Procestaal: Pools.
HvJ EU, 06-03-2025, nr. C-647/21, nr. C-648/21
ECLI:EU:C:2025:143
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
06-03-2025
- Magistraten
I. Jarukaitis, D. Gratsias, E. Regan
- Zaaknummer
C-647/21
C-648/21
- Conclusie
A. M. Collins
- Roepnaam
D. K. (Dessaisissement d’un juge)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:143, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 06‑03‑2025
ECLI:EU:C:2024:308, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 11‑04‑2024
Uitspraak 06‑03‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Rechtsstaat — Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU — Beginsel van onafzetbaarheid en onafhankelijkheid van rechters — Resolutie van het college van een rechterlijke instantie om alle zaken die zijn toegewezen aan een rechter aan hem te onttrekken — Ontbreken van objectieve criteria voor het nemen van een onttrekkingsbesluit — Geen verplichting tot motivering van een dergelijk besluit — Voorrang van het Unierecht — Verplichting om een dergelijk onttrekkingsbesluit niet toe te passen
I. Jarukaitis, D. Gratsias, E. Regan
Partij(en)
In de gevoegde zaken C-647/21 en C-648/21*,
betreffende verzoeken om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Okręgowy w Słupsku (rechterlijke instantie in eerste en tweede aanleg Słupsk, Polen) bij beslissingen van 20 oktober 2021, ingekomen bij het Hof op 25 oktober 2021, in de strafzaken tegen
D. K. (C-647/21),
M. C.,
M. F. (C-648/21),
in tegenwoordigheid van:
Prokuratura Rejonowa w Bytowie,
Prokuratura Okręgowa w ŁomŻy,
wijst
HET HOF (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: I. Jarukaitis (rapporteur), president van de Vierde kamer, waarnemend voor de president van de Vijfde kamer, D. Gratsias en E. Regan, rechters,
advocaat-generaal: A. M. Collins,
griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 24 januari 2024,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Prokuratura Rejonowa w Bytowie, vertegenwoordigd door T. Rutkowska-Szmydyńska, Prokurator Regionalny w Gdańsku,
- —
de Prokuratura Okręgowa w ŁomŻy, vertegenwoordigd door A. Bałazy, Zastępca Prokuratora Okręgowego w ŁomŻy,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en S. Żyrek als gemachtigden,
- —
de Deense regering, vertegenwoordigd door D. Elkan, V. Pasternak Jørgensen en M. Søndahl Wolff als gemachtigden,
- —
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. Langer als gemachtigden,
- —
de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Runeskjöld en H. Shev als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Herrmann, P. Stancanelli en P. J. O. Van Nuffel als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 april 2024,
het navolgende
Arrest
1
De verzoeken om een prejudiciële beslissing betreffen de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’).
2
Deze verzoeken zijn ingediend in het kader van strafrechtelijke procedures die worden gevoerd tegen D. K. (zaak C-647/21) alsmede tegen M. C. en M. F. (zaak C-648/21).
Toepasselijke bepalingen
Grondwet van de Republiek Polen
3
Artikel 178, lid 1, van de Konstytucja Rzeczypospolitej Polskiej (grondwet van de Republiek Polen; hierna: ‘grondwet’) luidt als volgt:
‘Rechters zijn bij de uitoefening van hun ambt onafhankelijk en uitsluitend onderworpen aan de grondwet en de wetten.’
4
Artikel 179 van deze grondwet bepaalt:
‘Rechters worden voor onbepaalde tijd benoemd door de president van de Republiek Polen op voordracht van de Krajowa Rada Sądownictwa [(nationale raad voor de rechtspraak, Polen) (hierna: ‘KRS’)].’
5
Artikel 180 van die grondwet luidt:
- ‘1.
Rechters kunnen niet van hun ambt worden ontheven.
- 2.
Een rechter kan enkel krachtens een rechterlijke beslissing en uitsluitend in de gevallen waarin de wet voorziet van zijn ambt worden ontheven, worden geschorst of tegen zijn wil naar een ander rechtsgebied of een andere functie worden overgeplaatst.’
Wet betreffende de gewone rechterlijke instanties
6
Artikel 11, § 3, van de ustawa Prawo o ustroju sądów powszechnych (wet inzake de organisatie van de gewone rechterlijke instanties) van 27 juli 2001 (Dz. U. nr. 98, volgnr. 1070), in de op de hoofdgedingen toepasselijke versie (hierna: ‘wet betreffende de gewone rechterlijke instanties’), luidt:
‘De president van een afdeling wordt benoemd door de president van de rechterlijke instantie. […] Alvorens de president van een afdeling in een sąd okręgowy [(regionale rechterlijke instantie in eerste en tweede aanleg, Polen)] of een sąd rejonowy [(rechterlijke instantie in eerste aanleg van een arrondissement, Polen)] te benoemen, raadpleegt de president van de rechterlijke instantie het college van de sąd okręgowy.’
7
Krachtens artikel 21, § 1, punt 2, van deze wet zijn de organen van een sąd okręgowy de president van de rechterlijke instantie, het college van de rechterlijke instantie en de directeur van de rechterlijke instantie.
8
Artikel 22a van die wet luidt als volgt:
- ‘§ 1.
[…] [D]e president van de sąd okręgowy in de sąd okręgowy stelt, na raadpleging van het college van de sąd okręgowy, de taakverdeling vast, waarbij het volgende wordt bepaald:
- 1)
de toewijzing van de rechters […] aan de afdelingen van de rechterlijke instantie;
- 2)
de omvang van de verantwoordelijkheden van de rechters […] alsmede de wijze waarop zij deelnemen aan de toewijzing van zaken;
- 3)
het rooster van dienstdoende en vervangende rechters […],
- —
rekening houdend met de specialisatie van de rechters […] om kennis te nemen van verschillende soorten zaken, met de noodzaak om te zorgen voor een adequate verdeling van de rechters […] over de afdelingen van de sąd okręgowy en voor een eerlijke verdeling van hun verantwoordelijkheden, alsmede met de noodzaak om het vlotte verloop van de gerechtelijke procedures te waarborgen.
[…]
- § 4.
De president van de sąd okręgowy kan te allen tijde besluiten de taken geheel of gedeeltelijk te herverdelen, indien de in § 1 bedoelde redenen dit rechtvaardigen. […]
- § 4a.
Een rechter kan slechts naar een andere afdeling worden overgeplaatst indien hij daarmee instemt.
- § 4b.
Voor de overplaatsing van een rechter naar een andere afdeling is zijn instemming niet vereist:
- 1)
in geval van overplaatsing naar een andere afdeling die kennisneemt van zaken op hetzelfde gebied;
- 2)
wanneer geen enkele andere rechter van de afdeling van waaruit de overplaatsing plaatsvindt met zijn overplaatsing heeft ingestemd;
- 3)
wanneer de overgeplaatste rechter is toegewezen aan de […] afdeling [voor het kadaster of aan de handelsafdeling voor de pandregisters].
- § 4c.
Het bepaalde in § 4b, punten 1 en 2, is niet van toepassing op een rechter die, voor een periode van drie jaar, zonder zijn instemming naar een andere afdeling is overgeplaatst. In het geval een rechter in het in § 4b, punt 2, bedoelde geval zonder zijn toestemming naar een andere afdeling wordt overgeplaatst, wordt met name rekening gehouden met de anciënniteit van de rechters in de afdeling van waaruit zij worden overgeplaatst.
- § 5.
De rechter of bijzitter wiens taken dusdanig zijn herverdeeld dat de omvang van zijn verantwoordelijkheden is gewijzigd, met name wegens een overplaatsing naar een andere afdeling van de betrokken rechterlijke instantie, kan binnen zeven dagen na de kennisgeving van zijn nieuwe verantwoordelijkheden beroep aantekenen bij de [KRS]. Er staat geen beroep open in het geval:
- 1)
van overplaatsing naar een afdeling die kennisneemt van zaken op hetzelfde gebied;
- 2)
binnen dezelfde afdeling verantwoordelijkheden worden toegewezen, krachtens op andere rechters toepasselijke regels en, in het bijzonder, in het geval van herroeping van een toewijzing aan een gespecialiseerde afdeling of aan een andere vorm van specialisatie.
- § 6.
Het in § 5 bedoelde beroep wordt aangetekend via de president van de betrokken rechterlijke instantie die de taken waarop het beroep betrekking heeft, heeft verdeeld. Deze president deelt het beroep binnen veertien dagen na ontvangst ervan mede aan de [KRS], samen met zijn standpunt ter zake. De [KRS] neemt een resolutie aan tot toewijzing of verwerping van het door de rechter aangetekende beroep, daarbij rekening houdend met de in lid 1 bedoelde elementen. De beslissing van de [KRS] op het in § 5 bedoelde beroep hoeft niet te worden gemotiveerd. De beslissing van de [KRS] is niet vatbaar voor beroep. De rechter of de bijzitter oefent zijn bestaande verantwoordelijkheden uit totdat de beslissing is vastgesteld.’
9
Artikel 24, § 1, van de wet betreffende de gewone rechterlijke instanties bepaalt:
‘De president van de sąd okręgowy wordt door de minister van Justitie benoemd uit de rechters in de sąd apelacyjny, de sąd okręgowy of de sąd rejonowy. Na de president van een sąd okręgowy te hebben benoemd, presenteert de minister van Justitie hem aan de bevoegde algemene vergadering van rechters van de betrokken sąd okręgowy.’
10
Overeenkomstig artikel 30, § 1, van deze wet is het college van de sąd okręgowy samengesteld uit de president van de sąd okręgowy en de presidenten van de sądy rejonowe die onder de sąd okręgowy ressorteren.
11
Artikel 42a van die wet bepaalt:
- ‘§ 1.
In het kader van de werkzaamheden van de rechterlijke instanties of van hun organen is het niet toegestaan om de legitimiteit van de rechterlijke instanties in tweede en eerste aanleg, de grondwettelijke organen van de staat of de organen voor controle en bescherming van het recht in twijfel te trekken.
- § 2.
Een gewone rechterlijke instantie of een ander orgaan van het gezag kan de rechtmatigheid van de benoeming van een rechter of van de uit deze benoeming voortvloeiende bevoegdheid tot uitvoering van taken op het gebied van de rechtsbedeling niet vaststellen of toetsen.’
12
Artikel 47a van de wet betreffende de gewone rechterlijke instanties bepaalt:
- ‘§ 1.
Zaken worden volgens specifieke categorieën van zaken willekeurig toegewezen aan rechters en bijzitters, behalve wanneer zaken worden toegewezen aan een rechter die piketdienst heeft.
- § 2.
Zaken worden gelijkelijk over de specifieke categorieën verdeeld, tenzij het aandeel is verlaagd vanwege de uitgeoefende functie, de deelname aan de toewijzing van zaken uit een andere categorie of om andere, wettelijk bepaalde redenen.’
13
Artikel 47b van deze wet luidt als volgt:
- ‘§ 1.
De samenstelling van een rechterlijke instantie kan slechts worden gewijzigd indien de zaak niet kan worden behandeld in de huidige samenstelling van die instantie of indien er in die samenstelling sprake is van een duurzaam beletsel voor de behandeling van de zaak. Het bepaalde in artikel 47a is van overeenkomstige toepassing.
[…]
- § 3.
De [in § 1] bedoelde besluiten worden genomen door de president van de rechterlijke instantie of door een door hem aangewezen rechter.
- § 4.
De verandering van standplaats van een rechter, zijn detachering bij een andere rechterlijke instantie of de beëindiging van een detachering vormen geen beletsel voor de vaststelling van [procedurehandelingen] in de aan de standplaats of de huidige plaats van ambtsuitoefening toegewezen zaken totdat die zaken zijn afgesloten.
- § 5.
Het college van de rechterlijke instantie waar de nieuwe standplaats of plaats van detachering van de rechter onder valt, kan zaken op diens verzoek of ambtshalve geheel of gedeeltelijk aan deze rechter onttrekken, met name wegens de afstand tussen deze rechterlijke instantie en de nieuwe standplaats of plaats van detachering van deze rechter en naargelang van de voortgang van de aanhangige zaken. Alvorens een resolutie vast te stellen raadpleegt het college van de rechterlijke instantie de presidenten van de bevoegde rechterlijke instanties.
- § 6.
Het bepaalde in de §§ 4 en 5 is van overeenkomstige toepassing in geval van overplaatsing naar een andere afdeling van dezelfde rechterlijke instantie.’
14
Artikel 17, § 1, van de ustawa roku o zmianie ustawy — Prawo o ustroju sądów powszechnych oraz niektórych innych ustaw (wet tot wijziging van de wet betreffende de gewone rechterlijke instanties) van 12 juli 2017 (Dz. U. 2017, volgnr. 1452) bepaalt:
‘De presidenten en vicepresidenten van de rechterlijke instanties die zijn benoemd op basis van de wet zoals gewijzigd bij artikel 1, in de tot op heden geldende versie, kunnen door de minister van Justitie binnen een termijn van ten hoogste zes maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet van hun ambt worden ontheven, zonder dat de vereisten van artikel 27 van de bij artikel 1 gewijzigde wet, zoals gewijzigd bij deze wet, in acht hoeven te worden genomen.’
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
15
De verzoeken om een prejudiciële beslissing zijn door dezelfde rechter ingediend in het kader van het onderzoek van twee afzonderlijke strafzaken.
16
Het hoofdgeding in zaak C-647/21 komt voort uit een strafprocedure tegen D. K. Bij beslissing van de rechter in eerste aanleg is D. K. veroordeeld tot een gevangenisstraf. Hij heeft tegen deze beslissing hoger beroep ingesteld bij de Sąd Okręgowy w Słupsku (rechterlijke instantie in eerste en tweede aanleg Słupsk, Polen), de verwijzende rechterlijke instantie. In deze zaak is de alleensprekende rechter — degene die de twee onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing heeft toegezonden — zowel rechter-rapporteur als voorzitster van de rechtsprekende formatie.
17
Het hoofdgeding in zaak C-648/21 komt voort uit een strafzaak tegen M. C. en M. F., die bij beslissing van een rechter in eerste aanleg zijn veroordeeld. De rechterlijke instantie in tweede aanleg waarbij laatstgenoemden hoger beroep hebben ingesteld, heeft M. C. vrijgesproken en de veroordeling van M. F. bevestigd. De Prokurator Generalny (procureur-generaal, Polen) heeft tegen de beslissing van de rechterlijke instantie in tweede aanleg ten aanzien van M. C. cassatieberoep ingesteld bij de Sąd NajwyŻszy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen). De Sąd NajwyŻszy heeft deze beslissing vernietigd en de zaak terugverwezen naar de Sąd Okręgowy w Słupsku, de verwijzende rechterlijke instantie. In deze zaak zetelt de rechtsprekende formatie in een meervoudige kamer van drie rechters, te weten de voorzitster van de formatie, de president van de verwijzende rechterlijke instantie en een derde rechter. Het verzoek om een prejudiciële beslissing is ingediend door alleen de voorzitster van de formatie, die ook de rechter is in zaak C-647/21.
18
In september 2021 heeft de rechter die de onderhavige twee verzoeken om een prejudiciële beslissing heeft ingediend, uitspraak gedaan in een procedure die geen verband houdt met de hoofdgedingen, waarbij zij de president van de afdeling voor hoger beroep van de Sąd Okręgowy w Słupsku heeft verzocht om een zaak opnieuw toe te wijzen aan een andere rechter, dan wel om, in de rechtsprekende formatie in die procedure, de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku te vervangen door een andere rechter. Zij heeft dit verzoek gemotiveerd door het feit dat de president van de verwijzende rechterlijke instantie in zijn ambt was benoemd op basis van een resolutie van de KRS in zijn nieuwe samenstelling. De aanwezigheid van een dergelijke rechter in de rechtsprekende formatie schendt daarmee het recht op een gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de zin van artikel 19, lid 1, VEU, artikel 47 van het Handvest en artikel 6 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De vicepresident van de verwijzende rechterlijke instantie, die zelf ook is benoemd op voorstel van de KRS in zijn nieuwe samenstelling, heeft de uitspraak houdende dat verzoek van die rechter vernietigd.
19
In oktober 2021 heeft die rechter in een andere zaak een vonnis van een rechterlijke instantie in eerste aanleg vernietigd dat was gewezen door iemand die tot rechter was benoemd krachtens een resolutie van de KRS in zijn nieuwe samenstelling. Zij heeft haar vernietigingsbeslissing met name gestoeld op artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest.
20
Op 11 oktober 2021 heeft het college van de Sąd Okręgowy w Słupsku, samengesteld uit de president van deze rechterlijke instantie en de presidenten van de vijf sądy rejonowe binnen het ressort van de Sąd Okręgowy w Słupsku, een resolutie vastgesteld met als doel om ongeveer zeventig zaken die binnen de zesde afdeling voor de behandeling van strafzaken in hoger beroep, met inbegrip van de hoofdgedingen, waren toegewezen aan de rechter die de twee onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing had ingediend, aan haar te onttrekken (hierna: ‘resolutie van het college’). Volgens deze rechter is die resolutie niet aan haar betekend en is zij niet in kennis gesteld van de motivering ervan. Zij wijst erop dat de president van de verwijzende rechterlijke instantie haar er enkel van in kennis heeft gesteld dat deze zaken niet langer door haar werden behandeld. Zij voegt daaraan toe dat deze president tweemaal heeft geweigerd haar verzoeken om inzage in die resolutie in te willigen.
21
Op 13 oktober 2021 heeft de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku een beschikking gegeven tot overplaatsing van die rechter van de afdeling voor hoger beroep van deze rechterlijke instantie, waarbij de hoofdgedingen aanhangig zijn, naar de afdeling voor zaken in eerste aanleg (hierna: ‘overplaatsingsbeschikking’). Een andere rechter is overgeplaatst om haar te vervangen en heeft zitting genomen in de afdeling voor hoger beroep.
22
Volgens de verwijzende rechterlijke instantie wordt in de motivering van de overplaatsingsbeschikking slechts de noodzaak om de goede werking van de twee afdelingen te verzekeren aangestipt. Deze beschikking verwijst tevens naar een niet nader gespecificeerde briefwisseling tussen de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku en de president van een van deze afdelingen.
23
Op 18 oktober 2021 is de overplaatsingsbeschikking van kracht geworden. Deze beschikking bevat geen informatie over eventuele rechtsmiddelen.
24
In die omstandigheden wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of de rechter die de twee onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing heeft ingediend, kan aanblijven als alleensprekende rechter in het hoofdgeding in zaak C-647/21 en als voorzitster van de rechtsprekende formatie in het hoofdgeding in zaak C-648/21.
25
Volgens deze rechter wordt zij, gelet op de in de punten 18 tot en met 23 van het onderhavige arrest uiteengezette omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de zaken waarin zij rapporteur was, met inbegrip van de hoofdgedingen, aan haar zijn onttrokken, geconfronteerd met de noodzaak om te beslissen op de vraag of dergelijke handelingen strijdig zijn met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest. Indien dat het geval is, wenst die rechter te vernemen of zij de resolutie van het college en de andere daaropvolgende handelingen, zoals het besluit waarbij de aanvankelijk aan haar toegewezen zaken, daaronder begrepen de hoofdgedingen, aan een andere rechter zijn overgedragen, moet negeren.
26
Volgens de verwijzende rechterlijke instantie zijn het feit dat de rechter die de twee onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing heeft ingediend, niet langer belast is met de behandeling van de haar toevertrouwde zaken alsmede haar overplaatsing in strijd met de vereisten van onafhankelijkheid en onafzetbaarheid. Daarenboven zijn de maatregelen jegens deze rechter genomen als reactie op haar pogingen na te gaan of de rechterlijke instantie in eerste aanleg voldeed aan het vereiste van een bij wet ingesteld gerecht, en hebben zij tot doel toekomstige pogingen in die zin te voorkomen.
27
In die omstandigheden heeft de Sąd Okręgowy w Słupsku de tenuitvoerlegging van de resolutie van het college opgeschort, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof in elk van de hoofdgedingen de volgende prejudiciële vragen gesteld:
- ‘1)
Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als artikel 47b, §§ 5 en 6, gelezen in samenhang met artikel 30, § 1, en artikel 24, § 1, van [de wet betreffende de gewone rechterlijke instanties], op grond waarvan een orgaan van een nationale rechterlijke instantie, zoals het college van een rechterlijke instantie, de bevoegdheid heeft een rechter van die rechterlijke instantie geheel of gedeeltelijk te ontheffen van zijn taak om de hem toegewezen zaken te behandelen, wanneer:
- a)
dat college van rechtswege bestaat uit de presidenten van rechterlijke instanties die in die functies zijn benoemd door een orgaan van de uitvoerende macht, zoals de minister van Justitie, die tegelijkertijd procureur-generaal is;
- b)
de rechter zonder zijn instemming van de behandeling van de hem toegewezen zaken wordt ontheven;
- c)
het nationale recht niet voorziet in criteria die het college van de rechterlijke instantie moet hanteren wanneer het een rechter ontheft van zijn taak om de hem toegewezen zaken te behandelen, noch in de verplichting tot motivering en rechterlijke toetsing van een dergelijke ontheffing;
- d)
sommige leden van het college van de rechterlijke instantie zijn benoemd tot rechter in omstandigheden die analoog zijn aan de omstandigheden genoemd in het arrest van het Hof van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters), C-791/19, EU:C:2021:596?
- 2)
Moeten de in de eerste vraag genoemde bepalingen en het beginsel van voorrang [van het Unierecht] aldus worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie die een zaak behandelt in het kader van een binnen de werkingssfeer van [richtlijn (EU) 2016/343 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1)] vallende strafprocedure, waarvan de behandeling op de in de eerste vraag omschreven wijze is onttrokken aan een rechter, alsook ieder overheidsorgaan de handeling van het college van de rechterlijke instantie en andere daaropvolgende handelingen, zoals beschikkingen waarbij zaken, [de hoofdgedingen] daaronder begrepen, buiten de rechter die van zijn taak is ontheven om opnieuw te worden toegewezen, buiten toepassing kan (of moet) laten, zodat deze rechter kan blijven deelnemen in de rechtsprekende formatie die de zaak behandelt?
- 3)
Moeten de in de eerste vraag genoemde bepalingen en het beginsel van voorrang [van het Unierecht] aldus worden uitgelegd dat zij vereisen dat er in de nationale rechtsorde, in het kader van een binnen de werkingssfeer van richtlijn 2016/343 vallende strafprocedure, middelen bestaan die procesdeelnemers, zoals de verdachten in de hoofdgedingen, de mogelijkheid bieden van toetsing van en beroep tegen beslissingen als bedoeld in de [eerste vraag], die ertoe strekken de samenstelling van de in het hoofdgeding rechtsprekende formatie te wijzigen en dientengevolge de rechter aan wie de zaak tot dusver was toegewezen op de in de eerste vraag omschreven wijze te ontheffen van zijn taak om er kennis van te nemen?’
Procedure bij het Hof
Voeging van de zaken
28
Bij beslissing van de president van het Hof van 29 november 2021 zijn de zaken C-647/21 en C-648/21 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsmede voor het arrest.
Verzoeken om toepassing van de versnelde procedure
29
De verwijzende rechterlijke instantie heeft verzocht om de onderhavige prejudiciële verwijzingen te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Ter ondersteuning van deze verzoeken heeft zij in wezen aangevoerd dat er reden was voor toepassing van deze procedure omdat de prejudiciële vragen betrekking hebben op fundamentele vragen van Pools recht, en dan met name constitutioneel recht, te weten het beginsel van onafzetbaarheid van rechters en het recht van procespartijen op een onpartijdig en onafhankelijk gerecht dat bij wet is ingesteld. Zij heeft daaraan toegevoegd dat er gegronde redenen waren om aan te nemen dat de redenen om vragen aan het Hof voor te leggen door de vaststelling van andere handelingen in de hoofdgedingen zouden wegvallen en dat de uitvoering van de antwoorden van het Hof zou kunnen worden belemmerd, waardoor de waarborging van de doeltreffendheid van het Unierecht en een effectieve rechterlijke bescherming zouden worden belet.
30
Volgens artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering kan de president van het Hof op verzoek van de verwijzende rechter, of bij wijze van uitzondering ambtshalve, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, beslissen om een prejudiciële verwijzing te behandelen volgens een versnelde procedure wanneer de aard van de zaak een behandeling binnen een korte termijn vereist.
31
Er zij aan herinnerd dat een dergelijke versnelde procedure een procedureel instrument betreft dat is bedoeld om buitengewoon spoedeisende situaties te behandelen (arrest van 21 december 2021, Randstad Italia, C-497/20, EU:C:2021:1037, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
32
In casu heeft de president van het Hof op 29 november 2021, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, beslist dat de verzoeken om de onderhavige prejudiciële verwijzingen volgens een versnelde procedure te behandelen, niet hoefden te worden ingewilligd. De argumenten die de verwijzende rechterlijke instantie ter rechtvaardiging van deze verzoeken aanvoert, zijn namelijk van algemene aard en geven geen specifieke redenen aan die de behandeling van deze prejudiciële verwijzingen binnen korte termijnen rechtvaardigen. Meer bepaald is de omstandigheid dat de gestelde vragen betrekking hebben op fundamentele kwesties van Pools recht en met name van constitutioneel recht niet kenmerkend voor een buitengewone noodsituatie, hetgeen een noodzakelijke voorwaarde is om een versnelde behandeling te rechtvaardigen. Tot slot rechtvaardigt het feit dat de hoofdgedingen onder het strafrecht vallen op zich niet dat zij versneld worden behandeld.
Schorsing van de behandeling van de zaken en verzoeken om verduidelijking
33
Op 18 oktober 2022 heeft het Hof de behandeling van de gevoegde zaken C-647/21 en C-648/21 geschorst in afwachting van zijn arrest in de gevoegde zaken C-615/20 en C-671/20. Op 20 juli 2023 heeft het Hof de verwijzende rechterlijke instantie in kennis gesteld van het arrest van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter) (C-615/20 en C-671/20, EU:C:2023:562), en haar verzocht mee te delen of zij haar verzoeken om een prejudiciële beslissing in de gevoegde zaken C-647/21 en C-648/21 wenste te handhaven.
34
Op instructie van de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku heeft de rechter die de onderhavige twee verzoeken om een prejudiciële beslissing heeft ingediend, op 25 september 2023 geantwoord dat de verwijzende rechterlijke instantie haar verzoeken om een prejudiciële beslissing wenste te handhaven.
35
Daar dit antwoord op enkele punten dubbelzinnig was, heeft het Hof deze rechterlijke instantie een tweede verzoek om verduidelijking krachtens artikel 101, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering toegezonden. Het Hof heeft met name gevraagd of de rechter die de twee onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing heeft ingediend, nog steeds zitting had in de rechtsprekende formaties die de hoofdgedingen behandelen die tot de prejudiciële verwijzingen in de gevoegde zaken C-647/21 en C-648/21 hebben geleid, en zo ja, in welke hoedanigheid. De verwijzende rechterlijke instantie heeft dit verzoek op 17 oktober 2023 beantwoord via de rechter die deze verzoeken had ingediend.
Bevoegdheid van het Hof
36
De Deense regering en de Europese Commissie betogen in wezen dat artikel 47 van het Handvest niet op de hoofdgedingen van toepassing is. De Commissie merkt in het bijzonder op dat de verzoeken om een prejudiciële beslissing, met name de bewoordingen van de vragen die door de verwijzende rechterlijke instantie zijn gesteld, weliswaar verwijzen naar richtlijn 2016/343, maar dat niet om uitlegging van deze richtlijn wordt verzocht.
37
In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat het Hof in het kader van een prejudiciële verwijzing krachtens artikel 267 VWEU het Unierecht enkel binnen de grenzen van zijn bevoegdheden kan uitleggen (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C-554/21, C-622/21 en C-727/21, EU:C:2024:594, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
38
Wat de handelingen van de lidstaten betreft, wordt het toepassingsgebied van het Handvest omschreven in artikel 51, lid 1, daarvan, waarin is vastgesteld dat de bepalingen van het Handvest tot de lidstaten zijn gericht wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Die bepaling bevestigt de vaste rechtspraak volgens welke de in de rechtsorde van de Unie gewaarborgde grondrechten toepassing vinden in alle situaties die door het Unierecht worden beheerst, maar niet daarbuiten (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C-554/21, C-622/21 en C-727/21, EU:C:2024:594, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
39
In casu heeft de verwijzende rechterlijke instantie, wat betreft de uitlegging van artikel 47 van het Handvest, geen enkele aanwijzing gegeven dat de hoofdgedingen betrekking hebben op de uitlegging of de toepassing van een Unierechtelijke regel die op nationaal niveau ten uitvoer wordt gelegd. Hoewel de tweede prejudiciële vragen verwijzen naar richtlijn 2016/343, zijn deze vragen namelijk niet gesteld in het licht van de bepalingen van deze richtlijn, en de verwijzende rechterlijke instantie geeft geen enkele uitleg over het verband tussen die richtlijn en deze zaken.
40
Het Hof is in de onderhavige zaken dan ook niet bevoegd om artikel 47 van het Handvest als zodanig uit te leggen.
41
Voorts voeren de Prokuratura Rejonowa w Bytowie (arrondissementsparket Bytów, Polen) en de Prokuratura Okręgowa w ŁomŻy (regionaal parket ŁomŻa, Polen) in wezen aan dat kwesties in verband met de rechterlijke organisatie van de lidstaten, zoals die welke in de gestelde vragen worden opgeworpen, in het bijzonder met betrekking tot de onttrekking van een rechter van de taak om de hem toegewezen zaken te behandelen, onder de uitsluitende bevoegdheid van de lidstaten vallen en niet binnen de materiële werkingssfeer van het Unierecht. De Poolse regering heeft ter terechtzitting daarentegen verklaard dat het Hof volgens haar bevoegd is om de prejudiciële vragen te beantwoorden.
42
In dit verband volgt uit vaste rechtspraak dat de rechterlijke organisatie in de lidstaten weliswaar onder hun bevoegdheid valt, maar dat dit niet wegneemt dat de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid de verplichtingen in acht moeten nemen die voor hen voortvloeien uit het Unierecht, hetgeen met name het geval kan zijn wat betreft nationale regels inzake de vaststelling van besluiten tot benoeming van rechters en, waar van toepassing, voorschriften aangaande het rechterlijk toezicht dat bij dergelijke benoemingsprocedures geldt [arrest van 9 januari 2024, G. e.a. (Benoeming van rechters in de gewone rechterlijke instanties in Polen), C-181/21 en C-269/21, EU:C:2024:1, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
43
Daarenboven blijkt duidelijk uit de bewoordingen van de gestelde vragen dat zij geen betrekking hebben op de uitlegging van het Poolse recht, maar met name op de uitlegging van artikel 19, lid 1, VEU.
44
Hieruit volgt dat het Hof bevoegd is om zich uit te spreken over de verzoeken om een prejudiciële beslissing, maar niet om artikel 47 van het Handvest als zodanig uit te leggen.
Ontvankelijkheid van de verzoeken om een prejudiciële beslissing
45
De Prokuratura Rejonowa w Bytowie en de Prokuratura Okręgowa w ŁomŻy betwisten de ontvankelijkheid van de verzoeken om een prejudiciële beslissing. Zij voeren in de eerste plaats aan dat de verwijzende rechter deze verzoeken heeft ingediend nadat het college zijn resolutie had vastgesteld, dus op een datum waarop deze rechter naar aanleiding van die resolutie de zaken in de hoofdgedingen niet langer onder zich had en niet langer bevoegd was om die beslissingen vast te stellen. In de tweede plaats wijzen zij erop dat de prejudiciële vragen betrekking hebben op de individuele situatie van de verwijzende rechter en dat deze vragen derhalve van persoonlijke aard zijn. In de derde plaats betogen zij dat de verzoeken om een prejudiciële beslissing niet voldoen aan de vereisten van artikel 94, onder a) en b), van het Reglement voor de procesvoering. Ter terechtzitting heeft de Poolse regering dan weer verklaard dat deze verzoeken wel ontvankelijk waren.
46
De Commissie betoogt verder dat de derde prejudiciële vragen niet-ontvankelijk zijn omdat de vraag of er voor de verdachte in de hoofdgedingen mogelijk een doeltreffende voorziening in rechte bestaat, noch in limine litis rijst als een preliminaire vraag noch noodzakelijk is voor de beslechting van die zaken.
47
In dit verband moet eraan worden herinnerd dat het volgens vaste rechtspraak van het Hof in het kader van de in artikel 267 VWEU geregelde samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties uitsluitend de taak is van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt, om, rekening houdend met de bijzonderheden van de zaak, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Wanneer de gestelde vragen betrekking hebben op de uitlegging van het Unierecht, is het Hof derhalve in beginsel verplicht daarop te antwoorden [arrest van 24 november 2020, Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte), C-510/19, EU:C:2020:953, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
48
Zoals volgt uit de bewoordingen van artikel 267 VWEU moet de gevraagde prejudiciële beslissing voor de verwijzende rechterlijke instantie ‘noodzakelijk’ zijn ‘voor het wijzen van haar vonnis’ in de bij haar aanhangige zaak (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C-554/21, C-622/21 en C-727/21, EU:C:2024:594, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
49
Het Hof heeft in dat verband reeds benadrukt dat een antwoord op prejudiciële vragen noodzakelijk kan zijn om verwijzende rechterlijke instanties een uitlegging van het Unierecht te verschaffen die hen in staat stelt om procedurele vragen van nationaal recht te beslechten alvorens ten gronde uitspraak te kunnen doen in de bij hen aanhangige gedingen (arrest van 16 november 2021, Prokuratura Rejonowa w Mińsku Mazowieckim e.a., C-748/19—C-754/19, EU:C:2021:931, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
50
Wat betreft de eerste grief van niet-ontvankelijkheid, die eraan is ontleend dat de betrokken rechter deze verzoeken om een prejudiciële beslissing heeft ingediend toen zij de hoofdgedingen niet langer onder zich had, moet worden vastgesteld dat, ten eerste, uit het dossier waarover het Hof beschikt blijkt dat de hoofdgedingen bij haar aanhangig waren op de datum waarop deze verzoeken om een prejudiciële beslissing bij het Hof zijn ingediend, te weten 20 oktober 2021, en, ten tweede, de verwijzende rechterlijke instantie die verzoeken om een prejudiciële beslissing niet heeft ingetrokken nadat die rechter niet langer verantwoordelijk was voor de behandeling van de zaken in de hoofdgedingen.
51
In haar antwoord op het tweede verzoek om verduidelijking van het Hof heeft de verwijzende rechterlijke instantie namelijk bevestigd dat de betrokken rechter, op de datum waarop de verwijzingsbeslissingen zijn vastgesteld, te weten 20 oktober 2021, respectievelijk de rechter-rapporteur en de voorzitster van de rechtsprekende formatie in de twee hoofdgedingen was. De rechterlijke instantie heeft mede aangegeven dat de procedure die aan de prejudiciële verwijzing in zaak C-648/21 ten grondslag lag, bij beschikking van 21 oktober 2021, dus nadat die verwijzingsbeslissingen waren vastgesteld, is toegewezen aan een andere rechter-rapporteur, die voorheen zitting had in de formatie van drie rechters die deze procedure in behandeling moest nemen, en dat de samenstelling van de enkelvoudige kamer in de procedure die aan de prejudiciële verwijzing in zaak C-647/21 ten grondslag lag, ook op 21 oktober 2021 is gewijzigd. Deze rechterlijke instantie heeft bovendien bevestigd dat de behandeling van deze twee procedures ten gevolge van de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing was en nog steeds is geschorst.
52
Wat betreft de tweede grief van niet-ontvankelijkheid, die eraan is ontleend dat de prejudiciële vragen in wezen betrekking hebben op de individuele situatie van de rechter die de twee onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing heeft ingediend en dus geen verband houden met de hoofdgedingen, moet worden opgemerkt dat de verwijzende rechterlijke instantie in de context van de hoofdgedingen wordt geconfronteerd met procedurele vragen die zij in limine litis dient te beantwoorden en waarvan de beslechting afhangt van de uitlegging van de bepalingen en de beginselen van het Unierecht waarop deze prejudiciële vragen betrekking hebben. Deze prejudiciële vragen strekken er namelijk in wezen toe vast te stellen of deze rechter, gelet op die bepalingen en beginselen van het Unierecht, het onderzoek van de hoofdgedingen kan voortzetten ondanks de resolutie van het college waarbij deze zaken aan haar zijn onttrokken.
53
Zoals blijkt uit de rechtspraak van het Hof, zijn prejudiciële vragen die ertoe strekken een verwijzende rechterlijke instantie in staat te stellen om in limine litis uitspraak te doen over procedurele moeilijkheden, zoals die welke verband houden met haar eigen bevoegdheid om kennis te nemen van een bij haar aanhangige zaak of met de rechtsgevolgen die al dan niet moeten worden verbonden aan een rechterlijke beslissing die eraan in de weg kan staan dat het onderzoek van een dergelijke zaak door die rechterlijke instantie wordt voortgezet, krachtens artikel 267 VWEU ontvankelijk [arrest van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter), C-615/20 en C-671/20, EU:C:2023:562, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
54
Wat betreft de derde grief van niet-ontvankelijkheid, volgens welke de verzoeken om een prejudiciële beslissing niet voldoen aan de vereisten van artikel 94, onder a) en b), van het Reglement voor de procesvoering, volstaat het op te merken dat, zoals blijkt uit de punten 6 tot en met 14 respectievelijk 15 tot en met 26 van het onderhavige arrest, deze verzoeken om een prejudiciële beslissing, zoals zij door de verwijzende rechterlijke instantie zijn verduidelijkt in haar antwoord op de twee verzoeken om verduidelijking van het Hof, met betrekking tot een deel van de eerste vragen en de tweede vragen alle door dat artikel 94, onder a) en b), vereiste informatie bevatten, met name de inhoud van de nationale bepalingen die in casu van toepassing kunnen zijn, een uiteenzetting van de redenen waarom de verwijzende rechterlijke instantie twijfelt over de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en het verband dat deze rechterlijke instantie legt tussen die bepaling en de aangevoerde nationale regels, zodat het Hof de prejudiciële vragen kan beantwoorden.
55
Met betrekking tot het deel van de eerste vragen dat betrekking heeft op de samenstelling van het college van een rechterlijke instantie, namelijk het feit dat de minister van Justitie, die tevens de procureur-generaal is, bevoegd is voor de benoeming van de presidenten van de sądy rejonowe die het college van een sąd okręgowy vormen, en voorts het feit dat sommige leden van het college tot rechter zijn benoemd op voordracht van de onvoldoende waarborgen voor onafhankelijkheid biedende KRS in zijn nieuwe samenstelling, zij eraan herinnerd dat, aangezien de verwijzingsbeslissing als grondslag dient voor de procedure van artikel 267 VWEU, de nationale rechterlijke instantie in die verwijzingsbeslissing zelf het feitelijke en juridische kader van het hoofdgeding moet toelichten en de nodige toelichting moet geven over de redenen voor de keuze van de Unierechtelijke bepalingen waarvan zij om uitlegging verzoekt en over het verband dat zij ziet tussen die bepalingen en de nationale wettelijke regeling die van toepassing is op het bij haar aanhangige geding [zie in die zin arrest van 4 juni 2020, C.F. (Belastingcontrole), C-430/19, EU:C:2020:429, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
56
Afgezien van enkele beperkte toelichtingen op de samenstelling van het college van een rechterlijke instantie, wordt in de verwijzingsbeslissingen in casu het nationale rechtskader voor de benoeming van de leden van dat college evenwel onvoldoende verduidelijkt. In die beslissingen wordt evenmin toegelicht waarom het Hof een antwoord moet geven op het deel van de eerste vragen dat betrekking heeft op de samenstelling van het college van een rechterlijke instantie. In die omstandigheden beschikt het Hof niet over voldoende gegevens om dit deel van de eerste vragen nuttig te kunnen beantwoorden, zodat de verzoeken om een prejudiciële beslissing in zoverre niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 94, onder a) en b), van het Reglement voor de procesvoering.
57
Met betrekking tot de derde prejudiciële vragen, waarmee de verwijzende rechterlijke instantie wenst te vernemen of de beklaagden in de hoofdgedingen over een mogelijk daadwerkelijk rechtsmiddel beschikken, moet worden vastgesteld dat deze vragen geen preliminaire vragen zijn die in limine litis rijzen en evenmin noodzakelijk zijn voor de beslechting van de hoofdgedingen. Meer bepaald komt uit het dossier waarover het Hof beschikt niet naar voren of ten principale de vraag rijst of de beklaagden de regelmatigheid van de rechtsprekende formatie die kennis moet nemen van hun zaken, kunnen betwisten.
58
Gelet op een en ander moet worden vastgesteld dat de verzoeken om een prejudiciële beslissing ontvankelijk zijn, met uitzondering van het deel van de eerste vragen dat betrekking heeft op de samenstelling van het college van een rechterlijke instantie alsmede van de derde prejudiciële vragen.
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste vragen
59
Vooraf moet allereerst worden opgemerkt dat de verwijzende rechterlijke instantie met haar eerste prejudiciële vragen weliswaar formeel wenst te vernemen of het met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU verenigbaar is dat een orgaan van een nationale rechterlijke instantie, zoals het college ervan, bevoegd is om een deel van of alle zaken die aan een rechter van die rechterlijke instantie zijn toegewezen aan hem te onttrekken, maar dat uit het dossier waarover het Hof beschikt blijkt dat deze eerste vragen hoofdzakelijk betrekking hebben op de nationale regeling die de procedure regelt volgens welke zaken aan een rechter kunnen worden onttrokken.
60
Zelfs al is de overplaatsing van de rechter die de twee onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing heeft ingediend, van de afdeling voor hoger beroep van de verwijzende rechterlijke instantie waarbij de hoofdgedingen aanhangig zijn naar de afdeling in eerste aanleg van die rechterlijke instantie, een belangrijk element waarmee rekening moet worden gehouden om de situatie die door de verwijzende rechterlijke instantie in haar vragen wordt bedoeld te begrijpen, kan uit datzelfde dossier daarentegen niet worden afgeleid dat de eerste vragen aldus moeten worden opgevat dat zij ook betrekking hebben op de verenigbaarheid van een besluit tot overplaatsing of, meer in het algemeen, van een regeling van de overplaatsingsprocedure, zoals die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU.
61
Gelet op deze vaststellingen moet worden geoordeeld dat de verwijzende rechterlijke instantie met haar eerste vragen in wezen wenst te vernemen of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een orgaan van een nationale rechterlijke instantie, zoals het college ervan, een deel van of alle aan een rechter toegewezen zaken aan hem kan onttrekken, zonder dat deze regeling de criteria vastlegt die dit orgaan bij het nemen van een dergelijk onttrekkingsbesluit moeten leiden, de verplichting oplegt om dat besluit te motiveren en voorziet in de mogelijkheid om dat besluit door de rechter te laten toetsen.
62
In dit verband zij eraan herinnerd dat de rechterlijke organisatie in de lidstaten — met name de invoering, de samenstelling, de bevoegdheden en de werking van de nationale rechterlijke instanties — weliswaar tot de eigen bevoegdheid van die lidstaten behoort, maar dat deze bij de uitoefening van deze bevoegdheid de verplichtingen moeten nakomen die voor hen voortvloeien uit het Unierecht en in het bijzonder uit artikel 19 VEU (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C-554/21, C-622/21 en C-727/21, EU:C:2024:594, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
63
Het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming, waarnaar artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU verwijst, is een algemeen beginsel van Unierecht dat is neergelegd in met name artikel 6, lid 1, EVRM, waarmee artikel 47, tweede alinea, van het Handvest overeenstemt. Laatstgenoemde bepaling moet dus naar behoren in aanmerking worden genomen bij de uitlegging van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C-554/21, C-622/21 en C-727/21, EU:C:2024:594, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
64
Voorts beoogt artikel 52, lid 3, van het Handvest, voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het EVRM, te zorgen voor de nodige samenhang tussen de in het Handvest vervatte en de daarmee corresponderende, door het EVRM gewaarborgde rechten, zonder de autonomie van het Unierecht aan te tasten. Volgens de toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten (PB 2007, C 303, blz. 17) correspondeert artikel 47, tweede alinea, van het Handvest met artikel 6, lid 1, EVRM. Derhalve dient het Hof erop toe te zien dat de uitlegging die het in de onderhavige zaken geeft, zodanig is dat het daardoor geboden beschermingsniveau niet in strijd komt met het niveau dat wordt geboden door artikel 6, lid 1, EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C-554/21, C-622/21 en C-727/21, EU:C:2024:594, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
65
Na deze precisering zij er, in de eerste plaats, aan herinnerd dat elke lidstaat krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, moet verzekeren dat de instanties die als ‘rechterlijke instantie’ in de zin van het Unierecht geroepen zijn om te oordelen over de toepassing of de uitlegging van dit recht en die dus deel uitmaken van zijn stelsel van beroepsmogelijkheden op de onder het Unierecht vallende gebieden, voldoen aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming, waaronder dat van onafhankelijkheid (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C-554/21, C-622/21 en C-727/21, EU:C:2024:594, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
66
Dit vereiste van onafhankelijkheid van rechterlijke instanties, dat onlosmakelijk verbonden is met de taak van de rechter, behoort tot de kern van het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming en het grondrecht op een eerlijk proces, die van het grootste belang zijn als waarborg voor de bescherming van alle door de justitiabelen aan het Unierecht ontleende rechten en tevens voor het behoud van de in artikel 2 VEU verankerde waarden die de lidstaten gemeen hebben en met name die van de rechtsstaat (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C-554/21, C-622/21 en C-727/21, EU:C:2024:594, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
67
Het genoemde vereiste van onafhankelijkheid heeft twee aspecten. Het eerste, externe, aspect vereist dat de betrokken instantie haar taken volledig autonoom uitoefent, zonder enig hiërarchisch verband en zonder aan wie dan ook ondergeschikt te zijn of van waar dan ook bevelen of instructies te ontvangen, en aldus beschermd is tegen inmenging of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van haar leden in gevaar zou kunnen brengen en van invloed zou kunnen zijn op hun beslissingen. Het tweede, interne, aspect sluit aan bij het begrip ‘onpartijdigheid’ en heeft betrekking op het houden van gelijke afstand ten opzichte van de partijen bij het geding en hun respectieve belangen met betrekking tot het voorwerp van het geding. Voor dit aspect is het nodig dat objectiviteit in acht wordt genomen en dat elk belang bij de oplossing van het geschil, buiten de strikte toepassing van de rechtsregel, ontbreekt (arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C-554/21, C-622/21 en C-727/21, EU:C:2024:594, punten 50 en 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
68
Hoewel het ‘externe’ aspect van de onafhankelijkheid voornamelijk bedoeld is om de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties ten opzichte van de wetgevende en de uitvoerende macht te bewaren overeenkomstig het beginsel van de scheiding der machten dat kenmerkend is voor de werking van een rechtsstaat, beoogt dat aspect ook de rechters te beschermen tegen ongepaste beïnvloeding vanuit de betrokken rechterlijke instantie (zie in die zin arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C-554/21, C-622/21 en C-727/21, EU:C:2024:594, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
69
Ook moet worden onderstreept dat de uitoefening van de rechtsprekende taak niet alleen gevrijwaard moet zijn tegen elke rechtstreekse beïnvloeding, in de vorm van instructies, maar ook tegen meer indirecte vormen van beïnvloeding die rechterlijke beslissingen zouden kunnen sturen [zie in die zin arresten van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C-554/21, C-622/21 en C-727/21, EU:C:2024:594, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 14 november 2024, S. (Wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formatie), C-197/23, EU:C:2024:956, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
70
Voor deze waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn regels nodig, onder andere met betrekking tot de samenstelling van het betrokken orgaan, die geschikt moeten zijn om bij de justitiabelen elke legitieme twijfel weg te nemen over de vraag of dit orgaan zich niet laat beïnvloeden door externe factoren en onpartijdig is ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen (zie in die zin arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C-554/21, C-622/21 en C-727/21, EU:C:2024:594, punt 52).
71
Overigens heeft ook het Europees Hof voor de Rechten van de Mens benadrukt dat het fundamentele belang van met name rechterlijke onafhankelijkheid en rechtszekerheid voor de rechtsstaat een bijzondere duidelijkheid van de in elk geval toegepaste regels en duidelijke waarborgen vereist om te zorgen voor objectiviteit en transparantie en bovenal om elke schijn van willekeur bij de toewijzing van specifieke zaken aan rechters te vermijden (EHRM, 5 oktober 2010, DMD GROUP, a.s. tegen Slowakije, CE:ECHR:2010:1005JUD001933403, § 66).
72
In de tweede plaats vereist artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU ook dat er sprake is van een gerecht ‘dat vooraf bij wet is ingesteld’, gelet op het onlosmakelijke verband tussen de toegang tot een dergelijk gerecht en de waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van rechters [zie in die zin arresten van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C-554/21, C-622/21 en C-727/21, EU:C:2024:594, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 14 november 2024, S. (Wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formatie), C-197/23, EU:C:2024:956, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
73
De — ook in artikel 47, tweede alinea, van het Handvest opgenomen — verwijzing naar een ‘gerecht dat bij wet is ingesteld’ is met name een afspiegeling van het beginsel van de rechtsstaat en heeft niet alleen betrekking op de rechtsgrondslag voor het bestaan van dat gerecht zelf, maar ook op de samenstelling van de rechtsprekende formatie in elke zaak en op alle overige nationaalrechtelijke bepalingen waarvan de niet-inachtneming meebrengt dat de deelname van een of meerdere rechters aan de behandeling van de zaak onrechtmatig is (zie naar analogie arrest van 29 maart 2022, Getin Noble Bank, C-132/20, EU:C:2022:235, punt 121 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
74
De regels voor de toewijzing en de hertoewijzing van zaken maken dus deel uit van het begrip gerecht dat ‘vooraf bij wet is ingesteld’, dat niet alleen vereist dat er sprake is van een rechtsgrondslag voor het bestaan van het gerecht zelf, maar ook dat de samenstelling van de rechtsprekende formatie in elke zaak in acht wordt genomen en dat verdere bepalingen van nationaal recht bestaan waarvan de niet-inachtneming tot gevolg heeft dat de deelname van een of meer rechters aan het onderzoek van de zaak onregelmatig is.
75
Bijgevolg vereist artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU in dit verband ook dat de regels die de samenstelling van rechtsprekende formaties beheersen, elke ongerechtvaardigde inmenging uitsluiten in het besluitvormingsproces in een bepaalde zaak van personen die geen deel uitmaken van de rechtsprekende formatie die met die zaak is belast en voor wie de partijen hun argumenten niet hebben kunnen aanvoeren (zie in die zin arrest van 11 juli 2024 Hann-Invest e.a., C-554/21, C-622/21 en C-727/21, EU:C:2024:594, punt 59).
76
Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechterlijke instantie te verrichten verificaties blijkt in casu dat artikel 47b, § 1, van de wet betreffende de gewone rechterlijke instanties bepaalt dat de samenstelling van een rechterlijke instantie mag worden gewijzigd wanneer er ‘in [de huidige] samenstelling sprake is van een duurzaam beletsel voor de behandeling van de zaak’, zonder nadere verduidelijking. Hoewel § 4 van dat artikel 47b in wezen bepaalt dat een rechter ondanks zijn overplaatsing naar een andere plaats of zijn detachering bij een andere rechterlijke instantie verantwoordelijk blijft voor de behandeling van zaken die aan hem zijn toegewezen totdat die zaken zijn afgesloten, bepaalt § 5 van artikel 47b dat zijn zaken bij besluit van het college van de betrokken rechterlijke instantie aan hem kunnen worden onttrokken, zonder dat die bepaling daartoe criteria bevat. Overeenkomstig § 6 van dit artikel beschikt dit college ook over de mogelijkheid om zaken aan een rechter te onttrekken in het geval die rechter wordt overgeplaatst naar een andere afdeling, maar ook hier zonder dat aan deze mogelijkheid precieze criteria zijn verbonden.
77
Vastgesteld moet dus worden dat een nationale regeling als die welke in het vorige punt is beschreven, niet alleen geen objectieve criteria bevat voor de mogelijkheid om een of meer zaken aan een rechter te onttrekken, maar ook het college van de betrokken rechterlijke instantie de mogelijkheid biedt om zaken aan een rechter te onttrekken zonder een dergelijke beslissing te motiveren. De verwijzing naar het bestaan van een ‘duurzaam beletsel voor de behandeling van de zaak’ ‘in [de huidige] samenstelling’ is immers te vaag om te kunnen worden geacht elke willekeur bij de beslissing tot wijziging van een rechtsprekende formatie te kunnen voorkomen. Bovendien heeft de Poolse regering ter terechtzitting voor het Hof bevestigd dat het Poolse recht geen enkele verplichting oplegt om de onttrekking van zaken aan een rechter krachtens artikel 47b, §§ 5 en 6, van de wet betreffende de gewone rechterlijke instanties te motiveren.
78
Overigens blijkt, wat betreft de in het hoofdgeding aan de orde zijnde onttrekkingen, uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de resolutie van het college waarbij de zaken in de hoofdgedingen aan de betrokken rechter zijn onttrokken, niet is gemotiveerd.
79
Daarenboven lijkt deze resolutie van het college niet te kunnen worden gerechtvaardigd door de overplaatsingsbeschikking, waarbij de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku op 13 oktober 2021 krachtens artikel 22a, § 4, van de wet betreffende de gewone rechterlijke instanties heeft beslist om de rechter die de onderhavige verzoeken heeft ingediend, over te plaatsen naar een andere afdeling van dezelfde rechterlijke instantie.
80
Deze beschikking is namelijk ten eerste slechts summier onderbouwd door de noodzaak om ‘de goede werking te waarborgen van de zesde afdeling strafrecht in hogerberoepszaken en van de tweede afdeling strafrecht’ van de Sąd Okręgowy w Słupsku.
81
Ten tweede is de resolutie van het college twee dagen vóór de overplaatsingsbeschikking vastgesteld.
82
Overigens heeft het Hof met betrekking tot de onvrijwillige overplaatsing van een rechter naar een andere rechterlijke instantie of de onvrijwillige overplaatsing van een rechter tussen twee afdelingen van dezelfde rechterlijke instantie reeds geoordeeld dat dergelijke overplaatsingen een middel kunnen zijn om toezicht uit te oefenen op de inhoud van rechterlijke beslissingen, aangezien zij niet alleen van invloed kunnen zijn op de omvang van de bevoegdheden van de betrokken magistraten en de behandeling van de hun toevertrouwde dossiers, maar ook aanzienlijke gevolgen voor hun leven en loopbaan kunnen hebben en dus gevolgen kunnen meebrengen die vergelijkbaar zijn met die van een tuchtmaatregel [arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd NajwyŻszy — Benoeming), C-487/19, EU:C:2021:798, punt 115].
83
Evenzo kan de onttrekking aan een rechter van zaken die hij moet behandelen, zonder dat de betrokken nationale regeling objectieve criteria vaststelt waarmee een dergelijke onttrekkingsmogelijkheid kan worden afgebakend en — bovendien — zelfs zonder dat een dergelijk onttrekkingsbesluit hoeft te worden gemotiveerd, niet uitsluiten dat die onttrekking willekeurig is geweest of zelfs een verkapte tuchtmaatregel vormt. Dit is des te meer het geval wanneer een dergelijke onttrekking wordt gevolgd door de overplaatsing van de betrokken rechter naar een andere afdeling van dezelfde rechterlijke instantie.
84
Organisatorische maatregelen tot onttrekking als die welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, waarvan de uitvoering niet wordt geregeld door voldoende nauwkeurige criteria en waarvoor geen toereikende motiveringsplicht geldt, kunnen dus twijfels doen rijzen over de vraag of de onttrekking van zaken aan de betrokken rechter, gevolgd door overplaatsing, heeft plaatsgevonden in reactie op diens eerdere handelingen.
85
Om te voorkomen dat ruimte wordt gelaten voor willekeur die het gevolg zou kunnen zijn van een niet-transparante procedure en afbreuk zou kunnen doen aan de beginselen van onafhankelijkheid en onafzetbaarheid van rechters, is het dus van belang dat de nationale regels inzake de onttrekking van zaken voorzien in duidelijk omschreven objectieve criteria op grond waarvan zaken aan een rechter kunnen worden onttrokken, alsook in de verplichting om de onttrekkingsbesluiten te motiveren, met name wanneer de betrokken rechter niet met de onttrekking instemt, teneinde te waarborgen dat de onafhankelijkheid van de rechters niet in gevaar wordt gebracht door ongepaste externe invloeden.
86
Gelet op een en ander moet op de eerste prejudiciële vragen worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een orgaan van een nationale rechterlijke instantie, zoals het college van die rechterlijke instantie, een gedeelte van of alle zaken die aan een rechter van die rechterlijke instantie zijn toegewezen aan hem kan onttrekken, zonder dat deze regeling de criteria bevat die dit orgaan bij het nemen van een dergelijk onttrekkingsbesluit moeten leiden en verplicht om dat besluit te motiveren.
Tweede vragen
87
Met zijn tweede vragen wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus moeten worden uitgelegd dat zij een nationale rechterlijke instantie en elke andere autoriteit van de betrokken lidstaat verplichten om een resolutie van het college van die rechterlijke instantie waarbij de zaken die aan een rechter in die rechterlijke instantie waren toegewezen aan hem worden onttrokken alsmede de daaropvolgende handelingen, zoals de besluiten inzake de hertoewijzing van die zaken, buiten toepassing te laten wanneer die resolutie is vastgesteld in strijd met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU.
88
Dienaangaande moet in herinnering worden gebracht dat het beginsel van het primaat van het Unierecht inhoudt dat dit recht voorrang heeft op het recht van de lidstaten. Dit beginsel verplicht dus alle instanties van de lidstaten om volle werking te verlenen aan de verschillende normen van de Unie, aangezien het recht van de lidstaten niet kan afdoen aan de werking die op het grondgebied van die staten aan deze verschillende normen is verleend [arrest van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter), C-615/20 en C-671/20, EU:C:2023:562, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
89
Iedere nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid de bepalingen van het Unierecht moet toepassen, is volgens dat beginsel dan ook met name verplicht om de volle werking van de vereisten van het Unierecht te verzekeren in het geschil dat hem is voorgelegd, en dient daarbij zo nodig op eigen gezag elke nationale regeling of praktijk die in strijd is met een Unierechtelijke bepaling met rechtstreekse werking buiten toepassing te laten, zonder dat hij de voorafgaande opheffing van deze nationale regeling of praktijk via de wetgeving of enige andere constitutionele procedure hoeft te vragen of af te wachten [arrest van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter), C-615/20 en C-671/20, EU:C:2023:562, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
90
Het Hof heeft reeds voor recht verklaard dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, uitgelegd in het licht van artikel 47 van het Handvest, welke bepaling de lidstaten een duidelijke en nauwkeurige resultaatsverplichting oplegt waaraan geen enkele voorwaarde is verbonden met betrekking tot met name de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechterlijke instanties die gehouden zijn het Unierecht uit te leggen en toe te passen en met betrekking tot het vereiste dat die instanties vooraf bij wet zijn ingesteld, rechtstreekse werking heeft waardoor elke bepaling, rechtspraak of nationale praktijk die in strijd is met die bepalingen van het Unierecht, zoals deze worden uitgelegd door het Hof, buiten toepassing moeten worden gelaten [arrest van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter), C-615/20 en C-671/20, EU:C:2023:562, punt 63 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
91
Uit vaste rechtspraak volgt eveneens dat het zelfs bij het uitblijven van nationale wettelijke maatregelen waarmee een door het Hof vastgestelde niet-nakoming is beëindigd, aan de nationale rechterlijke instanties staat om alle maatregelen te nemen om de volledige doorwerking van het Unierecht te vergemakkelijken overeenkomstig de overwegingen in het niet-nakomingsarrest. Voorts zijn die rechterlijke instanties volgens het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking verplicht om de onwettige gevolgen van een schending van het Unierecht ongedaan te maken [arrest van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter), C-615/20 en C-671/20, EU:C:2023:562, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
92
Om te voldoen aan de in de punten 88 tot en met 91 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte verplichtingen, moet een nationale rechterlijke instantie een handeling zoals een resolutie van het college van deze rechterlijke instantie, dat in strijd met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU heeft bevolen dat de zaken van een rechter aan hem worden onttrokken, buiten toepassing laten wanneer dit in het licht van de betrokken procedurele situatie onontbeerlijk is om de voorrang van het Unierecht te waarborgen [zie naar analogie arrest van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter), C-615/20 en C-671/20, EU:C:2023:562, punt 65 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
93
Aangezien het enkel aan de verwijzende rechter staat om de feiten en de toepassing en uitlegging van het nationale recht in het kader van een in artikel 267 VWEU bedoelde procedure definitief te beoordelen, komt het die rechter toe om definitief vast te stellen welke concrete gevolgen het in het vorige punt aangehaalde beginsel meebrengt in de procedures in de hoofdgedingen. Volgens vaste rechtspraak kan het Hof op grond van de gegevens van het dossier die rechter evenwel de elementen met betrekking tot de uitlegging van het Unierecht verschaffen die daartoe voor deze rechter van waarde kunnen zijn [arrest van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter), C-615/20 en C-671/20, EU:C:2023:562, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
94
In dit verband volgt uit het antwoord op de eerste vragen dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU zich verzet tegen een nationale regeling die de onttrekking van zaken aan een rechter regelt, zoals de door de verwijzende rechterlijke instantie beschreven regeling.
95
In een dergelijke situatie moet een rechtsprekende formatie elke op grondslag van die regeling genomen resolutie buiten toepassing kunnen laten en derhalve het onderzoek van de hoofdgedingen in dezelfde samenstelling kunnen voortzetten, zonder dat de gerechtelijke organen die bevoegd zijn voor de vaststelling en de wijziging van de samenstelling van de rechtsprekende formaties van de nationale rechterlijke instantie daaraan in de weg kunnen staan [zie in die zin arrest van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter), C-615/20 en C-671/20, EU:C:2023:562, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
96
In dezelfde situatie moeten de organen die bevoegd zijn voor de vaststelling en de wijziging van de samenstelling van deze rechtsprekende formatie een dergelijke resolutie buiten toepassing laten [zie in die zin arrest van 13 juli 2023, YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter), C-615/20 en C-671/20, EU:C:2023:562, punt 80].
97
Gelet op een en ander moet op de tweede vragen worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus moeten worden uitgelegd dat zij een nationale rechterlijke instantie verplichten om een resolutie van het college van die rechterlijke instantie waarbij de zaken die aan een rechter in die rechterlijke instantie waren toegewezen aan hem worden onttrokken alsmede de daaropvolgende handelingen, zoals de besluiten inzake de hertoewijzing van die zaken, niet toe te passen wanneer die resolutie is vastgesteld in strijd met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU. De gerechtelijke organen die bevoegd zijn voor de vaststelling en de wijziging van de samenstelling van deze rechtsprekende formatie moeten een dergelijke resolutie buiten toepassing laten.
Kosten
98
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:
- 1)
Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU
moet aldus worden uitgelegd dat
het zich verzet tegen een nationale regeling op grond waarvan een orgaan van een nationale rechterlijke instantie, zoals het college van die rechterlijke instantie, een gedeelte van of alle zaken die aan een rechter van die rechterlijke instantie zijn toegewezen aan hem kan onttrekken, zonder dat deze regeling de criteria bevat die dit orgaan bij het nemen van een dergelijk onttrekkingsbesluit moeten leiden en verplicht om dat besluit te motiveren.
- 2)
Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en het beginsel van voorrang van het Unierecht
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij een nationale rechterlijke instantie verplichten om een resolutie van het college van die rechterlijke instantie waarbij de zaken die aan een rechter in die rechterlijke instantie waren toegewezen aan hem worden onttrokken alsmede de daaropvolgende handelingen, zoals de besluiten inzake de hertoewijzing van die zaken, niet toe te passen wanneer die resolutie is vastgesteld in strijd met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU. De gerechtelijke organen die bevoegd zijn voor de vaststelling en de wijziging van de samenstelling van deze rechtsprekende formatie moeten een dergelijke resolutie buiten toepassing laten.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑03‑2025
Conclusie 11‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Verzoeken om een prejudiciële beslissing — Rechtsstaat — Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU — Beginselen van onafzetbaarheid en onafhankelijkheid van rechters — Beginsel van de ‘interne’ onafhankelijkheid van rechters — Besluit van het college van een nationale rechterlijke instantie om een rechter zonder zijn instemming te ontheffen van de behandeling van de hem toegewezen zaken — Overplaatsing van een rechter zonder zijn instemming van een afdeling van een nationale rechterlijke instantie die zaken in tweede aanleg behandelt naar een afdeling die zaken in eerste aanleg behandelt — Geen procedurele waarborgen en rechtsmiddelen in het nationale recht — Onwettige toepassing van nationale regels — Voorrang van het Unierecht
A. M. Collins
Partij(en)
Gevoegde zaken C-647/21 en C-648/211.
D.K. (C-647/21)
M.C.,
M.F. (C-648/21)
in tegenwoordigheid van:
Prokuratura Rejonowa w Bytowie,
Prokuratura Okręgowa w Łomży
[verzoeken van de Sąd Okręgowy w Słupsku (rechterlijke instantie in eerste of tweede aanleg Słupsk, Polen) om een prejudiciële beslissing]
Inleiding
1.
Deze verzoeken om een prejudiciële beslissing, ingediend op 20 oktober 2021 door A. N-B., een rechter in de Sąd Okręgowy w Słupsku (rechterlijke instantie in eerste of tweede aanleg Słupsk, Polen), betreffen in hoofdzaak de omvang en de praktische toepassing van het begrip ‘interne’ rechterlijke onafhankelijkheid, zoals erkend in artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, en met name de vrijwaring van rechters tegen ongepaste beïnvloeding of druk van binnen het gerechtelijke stelsel.
2.
In oktober 2021 heeft de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku A. N-B. overgeplaatst van de zesde strafkamer van de Sąd Okręgowy w Słupsku, een afdeling voor zaken in tweede aanleg, naar de tweede strafkamer van die rechterlijke instantie, waar zaken in eerste aanleg worden behandeld. Zij werd ontheven van de behandeling van zeventig2. aan haar toegewezen zaken, waaronder de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing, die opnieuw zijn toegewezen3. aan andere rechters.4. Deze maatregelen zijn zonder instemming van A. N-B. genomen. Aangezien deze maatregelen tot doel hadden haar te beletten om in het kader van de uitoefening van haar rechterlijke bevoegdheid in tweede aanleg na te gaan of in de bij haar aanhangige zaken was voldaan aan het vereiste van een vooraf bij wet ingesteld gerecht, is A. N-B. van mening dat zij in strijd zijn met de beginselen van onafzetbaarheid en onafhankelijkheid van rechters. Zij wenst daarom te vernemen of de wijze waarop de leden van het college zijn benoemd, het feit dat zij niet heeft ingestemd met haar ontheffing van de behandeling van de zaken en het ontbreken van criteria voor die ontheffing haar, krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘Handvest’) en het beginsel van voorrang van het Unierecht, het recht geven om deel te nemen aan de behandeling van de zaken die aan de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing ten grondslag liggen.
Toepasselijke bepalingen — Pools recht
Wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties
3.
Ingevolge artikel 21, § 1, van de ustawa — Prawo o ustroju sądów powszechnych (wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties) van 27 juli 2001 (Dz. U. van 2001, nr. 98, volgnr. 1070), in de versie die van toepassing is op de hoofdgedingen (hierna: ‘wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties’), vormen de president, het college en de directeur de organen van de sąd okręgowy.
4.
Artikel 22a van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties luidt als volgt:
‘§ 1. […] [D]e president van de sąd okręgowy stelt, na raadpleging van het college, de taakverdeling vast: daarbij wordt het volgende gespecificeerd:
- 1)
de toewijzing van rechters […] aan de afdelingen van de sąd okręgowy;
- 2)
de omvang van de taken van de rechters […] en de wijze waarop zij deelnemen aan de toewijzing van zaken;
- 3)
het rooster van dienstdoende en vervangende rechters […],
- —
rekening houdend met de specialisatie van de rechters […] om kennis te nemen van verschillende soorten zaken, met de noodzaak om te zorgen voor een adequate verdeling van de rechters […] over de afdelingen van de sąd okręgowy en voor een eerlijke verdeling van hun verantwoordelijkheden, alsmede met de noodzaak om het vlotte verloop van de gerechtelijke procedures te waarborgen.
[…]
- § 4.
De president van de sąd okręgowy kan te allen tijde besluiten de taken geheel of gedeeltelijk te herverdelen, indien de in § 1 bedoelde redenen dit rechtvaardigen. […]
- § 4a.
Een rechter kan slechts naar een andere afdeling worden overgeplaatst indien hij daarmee instemt.
- § 4b.
Voor de overplaatsing van een rechter naar een andere afdeling is zijn instemming niet vereist:
- 1)
in geval van overplaatsing naar een afdeling die kennisneemt van zaken op hetzelfde gebied;
[…]
- § 5.
Een rechter of gerechtsauditeur wiens taken dusdanig zijn herverdeeld dat de omvang van zijn verantwoordelijkheden is gewijzigd, met name door een overplaatsing naar een andere afdeling van de betrokken rechterlijke instantie, kan binnen zeven dagen na de toewijzing van zijn nieuwe verantwoordelijkheden beroep aantekenen bij de Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak; hierna: ‘KRS’). Beroep staat niet open:
- 1)
in geval van overplaatsing naar een afdeling die kennisneemt van zaken op hetzelfde gebied;
- § 6.
Het in § 5 bedoelde beroep wordt aangetekend via de president van de betrokken rechterlijke instantie die de taken heeft verdeeld waarop het beroep betrekking heeft. De president van de betrokken rechterlijke instantie zendt het beroep binnen 14 dagen na ontvangst ervan naar de [KRS], samen met zijn standpunt ter zake. De [KRS] neemt een beslissing houdende toewijzing of verwerping van het door de rechter aangetekende beroep, rekening houdend met de in § 1 vermelde elementen. De beslissing van de [KRS] op het in § 5 bedoelde beroep hoeft niet te worden gemotiveerd. Tegen de beslissing van de [KRS] staat geen hoger beroep open. Tot de beslissing is genomen, neemt de rechter of de gerechtsauditeur zijn bestaande verantwoordelijkheden waar.’
5.
Artikel 30, § 1, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties bepaalt:
‘Het bestuur van de sąd okręgowy is samengesteld uit:
- 1)
de president van de sąd okręgowy;
- 2)
de presidenten van de sądy rejonowe (rechterlijke instanties in eerste aanleg) die binnen het resort van de sąd okręgowy vallen.’
6.
Artikel 47a van deze wet bepaalt:
- ‘§ 1.
Zaken worden volgens specifieke categorieën van zaken willekeurig toegewezen aan rechters en gerechtsauditeurs, behalve wanneer zaken worden toegewezen aan een rechter van dienst.
- § 2.
Zaken binnen de specifieke categorieën worden gelijkelijk verdeeld, tenzij het aandeel is verlaagd vanwege de uitgeoefende functie, deelname in de toewijzing van zaken uit een andere categorie of om andere redenen die in de wet zijn vastgelegd.’
7.
Artikel 47b van deze wet luidt:
- ‘§ 1.
De samenstelling van een rechtsprekende formatie kan slechts worden gewijzigd indien de zaak niet kan worden behandeld door die formatie in haar huidige samenstelling of indien er in die samenstelling sprake is van een duurzaam beletsel voor de behandeling van de zaak. Het bepaalde in artikel 47a is van overeenkomstige toepassing.
[…]
- § 3.
De [in § 1] bedoelde besluiten worden genomen door de president van de rechterlijke instantie of door een door hem gemachtigde rechter.
- § 4.
De verandering van standplaats van een rechter, zijn detachering bij een andere rechterlijke instantie of de beëindiging van een detachering vormt geen beletsel voor de vaststelling van [procedure]handelingen in zaken die aan de standplaats of de huidige plaats van ambtsuitoefening zijn toegewezen, totdat die zaken zijn afgedaan.
- § 5.
Het college van de rechterlijke instantie waar de nieuwe standplaats of plaats van detachering van de rechter onder valt, kan deze rechter, op diens verzoek of ambtshalve, geheel of gedeeltelijk ontheffen van de behandeling van zaken, met name wegens de afstand tussen deze rechterlijke instantie en de nieuwe standplaats of plaats van detachering van deze rechter en naargelang van de voortgang van de aanhangige zaken. Alvorens een besluit vast te stellen, raadpleegt het college van de rechterlijke instantie de presidenten van de bevoegde rechterlijke instanties.
- § 6.
De bepalingen van de §§ 4 en 5 zijn van overeenkomstige toepassing in geval van overplaatsing naar een andere afdeling van dezelfde rechterlijke instantie.’
Hoofdgedingen en prejudiciële vragen
8.
In zaak C-647/21 heeft de Sąd Rejonowy w B. (rechter in eerste aanleg B., Polen) D.K. op 11 december 2020 veroordeeld wegens een misdrijf in de zin van artikel 190, § 1, van de ustawa z dnia 6 czerwca 1997 r. — Kodeks karny (wet van 6 juni 1997 houdende het strafwetboek) en hem een vrijheidsstraf opgelegd.5. In februari 2021 ging de advocaat van D.K. bij de verwijzende rechterlijke instantie in hoger beroep tegen de zwaarte van die straf. A. N-B. werd aangewezen als rechter-rapporteur en als voorzitter van een enkelvoudige formatie in dat hoger beroep.
9.
In zaak C-648/21 werden M.C. en M.F. beschuldigd van ‘machtsmisbruik door een ambtenaar’ in de zin van artikel 231, § 1, van de ustawa z dnia 6 czerwca 1997 r. — Kodeks karny.6. In maart 2016 heeft de rechter in eerste aanleg M.F. tot een vrijheidsstraf veroordeeld7. en M.C. vrijgesproken. In november 2016 heeft de rechter in tweede aanleg dat vonnis vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechter in eerste aanleg voor een nieuw onderzoek. In december 2017 heeft deze rechter in eerste aanleg M.C. en M.F. veroordeeld voor de betreffende strafbare feiten. Na een nieuw hoger beroep heeft de rechter in tweede aanleg M.C. in april 2019 vrijgesproken en de veroordeling van M.F. bevestigd. De Prokurator Generalny (procureur-generaal) heeft tegen die uitspraak cassatieberoep ingesteld bij de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen). In april 2020 heeft de Sąd Najwyższy de uitspraak van de rechter van tweede aanleg vernietigd en de zaak terugverwezen naar die rechter voor heroverweging in hoger beroep. Die zaak is aanhangig bij de Sąd Okręgowy w Słupsku, waarvan de afdeling voor zaken in tweede aanleg de zaak diende te onderzoeken in een formatie bestaande uit de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku, de rechter-rapporteur en voorzitter van de formatie, te weten A. N-B., en een derde rechter.
10.
In een hiervan losstaande zaak heeft A. N-B. in september 20218. op grond van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU een beschikking gegeven waarin zij de president van de afdeling voor zaken in tweede aanleg van de Sąd Okręgowy w Słupsku heeft verzocht de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku die zitting had in de formatie die voor behandeling van de zaak was aangewezen, te vervangen. In die beschikking werd gesteld dat het feit dat de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku — die in die rechterlijke instantie was benoemd op basis van een besluit van de KRS in zijn nieuwe samenstelling9. — aan die formatie was toegewezen, een schending vormde van het recht op een vooraf bij wet ingesteld gerecht als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, artikel 47 van het Handvest, artikel 45 van de Grondwet van de Republiek Polen en het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), Reczkowicz tegen Polen.10.
11.
De vicepresident van de Sąd Okręgowy w Słupsku heeft deze beschikking vernietigd op grond van artikel 42a, § 2, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties. Volgens de verwijzende rechter was de vicepresident tot rechter benoemd op basis van een besluit van de KRS.11. De Poolse minister van Justitie, die tevens procureur-generaal (Prokurator Generalny) was, heeft hem vervolgens geïnstalleerd als vicepresident van de Sąd Okręgowy w Słupsku. De verwijzende rechter betwijfelt of de vicepresident van de Sąd Okręgowy w Słupsku haar beschikking in een administratieve herzieningsprocedure mocht vernietigen, aangezien de samenstelling van die rechterlijke instantie een gerechtelijke aangelegenheid is waarin de vicepresident niet had mogen optreden. Hoe dan ook heeft de beschikking van de vicepresident van het Hof van Justitie van 14 juli 2021, Commissie/Polen12., tot opschorting van de toepassing van een aantal bepalingen van Pools recht, waaronder artikel 42a, § 2, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties, de vicepresident van de Sąd Okręgowy w Słupsku elke bevoegdheid ontnomen om op basis van die bepaling een maatregel vast te stellen.
12.
Begin oktober 2021 heeft A. N-B. in een andere zaak een vonnis van een lagere rechtbank vernietigd dat was gewezen door een rechter die was benoemd op basis van een besluit van de KRS13..14.
13.
Op 11 oktober 2021 is het besluit van het college vastgesteld om A. N-B. te ontheffen van de behandeling van een zeventigtal zaken, waaronder de zaken die aan de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing ten grondslag liggen. Deze ontheffing is geschied zonder instemming van A. N-B. en ‘zonder ad-hocverzoek in de zin van de wet’. Het besluit van het college is niet aan A. N-B. betekend en de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku heeft haar enkel meegedeeld dat zij van de behandeling van die zaken was ontheven. A. N-B. is niet op de hoogte van de motivering en de rechtsgrondslag van dit besluit. Ondanks twee verzoeken van haar kant heeft de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku geweigerd A. N-B. de tekst van het besluit mede te delen.
14.
Op 13 oktober 2021 heeft de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku een beschikking15. gegeven tot overplaatsing van A. N-B. van de afdeling voor zaken in tweede aanleg16. van de Sąd Okręgowy w Słupsku17. naar de afdeling voor zaken in eerste aanleg van die instantie (hierna: ‘beschikking van 13 oktober 2021’).18. In die beschikking wordt ‘kortaf’ verwezen naar de noodzaak om de goede werking van de afdelingen voor zaken in eerste en tweede aanleg van de Sąd Okręgowy w Słupsku te verzekeren en naar een niet nader gespecificeerde briefwisseling tussen de president van dat gerecht en de president van een van die afdelingen. Op 18 oktober 2021 is de beschikking van de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku van kracht geworden en medegedeeld aan A. N-B. De beschikking vermeldt geen rechtsmiddelen die eventueel tegen die beschikking openstaan.
15.
In haar opmerkingen heeft de Commissie erop gewezen dat tegen A. N-B. tevens een tuchtprocedure was ingeleid en dat zij met ingang van 29 oktober 2021 voor maximaal één maand was geschorst. Ter terechtzitting van 24 januari 2024 heeft de Poolse regering het bestaan van deze tuchtprocedure bevestigd, maar zij kon geen informatie verstrekken over de uitkomst ervan.
16.
De verwijzende rechterlijke instantie wenst te vernemen of, gelet op de hierboven weergegeven omstandigheden en het arrest van 26 maart 2020, Heroverweging Simpson/Raad en HG/Commissie19., de ontheffing van A. N-B. van de behandeling van de zaken die aan de onderhavige prejudiciële verzoeken ten grondslag liggen, een schending vormt van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest. Zo ja, dan wenst de verwijzende rechterlijke instantie te vernemen of zij het besluit van het college buiten toepassing moet laten, zodat A. N-B. kan aanblijven als voorzitter van de enkelvoudige formatie in de zaak die tot zaak C-647/21 heeft geleid, en als rechter-rapporteur en voorzitter van de formatie van drie rechters in de zaak die tot zaak C-648/21 heeft geleid. In deze omstandigheden heeft de Sąd Okręgowy w Słupsku de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen voorgelegd:
- ‘1)
Moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als artikel 47b, §§ 5 en 6, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties van 27 juli 2001, gelezen in samenhang met artikel 30, § 1, en artikel 24, § 1, van die wet, op grond waarvan een orgaan van een nationale rechterlijke instantie, zoals het college van een rechterlijke instantie, de bevoegdheid heeft een rechter van die rechterlijke instantie geheel of gedeeltelijk te ontheffen van zijn taak om de hem toegewezen zaken te behandelen, waarbij:
- a)
dat college van rechtswege bestaat uit de presidenten van rechterlijke instanties die in die functies zijn benoemd door een orgaan van de uitvoerende macht, zoals de minister van Justitie, die tegelijkertijd procureur-generaal is;
- b)
de rechter zonder zijn instemming van de behandeling van de hem toegewezen zaken wordt ontheven;
- c)
het nationale recht niet voorziet in criteria die het college van de rechterlijke instantie moet hanteren wanneer het een rechter ontheft van zijn taak om de hem toegewezen zaken te behandelen, noch in de verplichting tot motivering en rechterlijke toetsing;
- d)
sommige leden van het college van de rechterlijke instantie zijn benoemd tot rechter in omstandigheden die analoog zijn aan de omstandigheden genoemd in het arrest van het Hof van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters), C-791/19, EU:C:2021:596?
- 2)
Moeten de in de eerste vraag genoemde bepalingen en het voorrangsbeginsel aldus worden uitgelegd dat een nationale rechterlijke instantie die een zaak behandelt in het kader van een binnen de werkingssfeer van [richtlijn (EU) 2016/34320.] vallende strafprocedure, waarvan een rechter op de in de eerste vraag omschreven wijze is ontheven van zijn taak om de zaak te behandelen, alsook ieder overheidsorgaan op grond daarvan de handeling van het college van de rechterlijke instantie en alle handelingen die in navolging ervan zijn uitgevaardigd, zoals beschikkingen waarbij zaken, het hoofdgeding daaronder begrepen, opnieuw worden toegewezen zonder de instemming van de rechter die van zijn taak is ontheven, buiten toepassing kan (of moet) laten zodat deze rechter wel kan blijven deelnemen in de rechtsprekende formatie die de zaak behandelt?
- 3)
Moeten de in de eerste vraag genoemde bepalingen en het voorrangsbeginsel aldus worden uitgelegd dat zij vereisen dat er in de nationale rechtsorde, in het kader van een binnen de werkingssfeer van richtlijn 2016/343 vallende strafprocedure, middelen bestaan die procesdeelnemers, zoals de verdachten in de hoofdgedingen, de mogelijkheid bieden van toetsing van, en beroep tegen beslissingen als bedoeld in de [eerste vraag] die ertoe strekken de samenstelling van de in het hoofdgeding rechtsprekende formatie te wijzigen en dientengevolge de rechter aan wie de zaak tot dusver was toegewezen op de in de eerste vraag omschreven wijze te ontheffen van zijn taak om er kennis van te nemen?’
Procedure bij het Hof
17.
Bij beslissing van de president van het Hof van 29 november 2021 zijn de zaken C-647/21 en C-648/21 gevoegd voor de schriftelijke en de mondelinge behandeling alsmede voor het arrest.
18.
De verwijzende rechter heeft het Hof verzocht beide verzoeken om een prejudiciële beslissing te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Bij beslissing van 29 november 2021 heeft de president van het Hof dit verzoek afgewezen. Hij heeft geoordeeld dat de verwijzende rechterlijke instantie argumenten van algemene aard heeft aangevoerd21., zonder specifieke redenen op te geven die een snelle behandeling rechtvaardigen. Het feit dat het bij de verwijzende rechter aanhangige zaken gaat om strafprocedures is geen dergelijke rechtvaardiging.
19.
Op 18 oktober 2022 heeft het Hof de behandeling van de gevoegde zaken C-647/21 en C-648/21 geschorst in afwachting van zijn arrest in de gevoegde zaken C-615/20 en C-671/20. Op 20 juli 2023 heeft het Hof het arrest YP e.a. (Opheffing van immuniteit en schorsing van een rechter)22. ter kennis gebracht van de verwijzende rechterlijke instantie en haar verzocht aan te geven of zij zijn verzoeken om een prejudiciële beslissing wenste te handhaven. Op instructie van de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku heeft A. N-B. op 25 september 202323. het Hof geantwoord dat de Sąd Okręgowy w Słupsku de verzoeken om een prejudiciële beslissing in de gevoegde zaken C-647/21 en C-648/21 wil handhaven.
20.
Gelet op bepaalde waargenomen dubbelzinnigheden in het antwoord van A. N-B. heeft het Hof haar overeenkomstig artikel 101, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering om verduidelijking verzocht.24. Het Hof heeft onder meer gevraagd of A. N-B. nog steeds zitting had in de formatie die de zaken behandelt die tot de prejudiciële verzoeken in de gevoegde zaken C-647/21 en C-648/21 hebben geleid en, zo ja, in welke hoedanigheid. A. N-B. heeft dit verzoek op 17 oktober 2023 beantwoord.25. Zij heeft bevestigd dat zij ten tijde van de indiening van de verzoeken om een prejudiciële beslissing op 20 oktober 2021 in beide zaken de rechter-rapporteur en de voorzitter van de formatie was in de procedure voor de Sąd Okręgowy w Słupsku. De zaak die aanleiding heeft gegeven tot een verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C-648/21, was bij beschikking van 21 oktober 2021 opnieuw toegewezen aan een andere rechter-rapporteur die voordien zitting had in de formatie van drie rechters.26. Op diezelfde datum is ook de samenstelling van de enkelvoudige formatie in de zaak die aanleiding gaf tot het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C-647/21 gewijzigd. A. N-B. heeft bevestigd dat de behandeling bij de Sąd Okręgowy w Słupsku van de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing, op grond van die verzoeken geschorst is en geschorst blijft. A. N-B. heeft het Hof ook meegedeeld dat de Sąd Okręgowy w Słupsku in voltallige zitting27. uitspraak ten gronde doet (Rozprawa). In geval van andere terechtzittingen (Posiedzenie) — zoals die welke betrekking hebben op de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de verzoeken om een prejudiciële beslissing in de gevoegde zaken C-647/21 en C-648/21 — zetelt de Sąd Okręgowy w Słupsku in een enkelvoudige formatie, voorgezeten door de rechter-rapporteur.
21.
De Prokuratura Rejonowa w Bytowie (arrondissementsparket Bytów), de Prokuratura Okręgowa w Łomży (regionaal parket Łomża), de Deense, de Nederlandse, de Poolse en de Zweedse regering alsmede de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Met uitzondering van de Prokuratura Rejonowa w Bytowie, de Prokuratura Okręgowa w Łomży en de Nederlandse regering hebben voornoemde partijen ter terechtzitting van 24 januari 2024 pleidooien gehouden en de vragen van het Hof beantwoord.
Bevoegdheid van het Hof
Standpunten
22.
Volgens de Deense en de Poolse regering alsmede de Commissie is artikel 47 van het Handvest niet van toepassing op de bij de Sąd Okręgowy w Słupsku aanhangige zaken die aanleiding hebben gegeven tot de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing. De Commissie merkt op dat in deze verzoeken weliswaar wordt verwezen naar richtlijn 2016/343, maar dat zij niet strekken tot uitlegging van de bepalingen ervan.
23.
De Prokuratura Rejonowa w Bytowie en de Prokuratura Okręgowa w Łomży betogen dat de prejudiciële vragen betrekking hebben op de ontheffing van een rechter van de behandeling van de hem toegewezen zaken. Dat is een aangelegenheid van de rechterlijke organisatie in een lidstaat, zijnde een exclusieve nationale bevoegdheid die het Unierecht niet regelt. De Prokuratura Okręgowa w Łomży merkt voorts op dat de prejudiciële vragen van A. N-B. betrekking hebben op haar individuele omstandigheden en derhalve persoonlijk en niet gerechtelijk van aard zijn.
Beoordeling
24.
Het Handvest richt zich, ingevolge artikel 51, lid 1, ervan, enkel tot de lidstaten wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. De bij de verwijzende rechter aanhangige zaken die aanleiding hebben gegeven tot de gevoegde zaken C-647/21 en C-648/21 zijn van strafrechtelijke aard en de tweede prejudiciële vraag verwijst naar richtlijn 2016/343. De verwijzende rechterlijke instantie geeft geen uitsluitsel over de vraag hoe een uitlegging van deze richtlijn relevant zou kunnen zijn voor de beslechting van de bij haar aanhangige zaken. Uit de verwijzingsbeslissingen blijkt evenmin dat zij betrekking hebben op de uitlegging of de toepassing van een regel van Unierecht. Uit niets in de verzoeken om een prejudiciële beslissing blijkt dat iemand zich beroept op het in artikel 47 van het Handvest verankerde recht op een doeltreffende voorziening in rechte of dat iemand die dat recht aanvoert, zich beroept op een door het Unierecht gewaarborgd recht of gewaarborgde vrijheid.28.
25.
Het is vaste rechtspraak dat de rechterlijke organisatie in de lidstaten, met inbegrip van de ontheffing van rechters van de behandeling van aan hen toegewezen zaken en de hernieuwde toewijzing van zaken, weliswaar onder hun eigen bevoegdheid valt, maar dit neemt niet weg dat de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid de verplichtingen moeten nakomen die voor hen voortvloeien uit het Unierecht en, in het bijzonder, uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU.29. Elke lidstaat moet krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU verzekeren dat rechterlijke instanties die uitspraak kunnen doen over de toepassing of de uitlegging van het Unierecht30., voldoen aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming.31. Die bepaling verzet zich tegen nationale bepalingen betreffende de rechterlijke organisatie die in de betrokken lidstaat een teruggang kunnen betekenen voor de bescherming van de waarde van de rechtsstaat.32. De lidstaten moeten de rechterlijke organisatie dus zo inrichten dat deze voldoet aan de vereisten van het Unierecht. Een van deze vereisten betreft met name de onafhankelijkheid van de rechters die moeten oordelen over vragen die verband houden met de toepassing of de uitlegging van het Unierecht, teneinde de daadwerkelijke bescherming van de rechten die justitiabelen hieraan ontlenen te verzekeren.33. Bijgevolg is het Hof bevoegd om het Unierecht uit te leggen in zaken die betrekking hebben op de organisatie van de rechtspraak van een lidstaat.
26.
Wat betreft het betoog van de Prokuratura Okręgowa w Łomży met betrekking tot de persoonlijke aard van de prejudiciële vragen volstaat het erop te wijzen dat ook het arrest YP betrekking had op de bevoegdheid van individuele rechters die prejudiciële vragen hadden gesteld. In dat arrest heeft het Hof zich uitgesproken over de vraag of die rechters overeenkomstig artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU de bij hen aanhangige strafzaken mochten blijven behandelen en berechten. Het Hof heeft de gestelde vragen beantwoord teneinde de verwijzende rechterlijke instantie in staat te stellen om in limine litis uitspraak te doen over procedurele moeilijkheden in verband met de bevoegdheid van die individuele rechters om kennis te nemen van bij hen aanhangige zaken.34.
27.
Om al deze redenen geef ik het Hof in overweging zichzelf, behoudens voor zover het de uitlegging van artikel 47 van het Handvest betreft, bevoegd te verklaren om uitspraak te doen op de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing.
Ontvankelijkheid van de prejudiciële verzoeken
28.
De Prokuratura Rejonowa w Bytowie en de Prokuratura Okręgowa w Łomży betwisten de ontvankelijkheid van de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing. Op 18 oktober 2021 is A. N-B. ontheven van de behandeling van de haar toegewezen zaken. Deze zaken zijn vervolgens aan een of meer andere rechters toegewezen. Op 20 oktober 2021 was A. N-B. niet bevoegd om verzoeken om een prejudiciële beslissing in te dienen, aangezien op dat moment de nationale procedures die tot deze verwijzingen hebben geleid niet bij haar aanhangig waren. Zij had evenmin zitting in de betrokken formaties van de Sąd Okręgowy w Słupsku. De gestelde vragen zijn bijgevolg hypothetisch, aangezien de beantwoording ervan niet noodzakelijk is om uitspraak te doen in de bij deze rechterlijke instantie aanhangige strafzaken. De onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechter(s) aan wie deze zaken opnieuw zijn toegewezen, staan niet ter discussie. De Prokuratura Rejonowa w Bytowie en de Prokuratura Okręgowa w Łomży zijn tevens van mening dat de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing niet voldoen aan de vereisten van artikel 94, onder a) en b), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.
29.
Volgens de Commissie is de derde prejudiciële vraag, die betrekking heeft op de rechtsmiddelen waarover de procespartijen voor de verwijzende rechter beschikken, niet-ontvankelijk, aangezien deze vraag hypothetisch is en geen betrekking heeft op een preliminaire kwestie die in limine litis moet worden afgedaan. Ter terechtzitting heeft de Poolse regering betoogd dat de verzoeken van de verwijzende rechter ontvankelijk zijn.35.
30.
Het is opportuun om eerst in te gaan op de door de Commissie gestelde niet-ontvankelijkheid van de derde vraag.
31.
In de verzoeken om een prejudiciële beslissing staan geen aanwijzingen dat een van de procespartijen in de zaken die aan de gevoegde zaken C-647/21 en C-648/21 ten grondslag liggen, bezwaar heeft gemaakt tegen of om herziening heeft verzocht van het besluit van het college waarbij rechter A. N-B is ontheven van de behandeling van de haar toegewezen zaken. Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt evenmin dat deze partijen op enigerlei wijze zijn gehinderd of belemmerd om een dergelijk bezwaar te maken of om een dergelijke herziening te vragen. Ik leid hieruit af dat de derde prejudiciële vraag van de verwijzende rechter hypothetisch en dus niet-ontvankelijk is.
32.
Wat betreft de ontvankelijkheid van de eerste en de tweede prejudiciële vraag merk ik op dat aan de voorwaarden voor ontvankelijkheid van een verzoek om een prejudiciële beslissing moet zijn voldaan zolang deze procedure loopt.36. Ingevolge artikel 100, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering blijft een verzoek om een prejudiciële beslissing bij het Hof aanhangig zolang de rechterlijke instantie die het Hof heeft aangezocht dit verzoek niet heeft ingetrokken. Overeenkomstig artikel 100, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering kan het Hof evenwel in elke stand van het geding vaststellen dat de voorwaarden voor zijn bevoegdheid niet langer vervuld zijn.
33.
Volgens vaste rechtspraak rust er een vermoeden van relevantie op vragen over de uitlegging van het Unierecht die nationale rechters krachtens artikel 267 VWEU voorleggen. In het kader van de door deze bepaling voorgeschreven samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties is het uitsluitend een zaak van de nationale rechter aan wie het geschil is voorgelegd en die de verantwoordelijkheid voor de te geven rechterlijke beslissing draagt, om, gelet op de bijzonderheden van het geval, zowel de noodzaak van een prejudiciële beslissing voor het wijzen van zijn vonnis als de relevantie van de vragen die hij aan het Hof voorlegt, te beoordelen. Uit zowel de bewoordingen als de systematiek van artikel 267 VWEU blijkt niettemin dat een nationale rechterlijke instantie slechts een verzoek om een prejudiciële beslissing kan indienen wanneer bij haar een geding aanhangig is in het kader waarvan zij een beslissing moet geven waarbij rekening kan worden gehouden met het antwoord van het Hof. Het Hof geeft geen rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken. Een verzoek om een prejudiciële beslissing moet aldus noodzakelijk zijn voor de werkelijke beslechting van het geschil in het bij de verwijzende rechter aanhangige geding of om een incidentele vraag van Unierechtelijk of nationaal procesrecht in limine litis te beantwoorden.37.
34.
Uit de uitvoerige correspondentie tussen het Hof en de verwijzende rechterlijke instantie38. blijkt dat, naar Pools recht, de procedure voor de Sąd Okręgowy w Słupsku in de zaken die tot de gevoegde zaken C-647/21 en C-648/21 hebben geleid, aanhangig was bij A. N-B. op het tijdstip waarop zij op 20 oktober 2021 de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing heeft ingediend, wat ertoe heeft geleid dat de behandeling van die zaken is geschorst.39. Deze rechterlijke instantie heeft de verzoeken om een prejudiciële beslissing niet ingetrokken, ondanks het besluit van het college waarbij A. N-B. is ontheven van de behandeling van de haar toegewezen zaken die tot deze verzoeken hebben geleid en de hertoewijzing ervan aan andere rechters. Ik geef daarom in overweging te verklaren dat de verzoeken om een prejudiciële beslissing op 20 oktober 2021 door de Sąd Okręgowy w Słupsku bij het Hof zijn ingediend en thans nog steeds bij het Hof aanhangig zijn overeenkomstig artikel 100, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.
35.
Wat betreft de tegenwerping dat het antwoord van het Hof niet noodzakelijk is voor de beslissing in de strafzaken die tot de onderhavige prejudiciële verzoeken hebben geleid, is niet duidelijk of die strafzaken een zodanige materiële band met het Unierecht hebben dat de verwijzende rechter dat recht zou moeten toepassen voor een uitspraak ten gronde.40. Het kennelijke ontbreken van een aanknopingspunt tussen deze strafzaken en het Unierecht is dienaangaande niet altijd doorslaggevend. Het Hof heeft benadrukt dat het wellicht vragen moet beantwoorden om verwijzende rechters een uitlegging van het Unierecht te kunnen bieden die hen in staat zal stellen om procedurele kwesties van nationaal recht op te lossen zodat zij uitspraak ten gronde kunnen doen in de bij hen aanhangige gedingen.41. Ik ben het dan ook eens met de opmerking van de Poolse regering ter terechtzitting dat een antwoord van het Hof objectief noodzakelijk is om de verwijzende rechterlijke instantie in staat te stellen om in limine litis te beslissen over een procedurekwestie alvorens in de bij haar aanhangige zaken uitspraak ten gronde te doen.42.
36.
In punt 69 van het arrest G heeft het Hof verklaard dat de noodzaak, in de zin van artikel 267 VWEU, van de aan het Hof gevraagde uitlegging van het Unierecht impliceert dat de verwijzende rechter ‘zelf de consequenties kan trekken uit deze uitlegging’. In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C-269/21, wilde de rechter-rapporteur, die zitting had in een rechtsprekende formatie van drie rechters, vernemen of een andere rechter in die formatie voldeed aan de vereisten van een onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht in de zin van het Unierecht. Het Hof heeft verklaard dat de door de verwijzende rechter gevraagde uitlegging van het Unierecht niet noodzakelijk was voor het wijzen van zijn vonnis in de bij hem aanhangige zaak en dat het verzoek om een prejudiciële beslissing bijgevolg niet-ontvankelijk was, aangezien de rechter-rapporteur van een rechtsprekende formatie van drie rechters, alleen, geen rekening kan houden met de antwoorden van het Hof. Het Hof heeft uiteindelijk geoordeeld dat de individuele rechter die het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C-269/21 had ingediend niet bevoegd was om een rechter die deel uitmaakt van dezelfde rechtsprekende formatie te wraken.43.
37.
De aan het arrest G ten grondslag liggende feiten zijn duidelijk anders dan die welke tot de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing hebben geleid. A. N-B. verzoekt niet om de wraking van een van de andere rechters van de Sąd Okręgowy w Słupsku. Zoals in punt 35 van deze conclusie wordt aangegeven, verzoekt de verwijzende rechterlijke instantie om aanknopingspunten voor de oplossing, in limine litis, van de procedurele moeilijkheden die voortvloeien uit het besluit van het college om A. N-B. te beletten kennis te nemen van de zaken die aan haar waren toegewezen en feitelijk bij haar aanhangig waren.44. Een dergelijke toetsing vormt een wezenlijk vormvoorschrift dat door de verwijzende rechter ambtshalve kan worden getoetst.45.
38.
Voorts merk ik op dat het antwoord van het Hof bindend zal zijn voor de verwijzende rechterlijke instantie, met inbegrip van de rechter(s) bij wie de zaken die aan de onderhavige prejudiciële verwijzingen ten grondslag liggen aanhangig zijn, en voor de organen van de verwijzende rechterlijke instantie die de samenstelling van de formaties ervan kunnen bepalen en wijzigen.46. Afhankelijk van het antwoord van het Hof op de eerste en de tweede prejudiciële vraag, kan de verwijzende rechterlijke instantie overeenkomstig artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en het beginsel van voorrang van het Unierecht genoodzaakt zijn het besluit van het college buiten toepassing te laten en daarmee te verzekeren dat A. N-B. de aanhangige strafzaken behandelt.47. Subsidiair kan (kunnen) de rechter(s) aan wie deze zaken sindsdien zijn toegewezen, bevoegd zijn om kennis ervan te nemen.
39.
Geen van de partijen in de procedure bij het Hof betwist de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C-648/2148. op de grond dat alleen een uit drie rechters bestaande formatie van de Sąd Okręgowy w Słupsku en niet A. N-B. als alleensprekende rechter naar nationaal recht bevoegd was om dat verzoek in te dienen.49. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat A. N-B. in haar antwoord van 17 oktober 2023 op het verzoek om verduidelijking van het Hof heeft bevestigd dat zij in haar hoedanigheid van rechter-rapporteur en voorzitter van de formatie van drie rechters naar Pools recht bevoegd was om in zaak C-648/21 een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen.50.
40.
Ik geef het Hof derhalve in overweging om de verschillende bezwaren tegen de ontvankelijkheid van de eerste en de tweede prejudiciële vraag af te wijzen. Om de in de punten 30 en 31 van deze conclusie uiteengezette redenen ben ik van mening dat de derde prejudiciële vraag niet-ontvankelijk is.
Ten gronde
41.
Met zijn eerste en zijn tweede prejudiciële vraag, die tezamen moeten worden onderzocht, wenst de Sąd Okręgowy w Słupsku te vernemen of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en het beginsel van de voorrang van het Unierecht zich ertegen verzetten dat het college A. N-B. heeft ontheven van de behandeling van de zaken die tot de gevoegde zaken C-647/21 en C-648/21 hebben geleid en deze zaken vervolgens aan een of meer andere rechters heeft toegewezen. De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op de wijze waarop het college is benoemd, het feit dat A. N-B. niet heeft ingestemd met de ontheffing van de behandeling van de haar toegewezen zaken en het ontbreken van criteria naar Pools recht voor een dergelijke ontheffing. De prejudiciële vragen hebben niet specifiek betrekking op de overplaatsing van A. N-B. van de zesde afdeling (zaken in tweede aanleg) naar de tweede afdeling (zaken in eerste aanleg) van de Sąd Okręgowy w Słupsku.
42.
Uit de feiten en de opmerkingen in de verzoeken om een prejudiciële beslissing valt op te maken dat de overplaatsing van A. N-B.51. en de daaropvolgende ontheffing van de behandeling van een zeventigtal zaken die aan haar waren toegewezen, maatregelen zijn die zijn ingegeven door haar pogingen om na te gaan of de benoeming van bepaalde rechters in overeenstemming is met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU.52. De Poolse regering heeft ter terechtzitting bevestigd deze wisselwerking uit die feiten en opmerkingen af te leiden. Die regering is ook van mening dat die maatregelen niet in het belang zijn van een goede rechtsbedeling.53.
43.
Ook is bijna gelijktijdig een tuchtprocedure tegen A. N-B. ingeleid. Op basis van de gegevens waarover het Hof beschikt kan niet worden geconcludeerd dat de overplaatsing van A. N-B. van de afdeling voor zaken in tweede aanleg naar de afdeling voor zaken in eerste aanleg van dezelfde rechterlijke instantie, en de ontheffing van de behandeling van de haar toegewezen zaken, hebben plaatsgevonden in het kader van een formele tuchtprocedure. Het is dus de taak van de verwijzende rechterlijke instantie om na te gaan of de overplaatsing en ontheffing van A. N-B. in feite een verkapte en dus onwettige tuchtmaatregel vormen.
44.
Gelet op de gelijktijdigheid en de kennelijk gemeenschappelijke doelstelling van de overplaatsing en de ontheffing van A. N-B., moeten beide mijns inziens tezamen moeten worden onderzocht teneinde de verwijzende rechter een nuttig antwoord te geven.54.
45.
Het vereiste van onafhankelijkheid van rechterlijke instanties, dat onlosmakelijk verbonden is met de taak van de rechter, behoort tot de kern van het fundamentele recht op daadwerkelijke rechtsbescherming en is van fundamenteel belang voor de rechtsorde van de Unie.55. Om aan dit vereiste te voldoen is het noodzakelijk dat een rechterlijke instantie haar taken volledig autonoom uitoefent, zonder enig hiërarchisch verband en zonder aan wie dan ook ondergeschikt te zijn of van waar dan ook bevelen of instructies te ontvangen, en aldus beschermd moet zijn tegen inmenging of druk van buitenaf die de onafhankelijkheid van de oordeelsvorming van haar leden in gevaar zou kunnen brengen en van invloed zou kunnen zijn op hun beslissingen.56. Voor het waarborgen van de vereiste rechterlijke onafhankelijkheid zijn regels nodig die bij de justitiabelen elke legitieme twijfel kunnen wegnemen over de onvatbaarheid van de rechters voor beïnvloeding door externe factoren, in het bijzonder door directe of indirecte inmenging van de wetgevende en de uitvoerende macht die hun beslissingen zou kunnen sturen.57. Het Unierecht legt dus sterk de nadruk op de noodzaak om de rechterlijke macht van de staat te beschermen tegen druk van de uitvoerende of de wetgevende macht. Om elke legitieme twijfel weg te nemen over de onvatbaarheid van rechters voor beïnvloeding door directe of indirecte inmenging die hun beslissingen zou kunnen sturen, moet dezelfde nadruk worden gelegd op de bescherming van individuele rechters tegen ongepaste beïnvloeding of druk van binnen het gerechtelijke stelsel.58.
46.
De verschillende vormen van beloften of eden die rechters afleggen om in volledige onafhankelijkheid recht te spreken, zouden zinloos zijn als ze bij de uitoefening van die taak het risico lopen onder druk te worden gezet door hun collega's, met name degenen die rechterlijke formaties voorzitten en/of zaken toewijzen. De wijze waarop dit gebeurt kan variëren van informeel uitgeoefende druk door middel van het overplaatsen van rechters (zoals hier lijkt te zijn gebeurd), de toewijzing en hertoewijzing van zaken (zoals in dit geval eveneens lijkt te zijn gebeurd), tot het inleiden en het doorvoeren van tuchtprocedures (zoals hier wellicht is gebeurd). Dergelijk gedrag van collega-rechters is meer dan alleen onethisch — het is net zo onwettig voor rechters om hun collega's onder druk te zetten bij de uitoefening van hun taak als voor leden van de uitvoerende of de wetgevende macht om dat te doen. Een en ander geldt evenzeer in omstandigheden waarin rechters onder druk worden gezet door hun collega's wanneer zij zich kwijten van hun plicht zich in het openbaar uit te spreken over zaken die betrekking hebben op de organisatie van het rechtssysteem en de uitoefening van de rechterlijke macht.59.
47.
Steun hiervoor is te vinden in de rechtspraak van zowel het EHRM als het Hof. In zijn uitspraak in de zaak Parlov-Tkalčić tegen Kroatië heeft het EHRM verklaard dat rechterlijke onafhankelijkheid vereist dat individuele rechters niet alleen worden gevrijwaard van ongepaste beïnvloeding van buiten de rechterlijke macht, maar tevens van die van binnenuit. Op grond van deze interne rechterlijke onafhankelijkheid mogen aan hen geen aanwijzingen worden gegeven, noch mag er op hen druk worden uitgeoefend door mederechters of door degenen die binnen het gerecht bestuursverantwoordelijkheid dragen, zoals de president van het gerecht of de president van een afdeling binnen het gerecht. Het ontbreken van voldoende waarborgen voor de onafhankelijkheid van rechters binnen de rechterlijke macht, met name ten aanzien van hen die binnen de rechterlijke hiërarchie hun meerdere zijn, kan het EHRM doen concluderen dat de twijfels van een rechtzoekende over de (onafhankelijkheid en) de onpartijdigheid van een gerecht kunnen worden geacht objectief gerechtvaardigd te zijn.60.
48.
In het arrest W.Ż.61. heeft het Hof de noodzaak benadrukt van procedurele waarborgen of garanties om de onafhankelijkheid binnen de rechterlijke macht te verzekeren en van het recht om maatregelen te betwisten die inbreuk kunnen maken op die onafhankelijkheid.62. Het Hof heeft verklaard dat ook onvrijwillige overplaatsingen van een rechter naar een andere rechterlijke instantie of de onvrijwillige overplaatsing van een rechter tussen twee afdelingen van dezelfde rechterlijke instantie — als een tuchtregeling — de beginselen van onafzetbaarheid en onafhankelijkheid van rechters zouden kunnen aantasten. Dergelijke overplaatsingen kunnen ook worden gebruikt als middel om toezicht uit te oefenen op de inhoud van rechterlijke beslissingen. Zij kunnen niet alleen invloed hebben op de omvang van de bevoegdheden van de betrokken rechters en de behandeling van de hun toevertrouwde dossiers, maar kunnen ook aanzienlijke gevolgen voor hun leven en loopbaan hebben en dus gevolgen die vergelijkbaar zijn met die van een tuchtmaatregel.63. Het Hof heeft bijgevolg verklaard dat de regels en beginselen met betrekking tot de tuchtregeling voor rechters van overeenkomstige toepassing moeten zijn op een dergelijke overplaatsingsregeling.64.
49.
Bijgevolg moeten regels voor de overplaatsing van rechters zonder hun instemming op duidelijke en transparante wijze vooraf worden vastgesteld om willekeur en/of het risico van manipulatie te voorkomen.65. Tot dergelijke overplaatsingen mag enkel worden besloten op wettige gronden, waaronder die welke verband houden met de verdeling van de beschikbare middelen ter bevordering van een goede rechtsbedeling. Dergelijke besluiten moeten naar behoren met redenen worden omkleed en moeten kunnen worden aangevochten volgens een procedure waarmee de in de artikelen 47 en 48 van het Handvest neergelegde rechten, met name de rechten van de verdediging, volledig worden gewaarborgd. Aangezien de overplaatsing van rechters en de ontheffing van een rechter van de behandeling van de hem toegewezen zaken zonder zijn instemming een soortgelijke ‘afschrikkende’ werking kunnen hebben, zijn de regels en beginselen die van toepassing zijn op dergelijke overplaatsingen en op elke tuchtregeling gelijkelijk van toepassing66. op de ontheffing van een rechter van de behandeling van de hem toegewezen zaken zonder zijn instemming.67.
50.
Uit de verzoeken om een prejudiciële beslissing en de schriftelijke en mondelinge opmerkingen van partijen blijkt dat het Poolse recht inzake de onvrijwillige overplaatsing van rechters en de ontheffing van rechters van de behandeling van de aan hen toegewezen zaken niet in overeenstemming is met de genoemde regels en beginselen.68. De wijze waarop het college en de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku bepalingen van Pools recht op A. N-B. hebben toegepast, heeft deze regels en beginselen verder ondermijnd. De aldus vastgestelde tekortkomingen lijken van systemische en individuele aard te zijn.
51.
Ter terechtzitting heeft de Poolse regering, in antwoord op vragen van het Hof, bevestigd dat artikel 22a van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties wijzigingen van het mandaat van een rechter regelt, met inbegrip van de overplaatsing van een rechter naar een andere afdeling van een rechterlijke instantie. Volgens artikel 22a, §§ 1 en 4a, van die wet is voor dergelijke wijzigingen de instemming van de betrokken rechter vereist. Tegen dergelijke besluiten staat ook beroep open bij de KRS.69.
52.
Artikel 22a, § 4b, punt 1, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties sluit het vereiste van instemming uit ‘in geval van overplaatsing naar een afdeling die kennisneemt van zaken op hetzelfde gebied’. Artikel 22a, § 5, punt 1, van die wet sluit het recht van beroep van de rechter uit ‘in geval van overplaatsing naar een afdeling die kennisneemt van zaken op hetzelfde gebied’.70. Deze bepalingen laten in bepaalde omstandigheden de onvrijwillige overplaatsing van rechters toe. Zij voorzien niet in een beroeps- of herzieningsprocedure waarmee de in de artikelen 47 en 48 van het Handvest neergelegde rechten, met name de rechten van de verdediging, volledig worden gewaarborgd.71. Aangezien bepalingen zoals artikel 22a, § 4b, punt 1, en artikel 22a, § 5, punt 1, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties rechters kunnen blootstellen aan ongewenste druk van binnen de rechterlijke macht, zijn zij naar mijn mening in strijd met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en met de beginselen van onafzetbaarheid en onafhankelijkheid van rechters.
53.
Wat betreft de overplaatsing van A. N-B. van een afdeling voor zaken in tweede aanleg naar een afdeling voor zaken in eerste aanleg van de Sąd Okręgowy w Słupsku, is de verwijzing in de beschikking van 13 oktober 2021 naar de noodzaak om de goede werking van de afdelingen voor zaken in tweede aanleg en de afdelingen voor zaken in eerste aanleg te waarborgen en naar een niet nader gespecificeerde briefwisseling tussen de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku en de president van een van de afdelingen kort en vaag. Gelet op de mogelijk negatieve gevolgen van dit besluit tot overplaatsing voor de onafhankelijke uitoefening van de rechterlijke bevoegdheden door A. N-B. en voor haar loopbaan, is een dergelijke beknopte uiteenzetting geen geldige motivering.72. De noodzaak van deze overplaatsing in het belang van een goede rechtsbedeling vereiste een objectieve en controleerbare motivering, met name in het licht van de gelijktijdige overplaatsing van een andere rechter van de afdeling voor zaken in eerste aanleg naar de afdeling voor zaken in tweede aanleg van de Sąd Okręgowy w Słupsku.
54.
Wat betreft het besluit van het college en de onvrijwillige ontheffing van A. N-B. van de behandeling van de haar toegewezen zaken, heeft de Poolse regering ter terechtzitting bevestigd dat overeenkomstig artikel 47b van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties een rechter in beginsel bevoegd blijft voor de bij hem aanhangige zaken, in weerwil van zijn overplaatsing naar een andere standplaats of zijn detachering. Deze regel lijkt het beginsel van onafzetbaarheid van rechters te eerbiedigen. Overeenkomstig artikel 47b, §§ 5 en 6, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties kan een rechter niettemin worden ontheven van de behandeling van de hem toegewezen zaken in geval van zijn overplaatsing naar een andere standplaats of detachering, hetzij op diens verzoek, hetzij bij besluit van het college van die rechtelijke instantie.73.
55.
Mijns inziens verzetten artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en de beginselen van de onschendbaarheid en onafhankelijkheid van rechters zich tegen bepalingen als artikel 47b, §§ 5 en 6, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties. Deze bepalingen lijken het mogelijk te maken om, willekeurig en vrij, rechters74. ambtshalve zonder hun instemming75. te ontheffen van de behandeling van zaken, zonder dat een beroeps- of herzieningsprocedure kan worden ingeleid die de in de artikelen 47 en 48 van het Handvest neergelegde rechten volledig waarborgt.76. Naast het feit dat er sprake is van een onvoorspelbare en niet-transparante handelwijze die ten koste gaat van de onafhankelijkheid en onafzetbaarheid van rechters, heeft de Poolse regering ter terechtzitting bevestigd dat er naar Pools recht geen redenen hoeven worden aangevoerd voor de ontheffing van rechters van de behandeling van de aan hen toegewezen zaken overeenkomstig artikel 47b, §§ 5 en 6, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties.
56.
Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter lijkt het dat het besluit van het college om A. N-B. te ontheffen van de behandeling van de haar toegewezen zaken, is genomen vóór haar overplaatsing van een afdeling voor zaken in tweede aanleg naar een afdeling voor zaken in eerste aanleg van de Sąd Okręgowy w Słupsku. Blijkt dit het geval te zijn, dan is het besluit van het college mogelijkerwijs genomen in strijd met artikel 47b, §§ 5 en 6, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties op grond waarvan een rechter na, maar niet vóór een overplaatsing kan worden ontheven van de behandeling van de hem toegewezen zaken. Ook is onbekend, althans formeel, waarom het college het besluit heeft vastgesteld.77. A. N-B. is bovendien niet overgeplaatst naar een andere standplaats of gedetacheerd vanuit de Sąd Okręgowy w Słupsku, hetgeen eveneens in strijd lijkt met het Poolse recht. Wordt dit bij de nationale rechter aangetoond, dan houden deze schendingen van het Poolse recht een inbreuk in op artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, mits deze rechter van oordeel is dat deze schendingen van dien aard waren dat A. N-B.78. werd blootgesteld aan ongepaste beïnvloeding of druk van binnen het gerechtelijke stelsel.79. Gelet op de tekortkomingen van de bepalingen van Pools recht80. zoals beschreven in de punten 50 tot en met 56 van deze conclusie, en de willekeurige toepassing ervan in de context van de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing, ben ik van mening dat, zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen heeft uiteengezet, het Hof in de onderhavige procedure niet hoeft te onderzoeken op welke wijze het college is benoemd.
57.
Gelet op de rechtstreekse werking van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU81. en teneinde de voorrang van het Unierecht te waarborgen, geef ik het Hof in overweging te verklaren dat de betrokken gerechtelijke organen de beschikking van 13 oktober 2021 van de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku om A. N-B. over te plaatsen van de afdeling voor zaken in tweede aanleg naar de afdeling voor zaken in eerste aanleg buiten toepassing moeten laten en dat A. N-B. moet worden teruggeplaatst naar de afdeling voor zaken in tweede aanleg.82. Het college van de Sąd Okręgowy w Słupsku en alle gerechtelijke organen die bevoegd zijn om de samenstelling van de rechtsprekende formaties te bepalen en te wijzigen, moeten het besluit van het college in de zaken die tot de gevoegde zaken C-647/21 en C-648/2183. hebben geleid, buiten toepassing laten en de nodige maatregelen nemen om die zaken opnieuw aan A. N-B. toe te wijzen.84.
Conclusie
58.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van de Sąd Okręgowy w Słupsku te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en de beginselen van onafzetbaarheid en onafhankelijkheid van rechters alsmede de voorrang van het Unierecht moeten aldus worden uitgelegd dat zij:
- —
ten eerste, in de weg staan aan bepalingen van nationaal recht die toestaan dat een rechter zonder zijn instemming wordt overgeplaatst zonder dat tegen een dergelijk besluit een beroeps- of herzieningsprocedure openstaat waarmee de in de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde rechten, met name de rechten van de verdediging, volledig worden gewaarborgd;
- —
ten tweede, in dergelijke omstandigheden de betrokken gerechtelijke organen van een nationale rechterlijke instantie verplichten een beschikking van de president van die rechterlijke instantie om een rechter van een afdeling van die rechterlijke instantie voor zaken in tweede aanleg over te plaatsen naar een afdeling voor zaken in eerste aanleg buiten toepassing te laten en deze rechter terug te plaatsen naar de afdeling voor zaken in tweede aanleg;
- —
ten derde, zich verzetten tegen bepalingen van nationaal recht die toestaan dat een rechter, willekeurig en vrij, ambtshalve zonder zijn instemming wordt ontheven van de behandeling van zaken zonder dat tegen dat besluit een beroeps- of herzieningsprocedure openstaat waarmee de in de artikelen 47 en 48 van het Handvest neergelegde rechten, met name de rechten van de verdediging, volledig worden gewaarborgd;
- —
ten vierde, ingeval een dergelijke overplaatsing heeft plaatsgevonden, de rechtsprekende formaties van de nationale rechterlijke instantie waaraan zaken zijn overgedragen, verplichten deze overdracht buiten toepassing te laten, en de gerechtelijke organen die bevoegd zijn om de samenstelling van de rechtsprekende formaties van die nationale rechterlijke instantie te bepalen en te wijzigen, verplichten deze zaken toe te wijzen aan de formatie waarbij zij aanvankelijk aanhangig waren.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 11‑04‑2024
Oorspronkelijke taal: Engels.
Dit aantal is een benadering.
Het college van de Sąd Okręgowy w Słupsku heeft bij besluit van 11 oktober 2021 (hierna: ‘college’) A. N-B. ontheven van de behandeling van een zeventigtal zaken (hierna: ‘besluit van het college’). Het college is samengesteld uit de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku en de presidenten van de rechterlijke instanties uit het rechtsgebied van die rechterlijke instantie.
Uit de verzoeken om een prejudiciële beslissing blijkt niet duidelijk aan wie al die zaken zijn toegewezen en welke criteria daarbij zijn gehanteerd. In hun schriftelijke opmerkingen geven de Prokuratura Rejonowa w Bytowie (openbaar ministerie Bytów, Polen) en de Prokuratura Okręgowa w Łomży (openbaar ministerie Łomży, Polen) aan dat de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing op willekeurige wijze opnieuw zijn toegewezen aan andere rechters.
Dat vonnis heeft geen kracht van gewijsde.
De misdrijven zouden in juli 2010 zijn gepleegd.
De tenuitvoerlegging van de straf werd opgeschort.
Deze zaak was overigens het voorwerp van een afzonderlijk verzoek om een prejudiciële beslissing en heeft geleid tot de beschikking van 11 februari 2021, Raiffeisen Bank International (C-329/20, EU:C:2021:111).
EHRM, 22 juli 2021, CE:ECHR:2021:0722JUD004344719.
In zijn nieuwe samenstelling.
C-204/21 R, EU:C:2021:593.
In zijn nieuwe samenstelling.
A. N-B. heeft zich onder meer beroepen op artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest.
De rechtsgrondslag voor die beschikking lijkt artikel 22a, § 4, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties te zijn.
De zesde strafkamer.
De zaken in de procedure die tot de onderhavige verzoeken om een prejudiciële beslissing hebben geleid, zijn aanhangig bij de zesde strafkamer van de sąd okręgowy w Słupsku.
De tweede strafkamer. Een andere rechter, die eerder zitting had in zowel de afdeling voor de behandeling van zaken in eerste aanleg als de afdeling voor de behandeling van zaken in tweede aanleg van de sąd okręgowy w Słupsku, werd overgeplaatst naar de afdeling voor de behandeling van zaken in tweede aanleg.
Arrest van 26 maart 2020, (C-542/18 RX-II en C-543/18 RX-II, EU:C:2020:232, punt 57; hierna: ‘arrest Simpson’). Ingevolge dit arrest moeten rechterlijk instanties nagaan of hun samenstelling het recht op een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld, eerbiedigt. Zie ook arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy — Benoeming) (C-487/19, EU:C:2021:798, punten 114 en 115; hierna: ‘arrest W.Ż.’).
Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende de versterking van bepaalde aspecten van het vermoeden van onschuld en van het recht om in strafprocedures bij de terechtzitting aanwezig te zijn (PB 2016, L 65, blz. 1).
Zoals de fundamentele aard van de betrokken kwestie en het belang van het beginsel van onafzetbaarheid van rechters.
Arrest van 13 juli 2023, (C-615/20 en C-671/20, EU:C:2023:562; hierna: ‘arrest YP’).
Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter lijkt het erop dat de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku op 20 september 2023 A. N-B. heeft gelast binnen 14 dagen te antwoorden op het verzoek van het Hof.
Na de overdracht van de nationale procesdossiers in de gevoegde zaken C-647/21 en C-648/21 aan A. N-B. op 25 september 2023, heeft de president van de Sąd Okręgowy w Słupsku haar gelast te antwoorden op het verzoek van het Hof om verduidelijking.
A. N-B. heeft hieraan toegevoegd dat die beschikking nooit is ondertekend en dat de andere leden van de formatie van drie rechters niet zijn benoemd. De beschikking van 11 maart 2021 tot benoeming van de formatie in haar oorspronkelijke samenstelling is bovendien niet herroepen.
Bestaande uit één of drie rechters.
Zie naar analogie beschikking van 2 juli 2020, S.A.D. Maler und Anstreicher (C-256/19, EU:C:2020:523, punten 32–34), en arrest van 20 april 2021, Repubblika (C-896/19, EU:C:2021:311, punten 35–44). Zie ook beschikking van 3 oktober 2023, Centar za restrukturiranje i prodaju (C-327/22, EU:C:2023:757, punten 27–29).
Arresten van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny (C-558/18 en C-563/18, EU:C:2020:234, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 9 januari 2024, G. e.a. (Benoeming van rechters in de gewone rechterlijke instanties in Polen) (C-181/21 en C-269/21, EU:C:2024:1, punt 57; hierna: ‘arrest G’). Zie ook beschikking van 2 juli 2020, S.A.D. Maler und Anstreicher (C-256/19, EU:C:2020:523, punten 35–40).
Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU verwijst naar ‘onder het recht van de Unie vallende gebieden’, ongeacht of de lidstaten het Unierecht ten uitvoer brengen in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest.
Arrest van 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy — Beroep) (C-824/18, EU:C:2021:153, punt 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 20 april 2021, Repubblika (C-896/19, EU:C:2021:311, punten 63–65).
Zie naar analogie arrest van 18 mei 2021, Asociaţia ‘Forumul Judecătorilor din România’ e.a. (C-83/19, C-127/19, C-195/19, C-291/19, C-355/19 en C-397/19, EU:C:2021:393, punt 230). Voor de krachtens het Unierecht vereiste waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn regels nodig, onder andere met betrekking tot de samenstelling van de rechterlijke instanties en de benoeming, de ambtstermijn en de gronden voor verschoning, wraking en afzetting van hun leden. Die regels moeten geschikt zijn om bij de justitiabelen elke legitieme twijfel erover weg te nemen dat deze instanties zich niet laten beïnvloeden door externe factoren en onpartijdig zijn ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen. Zie arrest van 20 april 2021, Repubblika (C-896/19, EU:C:2021:311, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest YP, punten 46 en 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
De Commissie is uitgegaan van arrest YP, punt 47, en arrest van 16 november 2021, Prokuratura Rejonowa w Mińsku Mazowieckim e.a. (C-748/19–C-754/19, EU:C:2021:931, punt 48).
Zie dienaangaande de conclusie van advocaat-generaal Emiliou in de zaak Cilevičs e.a. (C-391/20, EU:C:2022:166, punt 24).
Zie arresten van 27 juni 2013, Di Donna (C-492/11, EU:C:2013:428, punten 24–26 en aldaar aangehaalde rechtspraak); 27 februari 2014, Pohotovosť (C-470/12, EU:C:2014:101, punten 27–29 en aldaar aangehaalde rechtspraak); 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny (C-558/18 en C-563/18, EU:C:2020:234, punten 44 en 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 24 november 2020, Openbaar Ministerie (Valsheid in geschrifte) (C-510/19, EU:C:2020:953, punt 27 en aldaar aangehaalde rechtspraak). De prejudiciële verwijzing berust op een dialoog van rechter tot rechter, waarvan het initiatief volledig afhankelijk is van de beoordeling door de nationale rechter van de relevantie en de noodzaak van deze verwijzing. De nationale rechter bezit de meest uitgebreide bevoegdheid om zich tot het Hof te wenden, indien hij meent dat een bij hem aanhangig geding vragen opwerpt die een uitlegging of een beoordeling van de geldigheid van bepalingen van het recht van de Unie verlangen en ter zake waarvan hij een beslissing moet nemen. Zie dienaangaande beschikking van 12 februari 2019, RH (C-8/19 PPU, EU:C:2019:110, punten 37 en 38).
Zie punten 19 en 20 van deze conclusie.
In haar antwoord van 17 oktober 2023 op het verzoek om verduidelijking van het Hof heeft A. N-B. bevestigd dat de behandeling van de strafprocedure voor de Sąd Okręgowy w Słupsku geschorst blijft overeenkomstig het nationale recht.
Zie punt 28 van deze conclusie.
Arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny (C-558/18 en C-563/18, EU:C:2020:234, punt 50).
Zie naar analogie arrest van 16 november 2021, Prokuratura Rejonowa w Mińsku Mazowieckim e.a. (C-748/19—C-754/19, EU:C:2021:931, punten 46–50).
Zie punten 66–73 van arrest G. Zie naar analogie arrest van 21 maart 2023, Mercedes-Benz Group (Aansprakelijkheid van fabrikanten van met een manipulatie-instrument uitgeruste voertuigen) (C-100/21, EU:C:2023:229, punt 54).
Zie naar analogie arrest YP, punten 46 en 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny (C-558/18 en C-563/18, EU:C:2020:234, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie dienaangaande arrest Simpson, punt 57.
Zie punten 3–7 van deze conclusie.
Zie naar analogie arrest YP, punten 70–72 en 77–79.
In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het verzoek om een prejudiciële beslissing in zaak C-647/21, is A. N-B. alleensprekende rechter.
Zie daarentegen punt 60 van arrest G, waarin het Hof heeft verklaard dat de Poolse regering de ontvankelijkheid betwistte van een verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door één rechter van een formatie van drie rechters.
Zie punt 20 van deze conclusie.
Volgens A. N-B. was haar overplaatsing van een afdeling die zaken in tweede aanleg behandelt naar een afdeling die zaken in eerste aanleg behandelt ongebruikelijk. Tegelijkertijd met haar overplaatsing werd een rechter van een afdeling die zaken in eerste aanleg behandelt overgeplaatst naar een afdeling die zaken in tweede aanleg behandelt.
Door de KRS in zijn nieuwe samenstelling. De Zweedse regering merkt op dat de ontheffing van een rechter van de behandeling van de hem toegewezen zaken een zeer verregaande maatregel is die in bepaalde gevallen neerkomt op ontzetting uit het ambt. Het risico bestaat dat dergelijke maatregelen voor disciplinaire doeleinden en op een oneigenlijke manier worden gebruikt om een rechter te verhinderen zijn rechterlijke taken uit te oefenen. Dat risico is bijzonder groot in gevallen zoals het onderhavige, waarin de ontheffing van de behandeling van de toegewezen zaken gepaard is gegaan met maatregelen van disciplinaire aard, zoals een overplaatsing naar een andere afdeling.
Zie arrest W.Ż., punt 118.
Ter terechtzitting heeft zowel de Poolse regering als de Commissie verklaringen in die zin afgelegd.
Arrest van 20 april 2021, Repubblika (C-896/19, EU:C:2021:311, punten 48–51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Rechterlijke instanties moeten ook gelijke afstand houden ten opzichte van de partijen bij het geding en hun respectieve belangen met betrekking tot het voorwerp van het geding. Voor dit aspect van onafhankelijkheid is het nodig dat rechterlijke instanties objectiviteit in acht nemen en dat elk belang bij de oplossing van het geschil, buiten de strikte toepassing van de rechtsregel, ontbreekt. Arrest van 19 november 2019, A. K. e.a. (Onafhankelijkheid van de tuchtkamer van de Sąd Najwyższy) (C-585/18, C-624/18 en C-625/18, EU:C:2019:982, punten 120–122 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 18 mei 2021, Asociaţia ‘Forumul Judecătorilor din România’ e.a. (C-83/19, C-127/19, C-195/19, C-291/19, C-355/19 en C-397/19, EU:C:2021:393, punt 212). Dit weerspiegelt het concept van de scheiding van de machten. Arrest van 20 april 2021, Repubblika, (C-896/19, EU:C:2021:311, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie EHRM, 8 november 2021, Dolińska-Ficek en Ozimek tegen Polen (CE:ECHR:2021:1108JUD004986819, § 274). Om ervoor te zorgen dat rechters geen enkele vorm van inmenging of druk van buitenaf ondergaan, zijn bepaalde waarborgen nodig ter bescherming van degenen die tot taak hebben recht te spreken, zoals hun onafzetbaarheid. Arrest van 5 november 2019, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid van de gewone rechterlijke instanties) (C-192/18, EU:C:2019:924, punt 112 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie dienaangaande de conclusie van advocaat-generaal Pikamäe in de gevoegde zaken Financijska agencija en UDRUGA KHL MEDVEŠČAK ZAGREB (C-554/21, C-622/21 en C-727/21, EU:C:2023:816, punten 63 en 64).
EHRM, arrest van 23 juni 2016, Baka tegen Hongarije (CE:ECHR:2016:0623JUD002026112, § 168).
EHRM, arrest van 22 december 2009, (CE:ECHR:2009:1222JUD002481006, § 86). Het EHRM onderzoekt onder meer of de bevoegdheden van voorzitters van rechterlijke formaties en presidenten van rechterlijke instanties ‘de interne onafhankelijkheid [van rechters] kunnen inperken’ dan wel ‘kunnen zorgen voor latente druk waardoor rechters onderdanig worden ten aanzien van hun superieuren, of in elk geval individuele rechters terughoudend worden om tegen de wensen van hun president in te gaan, met andere woorden een ‘afschrikkende’ werking kunnen hebben voor de interne onafhankelijkheid van rechters […]’. Ibidem, § 91.
Zie punten 113–118.
Het verzoek om een prejudiciële beslissing in die zaak is gedaan in de context van een bezwaarprocedure die rechter W.Ż. had ingeleid tegen een besluit van de KRS in zijn nieuwe samenstelling. In dat besluit werd verklaard dat niet hoefde te worden beslist op het door W.Ż. gemaakte bezwaar tegen een besluit van de president van de Sąd Okręgowy w K. (rechter in eerste of tweede aanleg K., Polen) waarbij de overplaatsing van W.Ż. tussen twee kamers van die rechterlijke instantie was gelast, zonder dat W.Ż. hiermee had ingestemd.
Zie arrest W.Ż., punt 115.
Zie arrest W.Ż., punt 117. Volgens het Hof vereist de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht dat de nationale tuchtregeling voor rechters de noodzakelijke waarborgen biedt om elk gevaar uit te sluiten dat die regeling wordt gebruikt als systeem om toezicht op de inhoud van de rechterlijke beslissingen te houden. Deze waarborgen omvatten regels waarin zowel de gedragingen die tuchtrechtelijke overtredingen opleveren als de concreet daarop toepasselijke sancties worden omschreven, waarbij wordt voorzien in de tussenkomst van een onafhankelijke instantie volgens een procedure waarmee de in de artikelen 47 en 48 van het Handvest neergelegde rechten, met name de rechten van de verdediging, volledig worden gewaarborgd, en waarbij wordt voorzien in de mogelijkheid om in rechte op te komen tegen de beslissingen van de tuchtinstanties: arrest van 18 mei 2021, Asociaţia ‘Forumul Judecătorilor din România’ e.a. (C-83/19, C-127/19, C-195/19, C-291/19, C-355/19 en C-397/19, EU:C:2021:393, punt 198 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook arrest van 11 mei 2023, Inspecţia Judiciară (C-817/21, EU:C:2023:391, punten 55 en 73), over de noodzaak van adequate waarborgen ter voorkoming van misbruik van bevoegdheden door de directeur van een orgaan dat bevoegd is om onderzoeken in te stellen en tuchtprocedures tegen rechters in te leiden.
Zie naar analogie arrest van 16 november 2021, Prokuratura Rejonowa w Mińsku Mazowieckim e.a. (C-748/19—C-754/19, EU:C:2021:931, punt 79), voor een geval waarin de detachering van een rechter is beëindigd op grond van een besluit van de Poolse minister van Justitie en niet op grond van een besluit van leden van de rechterlijke macht.
Zie punt 13 van de opmerkingen van de Nederlandse regering.
Zie ook International Association of Judges, Universal Charter of the Judge, vastgesteld door de International Association of Judges Central Council in Taiwan op 17 november 1999 en geactualiseerd in Santiago de Chile op 14 november 2017, artikel 3.4 (‘Hoe zaken moeten worden toegewezen’). Hierin wordt bepaald dat ‘[e]en zaak […] niet zonder geldige redenen aan een bepaalde rechter [mag] worden onttrokken. De beoordeling van dergelijke redenen moet gebeuren op basis van objectieve criteria, die vooraf bij wet zijn vastgesteld, overeenkomstig een transparante procedure door een autoriteit binnen de rechterlijke macht.’ (https://www.unodc.org/res/ji/import/international_standards/the_universal_charter_of_the_judge/universal_charter_2017_english.pdf). Zie naar analogie ook EHRM, 5 oktober 2010, DMD GROUP a.s., tegen Slowakije (CE:ECHR:2010:1005JUD001933403, §§ 62–72) betreffende de hertoewijzing van zaken. Het EHRM heeft geoordeeld dat wanneer de president van een gerecht bij de hertoewijzing van een zaak, die zaak aan zichzelf toewijst en daarin zelf als rechter optreedt, het primordiale belang van rechterlijke onafhankelijkheid en rechtszekerheid voor de rechtsstaat duidelijke waarborgen vereist om de objectiviteit en de transparantie te waarborgen en vooral om elke schijn van willekeur bij de toewijzing van bepaalde zaken te vermijden.
Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter. In de procedure van artikel 267 VWEU spreekt het Hof zich niet uit over de uitlegging en toepassing van nationale wetgeving en beoordeelt het evenmin de feiten. Het Hof kan, in het kader van de justitiële samenwerking waarin artikel 267 VWEU voorziet en op basis van het dossier, een nationale rechterlijke instantie een uitlegging van het Unierecht geven die voor haar nuttig kan zijn bij de beoordeling van de gevolgen van deze bepalingen.
Aangezien A. N-B. geen beroep heeft kunnen instellen krachtens artikel 22a, § 5, punt 1, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties, lijkt het onderzoek van de doeltreffendheid van deze beroepsmogelijkheid geen praktisch doel te dienen.
De schriftelijke opmerkingen van de Prokuratura Okręgowa w Łomży en de Prokuratura Rejonowa w Bytowie gaan hier ook op in.
Zie arrest W.Ż., punten 113–118.
Zoals de Commissie ter terechtzitting heeft opgemerkt, en onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, zou een dergelijke overplaatsing kunnen neerkomen op een demotie.
Wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties, artikel 47b, § 5.
Zoals de Zweedse regering heeft opgemerkt, moet de toewijzing van zaken gebaseerd zijn op duidelijke en transparante regels, zodat niet de indruk wordt gewekt dat zaken willekeurig opnieuw worden toegewezen.
Saillant is dat krachtens artikel 47b, § 5, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties de presidenten van de bevoegde rechterlijke instanties wel worden geraadpleegd, maar de betrokken rechter niet. Het feit dat rekening wordt gehouden met bepaalde objectieve criteria, zoals de stand van de zaken, biedt mijns inziens geen oplossing voor de andere tekortkomingen die ik heb vastgesteld.
Zie arrest W.Ż., punten 113–118.
De Poolse regering heeft ter terechtzitting verklaard dat, aangezien dit besluit niet aan A. N-B. is betekend, het naar Pools recht geen motivering bevat.
En indirect andere rechters, aangezien de maatregelen die ten aanzien van A. N-B. zijn genomen, andere rechters ervan zouden kunnen weerhouden na te gaan of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest zijn nageleefd.
Zie naar analogie arrest W.Ż., punt 130 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
Artikel 22a, § 4b, punt 1, artikel 22a, § 5, punt 1, en artikel 47b, §§ 5 en 6, van de wet betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties.
Arrest van 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy — Beroep) (C-824/18, EU:C:2021:153, punten 145 en 146).
De Deense, de Poolse en de Zweedse regering alsmede de Commissie hebben dit standpunt ter terechtzitting verdedigd.
Aangezien de behandeling van deze zaken bij de Sąd Okręgowy w Słupsku sinds de indiening van de verzoeken om een prejudiciële beslissing is geschorst, is het rechtszekerheidsbeginsel niet aan de orde. Zie arrest YP, punt 78.
Zie naar analogie arrest YP, punten 76 en 77. Zie ook arrest van 24 juni 2019, Popławski (C-573/17, EU:C:2019:530, punten 52 e.v.).