Einde inhoudsopgave
Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/11.2.1
11.2.1 De gevolgen van zaaksvorming voor het eigendomsvoorbehoud
mr. K.W.C. Geurts, datum 01-10-2019
- Datum
01-10-2019
- Auteur
mr. K.W.C. Geurts
- JCDI
JCDI:ADS90927:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/517 e.v.; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/73; Snijders & Rank-Berenschot 2017/288.
HR 5 december 1986, NJ 1987/745 (Gescheurde orchideeën).
HR 24 maart 1995, NJ 1996/158 (Hollander’s Kuikenbroederij); HR 14 augustus 2015, NJ 2016/263 (Zalco); Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/74.
HR 6 januari 1961, NJ 1962/19 (Seneca/Forumbank); HR 5 december 1986, NJ 1987/745 (Gescheurde orchideeën); HR 14 februari 1992, NJ 1993/623 (Hinck/Van der Werff &Visser); HR 24 maart 1995, NJ 1996/158 (Hollander’s Kuikenbroederij); Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/518; Wichers 2002, p. 194-198; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/73; Snijders & Rank-Berenschot 2017/288.
Brahn 1984; Bartels 2012, p. 27-33; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012, nr. 510.
Wichers 2002, p. 177-178 met een verwijzing naar Feith, Nieuwe Bijdragen voor Regtsgeleerdheid en wetgeving, 1860, p. 531.
NvW, Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 110; Hof ’s-Hertogenbosch 12 april 2016, JOR 2016/214; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/75; Snijders/Rank-Berenschot 2017/289.
Vgl. HR 14 augustus 2015, NJ 2016/263 (Zalco).
HR 5 oktober 1990, NJ 1992/226 (Breda/Antonius).
HR 5 oktober 1990, NJ 1992/226, m. nt. Kleijn (Breda/Antonius), r.o. 3.3.
Asser/Van Mierlo 3-VI 2016/539; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/75-76; Verheul 2018, p. 227-229.
Vgl. Wichers 2002, p. 234-236; Booms in zijn noot onder Hof Den Haag 27 oktober 2015, JOR 2016/22; Hof ’s-Hertogenbosch 12 april 2016, JOR 2016/214; Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/75-77.
NvW, Parl. Gesch. Boek 5 BW, p. 110; MvA I Inv., Parl. Gesch. Boek 5 BW (Inv.3, 5 en 6), p. 1022-1023; HR 5 oktober 1990, NJ 1992/226 (Breda/Antonius), r.o. 3.3.
Zaaksvorming doet zich voor indien uit één of meerdere roerende zaken een nieuwe zaak wordt gevormd (art. 5:16 BW). Het moet gaan om een zaak die door vormende arbeid een nieuwe identiteit heeft verkregen.1
De vormende arbeid houdt in dat de nieuwe zaak door menselijk handelen is bewerkstelligd. Uit een aantal arresten van de Hoge Raad volgt dat dit geen hoge drempel is. Zo is door de Hoge Raad het scheuren van een orchidee in twee orchideeën gekwalificeerd als vormende arbeid.2 Ook het mechanisch uitbroeden van eieren tot kuikens was voldoende menselijke vormende arbeid om zaaksvorming aan te nemen, evenals het verrichten van de ‘nodige handelingen’ waardoor een chemische reactie teweeg werd gebracht tussen aluinaarde en kryoliet, die vloeibaar aluminium deed ontstaan.3
Het vereiste van vormende arbeid hangt nauw samen met het vereiste van een nieuwe zaak. De vormende arbeid moet leiden tot een zaak met een eigen, van de oorspronkelijke zaak of zaken te onderscheiden identiteit. Gekeken moet worden of de zaak eigen kenmerken, eigenschappen en/of een eigen hoedanigheid heeft. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersopvattingen.4
In een concreet geval kan het moeilijk zijn om de grens te trekken tussen zaaksvorming en natrekking, terwijl deze leerstukken verschillende gevolgen (kunnen) hebben voor de voorrangspositie voor leverancierskrediet. Het kan ten eerste lastig zijn om te bepalen of sprake is van een nieuwe zaak en dus van zaaksvorming of toch natrekking.5 Ook het moment waarop dit beoordeeld wordt of moet worden, kan een verschil maken. Is de productie van een auto bijvoorbeeld zaaksvorming omdat van allemaal losse onderdelen een auto wordt gebouwd, of is sprake van een proces van meerdere natrekkingsmomenten? En hoe zit het met witlof die uit de witlofpen groeit? Is dit al een nieuwe zaak als de witlof is opgekweekt of pas als de witlof van de wortel is afgesneden? Deze vragen moeten beantwoord worden aan de hand van de verkeersopvatting.6 Ik laat dat nu verder rusten en neem als uitgangspunt dat in een concreet geval van zaaksvorming sprake is.
Door zaaksvorming vervalt de voorbehouden eigendom van de leverancier. De onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaak houdt immers juridisch gezien op te bestaan. Er ontstaat een nieuwe zaak met een nieuw eigendomsrecht waarin de oorspronkelijke zaken zijn opgegaan. De leverancier verliest zijn zekerheidsrecht met betrekking tot de oorspronkelijke zaken.
Hij hoeft echter niet met lege handen achter te blijven. De leverancier kan op grond van art. 5:16 BW eigenaar worden van de nieuw gevormde zaken. Er zijn twee mogelijkheden. Ten eerste kan hij (mede-)eigenaar worden op grond van het eerste lid. De nieuw gevormde zaak is namelijk gevormd uit (mede) aan hem toebehorende zaken. Ten tweede kan hij de eigendom verkrijgen op grond van het tweede lid als hij degene is voor wie wordt gevormd, mits de nieuwe zaak (mede) uit zaken van derden is gevormd. Voor de eigendomstoewijzing op grond van het eerste lid wordt aangeknoopt bij de oorspronkelijke eigendomsververhoudingen, terwijl in het tweede lid de vorming centraal staat. Art. 5:16 BW brengt hiermee een oude controverse tot uitdrukking: wordt voor de eigendomstoewijzing aangesloten bij de vorm of de stof?7
Verdedigbaar is naar mijn mening dat het eerste lid van art. 5:16 BW de hoofdregel voor de eigendomstoewijzing is.8 De leverancier wordt eigenaar van de nieuwe zaak of mede-eigenaar indien zaken van meerdere eigenaren zijn gebruikt bij de vorming. Aangezien wordt aangeknoopt bij de oorspronkelijke eigendomsverhoudingen, verkrijgt de leverancier (een aandeel in) de nieuwe zaak onder dezelfde ontbindende voorwaarde als hij de oorspronkelijke zaak overdroeg. De koper/fabrikant is eigenaar onder opschortende voorwaarde.9
Dit leidt uitzondering indien de fabrikant de nieuwe zaken voor zichzelf of voor een opdrachtgever, niet zijnde de leverancier, vormt uit zaken die hem geheel of gedeeltelijk niet toebehoren en zich met succes beroept op art. 5:16 lid 2 BW.10 In dat geval wordt de eigendom toegewezen aan de vormer of degene die voor zich laat vormen. De Hoge Raad heeft overwogen dat gekeken moet worden naar ‘hetgeen in het licht van de daarop betrekking hebbende verkeersopvattingen uit de rechtsverhouding tussen partijen voortvloeit’.11 Bij een industriële fabricage komt dit aan op de vraag wie beslissende invloed heeft op de wijze van productie, op de definitieve vorm van het product en/of het economisch risico van de verhandelbaarheid van het product draagt.12
Doorgaans kan de koper/fabrikant een geslaagd beroep doen op het tweede lid van art. 5:16 BW als hij een nieuwe zaak vormt uit zaken die eigendom zijn van de leverancier. Hij wordt eigenaar, omdat hij beslissende invloed heeft op de productiewijze, de vormgeving en het financiële risico van het product draagt. Dit rechtvaardigt dat een uitzondering wordt gemaakt op de eigendomstoewijzing op grond van de hoofdregel in art. 5:16 lid 1 BW.
Dit wordt mogelijk anders als de leverancier niet slechts de zaken onder eigendomsvoorbehoud levert, maar tevens invloed heeft op het productieproces en het eindproduct.13 Dit zijn belangrijke aanwijzingen dat de leverancier de zaak voor zichzelf laat vormen en eigenaar wordt op grond van de hoofdregel. Er zijn dan onvoldoende aanknopingspunten om de eigendom op grond van de uitzondering toe te wijzen aan de koper. Zijn voor de vorming zaken van zowel de leverancier als de koper gebruikt en heeft de leverancier beslissende invloed op het product, de wijze van productie en/of draagt hij het economisch risico van het product, dan kan de eigendom aan de leverancier worden toegewezen op grond van art. 5:16 lid 2 BW.
Tot slot wordt de leverancier ook eigenaar als de koper/fabrikant de nieuwe zaak weliswaar voor zichzelf vormt uit zaken van de leverancier en het economische risico van de productie en het eindproduct draagt, maar de kosten van vorming zeer gering zijn. De eigendomstoewijzing aan de fabrikant op grond van art. 5:16 lid 2 BW is dan niet gerechtvaardigd.14 In deze gevallen wordt teruggevallen op de hoofdregel in art. 5:16 lid 1 BW en verkrijgt de leverancier de eigendom van de nieuw gevormde zaak.
Het gaat er bij de eigendomstoewijzing op grond van art. 5:16 BW uiteindelijk steeds om dat de eigendom van de nieuwe zaak wordt toegewezen aan degene die het economische risico van de productie en verhandelbaarheid van de nieuwe zaken draagt.15 In dit kader moet tevens worden meegenomen wie eigenaar was van de gebruikte zaken, en deze zaken mogelijk op krediet verstrekte aan de fabrikant.