Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/6.3.1:6.3.1 Algemeen
Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (R&P nr. InsR11) 2019/6.3.1
6.3.1 Algemeen
Documentgegevens:
mr. A. Karapetian, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. A. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS343697:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Materieel strafrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel rechtvaardigingsgronden in het civiele aansprakelijkheidsrecht traditioneel niet die mate van aandacht ten deel is gevallen als waarop zij in het strafrecht hebben kunnen rekenen, heeft de wetgever hiervoor blijkens de parlementaire geschiedenis van art. 6:162 BW uitdrukkelijk plaats ingeruimd bij de beoordeling van schadeveroorzakende gedragingen.1 In de civielrechtelijke literatuur en rechtspraak is voor de kwalificatie en invulling van verschillende vormen van rechtvaardiging grotendeels aangeknoopt bij de categorisering die de strafwetgever heeft neergelegd in art. 39 Sr en verder en de overvloedige strafrechtelijke literatuur ter zake.
In het algemeen wordt gesteld dat de toepassing van een rechtvaardigingsgrond de schending van een norm veronderstelt.2 Hiervoor werd reeds aangestipt dat in het kader van dit onderzoek met name de vraag van belang is of en zo ja in welke mate maatschappelijke belangen als het behoud van werkgelegenheid en behoud van onderneming een rechtvaardigingsgrond kunnen vormen voor de bestuurder die de schuldeiser in kwestie niet of onjuist informeert over de toestand van de onderneming met betrekking tot de mogelijkheid tot het verrichten van de in de overeenkomst opgenomen prestaties. Voordat de positie van deze maatschappelijke belangen bij onrechtmatige daad wordt onderzocht, is het zinvol te bezien of er ook andere omstandigheden zijn die een rechtvaardiging kunnen bieden voor het prima facie onrechtmatige handelen van de bestuurder jegens de schuldeiser. Het zij gememoreerd dat het in dit hoofdstuk behandelde handelen ziet op bewust door de bestuurder gedane onjuiste mededelingen over de vermogenstoestand van de vennootschap en het verzwijgen van die toestand daar waar spreken geboden was.