Rb. Den Haag, 04-07-2023, nr. NL23.17693
ECLI:NL:RBDHA:2023:9994
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
04-07-2023
- Zaaknummer
NL23.17693
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2023:9994, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 04‑07‑2023; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2023:3033, Bekrachtiging/bevestiging
Uitspraak 04‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Eerste beroep. Bewaring. Eerder aanvang gemaakt met horen. Zicht op uitzetting Marokko. Ongegrond.
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.17693
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
(gemachtigde: mr. K. Bruin).
Procesverloop
Bij besluit van 15 juni 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank van de voortduring van deze maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Het onderzoek ter zitting is aangevangen op 21 juni 2023 in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Khabote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is een aanvang gemaakt met horen. Met partijen is afgesproken dat de kennisgeving wordt aangemerkt als een eerste beroep tegen de maatregel van bewaring van 15 juni 2023, omdat deze maatregel niet eerder is getoetst door een rechter. Vervolgens is het onderzoek ter zitting geschorst, zodat partijen in de gelegenheid werden gesteld om alle stukken toe te voegen aan het dossier.
De behandeling van het beroep is hervat ter zitting van 28 juni 2023 in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Khabote. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op 24 april 1985 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden1.staat in de maatregel vermeld dat eiser:
- -
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
- -
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
- -
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
- -
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
- -
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
En als lichte gronden2.staat in de maatregel vermeld dat eiser:
- -
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
- -
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
- -
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De gronden zijn feitelijk juist en voldoende om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Deze kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Zicht op uitzetting
4. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt, omdat sinds 13 oktober 2022 een LP3.-aanvraag loopt en niet is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten een LP zullen afgeven.
5. De rechtbank is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling4.van 16 mei 20235., van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Marokko in het algemeen, of in het bijzonder voor eiser, is komen te ontbreken. De rechtbank neemt hierbij in acht dat eiser niet meewerkt. Verder is niet gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten voor eiser geen LP zullen afgeven voordat de termijn van zes maanden, genoemd in artikel 59, vijfde lid, van de Vw, is verstreken.
Ambtshalve toets6.
6. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
7. De maatregel van bewaring is terecht aan eiser opgelegd. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- -
verklaart het beroep ongegrond; en
- -
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 04‑07‑2023
Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
Laissez-passer.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
ABRvS 16 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1968.
HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.