Billijkheidsuitzonderingen
Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/1.3:1.3 Buiten toepassing laten van geldige wettelijke voorschriften
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/1.3
1.3 Buiten toepassing laten van geldige wettelijke voorschriften
Documentgegevens:
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS358280:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hierover Schutgens 2009, p. 9.
Schutgens 2009, p. 9, 10.
Hoofdstuk 4, par. 4.2.3, c.
HR 8 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:607, NJ 2016/220. Ook in die zin Hof Amsterdam 14 oktober 2010, ECLI:NL:GHAMS:2014:6014.
Aristoteles, Ethica Nicomachea, V, 14, 1137a30-1138a5, vertaling Pannier & Verhaeghe 1999, p. 169-171.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dit onderzoek ziet niet op toetsing van wetgeving. Toetsing van wetgeving wil zeggen dat de rechter de geldigheid van een wettelijk voorschrift in abstracto beoordeelt in het licht van een ander wettelijk voorschrift, een rechtsbeginsel, ander ongeschreven recht of een verdragsbepaling, en daaraan in geval van strijdigheid rechtsgevolgen verbindt. Met andere woorden: een wettelijk voorschrift wordt dan in het licht van hoger recht als gebrekkig beoordeeld, hetgeen betekent dat het geen rechtskracht heeft, en waardoor het onverbindend wordt verklaard of buiten toepassing wordt gelaten.1 Als de rechter een voorschrift in een concreet geval buiten toepassing laat, kán dat dus zijn omdat het (zelf) onverbindend is – maar het kan ook een andere reden hebben. Ook als een voorschrift geldig is, kan toepassing ervan in concreto wél in strijd zijn met een andere regel.2 Dit onderzoek ziet alleen op deze gevallen waarin verbindende voorschriften buiten toepassing worden gelaten vanwege omstandigheden van het individuele geval. Een billijkheidsuitzondering is, kortom, een species van het genus ‘buiten toepassing laten’.
Een voorbeeld verduidelijkt dit wellicht. Het komt voor dat de civiele rechter een uitzondering maakt op het wettelijke griffierecht omdat de rechtzoekende het niet kan betalen.3
Uitgeprocedeerde asielzoekers gingen in cassatie tegen de door het hof uitgesproken ontruiming van de door hen bewoonde gekraakte kantoorruimtes.4 Bij hun verzet tegen het griffierecht van € 322,- beriepen zij zich op hun recht op toegang tot de rechter van artikel 6 EVRM omdat zij geen inkomen of vermogen hadden, en geen inkomen mochten verwerven of recht op een uitkering hadden. De rechter verklaarde dat gegrond. Hij maakte een afweging tussen de hoogte van het griffierecht en de draagkracht van de rechtzoekende. Heffing van griffierecht in dit geval was ‘een ontoelaatbare belemmering van het recht op toegang tot de rechter’.
Door een dergelijke uitzondering spreekt de rechter zich niet uit over de geldigheid van het wettelijke griffierecht in abstracto. Hij laat een verbindend wettelijk voorschrift alleen vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval buiten toepassing.
Ook Aristoteles bakende zo de uitzonderingen af:
‘Wanneer het dus noodzakelijk is een algemene uitspraak te doen, maar het onmogelijk is dat op een juiste manier te doen, houdt de wet rekening met wat in de meeste gevallen voorkomt, zonder evenwel over het hoofd te zien dat hij daardoor tekortschiet. En hij is daarom niet minder juist. Dat hij tekortschiet ligt immers noch aan de wet noch aan de wetgever, maar aan de aard van de zaak zelf; de materie van het menselijk handelen laat zich nu eenmaal niet vatten in algemene bepalingen.’ (cursief FB)5