Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.2.3
5.2.3 Terugbetaling bij het ontbreken van een relevante rechtsverhouding
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS495127:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
HR 15 november 1957, NJ 1958/67 (Baris/Riezenkamp).
Zie over dit geval: Van den Berg 1991, p. 18-21; De Kluiver 1992, p. 275-277; Verhagen 1997, p. 109-114; zie echter ook, onder het oude recht, HR 18 april 1969, NJ 1969/336, waarin de Hoge Raad oordeelde dat in dit geval geen sprake was van een betaling in de zin van art. 1395 OBW (dat wil zeggen een prestatie die als onverschuldigd betaald kon worden teruggevorderd); zie over deze problematiek voorts: Ruygvoorn 2009, p. 141-145.
In de zelfde zin: Asser/Hartkamp & Sieburgh 2011 (6-IV*), nr. 424.
In de eerste plaats kunnen prestaties worden teruggevorderd die zijn verricht zonder dat een relevante rechtsverhouding tussen de presterende en ontvangende partij daartoe aanleiding gaf. Kenmerkend voor deze gevallen is dat eerst door de verrichting en de ontvangst van deze prestatie een verbintenis tussen partijen ontstaat. In dergelijke gevallen staan twee belangen tegenover elkaar: (i) het belang van degene die zonder goede reden heeft betaald bij het terugkrijgen van zijn prestatie en (ii) het belang van de ontvanger bij het behouden van een prestatie die hij in de schoot geworpen krijgt. In abstracto heeft de wetgever in artikel 6:203 een afweging gemaakt en de betalende partij een recht op teruggave gegeven; een rechtsgrond voor de prestatie ontbreekt aangezien geen rechtvaardiging bestaat voor het verrichten en behouden van de prestatie. Opmerking verdient dat, evenals bij de Romeinse condictio indebiti, in dit type gevallen slechts door één partij is gepresteerd, dat wil zeggen dat de ontvanger geen tegenprestatie heeft verricht of zou verrichten.
Ik noem enkele voorbeelden van prestaties die zijn verricht zonder dat een rechtsverhouding bestond die daartoe aanleiding gaf. Het belangrijkste geval is de onverschuldigde betaling die is verricht als gevolg van een vergissing van de presterende partij die meende een schuld te hebben aan de ontvanger. Verder vallen in deze categorie onbewust verrichte prestaties, zoals het vervoer van een verstekeling. Voorts behoren tot deze categorie bepaalde werkzaamheden die worden verricht in de precontractuele fase. Weliswaar komen partijen bij onderhandelingen over een contract tot elkaar te staan in een door de redelijkheid beheerste rechtsverhouding,1 maar deze rechtsverhouding geeft op zichzelf geen aanleiding tot het verrichten van een prestatie. De prestatie wordt verricht naar aanleiding van louter feitelijke verwachtingen die niet juist blijken. Als de ontvanger niet kan wijzen op een goede reden voor het behouden van de prestatie, heeft de presterende partij recht op teruggave van de prestatie. Een goede reden kan zijn dat de presterende partij een spierinkje heeft uitgeworpen om een kabeljauw te vangen. Daarentegen ontbreekt een goede reden als een aannemer en een gemeente onderhandelen over een contract en de aannemer met instemming van de gemeente alvast begint met het uitvoeren van grote delen van de graafwerkzaamheden waarover wordt onderhandeld.2 Tot slot noem ik de onjuiste nakoming van een overeenkomst, waarbij een prestatie wordt verricht waartoe de bestaande rechtsverhouding geen aanleiding geeft. Bijvoorbeeld, A betaalt zonder rechtsgrond wanneer hij een kast levert aan B, terwijl hij een tafel had verkocht.3
Bij de invulling van de vereisten van artikel 6:203 moet rekening worden gehouden met de hier besproken categorie prestaties zonder rechtsgrond. Uit het begrip betaling moet volgen wie de presterende en ontvangende partij zijn tussen wie de rechtsverhouding eventueel moet worden afgewikkeld. Uit het begrip rechtsgrond moet volgen of een dergelijke prestatie inderdaad kan worden teruggevorderd.