
14.
Al hetgeen hiervoor ter toelichting op onderdeel 1a is gesteld, wordt verzocht hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd, zulks als toelichting op onderdeel 1b.
15.
Hiervoor in onderdeel 1a wordt geklaagd dat er sprake is van vormverzuimen. Indien en voor zover geen sprake is van vormverzuimen, heeft te gelden dat het Hof niet, althans onvoldoende en/of onbegrijpelijk, heeft gemotiveerd waarom zij in dit geval heeft kunnen afzien van:
- a.
het toesturen van een afschrift van het beroepschrift aan verzoekers in cassatie sub II en III en het in de gelegenheid stellen van hen om een verweerschrift in te dienen;
- b.
het (alsnog) oproepen van verzoekers in cassatie sub II en III voor een mondelinge behandeling.
Hof heeft voorts niet, althans onvoldoende en/of onbegrijpelijk, gemotiveerd waarom:
- c.
het in de gelegenheid stellen van verzoekers in cassatie sub II en III om te reageren op het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 18 augustus 2023 het recht van hoor en wederhoor op afdoende wijze waarborgt en dat om die reden kan worden afgezien van het toesturen van een afschrift van het beroepschrift en het in de gelegenheid stellen om een verweerschrift in te dienen en van het afzien van een mondelinge behandeling waarvoor (ook) verzoekers in cassatie II en III zouden zijn opgeroepen;
In de bestreden beschikking wordt immers geen woord gewijd aan de hiervoor onder a t/m c genoemde (impliciete) oordelen van het Hof.
In dit kader heeft evenzo te gelden dat het Hof niet gevolgd kan worden in haar overweging in rechtsoverweging 2.4. van de bestreden beschikking dat eerst pas ter mondelinge behandeling bekend is geworden dat [de moeder] nog twee kinderen heeft, te weten verzoekers in cassatie sub II en III (zie ook hiervoor de toelichting op onderdeel 1a, meer specifiek onder randnummers 7 en 8).
Onderdeel 1c: ontbreken motivering ter zake vaststelling van het procesverloop
16.
Dit middelonderdeel richt zit tegen het feit dat de (rechts)oordelen in rechtsoverwegingen 2.4. en. 2.6 van de bestreden beschikking niet, althans onvoldoende en/of onbegrijpelijk, zijn gemotiveerd, in welke overwegingen het Hof overweegt dat verzoekers in cassatie sub II en III in de gelegenheid zijn gesteld om te reageren op de processen-verbaal van de mondelinge behandeling op 18 december 2023 en het van verhoor op 29 augustus 2023, zulks nu uit de door het Hof genoemde processtukken onder rechtsoverwegingen 2.1. t/m 2.9 van de bestreden beschikking niet blijkt wanneer en met welke brief verzoekers in cassatie sub II en III dan zijn aangeschreven.
Toelichting
17.
Al hetgeen hiervoor ter toelichting op onderdeel 1a is gesteld, wordt verzocht hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd, zulks als toelichting op onderdeel 1c.
18.
Verzoekers in cassatie sub II en III hebben redenen om te veronderstellen dat zij op geen enkel moment (rechtstreeks) door de griffier zijn aangeschreven. Zulks omdat de griffier bij brief d.d. 3 oktober 2023 mr. Van Rossen aanschreef (welke brief wel wordt genoemd in de bestreden beschikking) waarin de griffier het volgende schrijft:
‘Aangezien het hof ervan uitgaat dat u niet alleen optreedt voor mevrouw [de moeder] en de heer [verzoeker 1], maar ook voor de overige kinderen van mevrouw [de moeder], verzoek ik u mede namens hen te reageren, indien gewenst.’
Deze zinsnede rechtvaardigt de conclusie dat de griffier uitsluitend mr. Van Rossen heeft aangeschreven, zulks terwijl mr. Van Rossen niet optrad voor verzoekers in cassatie sub II en III.
19.
Nu niet uit de bestreden beschikking noch uit de andere processtukken blijkt dat verzoekers in cassatie sub II en III rechtstreeks zijn aangeschreven door de griffier (en zij ook nimmer brieven van de griffier hebben ontvangen), is het oordeel van het Hof dat verzoekers in cassatie sub II en III in de gelegenheid zijn gesteld om te reageren op de processen-verbaal van de mondelinge behandeling op 18 december 2023 en het van verhoor op 29 augustus 2023 onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
Onderdeel 2a: niet benoemen van een kind tot mentor/bewindvoerder (rechtsklacht)
20.
Dit middelonderdeel richt zich tegen rechtsoverweging 5.11 van de bestreden beschikking waar het Hof overweegt dat er bij het Hof teveel twijfels zijn ter zake de betrokkenheid en geschiktheid van de andere kinderen van [de moeder] om hen — meer in het bijzonder [belanghebbende 6] en [belanghebbende 7] — te benoemen tot bewindvoerder en mentor, zulks door te overwegen dat:
- a.
hetgeen is overwogen ten aanzien van de betrokkenheid van de zoon, nog meer geldt ten aanzien van zijn broers en zussen; en/of
- b.
in het beroepschrift van verzoekers staat beschreven dat in de loop van de jaren de moeder met haar kinderen (behalve de zoon) gebrouilleerd is als gevolg waarvan het contact tussen hen is afgenomen; en/of
- c.
dat de (overige) kinderen niet bekend waren bij de instanties en zich ook na plaatsing van mevrouw [de moeder] in [verpleeghuis] niet hebben gemeld bij Amstelring; en/of
- d.
de betrokken instanties niet beschikten over de gegevens van de kinderen toen bleek dat de moeder niet langer bij de zoon kon verblijven en 24-uurs zorg nodig had, alsook dat — nadat de moeder op 1 juli 2022 in [verpleeghuis] was geplaatst — de kinderen zich niet hebben gemeld bij Amstelring; en/of
- e.
dat de overige kinderen niet ter zitting in hoger beroep zijn verschenen.
Genoemde rechtsoverweging geeft blijkt van een onjuiste rechtsopvatting. De onjuistheid van deze rechtsopvatting is gelegen in de miskenning door het Hof dat bij de beantwoording van de vraag of een kind tot bewindvoerder en/of mentor benoemd dient te worden (als bedoeld in art. art. 1:435 lid 4 BW en art. 1:452 lid 4 BW), niet belang is of het betreffende kind voorafgaand aan de instelling van het bewind en/of het mentorschap betrokkenheid heeft getoond noch of er (in het verleden) sprake is (geweest) van een gebrouilleerde verhouding noch of de gegevens van de kinderen bekend waren bij de verzoekende partij en/of instelling en noch of een kind al dan niet ter mondelinge behandeling is verschenen, doch dat het uitsluitend dient te gaan om de bereidheid en de geschiktheid van de te benoemen persoon.
Toelichting
21.
Art. 435 lid 1 BW bepaalt het volgende:
‘De rechter die het bewind instelt, benoemt daarbij of zo spoedig mogelijk daarna een bewindvoerder. Hij vergewist zich van de bereidheid en vormt zich een oordeel over de geschiktheid van de te benoemen persoon.’
22.
Art. 1:435 lid 4 bepaalt het volgende:
‘Tenzij het vorige lid is toegepast, wordt, indien de rechthebbende is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levensgezel heeft, bij voorkeur de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel andere levensgezel tot bewindvoerder benoemd. Is de vorige zin niet van toepassing dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot bewindvoerder benoemd. Huwt de rechthebbende, gaat hij een geregistreerd partnerschap aan of verkrijgt hij een andere levensgezel, dan kan ieder van hen verzoeken dat de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel de andere levensgezel van de rechthebbende in de plaats van de tegenwoordige bewindvoerder wordt benoemd.’
23.
In lid 3 van genoemd artikel is een tenzij-bepaling opgenomen, inhoudende dat de rechter de uitdrukkelijke voorkeur van de rechthebbende voor een bepaalde persoon volgt ‘tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten’. Deze tenzij-bepaling is niet opgenomen in lid 4 en derhalve niet van toepassing op de wettelijke voorkeursregeling.
24.
Art. 1:452 BW geeft een vergelijkbaar rechtskader ter zake de benoeming van een mentor.
25.
Voornoemd wettelijk kader brengt met zich dat de rechter slechts de bereidheid en de geschiktheid van het kind (als bedoeld in art. 1:435 lid 4 BW en in art. 1:452 lid 4 BW) dient te onderzoeken. Het Hof heeft in deze een onjuist criterium aan haar beoordeling ten grondslag gelegd door ook de betrokkenheid van het kind (in de periode voor de instelling van het mentorschap en het bewind) te onderzoeken. Het Hof overweegt immers dat zij twijfels heeft ter zake de betrokkenheid én de geschiktheid van de (overige) kinderen.
26.
De betrokkenheid van een kind in de periode vóór de instelling van het bewind en het mentorschap kan geen relevante factor zijn bij de beoordeling van de vraag of een persoon geschikt is om tot bewindvoerder of mentor te worden benoemd. Dit laat zich als volgt nader toelichten.
27.
In het arrest van de Hoge Raad d.d. 17 juni 2022 (ECLI:NL:HR:2022:870) is geoordeeld dat de gegronde redenen om af te wijken van de voorkeur van de rechthebbende (als bedoeld in art. 1:435 lid 3 BW) niet enkel betrekking behoeven te hebben op de persoon naar wie de voorkeur van de rechthebbende uitgaat, maar ook gelegen kunnen zijn in andere omstandigheden die zich met het oog op de belangen van de rechthebbende ertegen verzetten dat de voorkeur van de rechthebbende wordt gevolgd. Deze tenzij-bepaling is echter niet van toepassing op de wettelijke voorkeursbenoeming van art. 1:435 lid 4 BW respectievelijk art. 1:452 lid 4 BW. In dat kader dient terug gevallen te worden op het bepaalde in art. 1:435 lid 1 BW respectievelijk art. 1:452 lid 1 BW, inhoudende dat de rechter zich vergewist van de bereidheid en de geschiktheid van de te benoemen persoon. Dit betreft een enger criterium dan de ‘gegronde redenen’ in lid 3 van genoemde artikelen. Art. 1:435 lid 1 BW en art. 1:452 lid 1 BW beperken zich derhalve tot een toets ter zake de bereidheid en de geschiktheid van een persoon om tot bewindvoerder respectievelijk mentor te worden benoemd.
28.
In de Memorie van Antwoord heeft de regering (mede naar aanleiding van vragen die waren gerezen over o.m. hulpmiddelen die de kantonrechter tot zijn beschikking heeft om zich een oordeel te vormen omtrent de geschiktheid van de te benoemen persoon) met betrekking tot deze beoordeling in algemene zin het volgende opgemerkt:4.
‘De kantonrechter vergewist zich van de geschiktheid van de te benoemen persoon. Voor alle kandidaten geldt dat zij handelingsbekwaam moeten zijn en, bijvoorbeeld in geval van curatoren en bewindvoerders, niet in staat van faillissement verkeren (vgl. de voorgestelde artikelen 383, vijfde en zesde lid, 435, zesde lid, en 452, zesde lid). De kantonrechter zal nagaan of de kandidaat in kwestie niet ongeschikt is. Als deze voor zichzelf een administratie kan voeren, een belastingaangifte kan invullen, of beslissingen kan nemen inzake de verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding, kan er doorgaans van uit worden gegaan dat deze dat ook voor een ander kan’.
In de Memorie van Antwoord wordt verder niet gesproken over de relevantie van een bestaande betrokkenheid tussen het kind en de ouder van wie de goederen onder bewind worden gesteld respectievelijk voor wie een mentorschap wordt ingesteld. De wetgever heeft een dergelijke (voorafgaande) betrokkenheid niet relevant geacht bij toepassing van de wettelijke voorkeursregeling van art. 1:435 lid 4 respectievelijk art. 1:452 lid 4 BW.
29.
In het geval een professioneel bewindvoerder en/of mentor wordt benoemd, wordt evenmin diens (voorafgaande) betrokkenheid getoetst, zulks gezien het Besluit kwaliteitseisen curatoren, beschermingsbewindvoerders en mentoren. In dit besluit staan centraal de werving (integriteit), scholing en begeleiding van personen door wie de bewindvoerder zijn taken uitoefent, de omgang met de rechthebbende en de bedrijfsvoering. In voornoemd besluit staat niets — en dat is uiteraard begrijpelijk — over de (voorafgaande) betrokkenheid van de professioneel bewindvoerder bij de rechthebbende.
30.
31.
In de Memorie van Antwoord wordt overigens wel tot uitdrukking gebracht dat afwijken van de wettelijke voorkeursregeling van art. 1:435 lid 4 BW mogelijk is, letterlijk is hierover het volgende te lezen:5.
‘Uiteraard kan de rechter anders beslissen, bij voorbeeld indien hem blijkt dat de rechthebbende tegen de benoeming van een der genoemde personen bezwaar heeft of indien de volgens de wet bij voorkeur in aanmerking komende persoon door de rechter niet geschikt wordt geacht het bewind te voeren.’
Doch ook uit deze zinsnede uit de Memorie van Grieven kan niet worden afgeleid dat de wetgever een (voorafgaande) betrokkenheid relevant heeft geacht voor de vraag op een te benoemen bewindvoerder geschikt moeten worden geacht (als bedoeld in art. 1:435 lid 1 BW respectievelijk art. 1:452 lid 1 BW).
Verzoekers in cassatie concluderen derhalve dat het Hof art. 1:435 lid 1 BW en art. 1:452 lid 1 BW onjuist heeft toegepast, zulks onder meer door de (voorafgaande) betrokkenheid tussen de kinderen en de persoon wiens goederen onder bewind wordt gesteld respectievelijk voor wie een mentorschap wordt ingesteld, relevant te achten voor de vraag of een kind geschikt is om tot bewindvoerder en/of mentor te benoemen.
Onderdeel 2b: niet benoemen van een kind tot mentor/bewindvoerder (motiveringsklacht)
32.
Dit middelonderdeel richt zich tegen rechtsoverweging 5.11 van de bestreden beschikking waar het Hof overweegt dat er bij het Hof teveel twijfels zijn ter zake de betrokkenheid en geschiktheid van de andere kinderen van [de moeder] om hen — meer in het bijzonder [belanghebbende 6] en [belanghebbende 7] — te benoemen tot bewindvoerder en mentor.
33.
Dit oordeel is onvoldoende en/of onbegrijpelijk gemotiveerd, zulks omdat de aan dit oordeel ten grondslag gelegde feiten dit oordeel niet kunnen dragen.
Toelichting
34.
Het Hof motiveert haar oordeel dat zij teveel twijfels heeft ter zake de betrokkenheid en geschiktheid van de andere kinderen van [de moeder] waardoor deze kinderen niet tot bewindvoerder en/of mentor benoemd kunnen worden, zulks door te overwegen dat:
- a.
hetgeen is overwogen ten aanzien van de betrokkenheid van de zoon, nog meer geldt ten aanzien van zijn broers en zussen; en/of
- b.
in het beroepschrift van verzoekers staat beschreven dat in de loop van de jaren de moeder met haar kinderen (behalve de zoon) gebrouilleerd is als gevolg waarvan het contact tussen hen is afgenomen; en/of
- c.
dat de (overige) kinderen niet bekend waren bij de instanties en zich ook na plaatsing van mevrouw [de moeder] in [verpleeghuis] niet hebben gemeld bij Amstelring; en/of
- d.
de betrokken instanties niet beschikten over de gegevens van de kinderen toen bleek dat de moeder niet langer bij de zoon kon verblijven en 24-uurs zorg nodig had, alsook dat — nadat de moeder op 1 juli 2022 in [verpleeghuis] was geplaatst — de kinderen zich niet hebben gemeld bij Amstelring; en/of e. dat de overige kinderen niet ter zitting in hoger beroep zijn verschenen.
Deze overwegingen kunnen de beslissing om een (ander) kind van mevrouw [de moeder] tot bewindvoerder en/of mentor niet dragen, ook niet indien deze overwegingen in hun onderlinge samenhang worden bezien. In het navolgende wordt dit per punt nader uitgewerkt.
Ad a:
35.
Het Hof overweegt letterlijk:
‘Hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de betrokkenheid van de zoon, geldt nog meer te aanzien van zijn broers en zussen. (…).’
Niet direct duidelijk is waar het Hof nu precies naar verwijst. Immers worden in de voorafgaande rechtsoverweging (r.o. 5.10) een aantal specifieke zaken genoemd die uitsluitend zien op de betrokkenheid van de zoon (en niet op de betrokkenheid van de andere kinderen). Verzoekers in cassatie gaan er dan ook vanuit dat de verwijzing van het Hof met name ziet op de volgende overweging in rechtsoverweging 5.10 van de bestreden beschikking:
‘Het is in het belang van de moeder dat beslissingen over haar financiën en over haar verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding zorgvuldig en snel kunnen worden genomen door iemand die volledig op de hoogte is van de persoonlijke situatie van de moeder en die kennis van zaken heeft.’
Verzoekers in cassatie onderschrijven deze overweging. Evenwel geldt dat de kinderen (gelijk ook een professionele bewindvoerder/mentor zal doen) zich op de hoogte kunnen stellen van de persoonlijke situatie van hun moeder, zulks op het moment dat zij benoemd worden tot bewindvoerder en/of mentor. Niet valt in de zien waarom een voorafgaande niet-betrokkenheid daaraan in de weg staat.
Ad b
36.
Het Hof wijst in r.o. 5.11 van de bestreden beschikking voorts op het feit dat ‘in het beroepschrift van verzoekers staat beschreven dat in de loop van de jaren de moeder met haar kinderen (behalve de zoon) gebrouilleerd is als gevolg waarvan het contact tussen hen is afgenomen.’
37.
Zonder nadere toelichting of overweging is niet begrijpelijk waarom een in het verleden gebrouilleerde verhouding tussen een ouder en een kind (bij voorbaat) in de weg staat aan de benoeming van een kind tot bewindvoerder en/of mentor. Immers wordt niet duidelijk gemaakt in hoeverre er daadwerkelijk sprake is van een gebrouilleerde relatie noch in welke mate daarvan sprake is noch in hoeverre daarvan herstel mogelijk is. Voor zover een gestelde gebrouilleerde relatie al kan meewegen in de beoordeling van de vraag of een kind al dan niet geschikt is om tot bewindvoerder en/of mentor te worden benoemd, mag verwacht worden dat op begrijpelijke en inzichtelijke wijze wordt gemotiveerd waarom de gebrouilleerde relatie aan een benoeming in de weg staat. Het Hof heeft een dergelijke motivering echter niet gegeven.
Ad c en d:
38.
Het Hof overweegt dat de (overige) kinderen niet bekend waren bij de instanties en ook dat de kinderen na plaatsing van mevrouw [de moeder] in [verpleeghuis] zich niet hebben gemeld bij Amstelring.
39.
Verder wijst het Hof erop dat de betrokken instanties niet beschikten over de gegevens van de (overige) kinderen toen bleek dat de moeder niet langer bij de zoon kon verblijven en 24-uurs zorg nodig had. Ook nadat de moeder op 1 juli 2022 in [verpleeghuis] was geplaatst, hebben de (overige) kinderen zich niet gemeld bij Amstelring.
40.
Niet te begrijpen is waarom deze overwegingen van het Hof het oordeel rechtvaardigen dat de (overige) kinderen ongeschikt zijn om tot bewindvoerder en/of mentor te worden benoemd.
41.
Immers geldt dat op het moment dat er geen sprake is van een betrokkenheid van een kind op zijn ouder, vanzelfsprekend het kind niet op de hoogte is van het wel en wee van die ouder en zich zodoende ook niet zal melden bij een instelling op het moment dat die ouder buiten zijn weten om in die instelling wordt opgenomen. Evenmin zal het kind in die situatie aanleiding hebben gehad om spontaan zijn gegevens aan de instelling te melden.
42.
Anderzijds geldt dat de instelling (Amstelring) bekend was met het feit dat mevrouw [de moeder] acht kinderen heeft.6. Dit roept de vraag op waar de instelling die informatie dan vandaan heeft en welke informatie de instelling nu precies in haar dossier had. Uit de processtukken blijkt verder niet dat de instelling zich enige moeite heeft getroost om de andere kinderen te betrekken bij de zorg voor mevrouw [de moeder].
43.
Indien het ontbreken van betrokkenheid geen relevante factor is bij de beoordeling van de vraag of een kind geschikt is om tot bewindvoerder of mentor te worden benoemd, dan kunnen de gevolgen van het ontbreken van die (voorafgaande) betrokkenheid evenmin hem in dat kader worden tegengeworpen. Nu het Hof dit echter wel doet, is het oordeel van het Hof onbegrijpelijk gemotiveerd.
Ad e:
44.
Ten slotte noemt het Hof de omstandigheid dat de overige kinderen niet ter zitting in hoger beroep zijn verschenen.
45.
In r.o. 2.4. van de bestreden beschikking overweegt het Hof het volgende: ‘[belanghebbende 5], [belanghebbende 6] en [belanghebbende 7] hebben ter zitting aan mr. Van Rossen bericht dat zij onderweg waren gegaan, maar door files rond Breda niet in staat waren ter zitting te verschijnend.’ Verder overweegt het Hof dat verzoekers in cassatie sub II en III in het geheel niet opgeroepen zijn voor de mondelinge behandeling.
46.
Gezien deze feiten is onbegrijpelijk waarom het Hof het niet verschijnen van de kinderen ter mondelinge behandeling als relevante factor heeft beschouwd bij de beantwoording van de vraag of de (overige) kinderen al dan niet geschikt zijn om tot bewindvoerder of mentor te worden benoemd. Het niet verschijnen vindt immers zijn oorzaak in overmacht en in het niet opgeroepen zijn voor de mondelinge behandeling. Dit is geenszins te wijten aan de betreffende kinderen en kan dan ook niet in hun nadeel worden uitgelegd.
Conclusie
47.
Het Hof heeft zijn beslissing, die erop neerkomt dat de (overige) kinderen niet geschikt zijn om tot bewindvoerder en/of mentor te worden benoemd, gezien al het voorgaande, niet toereikend gemotiveerd.
REDENEN WAAROM verzoekers in cassatie Uw Raad verzoeken om de in cassatie bestreden beschikking te vernietigen met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad passend acht, mede ten aanzien van de proceskosten.
Hendrik-Ido-Ambacht, 13 februari 2024
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 13‑02‑2024
Zie: HR 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD6831, r.o. 4.2; HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1279, r.o. 3.1; Conclusie A-G Timmerman 29 maart 2019, ECLI:NL:PHR:2019:364;
Zie: Landelijk procesreglement verzoekschriften rechtbanken, kanton (versie 1 februari 2022) onder 1.2.4 sub b waarin is bepaald
Zie HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7254 en HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3151 en HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:449
Kamerstukken I 2013–2014, 33 054, B, p. 6.; Zie ook conclusie AG Lückers d.d. 14 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:40 onder r.o. 3.3. e.v.;
Kamerstukken II 1978/79, 15 350, nr. 3, p. 20–21
Zie bijlage 2 bij het inleidende verzoekschrift in eerste aanleg;