Ktr. Rotterdam, 30-03-2011, nr. 1200205 \ VZ VERZ 11-277
ECLI:NL:RBROT:2011:BT1562
- Instantie
Rechtbank Rotterdam (Kantonrechter)
- Datum
30-03-2011
- Magistraten
Mr. K.L. van Zetten
- Zaaknummer
1200205 \ VZ VERZ 11-277
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Arbeidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBROT:2011:BT1562, Uitspraak, Rechtbank Rotterdam (Kantonrechter), 30‑03‑2011
Uitspraak 30‑03‑2011
Mr. K.L. van Zetten
Partij(en)
vonnis ex artikel 96 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
in de zaak van
- 1.
de stichting
Stichting Hefgroep (hierna ook: ‘de Hefgroep’), en
- 2.
de stichting
Stichting Disck (hierna ook ‘Disck), en
- 3.
de stichting
Stichting Welzijn Feijenoord (hierna ook: ‘SWF’), en
- 4.
de stichting
Stichting Thermiek (hierna ook: ‘Thermiek’), en
- 5.
de stichting
Stichting Servicegroep Hefgroep (hierna: ‘Servicegroep Hefgroep’),
- 6.
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Kinderopvang Hefgroep B.V. (hierna: ‘de Hefgroep Kinderopvang’),
allen gevestigd te Rotterdam,
verzoekers 1,
gemachtigde: I. Veels, voorzitter van de Raad van Bestuur van de Hefgroep,
en
- 7.
de centrale ondernemingsraad van de stichting de Hefgroep (hierna: ‘de COR’), en
- 8.
de ondernemingsraad van de stichting Welzijn Feijenoord, en
- 9.
de ondernemingsraad van de stichting Thermiek, en
- 10.
de ondernemingsraad van de stichting Disck,
allen gevestigd te Rotterdam,
verzoekers 2,
gemachtigde: mr. R. van der Stege, advocaat te Utrecht.
Verzoekers 1 worden hierna gezamenlijk aangeduid als ‘de Hefgroep cs’ en verzoekers 2 als ‘de COR cs’.
1. Het verloop van de procedure
Verzoekers hebben zich met een gezamenlijk verzoekschrift ex artikel 96 Rv, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 12 januari 2011, tot de kantonrechter gewend, waarbij zij hebben verzocht een oordeel te geven over de in het verzoekschrift geformuleerde rechtsvraag.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 9 maart 2011. Ter zitting is van de zijde van de Hefgroep cs verschenen de heer [lid RvB Hefgroep], lid van de Raad van Bestuur van de Hefgroep, bijgestaan door de gemachtigde en is van de zijde van de COR cs verschenen de heer [secretaris COR SWF] (secretaris van de COR en van de OR van SWF), bijgestaan door de gemachtigde. Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
2. De vaststaande feiten
In het kader van de onderhavige procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan:
2.1
De Hefgroep fungeert sinds 1 januari 2009 als moederorganisatie van bovengenoemde stichtingen en vennootschap (verzoekers sub 2 t/m 6).
2.2
Deze stichtingen en vennootschap houden elk afzonderlijk een of meer werkmaatschappijen in stand die zich in de brede zin van het woord bezig houden met activiteiten op het gebied van welzijnswerk en maatschappelijke dienstverlening en/of kinderopvang.
2.3
Bij Disck zijn circa 425 personen werkzaam. Op de arbeidsovereenkomsten van de werknemers van Disck is de Cao Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening of de Cao Kinderopvang van toepassing.
2.4
Bij SWF zijn circa 300 personen werkzaam. Op de arbeidsovereenkomsten van de werknemers van SWF is de Cao Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening van toepassing.
2.5
Bij Thermiek zijn circa 110 personen werkzaam. Op de arbeidsovereenkomsten van de werknemers van Thermiek is de Cao Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening van toepassing.
2.6
De Servicegroep Hefgroep verricht de ondersteunende diensten op het gebied van automatisering, communicatie, facilitaire diensten, financiën en personeel & organisatie voor alle werkmaatschappijen. Bij deze stichting zijn circa 54 personen werkzaam. Op de arbeidsovereenkomsten van de werknemers van de Servicegroep Hefgroep is de Cao Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening van toepassing.
2.7
Bij de Kinderopvang Hefgroep zijn circa 265 personen werkzaam. Op de arbeidsovereenkomsten van de werknemers van de Kinderopvang Hefgroep is de Cao Kinderopvang van toepassing.
2.8
Op dit moment is de structuur van de medezeggenschap vormgegeven in een (tijdelijke) centrale ondernemingsraad voor Hefgroepbrede aangelegenheden en daarnaast drie afzonderlijke ondernemingsraden voor Disck, Thermiek en SWF en een onderdeelcommissie voor de Hefgroep Kinderopvang. Halverwege het jaar 2011 zal sprake zijn van zeven ondernemingen die wettelijke verplicht zijn om een ondernemingsraad in te stellen, te weten Thermiek, werkmaatschappij Disck SC&W, werkmaatschappij Disck Peuter & Co, SWF, Kinderopvang Hefgroep, Servicegroep Hefgroep en een nieuwe werkmaatschappij met als naam Stichting Hefgroep Sociale Activering.
2.9
De Hefgroep heeft een Raad van Bestuur (hierna afgekort RvB) en een Raad van Toezicht. De leden van de RvB van de Hefgroep vormen tevens het bestuur van alle stichtingen, alsook de algemene vergadering van aandeelhouders van de vennootschap.
Iedere werkmaatschappij heeft een eigen directeur, die door de RvB wordt benoemd. De directeuren van de werkmaatschappijen vormen gezamenlijk het Directie-Overleg, dat de RvB adviseert over alle beleidsmatige onderwerpen die het concern als geheel betreffen. De RvB stelt voor iedere werkmaatschappij de begroting en de jaarrekening vast, zij stelt een Strategienota op die voor de middellange termijn (drie jaar) geldt, en zij stelt jaarlijks een zogenoemde Kaderbrief vast welke dient als nadere uitwerking van de Strategienota en van het (financieel) beleid. De directies van de werkmaatschappijen dienen het primaire proces en hun tactische en operationele beleid af te stemmen op deze door de RvB vastgestelde documenten.
2.10
In de strategienota is de strategische koers van de Hefgroep cs voor de periode 2009 tot en met 2012 uitgezet. Hierin zijn onder meer de volgende concrete doelen bepaald:
‘2009
In de tweede helft van 2009 vindt de afronding plaats van het integratieproces op centraal niveau. De ondersteunende diensten zijn eind 2009 volledig geïntegreerd en hebben intern en voor de werkmaatschappijen een duidelijke structuur. Daarnaast gaat de Raad van Bestuur verder met haar eigen ontwikkeling. Directietaken en (bestuurlijke) portefeuilles worden (her-)verdeeld en de bestuursondersteuning is op orde. […]
2010
2010 staat vooral in het teken van transitie naar een nieuwe structuur en werkwijze. […] Daarvoor moet de interne structuur worden aangepast […] De directiefuncties en het teammanagement worden opnieuw vormgegeven (positie, functie, taak en waardering) en de eerste managementcontracten worden afgesloten. […] Ontwerp en implementatie van een nieuwe structuur hebben gevolgen voor sturing, functieopbouw en werkplekken. […] In de nieuwe structuur is een heldere verdeling van bestuurstaken en directietaken vastgelegd en is de personele invulling afgerond.
2011
2011 wordt het jaar van realiseren van de ambities. […]
De interne structuur is volledig geïmplementeerd. […]
De organisatie krijgt extern steeds ‘één gezicht’ (bestuurder en manager). […]
Intern worden de werkmaatschappijen optimaal ondersteund en functioneert de ICT op hoog niveau.
2012
Het laatste jaar staat in het teken van consolideren en het ontwikkelen en aanpassen van een verdere strategie. […]’
3. Het verzoek en de standpunten van verzoekers 1 en 2
3.1
Verzoekers 1 en 2 hebben een oordeel gevraagd over de volgende rechtsvraag:
Welke structuur op het terrein van de medezeggenschap (een structuur waarbij sprake is van één gemeenschappelijke ondernemingsraad of een structuur met meerdere ondernemingsraden en een centrale ondernemingsraad), acht de kantonrechter binnen het concern van de Hefgroep c.s., met inachtneming van de door partijen (schriftelijk en mondeling) naar voren gebrachte argumenten, het meest bevorderlijk voor een goede toepassing van de Wet op de Ondernemingsraden (hierna afgekort WOR)?
3.2
De Hefgroep cs pleiten voor de instelling van één gemeenschappelijke ondernemingsraad en de COR cs pleiten voor aparte ondernemingsraden en een centrale ondernemingsraad.
3.3
De Hefgroep cs hebben ter onderbouwing van hun standpunt aangevoerd dat er sprake is van een centraal geleid samenstel van ondernemingen. Om de medezeggenschapsstructuur aan te laten sluiten bij de besluitvormingsprocessen, dient eveneens sprake te zijn van een centraal geleide ondernemingsraad in de vorm van één gemeenschappelijke ondernemingsraad. Voor afzonderlijke ondernemingsraden is gezien de centralisering hoogstens een beperkte rol weggelegd, die waar nodig beter kan worden vervuld door een of meer onderdeelcommissies. De door de COR cs voorgestelde medezeggenschapsstructuur zal leiden tot een onnodig gecompliceerde en verwarrende structuur als gevolg waarvan voortdurend en steeds zal worden gediscussieerd omtrent de zaken die tot het gemeenschappelijk beleid horen, alsook tot aanzienlijke extra kosten en tijdsinvestering, zowel van de gekozen OR-leden als de RvB, de Raad van Toezicht en de directies. Het aantal te houden vergaderingen maakt de door de COR cs voorgestelde structuur feitelijk nauwelijks uitvoerbaar. De Hefgroep cs voeren tenslotte als bezwaar tegen de door de COR cs voorgestelde medezeggenschapstructuur aan dat sprake zal zijn van 8 ondernemingsraden die elk afzonderlijk op het eigen terrein procedures kunnen aanspannen bij de bedrijfscommissie, de kantonrechter of de Ondernemingskamer.
3.4
De COR cs hebben ter onderbouwing van hun standpunt aangevoerd dat er op ondernemingsniveau nog veel besluitvorming zal dienen plaats te vinden over de inrichting en de organisatie van de ondernemingen, hetgeen juist aanleiding geeft om op ondernemingsniveau ondernemingsraden te handhaven. Het instellen van één gemeenschappelijke ondernemingsraad zou in dat verband zelfs schadelijk zijn voor de goede toepassing van de WOR. Voorts spreekt voor handhaving van de afzonderlijke ondernemingsraden dat er binnen de Hefgroep cs sprake is van verschillende CAO's en verschillende secundaire arbeidsvoorwaarden. De binnen de Hefgroep cs betrokken werknemers menen dat het verschil in cultuur tussen de diverse ondernemingen, de specifieke omstandigheden die zich voordoen binnen de onderscheiden ondernemingen, alsmede de wens van de in de onderneming werkzame personen, het continueren van de afzonderlijke ondernemingsraden rechtvaardigen. De WOR geeft een duidelijke verdeling van de bevoegdheden tussen de centrale ondernemingsraad en de afzonderlijke ondernemingsraden.
4. De beoordeling
4.1
De kernvraag is of uit een oogpunt van goede toepassing van de WOR de huidige medezeggenschapsstructuur moet worden gecontinueerd, zoals bepleit door verzoekers 2, dan wel dat moet worden overgegaan tot het instellen van een gemeenschappelijke ondernemingsraad, zoals bepleit door verzoekers 1. De kantonrechter oordeelt dat voorlopig de bestaande structuur de voorkeur verdient en overweegt daartoe het volgende.
4.2
Een van de oorspronkelijke doelstellingen van de WOR is het instellen van ondernemingsraden op een zo laag mogelijk niveau, dat wil zeggen in het eigen werkmilieu van de betrokkenen. De gedachte hierachter is dat de medezeggenschap daarmee het beste is gewaarborgd. In beginsel dient derhalve op het niveau van de onderneming een ondernemingsraad te worden ingesteld voor de ondernemingen waarvoor dit wettelijk verplicht is. In artikel 3 WOR is een uitzondering op dit beginsel gemaakt in de vorm van het instellen van één gemeenschappelijke ondernemingsraad indien dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR. Aan de beschikkingen van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen voor de invulling van de norm ‘bevorderlijk voor een goede toepassing van de WOR’ drie criteria worden ontleend:
- —
bestaat een zodanige samenhang tussen de betrokken ondernemingen dat instelling of het ingesteld houden van ondernemingsraden daarvoor weinig zin heeft omdat de omvang of het niveau van de werkzaamheden die deze ondernemingsraden kunnen verrichten, te gering is (beschikking van 4 juli 1974, SMA 1974, p. 750);
- —
wordt het door ‘samenvoeging’ mogelijk medezeggenschap te verzekeren voor werknemers die daarvan anders op grond van het toepasselijke getalscriterium van art. 2 van de wet, verstoken zouden zijn (beschikking van 12 juli 1976, SMA 1977, p. 422);
- —
de mening van het personeel is een belangrijk, doch niet een beslissend gegeven (beschikking van 25 april 1980, Rechtspraak Medezeggenschapsrecht, nr. 9).
Met de verschillende wijzigingen van de regeling in het huidige artikel 3 WOR in de loop van de tijd is niet beoogd een andere benadering van het begrip ‘een goede toepassing van de WOR’ te brengen, zodat de door de minister uitgezette lijnen ook nu nog relevant zijn.
Als algemeen uitgangspunt heeft te gelden dat voor ‘een goede toepassing van de WOR’ de uitoefening van de medezeggenschapsrechten daar dient plaats te vinden waar in overwegende mate zeggenschap over de onderneming(en) bestaat, en zij dus het meest doelmatig is. Kort gezegd: medezeggenschap volgt zeggenschap. Indien de te behandelen aangelegenheden zowel op het niveau van iedere onderneming afzonderlijk, als op centraal niveau liggen, komt het voor een goede toepassing van de WOR het beste voor, dat ondernemingsraden worden ingesteld voor die ondernemingen waarvoor dit wettelijk verplicht is, overkoepeld door een centrale ondernemingsraad ter behandeling van de gemeenschappelijke aangelegenheden, in welke centrale ondernemingsraad ingevolge de wet wel vertegenwoordigers kunnen worden opgenomen van ondernemingen waarvoor geen afzonderlijke ondernemingsraad behoeft te worden ingesteld. In het geval echter op het niveau van de afzonderlijke ondernemingsraden praktisch geen aangelegenheden ter behandeling overblijven, omdat de te behandelen aangelegenheden nagenoeg uitsluitend op centraal niveau liggen, is het bestaan van afzonderlijke ondernemingsraden niet langer te rechtvaardigen en heeft het voor een goede toepassing van de WOR de voorkeur om een gemeenschappelijke ondernemingsraad in te stellen. Tegen de achtergrond van eerdergenoemde doelstelling van de WOR, te weten het instellen van ondernemingsraden op een zo laag mogelijk niveau, moet het instellen van een gemeenschappelijke ondernemingsraad wel verantwoord zijn, in die zin dat de medezeggenschap afdoende blijft gewaarborgd.
4.3
Alle verzoekers zijn het erover eens dat de stichtingen en de vennootschap (verzoekers sub I t/m 6) als een in een groep verbonden ondernemers in de zin van de WOR zijn te beschouwen. De kantonrechter heeft geen reden om aan de juistheid van die kwalificatie te twijfelen. Op grond van artikel 3 WOR dient voor de betrokken ondernemingen derhalve een gemeenschappelijke ondernemingsraad te worden ingesteld indien dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR.
Anderzijds staat tussen verzoekers vast dat deze stichtingen en vennootschap zelfstandig en onder eigen naam naar buiten optreden, en bijvoorbeeld ook eigen directeuren en eigen subsidiegevers (m.n. deelgemeenten) hebben.
Op basis van de hiervoor onder 4.2 genoemde algemene overwegingen is voor de vraag of aan dit criterium wordt voldaan van belang om te bepalen of zich in de nabije toekomst in overwegende mate besluiten van gemeenschappelijk belang zullen aandienen — dat wil zeggen betreffende onderwerpen die het beleid van tenminste de meerderheid van de ondernemingen betreffen danwel betreffende onderwerpen die in beginsel voor de meerderheid van de betrokken ondernemingen gelijke afdoening vereisen en waarover op centraal niveau moet worden beslist —, in welk geval de medezeggenschap afdoende blijft gewaarborgd door het instellen van één gemeenschappelijke ondernemingsraad.
4.4
Vast staat dat thans feitelijk sprake is van één driekoppig bestuur voor alle onderdelen van het concern, dat is belast met de benoeming, schorsing en het ontslag van de directies van de verschillende werkmaatschappijen. Het personeel is in dienst van de onderscheiden stichtingen die de betreffende werkmaatschappijen in stand houden. De RvB bepaalt, ter uitwerking van de strategienota en het (financieel) beleid, de kaders waarbinnen de directies van de werkmaatschappijen hun tactische en operationele beleid moeten bepalen.
Hefgroepbreed is beleid met betrekking tot de secundaire arbeidsvoorwaarden en het waarderingssysteem voor personeel ontwikkeld, dat op het niveau van de werkmaatschappijen moet worden geconcretiseerd en (gefaseerd) moet worden geïmplementeerd. De toepasselijkheid van twee verschillende CAO's op de werknemers van enkele werkmaatschappijen leidt daarbij tot aangelegenheden aangaande de secundaire arbeidsvoorwaarden die op het niveau van de ondernemingen moeten worden behandeld. Verder is een Hefgroepbreed ziekteverlofbeleid ontwikkeld, dat nog moet worden ingevoerd. Alle werkmaatschappijen hebben hun ondersteunende diensten ondergebracht bij en overgedragen aan de Servicegroep Hefgroep. Het voornemen is om alle administratieve en bedrijfsorganisatorische processen te standaardiseren en harmoniseren en alle personeel in dienst van de Hefgroep te laten treden. Het veranderproces zal volgens beide partijen nog minimaal twee jaar in beslag nemen. Kortom: de Hefgroep cs zijn geleidelijk aan op weg naar eenheid en een meer centrale sturing.
De kantonrechter sluit niet uit dat in de toekomst sprake zal zijn van een zodanig centraal geleide groep van ondernemingen dat het niet langer gerechtvaardigd is om afzonderlijke ondernemingsraden in stand te houden. Uit de huidige stand van zaken van het integratie- en harmonisatieproces en de strategische doelen die nog moeten worden gerealiseerd, leidt de kantonrechter echter af dat de hiermee gepaard gaande centralisering zich nog niet in een zodanig vergevorderd stadium bevindt, dat het instellen van één gemeenschappelijke ondernemingsraad reeds nu bevorderlijk moet worden geacht voor een goede toepassing van de WOR. Zolang het personeel nog niet in dienst is getreden van de Hefgroep en het overkoepelende personeelsbeleid nog niet is geïmplementeerd, en mede gelet op het feit dat de activiteiten van de werkmaatschappijen op dit moment nog sterk worden beïnvloed door de deelgemeenten waaraan zij verbonden zijn, ligt het in de lijn der verwachting dat in de komende twee jaar de aangelegenheden betreffende de inrichting en organisatie van de ondernemingen, juist ook aangaande de steeds verdergaande centralisering, met name op het niveau van de afzonderlijke ondernemingen moeten worden behandeld. Mede gelet op de onzekerheid over de ontwikkelingen in de toekomst, waaronder het opheffen of samengaan van deelgemeenten, acht de kantonrechter het op dit moment derhalve voorbarig tot het instellen van een gemeenschappelijke ondernemingsraad over te gaan.
De kantonrechter heeft daarbij mede in aanmerking genomen, dat de Hefgroep cs niet aannemelijk hebben kunnen maken dat de medezeggenschap tijdens de fase van centralisering op een andere wijze kan worden gewaarborgd. Zij hebben voorgesteld om onderdeelcommissies in te stellen voor aangelegenheden die op het niveau van de afzonderlijke ondernemingen moeten worden behandeld, maar daarmee is de medezeggenschap allerminst gegarandeerd, nu de instelling, samenstelling en handhaving van die onderdeelcommissies en het delegeren van bevoegdheden aan die commissies volledig afhankelijk is van de wil van de gemeenschappelijke ondernemingsraad en het personeel van de afzonderlijke ondernemingen hierop geen invloed kan uitoefenen.
Bovendien zijn dat dan onderdeelcommissies voor uitsluitend de (centrale) taak van de gemeenschappelijke ondernemingsraad zelf.
De kantonrechter heeft eveneens meegewogen dat de Hefgroep cs niet hebben weersproken dat het personeel voorkeur heeft voor de bestaande structuur van ondernemingsraden en een centrale ondernemingsraad.
4.5
Het argument van de Hefgroep cs dat personeel van de ondernemingen waarvoor geen wettelijke verplichting bestaat voor het instellen van een ondernemingsraad verstoken blijft van medezeggenschap, moet worden genuanceerd. In de centrale ondernemingsraad kunnen ingevolge de wet vertegenwoordigers worden opgenomen van deze ondernemingen.
Voorts kan aan het bezwaar van de Hefgroep cs dat het bestaan van afzonderlijke ondernemingsraden en een centrale ondernemingsraad tot een onnodig gecompliceerde en verwarrende structuur zal leiden als gevolg waarvan voortdurend en steeds zal worden gediscussieerd omtrent de zaken die tot het gemeenschappelijk beleid horen, niet tot een andere conclusie leiden, worden tegemoet gekomen door de ruimte die de wet laat bij de bepaling van ‘aangelegenheid van gemeenschappelijk belang’ voor zover mogelijk vooraf met nadere afspraken in te vullen. Deze complexiteit is nu eenmaal inherent aan de huidige concernstructuur.
De Hefgroep cs hebben als argument voor het instellen van een gemeenschappelijke ondernemingsraad ten slotte aangevoerd dat dit tot aanzienlijke kosten- en tijdsbesparingen leidt. In geval van een gemeenschappelijke ondernemingsraad zal jaarlijks circa 2 fte aan medezeggenschap worden besteed en in geval van zeven ondernemingsraden en een centrale ondernemingsraad zal jaarlijks circa 11 fte aan medezeggenschap worden besteed.
Daargelaten dat in deze berekening de leden van de in te stellen onderdeelcommissies buiten beschouwing zijn gelaten, kunnen het kosten- en tijdsaspect slechts in beperkte mate gewicht in de schaal leggen bij de beoordeling van de vraag op welke wijze de medezeggenschap het beste tot zijn recht komt. Dat het in stand houden van ondernemingsraden en een centrale ondernemingsraad praktisch nauwelijks uitvoerbaar is, zoals de Hefgroep cs hebben gesteld, hebben zij onvoldoende aannemelijk gemaakt. Aan het argument dat elke ondernemingsraad op zichzelf een procedure kan aanspannen, kan in het geheel geen waarde worden toegekend, nu deze rechten door de wet aan de ondernemingsraden worden verleend. De werkbelasting voor de leden van de RvB is het gevolg van de gekozen personele unie.
4.6
Op grond van voorgaande overwegingen komt de kantonrechter tot de conclusie dat het instellen van één gemeenschappelijke ondernemingsraad voorlopig niet bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR en dat de medezeggenschap voorlopig het beste is gediend met afzonderlijke ondernemingsraden — in ieder geval voor die ondernemingen waarvoor dit wettelijk verplicht is —, overkoepeld door een centrale ondernemingsraad ter behandeling van de gemeenschappelijke aangelegenheden, in welke centrale ondernemingsraad ingevolge de wet wel vertegenwoordigers kunnen worden opgenomen van ondernemingen waarvoor geen afzonderlijke ondernemingsraad behoeft te worden ingesteld. Aldus zal dan ook worden beslist.
4.7
Gelet op het karakter van de zaak, een gemeenschappelijk verzoek, zal de kantonrechter de proceskosten compenseren, in die zin dat verzoekers 1 en verzoekers 2 ieder de eigen kosten dragen.
5. De beslissing
De kantonrechter:
Rechtdoende bij wege van artikel 96 Rv:
verstaat dat bij de Hefgroep cs een structuur op het terrein van de medezeggenschap waarbij sprake is van meerdere ondernemingsraden en een centrale ondernemingsraad, voorlopig het meest bevorderlijk is voor een goede toepassing van de Wet op de Ondernemingsraden;
compenseert de proceskosten in die zin dat verzoekers 1 en verzoekers 2 ieder de eigen kosten dragen;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.L. van Zetten en uitgesproken ter openbare terechtzitting.