Procestaal: Roemeens.
HvJ EU, 04-10-2018, nr. C-12/17
ECLI:EU:C:2018:799
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
04-10-2018
- Magistraten
K. Lenaerts, A. Tizzano, M. Ilešič, L. Bay Larsen, T. von Danwitz, E. Levits, A. Borg Barthet, A. Arabadjiev, F. Biltgen, K. Jürimäe, C. Lycourgos
- Zaaknummer
C-12/17
- Conclusie
P. Mengozzi
- Roepnaam
Dicu
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2018:799, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 04‑10‑2018
ECLI:EU:C:2018:195, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 20‑03‑2018
Uitspraak 04‑10‑2018
K. Lenaerts, A. Tizzano, M. Ilešič, L. Bay Larsen, T. von Danwitz, E. Levits, A. Borg Barthet, A. Arabadjiev, F. Biltgen, K. Jürimäe, C. Lycourgos
Partij(en)
In zaak C-12/17,*
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Curte de Apel Cluj (rechter in tweede aanleg Cluj, Roemenië) bij beslissing van 11 oktober 2016, ingekomen bij het Hof op 10 januari 2017, in de procedure
Tribunalul Botoşani,
Ministerul Justiťiei
tegen
Maria Dicu,
in tegenwoordigheid van:
Curtea de Apel Suceava,
Consiliul Superior al Magistraturii,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, A. Tizzano, vicepresident, M. Ilešič, L. Bay Larsen, T. von Danwitz en E. Levits (rapporteur), kamerpresidenten, A. Borg Barthet, A. Arabadjiev, F. Biltgen, K. Jürimäe en C. Lycourgos, rechters,
advocaat-generaal: P. Mengozzi,
griffier: R. Şereş, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 januari 2018,
gelet op de opmerkingen van:
- —
de Consiliu Superior al Magistraturii, vertegenwoordigd door M. Ghena als gemachtigde,
- —
de Roemeense regering, aanvankelijk vertegenwoordigd door R.-H. Radu, O.-C. Ichim, L. Liţu en E. Gane en vervolgens door C.-R. Canţăr, O.-C. Ichim, L. Liţu en E. Gane als gemachtigden,
- —
de Duitse regering, vertegenwoordigd door D. Klebs en T. Henze als gemachtigden,
- —
de Estse regering, vertegenwoordigd door A. Kalbus als gemachtigde,
- —
de Spaanse regering, vertegenwoordigd door S. Jiménez García als gemachtigde,
- —
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door G. De Socio, avvocato dello Stato,
- —
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna als gemachtigde,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. van Beek en C. Hödlmayr als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 maart 2018,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (PB 2003, L 299, blz. 9).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Tribunal Botoşani (rechter in eerste aanleg Botoşani, Roemenië) en de Ministeru Justiťiei (ministerie van Justitie, Roemenië), enerzijds, en Maria Dicu, anderzijds, betreffende de berekening van de rechten van deze laatste op jaarlijkse vakantie met behoud van loon voor het jaar 2015.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
Richtlijn 2003/88
3
Overweging 6 van richtlijn 2003/88 luidt:
‘Er moet rekening worden gehouden met de beginselen van de Internationale Arbeidsorganisatie ter zake van de organisatie van de arbeidstijd, met inbegrip van de beginselen op het gebied van nachtarbeid.’
4
Artikel 1 van deze richtlijn, met het opschrift ‘Doel en toepassingsgebied’, bepaalt:
- ‘1.
Deze richtlijn bepaalt minimumvoorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het gebied van de organisatie van de arbeidstijd.
- 2.
Deze richtlijn is van toepassing op:
- a)
[…] de minimale jaarlijkse vakantie […];
[…]’
5
Artikel 7 van die richtlijn, met het opschrift ‘Jaarlijkse vakantie’, luidt:
- ‘1.
De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie.
- 2.
De minimumperiode van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon kan niet door een financiële vergoeding worden vervangen, behalve in geval van beëindiging van het dienstverband.’
6
Artikel 15 van dezelfde richtlijn regelt het volgende:
‘Deze richtlijn staat er niet aan in de weg dat de lidstaten wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen toepassen of invoeren die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers, dan wel de toepassing bevorderen of mogelijk maken van collectieve overeenkomsten of bedrijfsakkoorden tussen de sociale partners die gunstiger zijn voor de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers.’
7
Volgens artikel 17 van richtlijn 2003/88 kunnen de lidstaten afwijken van sommige bepalingen van deze richtlijn. Van artikel 7 van die richtlijn kan evenwel op geen enkele wijze worden afgeweken.
Richtlijn 2010/18
8
Clausule 2, punt 1, van de op 18 juni 2009 gesloten herziene raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof (hierna: ‘raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof’), die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 betreffende de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst en tot intrekking van richtlijn 96/34/EG (PB 2010, L 68, blz. 13), luidt:
‘Krachtens deze overeenkomst wordt aan werknemers, zowel mannen als vrouwen, bij geboorte of adoptie van een kind een individueel recht op ouderschapsverlof toegekend […].’
9
Clausule 2, punt 2, van die raamovereenkomst bepaalt:
‘Het verlof wordt voor een periode van ten minste vier maanden toegekend en is, om de gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen te bevorderen, in beginsel niet overdraagbaar. Om te stimuleren dat het verlof meer gelijkelijk door beide ouders wordt opgenomen, is ten minste een van de vier maanden niet overdraagbaar. De uitvoeringsbepalingen van de niet-overdraagbare periode worden op nationaal niveau vastgesteld door middel van wetgeving en/of collectieve overeenkomsten, waarbij rekening wordt gehouden met de bestaande verlofregelingen in de lidstaten.’
10
In clausule 5 van de genoemde overeenkomst staat te lezen:
- ‘1.
Na afloop van het ouderschapsverlof heeft de werknemer het recht terug te keren in dezelfde functie of, indien dat niet mogelijk is, in een gelijkwaardige of vergelijkbare functie die in overeenstemming is met zijn of haar arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking.
- 2.
De op de datum van ingang van het ouderschapsverlof door de werknemer verworven rechten of rechten in wording blijven ongewijzigd behouden tot het einde van het ouderschapsverlof. Na afloop van het ouderschapsverlof zijn deze rechten, met inbegrip van de uit de wetgeving, collectieve overeenkomsten en/of nationale gebruiken voortvloeiende veranderingen, van toepassing.
- 3.
De lidstaten en/of de sociale partners stellen de regeling vast die gedurende het ouderschapsverlof op de arbeidsovereenkomst of de arbeidsbetrekking van toepassing is.
[…]’
11
Volgens clausule 8, punt 1, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof mogen de lidstaten gunstiger bepalingen dan in die overeenkomst toepassen of invoeren.
Roemeens recht
12
Lege nr. 53/2003 privind Codul muncii (wet nr. 53/2003 betreffende het arbeidswetboek), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie ervan, bepaalt in artikel 10:
‘De individuele arbeidsovereenkomst is de overeenkomst waarbij een natuurlijke persoon (de werknemer) zich ertoe verbindt om tegen beloning (salaris) arbeid te verrichten in dienst en onder leiding van de werkgever, die een natuurlijke persoon of rechtspersoon is.’
13
Artikel 49, leden 1, 2 en 3, van dit wetboek luidt:
- ‘(1)
De arbeidsovereenkomst kan worden geschorst krachtens de wet, doordat de partijen dit overeenkomen of door een eenzijdige handeling van een van de partijen.
- (2)
Schorsing van de arbeidsovereenkomst leidt tot schorsing van de verrichting van arbeid door de werknemer en van de betaling van salaris door de werkgever.
- (3)
Gedurende de schorsing van de overeenkomst kunnen andere dan de in het tweede lid vermelde rechten en verplichtingen blijven bestaan mits zij zijn neergelegd in bijzondere wetten, in de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, in individuele arbeidsovereenkomsten of in huishoudelijke reglementen.’
14
Artikel 51, lid 1, onder a), van dat wetboek bepaalt:
‘De individuele arbeidsovereenkomst kan op initiatief van de werknemer in de volgende gevallen worden onderbroken:
- a)
ouderschapsverlof voor kinderen tot de leeftijd van twee jaar […]’.
15
In artikel 145, leden 4 tot en met 6, van hetzelfde wetboek staat te lezen:
- ‘(4)
Voor het bepalen van de duur van de jaarlijkse vakantie worden tijdvakken van tijdelijke arbeidsongeschiktheid alsook tijdvakken van zwangerschaps- en bevallingsverlof, van verlof wegens blootstelling aan specifieke risico's tijdens de zwangerschap of de borstvoeding en van verlof wegens ziekte van een kind beschouwd als tijdvakken van daadwerkelijke arbeid.
- (5)
Indien de tijdelijke arbeidsongeschiktheid, het zwangerschaps- en bevallingsverlof, het verlof wegens blootstelling aan specifieke risico's tijdens de zwangerschap of de borstvoeding dan wel het verlof wegens ziekte van een kind valt binnen de jaarlijkse vakantie, wordt deze onderbroken en kan de werknemer de resterende vakantiedagen opnemen na afloop van de [situatie die aanleiding gaf tot de onderbreking]. Wanneer dat niet mogelijk is, worden de niet genoten vakantiedagen opnieuw gepland.
- (6)
De werknemer heeft ook recht op jaarlijkse vakantie wanneer de tijdelijke arbeidsongeschiktheid, zoals geregeld in de wet, een vol kalenderjaar duurt, in welk geval de werkgever de jaarlijkse vakantie moet toekennen binnen 18 maanden te rekenen vanaf het jaar dat volgt op het jaar waarin de werknemer met ziekteverlof was.’
16
Artikel 2, leden 1 en 2, van de Hotărâre Consiliului Superior al Magistraturii nr. 325/2005 pentru aprobarea Regulamentului privind concediile judecătorilor şi procurorilor (besluit nr. 325/2005 van de hoge raad voor de magistratuur houdende goedkeuring van de verlofregeling voor rechters en openbare aanklagers) bepaalt:
- ‘(1)
Rechters en procureurs hebben recht op 35 werkdagen jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Van dit recht kan geen afstand worden gedaan en het kan niet worden beperkt.
- (2)
De duur van de in [de verlofregeling voor rechters en openbare aanklagers] bedoelde jaarlijkse vakantie wordt berekend op basis van de in de loop van het kalenderjaar verrichte arbeid. Voor het bepalen van de duur van de jaarlijkse vakantie worden tijdvakken van tijdelijke arbeidsongeschiktheid alsook tijdvakken van zwangerschaps- en bevallingsverlof, van verlof wegens blootstelling aan specifieke risico's tijdens de zwangerschap of de borstvoeding en van verlof wegens ziekte van een kind beschouwd als tijdvakken van daadwerkelijke arbeid.’
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
17
Dicu is magistraat bij de Tribunal Botoşani. In de loop van 2014 heeft zij eerst haar jaarlijkse vakantie met behoud van loon volledig benut en is zij vervolgens, van 1 oktober 2014 tot en met 3 februari 2015, met zwangerschaps- en bevallingsverlof gegaan. Van 4 februari 2015 tot en met 16 september 2015 heeft zij ouderschapsverlof opgenomen. In dat tijdvak is haar arbeidsbetrekking geschorst. Ten slotte heeft zij van 17 september 2015 tot en met 17 oktober 2015 dertig dagen jaarlijkse vakantie met behoud van loon opgenomen.
18
Overeenkomstig het Roemeense recht, dat voorziet in een recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon van 35 dagen, heeft Dicu de rechterlijke instantie waarbij zij is aangesteld, verzocht om de resterende vijf dagen jaarlijkse vakantie voor 2015 te mogen opnemen op de werkdagen tussen de eindejaarsfeestdagen.
19
De Tribunal Botoşani heeft dat verzoek afgewezen op grond dat volgens het Roemeense recht de duur van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon evenredig is met de daadwerkelijke arbeidstijd die gedurende het lopende jaar is gepresteerd, en dat in dit verband de duur van het ouderschapsverlof dat zij had opgenomen in de loop van 2015, niet als tijdvak van daadwerkelijke arbeid kon worden beschouwd met het oog op de berekening van haar rechten op jaarlijkse vakantie met behoud van loon. De Tribunal Botoşani heeft tevens erop gewezen dat de jaarlijkse vakantie met behoud van loon die Dicu van 17 september tot en met 17 oktober 2015 had opgenomen voor het jaar 2015, zeven verlofdagen voor het jaar 2016 bevatte die zij voorafgaandelijk had opgenomen.
20
Dicu heeft bij de Tribunal Cluj (rechter in eerste aanleg Cluj, Roemenië) beroep ingesteld tegen de Tribunal Botoşani, de Curte de Apel Suceava (rechter in tweede aanleg Suceava, Roemenië), het ministerie van Justitie en de Consiliu Superior al Magistraturii (hoge raad voor de magistratuur, Roemenië) teneinde te doen vaststellen dat de duur van haar ouderschapsverlof moet worden beschouwd als een tijdvak van daadwerkelijke arbeid voor de berekening van haar rechten op jaarlijkse vakantie met behoud van loon voor het jaar 2015.
21
Bij vonnis van 17 mei 2016 heeft de Tribunal Cluj het verzoek van Dicu toegewezen. De Tribunal Botoşani en het ministerie van Justitie hebben bij de verwijzende rechter hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis.
22
In deze omstandigheden heeft de Curte de Apel Cluj (rechter in tweede aanleg Cluj, Roemenië) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Staat artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG in de weg aan een bepaling van nationaal recht die voor de berekening van de duur van de jaarlijkse vakantie van de werknemer het tijdvak van ouderschapsverlof voor een kind tot de leeftijd van twee jaar niet in aanmerking neemt als tijdvak van daadwerkelijke arbeid?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
23
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 7 van richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale bepaling als die welke aan de orde is in het hoofdgeding, op grond waarvan voor de berekening van de rechten inzake de jaarlijkse vakantie met behoud van loon die bij dat artikel aan een werknemer wordt toegekend op basis van een referentieperiode, de duur van het door die werknemer in de loop van die periode opgenomen ouderschapsverlof niet wordt beschouwd als een tijdvak van daadwerkelijke arbeid.
24
In dit verband zij eraan herinnerd dat uit de bewoordingen zelf van artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 volgt dat alle werknemers recht hebben op ten minste vier weken jaarlijkse vakantie met behoud van loon, en dat dit recht volgens vaste rechtspraak van het Hof moet worden beschouwd als een bijzonder belangrijk beginsel van sociaal recht van de Europese Unie (arrest van 20 juli 2016, Maschek, C-341/15, EU:C:2016:576, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
25
Tevens zij erop gewezen dat dit aan elke werknemer toegekende recht uitdrukkelijk is neergelegd in artikel 31, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat volgens artikel 6, lid 1, VEU dezelfde juridische waarde heeft als de Verdragen (arrest van 29 november 2017, King, C-214/16, EU:C:2017:914, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
26
Verduidelijkt moet nog worden dat de lidstaten het ontstaan zelf van het rechtstreeks uit richtlijn 2003/88 voortvloeiende recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon weliswaar niet van enigerlei voorwaarde afhankelijk mogen stellen (zie met name arresten van 26 juni 2001, BECTU, C-173/99, EU:C:2001:356, punt 53; 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a., C-350/06 en C-520/06, EU:C:2009:18, punt 28, en 29 november 2017, King, C-214/16, EU:C:2017:914, punt 34), maar dat de onderhavige zaak betrekking heeft op de vraag of een tijdvak van ouderschapsverlof al dan niet moet worden gelijkgesteld met een tijdvak van daadwerkelijke arbeid voor de berekening van de rechten op jaarlijkse vakantie met behoud van loon.
27
In dit verband zij eraan herinnerd dat het bij artikel 7 van richtlijn 2003/88 aan elke werknemer toegekende recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon tot doel heeft de werknemer in staat te stellen om uit te rusten van de uitvoering van de hem door zijn arbeidsovereenkomst opgelegde taken en om over een periode van ontspanning en vrije tijd te beschikken (zie met name arresten van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a., C-350/06 en C-520/06, EU:C:2009:18, punt 25; 22 november 2011, KHS, C-214/10, EU:C:2011:761, punt 31, en 30 juni 2016, Sobczyszyn, C-178/15, EU:C:2016:502, punt 25).
28
Dit doel, dat het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon onderscheidt van andere soorten vakantie waarmee andere doelstellingen worden nagestreefd, is gebaseerd op de premisse dat de werknemer daadwerkelijk heeft gewerkt in de loop van de referentieperiode. Het doel om de werknemer in staat te stellen uit te rusten onderstelt immers dat hij een activiteit heeft uitgevoerd die het nemen van een periode van rust, ontspanning en vrije tijd rechtvaardigt om de door richtlijn 2003/88 beoogde bescherming van zijn veiligheid en gezondheid te waarborgen. Derhalve worden de rechten op jaarlijkse vakantie met behoud van loon in beginsel berekend op basis van de tijdvakken van daadwerkelijke arbeid die krachtens de arbeidsovereenkomst zijn volgemaakt (zie in die zin arrest van 11 november 2015, Greenfield, C-219/14, EU:C:2015:745, punt 29).
29
Uit vaste rechtspraak volgt inderdaad dat een lidstaat in bepaalde specifieke situaties waarin de werknemer zijn taken niet kan vervullen — onder meer vanwege een naar behoren gerechtvaardigd ziekteverlof — het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon niet afhankelijk kan stellen van de voorwaarde dat die werknemer daadwerkelijk heeft gewerkt (zie met name arrest van 24 januari 2012, Dominguez, C-282/10, EU:C:2012:33, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zo worden werknemers die in de referentieperiode afwezig zijn geweest van het werk omdat zij met ziekteverlof waren, voor het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon gelijkgesteld met werknemers die in die periode daadwerkelijk hebben gewerkt (zie met name arrest van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a., C-350/06 en C-520/06, EU:C:2009:18, punt 40).
30
Hetzelfde geldt voor werkneemsters die met zwangerschaps- en bevallingsverlof zijn, die daardoor hun taken in het kader van hun arbeidsbetrekkingen niet kunnen uitoefenen en van wie de rechten op jaarlijkse vakantie met behoud van loon in geval van dat zwangerschaps- en bevallingsverlof moeten worden gewaarborgd en moeten kunnen worden uitgeoefend in een andere periode dan tijdens dat zwangerschapsverlof (zie in die zin arrest van 18 maart 2004, Merino Gómez, C-342/01, EU:C:2004:160, punten 34, 35 en 38).
31
De in de twee voorgaande punten aangehaalde rechtspraak kan evenwel niet mutatis mutandis worden toegepast op de situatie van een werknemer die zoals Dicu tijdens de referentieperiode ouderschapsverlof heeft opgenomen.
32
Beklemtoond dient namelijk te worden dat het intreden van arbeidsongeschiktheid wegens ziekte in beginsel onvoorzienbaar is (arrest van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a., C-350/06 en C-520/06, EU:C:2009:18, punt 51) en plaatsvindt buiten de wil van de werknemer (zie in die zin arrest van 29 november 2017, King, C-214/16, EU:C:2017:914, punt 49). Zoals het Hof reeds heeft opgemerkt in punt 38 van het arrest van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a. (C-350/06 en C-520/06, EU:C:2009:18), rangschikt artikel 5, lid 4, van verdrag nr. 132 van de Internationale Arbeidsorganisatie van 24 juni 1970 over de jaarlijkse vakantie met behoud van loon, zoals herzien — waarvan de beginselen volgens overweging 6 van richtlijn 2003/88 in aanmerking moeten worden genomen bij de uitlegging van deze richtlijn — afwezigheid wegens ziekte onder arbeidsverzuim ‘om redenen die losstaan van de wil van de betrokken werknemer’, dat ‘als arbeidstijd moet worden aangemerkt’. Het opnemen van ouderschapsverlof is daarentegen niet onvoorzienbaar en vloeit meestal voort uit de wil van de werknemer om voor zijn kind te zorgen (zie in die zin arrest van 20 september 2007, Kiiski, C-116/06, EU:C:2007:536, punt 35).
33
Voorts wordt de werknemer in ouderschapsverlof fysiek of psychisch niet gehinderd door een ziekte, zodat hij zich in een andere situatie bevindt dan die welke voortvloeit uit een aan zijn gezondheidstoestand te wijten arbeidsongeschiktheid (zie naar analogie arrest van 8 november 2012, Heimann en Toltschin, C-229/11 en C-230/11, EU:C:2012:693, punt 29).
34
De situatie van de werknemer met ouderschapsverlof onderscheidt zich evenzeer van die van de werkneemster die zwangerschaps- en bevallingsverlof neemt. Het zwangerschaps- en bevallingsverlof heeft immers zowel tot doel de biologische gesteldheid van de vrouw tijdens en na de zwangerschap te beschermen als de bijzondere relatie tussen moeder en kind in de periode na de zwangerschap en de bevalling te beschermen door te voorkomen dat deze relatie wordt verstoord door de cumulatie van lasten ten gevolge van de gelijktijdige verrichting van beroepsbezigheden (zie in die zin arresten van 18 maart 2004, Merino Gómez, C-342/01, EU:C:2004:160, punt 32, en 20 september 2007, Kiiski, C-116/06, EU:C:2007:536, punt 46).
35
Ten slotte neemt het feit dat een werknemer met ouderschapsverlof een werknemer in de zin van het Unierecht blijft gedurende het tijdvak van dat verlof (arrest van 20 september 2007, Kiiski, C-116/06, EU:C:2007:536, punt 32), niet weg dat wanneer, zoals in casu, zijn arbeidsbetrekking is geschorst op grond van het nationale recht — hetgeen clausule 5, punt 3, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof toestaat — ook de wederzijdse verplichtingen van werkgever en werknemer op het gebied van prestaties tijdelijk zijn geschorst, met name de verplichting van de werknemer om de taken uit te voeren die op hem rusten in het kader van de voornoemde arbeidsbetrekking (zie naar analogie arrest van 8 november 2012, Heimann en Toltschin, C-229/11 en C-230/11, EU:C:2012:693, punt 28).
36
Hieruit volgt dat het tijdvak van ouderschapsverlof dat de betrokken werknemer tijdens de referentieperiode heeft opgenomen, in een situatie als die welke aan de orde is in het hoofdgeding, niet kan worden gelijkgesteld met een tijdvak van daadwerkelijke arbeid voor de berekening van zijn rechten op jaarlijkse vakantie met behoud van loon uit hoofde van artikel 7 van richtlijn 2003/88.
37
Tevens is het van belang te benadrukken dat uit vaste rechtspraak van het Hof weliswaar voortvloeit dat een door het Unierecht gegarandeerd verlof niet kan afdoen aan het recht om een ander door het Unierecht gewaarborgd verlof te nemen waarvan de doelstelling verschilt van die welke met het eerstgenoemde verlof wordt nagestreefd (zie in die zin arrest van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a., C-350/06 en C-520/06, EU:C:2009:18, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak), maar dat uit deze rechtspraak — die tot stand is gekomen in de context van situaties die gekenmerkt worden door het feit dat de op die twee onderscheiden verloven betrekking hebbende tijdvakken elkaar overlappen of samenvallen — niet kan worden afgeleid dat de lidstaten verplicht zijn om een tijdvak van ouderschapsverlof dat een werknemer heeft opgenomen in de loop van de referentieperiode, aan te merken als een tijdvak van daadwerkelijke arbeid voor de berekening van zijn rechten op jaarlijkse vakantie met behoud van loon uit hoofde van richtlijn 2003/88.
38
Uit alle voorgaande overwegingen volgt dat op de gestelde vraag moet worden geantwoord dat artikel 7 van richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale bepaling als die welke aan de orde is in het hoofdgeding, op grond waarvan voor de berekening van de rechten inzake de jaarlijkse vakantie met behoud van loon die bij dat artikel aan een werknemer wordt toegekend op basis van een referentieperiode, de duur van het door die werknemer in de loop van die periode opgenomen ouderschapsverlof niet wordt beschouwd als een tijdvak van daadwerkelijke arbeid.
Kosten
39
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:
Artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale bepaling als die welke aan de orde is in het hoofdgeding, op grond waarvan voor de berekening van de rechten inzake de jaarlijkse vakantie met behoud van loon die bij dat artikel aan een werknemer wordt toegekend op basis van een referentieperiode, de duur van het door die werknemer in de loop van die periode opgenomen ouderschapsverlof niet wordt beschouwd als een tijdvak van daadwerkelijke arbeid.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 04‑10‑2018
Conclusie 20‑03‑2018
P. Mengozzi
Partij(en)
Zaak C-12/171.
Ministeru Justiţiei,
Curte de Apel Suceava et
Tribunal Botoşani
tegen
Maria Dicu en
Consiliu Superior al Magistraturii
[verzoek van de Curte de Apel Cluj (rechter in tweede aanleg Cluj, Roemenië) om een prejudiciële beslissing]
Inleiding
1.
De inzet van de onderhavige prejudiciële verwijzing is te bepalen of het Unierecht, en in het bijzonder artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd2., de lidstaten oplegt het tijdvak van ouderschapsverlof van een werknemer gelijk te stellen met een tijdvak van daadwerkelijke arbeid dat recht geeft op jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Dat artikel 7, lid 1, luidt: ‘De lidstaten treffen de nodige maatregelen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie.’
2.
De feiten van het hoofdgeding zijn de volgende.
3.
Verweerster in het hoofdgeding, Maria Dicu, is magistraat. Van 1 oktober 2014 tot en met 3 februari 2015 was zij met zwangerschapsverlof. Van 4 februari 2015 tot en met 16 september 2015 was zij met verlof, een zogenaamd ‘verlof voor een kind ten laste tot de leeftijd van twee jaar’. Dat verlof is geregeld in artikel 2, lid 1, van ordonanţa de urgenţă a Guvernului nr. 111/2010 privind concediul şi indemnizaţia lunară pentru creşterea copiilor (wetsdecreet nr. 111/2010 betreffende ouderschapsverlof en de daarop betrekking hebbende maandelijkse uitkering), dat in wezen bepaalt dat de personen die in de twee jaar voorafgaand aan de geboorte van hun kind gedurende ten minste 12 maanden inkomsten uit arbeid in loondienst of daarmee gelijkgestelde inkomsten hebben ontvangen, in aanmerking kunnen komen voor ouderschapsverlof totdat het kind de leeftijd van twee jaar bereikt, en een maandelijkse uitkering.
4.
Bij haar terugkeer uit dat ouderschapsverlof heeft verweerster in het hoofdgeding de Tribunal Botoşani (rechter in eerste aanleg Botoşani, Roemenië), waar zij is aangesteld, gevraagd vanaf 17 september 2015 jaarlijkse vakantie met behoud van loon voor het jaar 20153. te mogen opnemen, die haar ook is toegekend. Eerst is zij 30 dagen met jaarlijkse vakantie gegaan met behoud van loon, meer bepaald tot en met 17 oktober 2015. Vervolgens heeft zij gevraagd de resterende vijf dagen jaarlijkse vakantie voor 2015 te mogen opnemen in de maand december 2015, wat haar is geweigerd. Volgens de Tribunal Botoşani kon het tijdvak van ouderschapsverlof niet worden gelijkgesteld met een tijdvak van daadwerkelijke arbeid dat recht geeft op jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Hij heeft haar bovendien meegedeeld dat haar reeds zeven verlofdagen met behoud van loon voor het jaar 2016 waren toegekend.
5.
Dicu heeft tegen die beslissing beroep ingesteld bij de Tribunal Cluj (rechter in eerste aanleg Cluj, Roemenië), die haar beroep op 17 mei 2016 heeft toegewezen, op grond dat het ouderschapsverlof dat zij had opgenomen, als een tijdvak van daadwerkelijke arbeid moest worden beschouwd, net zoals tijdvakken van tijdelijke arbeidsongeschiktheid of zwangerschapsverlof, en dat dat ouderschapsverlof en de jaarlijkse vakantie elk een ander doel hadden.
6.
De Tribunal Botoşani en de Ministeru Justiţiei (ministerie van Justitie, Roemenië) hebben bij de verwijzende rechter hoger beroep ingesteld tegen die beslissing. Zij voeren aan dat de nationale wetgever met volledige kennis van zaken het ouderschapsverlof voor een kind tot twee jaar van de werkingssfeer van artikel 145, leden 4 tot 6, van de Roemeense arbeidswet heeft uitgesloten. Uit die bepalingen volgt dat voor het bepalen van de duur van de jaarlijkse vakantie alleen de tijdvakken van tijdelijke arbeidsongeschiktheid, zwangerschapsverlof, verlof wegens risicozwangerschap en verlof wegens ziekte van een kind als tijdvakken van daadwerkelijke arbeid worden beschouwd. Zij stellen dat er een verschil bestaat tussen die tijdvakken en het ouderschapsverlof voor een kind tot twee jaar, omdat dat laatste volledig afhankelijk is van de wil van de betrokken werknemer.
7.
Verweerster in het hoofdgeding betoogt voor de verwijzende rechter dat uit de nationale rechtspraak volgt dat de taken die vrouwen voor de opvoeding van hun kinderen verrichten, door betaalde kinderoppassen zouden worden uitgevoerd wanneer die moeders niet zelf ervoor instaan. Dat pleit voor een gelijkstelling van het tijdvak van ouderschapsverlof voor een jong kind met een tijdvak van daadwerkelijke arbeid. Ouderschapsverlof voor een kind tot twee jaar vormt bovendien een risico dat aan de individuele arbeidsovereenkomst verbonden is en dat kan optreden vanwege objectieve overwegingen inzake het belang van het kind, terwijl de jaarlijkse vakantie de persoonlijke, subjectieve belangen van de werknemer beschermt. Het ouderschapsverlof voor een kind tot twee jaar kan bijgevolg niet als vrijwillig verlof worden beschouwd.
8.
De verwijzende rechter merkt op dat de Consiliu Superior al Magistraturii (hoge raad voor de magistratuur, Roemenië), die eveneens verwerende partij in het hoofdgeding is, heeft gesteld dat, gelet op de rechtspraak van het Hof4., een door het Unierecht gegarandeerd verlof niet kan afdoen aan het recht om een ander door dit recht gewaarborgd verlof te nemen, zoals het ouderschapsverlof, verankerd in richtlijn 2010/18/EU van de Raad van 8 maart 2010 tot uitvoering van de door BUSINESSEUROPE, UEAPME, het CEEP en het EVV gesloten herziene raamovereenkomst en tot intrekking van richtlijn 96/34/EG (hierna: ‘herziene raamovereenkomst’).5. Het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon wordt gewaarborgd door artikel 7 van richtlijn 2003/88. Het bijzondere belang in het Unierecht van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon moet ervoor pleiten dat het tijdvak van ouderschapsverlof in aanmerking wordt genomen voor het bepalen van het recht op jaarlijkse vakantie, temeer omdat die twee verloven andere doeleinden hebben (rust van de werknemer in het ene geval, opvoeding van een kind in het andere geval) en de begunstigden van de met die verloven toegekende bescherming verschillen (de werknemer in geval van de jaarlijkse vakantie, het kind in geval van het ouderschapsverlof).
9.
De verwijzende rechter merkt op dat artikel 7 van richtlijn 2003/88 naar de nationale wetten en gebruiken verwijst om de voorwaarden voor het verkrijgen van jaarlijkse vakantie met behoud van loon te bepalen. Als gevolg van de arresten Schultz-Hoff e.a.6. en Dominguez7. heeft de Roemeense wetgever weliswaar de wetgeving gewijzigd om de zogeheten tijdvakken ‘van daadwerkelijke arbeid’ ruimer in te vullen, maar de verwijzende rechter twijfelt of het mogelijk is in die tijdvakken het ouderschapsverlof op te nemen, waarmee het verlof van Dicu volgens alle partijen in het hoofdgeding gelijk is te stellen. Voor de verwijzende rechter is de jaarlijkse vakantie met behoud van loon een van de verplichtingen van de werkgever in ruil voor het werk dat de werknemer presteert. Wanneer de werknemer met ouderschapsverlof is, levert hij echter niet de prestatie die het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon doet ontstaan. Bovendien bepaalt richtlijn 2010/18 dat de lidstaten ouderschapsverlof van maximaal acht jaar kunnen toekennen en lijkt het overdreven dat de werkgever jaarlijkse vakantie met behoud van loon moet toekennen voor een zo lange periode gedurende welke de werknemer zijn kind opvoedt. De bescherming van de werknemer tijdens zijn ouderschapsverlof moet eerder worden verzekerd door de staat, in het kader van de maatregelen ter bevordering van de samenhang van het gezin, en niet door de werkgever. De redenering van het Hof in de arresten Schultz-Hoff e.a.8. en Dominguez9. kan niet worden toegepast op het geval waarin de werknemer ouderschapsverlof neemt. De verwijzende rechter merkt ook op dat volgens de bewoordingen van richtlijn 2010/18 het aan de lidstaten wordt overgelaten de contractuele regeling tijdens het ouderschapsverlof te bepalen. Artikel 51, onder a), van de Roemeense arbeidswet10. bepaalt echter dat de arbeidsovereenkomst tijdens het ouderschapsverlof voor een jong kind wordt geschorst. De verwijzende rechter is ook van oordeel dat de jaarlijkse vakantie met behoud van loon een andere doelstelling heeft dan het ouderschapsverlof. Ten slotte wijst hij het verwijt af dat een werknemer met ouderschapsverlof voor de bepaling van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon wordt gediscrimineerd tegenover een werknemer zonder ouderschapsverlof, aangezien die twee situaties niet vergelijkbaar zijn.
10.
Daarop heeft de Curte de Apel Cluj (rechter in tweede aanleg Cluj, Roemenië) de behandeling van de zaak geschorst en het Hof bij op 10 januari 2017 ter griffie ingekomen verwijzingsbeslissing verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘[Staat] artikel 7 van richtlijn [2003/88] […] in de weg […] aan een bepaling van nationaal recht die voor de berekening van de duur van de jaarlijkse vakantie van de werknemer het tijdvak van ouderschapsverlof voor een kind tot de leeftijd van twee jaar niet in aanmerking neemt als tijdvak van daadwerkelijke arbeid?’
11.
Over deze zaak zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de Consiliu Superior al Magistraturii, de Roemeense, de Duitse, de Estse, de Spaanse, de Italiaanse en de Poolse regering alsook de Europese Commissie.
12.
Ter terechtzitting voor het Hof van 15 januari 2018 hebben de Roemeense, de Duitse en de Spaanse regering alsook de Commissie mondelinge opmerkingen gemaakt.
Analyse
13.
Om te bepalen of het Unierecht de lidstaten oplegt het tijdvak van ouderschapsverlof in aanmerking te nemen voor de berekening van de duur van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon, dienen ten eerste zowel de vereisten van richtlijn 2003/88 als de rechtspraak van het Hof betreffende die jaarlijkse vakantie in herinnering te worden gebracht. Ten tweede moeten de eventuele voorschriften van de herziene raamovereenkomst over het ouderschapsverlof dienaangaande worden onderzocht.
Draagwijdte van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon
14.
Artikel 7 van richtlijn 2003/88 bekrachtigt het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon door elke werknemer een dergelijke vakantie van ten minste vier weken te waarborgen. Slechts uitzonderlijk kan de minimumperiode van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon door een financiële vergoeding worden vervangen, dat wil zeggen alleen in geval van beëindiging van het dienstverband.11.
15.
Het bijzondere belang van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon in het Unierecht wordt bevestigd in zowel het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie12. (hierna: ‘Handvest’), dat in artikel 31 dat recht als grondrecht verankert13., als de rechtspraak van het Hof.
16.
Zo heeft het Hof herhaaldelijk geoordeeld dat ‘[h]et recht van elke werknemer op jaarlijkse vakantie met behoud van loon moet worden beschouwd als een bijzonder belangrijk beginsel van sociaal recht van de Unie, waarvan niet mag worden afgeweken en waaraan de bevoegde nationale autoriteiten slechts uitvoering mogen geven binnen de grenzen die uitdrukkelijk zijn aangegeven in richtlijn [2003/88]’.14.
17.
Het doel van het recht op jaarlijkse vakantie verklaart het bijzondere belang dat het Hof eraan hecht, aangezien dat doel is ‘de werknemer in staat te stellen uit te rusten en over een periode van ontspanning en vrije tijd te beschikken’.15. Het is een doelstelling die essentieel is voor de gezondheid en de veiligheid van de werknemers, zoals overweging 4 van richtlijn 2003/8816. in herinnering brengt. Ook het Hof heeft het verband tussen de daadwerkelijke rust van de werknemer en de doeltreffende bescherming van zijn veiligheid en gezondheid benadrukt.17. Anders gezegd, een tijdvak van daadwerkelijke arbeid moet recht geven op een tijdvak van al even daadwerkelijke rust.
18.
Het specifieke doel van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon verklaart mijns inziens dat het Hof heeft geoordeeld dat ‘ten aanzien van werknemers met een naar behoren voorgeschreven ziekteverlof, voor het door richtlijn 2003/88 zelf aan alle werknemers verleende recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon […] niet door een lidstaat als voorwaarde kan worden gesteld dat tijdens de door die lidstaat vastgestelde referentieperiode daadwerkelijk is gewerkt’.18. In dat geval ging het echter om een werknemer die wegens ziekte geen jaarlijkse vakantie met behoud van loon kon nemen na een periode waarin hij daadwerkelijk had gewerkt. Zo heeft het Hof in de punten 44 en 45 van zijn arrest Schultz-Hoff e.a.19. allereerst vastgesteld ‘dat een werknemer die […] met ziekteverlof is tijdens de gehele referentieperiode en tot na de in het nationale recht vastgestelde overdrachtsperiode, geen enkele periode meer heeft waarin hij zijn jaarlijkse vakantie met behoud van loon kan opnemen’20. en vervolgens gepreciseerd dat ‘[w]anneer in de specifieke omstandigheden van arbeidsongeschiktheid als beschreven […], werd aanvaard dat de relevante nationale bepalingen […] kunnen voorzien in het verval van het recht van de werknemer op de door artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 gegarandeerde jaarlijkse vakantie met behoud van loon, zonder dat de werknemer daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad om van het hem door de richtlijn verleende recht gebruik te maken, [dit zou] betekenen dat die bepalingen inbreuk maken op het rechtstreeks door artikel 7 van de richtlijn aan alle werknemers verleende sociale recht’.21.
19.
Het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon heeft een eigen doelstelling: de werknemer in staat stellen uit te rusten nadat hij daadwerkelijk heeft gewerkt. Omdat elk verlof een eigen doel heeft, heeft het Hof in zijn arrest Merino Gómez22. er dus aan herinnerd dat ‘een door het gemeenschapsrecht gegarandeerd verlof niet [kan] afdoen aan het recht om een ander door dit recht gewaarborgd verlof te nemen’.23. Het ging om een situatie waarin de periode van het zwangerschapsverlof samenviel met de periode van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon voor het gehele personeel. Omdat het doel van het zwangerschapsverlof niet alleen de bescherming van de biologische gesteldheid van de vrouw tijdens en na de zwangerschap is, maar ook de bescherming van de bijzondere relatie tussen moeder en kind tijdens de periode na de zwangerschap en de bevalling24., is niet aan de eisen van artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 voldaan wanneer voornoemde periodes samenvallen.25. De werkneemster in kwestie kon dus niet worden geacht jaarlijkse vakantie met behoud van loon te hebben genoten omdat zij met zwangerschapsverlof was, want dat laatste heeft haar niet in staat gesteld uit te rusten van de daadwerkelijk verrichte arbeid.
20.
Hoewel uit het in herinnering brengen van die twee arresten26. blijkt dat een periode van een bepaald soort verlof niet door een andere periode van een ander soort verlof kan worden vervangen — anders gezegd, de werknemer met zwangerschaps- of ziekteverlof wordt niet verondersteld louter daarom daadwerkelijk zijn recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon te hebben genoten, omdat die drie soorten verlof elk een ander doel hebben — zij erop gewezen dat het Hof zich in beide zaken niet heeft uitgesproken over de vraag of het tijdvak van ziekte- of zwangerschapsverlof in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon zelf.
21.
In zijn arrest Dominguez27. lijkt het Hof dat verband te hebben verbroken tussen de prestatie van daadwerkelijke arbeid en het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon, die werden verondersteld inherent met elkaar te zijn verbonden. De betrokken werkneemster eiste de toekenning van jaarlijkse vakantiedagen met behoud van loon voor de periode van meer dan een jaar waarin zij met ziekteverlof was geweest en die volgens haar met een tijdvak van daadwerkelijke arbeid moest worden gelijkgesteld. In die specifieke context heeft het Hof eraan herinnerd dat: ‘[daar] richtlijn 2003/88 geen onderscheid maakt tussen werknemers die wegens ziekteverlof in het referentietijdvak afwezig zijn en werknemers die in genoemd tijdvak daadwerkelijk hebben gewerkt, [hieruit volgt] dat in het geval van werknemers met een naar behoren voorgeschreven ziekteverlof, voor het door deze richtlijn aan alle werknemers verleende recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon niet door een lidstaat als voorwaarde kan worden gesteld dat tijdens de door die lidstaat vastgestelde referentieperiode daadwerkelijk is gewerkt’.28. Bijgevolg ‘kan dus geen werknemer, of hij nu gedurende bedoeld referentietijdvak met ziekteverlof is na een ongeval op de arbeidsplaats of elders of wegens ziekte, ongeacht de aard of de oorsprong daarvan, zijn recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon van minstens vier weken worden ontnomen’.29.
22.
Wegens het fundamentele verschil tussen de situatie van een werknemer met ziekteverlof en die van een werknemer met ouderschapsverlof, met name omdat het in dat tweede geval niet meer om bewezen arbeidsongeschiktheid gaat die losstaat van de wil van de werknemer, kan de bovenvermelde oplossing mijns inziens echter niet worden toegepast op het geval van een werknemer met ouderschapsverlof.
Stilzwijgen van de herziene raamovereenkomst
23.
Net zoals het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon is het recht op ouderschapsverlof opgenomen in het Handvest, meer bepaald in artikel 33, lid 2. Het Hof heeft een onderscheid gemaakt met het zwangerschapsverlof, aangezien het ouderschapsverlof aan de ouders wordt toegekend om hen in staat te stellen voor hun kind te zorgen.30. Bij ouderschapsverlof gaat het er dus niet meer om, de in deze conclusie vermelde biologische gesteldheid van de vrouw te beschermen, maar om het werkende ouders gemakkelijker te maken hun beroeps- en gezinstaken te combineren31. door hun de mogelijkheid te bieden hun beroepsactiviteit te onderbreken en hun te garanderen dat zij na dit verlof in hun oude functie of een gelijkwaardige functie kunnen terugkeren.32.
24.
Ouderschapsverlof blijkt dus in alle opzichten een specifiek verlof, dat met een eigen norm is geregeld, meer bepaald richtlijn 2010/18. De vraag rijst dus of er interacties tussen de jaarlijkse vakantie met behoud van loon en het ouderschapsverlof kunnen bestaan. Dienaangaande moet worden vastgesteld dat richtlijn 2010/18 en meer bepaald de herziene raamovereenkomst niets vermelden over een eventueel recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon dat tijdens het tijdvak van ouderschapsverlof van de werknemer zou moeten worden toegekend en ontstaan. Ook zij in herinnering gebracht dat in de eerste alinea van de preambule van de herziene raamovereenkomst eraan wordt herinnerd dat de sociale partners, vertegenwoordigd door de algemene brancheoverkoepelende organisaties, zich met die raamovereenkomst ertoe verbinden door middel van minimumeisen33. voor ouderschapsverlof maatregelen vast te stellen die de combinatie van werk en gezinstaken mogelijk maken en gelijke kansen en behandeling van mannen en vrouwen bevorderen.34.
25.
Krachtens de herziene raamovereenkomst wordt aan werknemers, zowel mannen als vrouwen, bij geboorte of adoptie van een kind een individueel recht op ouderschapsverlof toegekend om tot een bepaalde leeftijd voor hun kind te zorgen.35. De herziene raamovereenkomst legt de minimale duur van dat ouderschapsverlof vast op vier maanden.36. De voorwaarden en uitvoeringsbepalingen voor het ouderschapsverlof worden grotendeels in het nationale recht vastgesteld.37. De rechten van de werknemer met ouderschapsverlof inzake tewerkstelling en niet-discriminatie worden beschermd: hij heeft het recht terug te keren in dezelfde of een gelijkwaardige functie na afloop van het ouderschapsverlof38., zijn op de datum van ingang van het ouderschapsverlof verworven rechten of rechten in wording blijven behouden39. en hij wordt beschermd tegen minder gunstige behandeling of ontslag wegens het aanvragen of opnemen van ouderschapsverlof.40. De lidstaten en in voorkomend geval de sociale partners blijven daarentegen verantwoordelijk voor de vaststelling van de regeling die gedurende het ouderschapsverlof op de arbeidsovereenkomst of de arbeidsbetrekking van toepassing is41. alsook voor socialezekerheidskwesties42. en ‘[a]lle inkomenskwesties in verband met [de herziene raamovereenkomst]’43..
26.
In die fase van de redenering zij eraan herinnerd dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde beslissing om de periode van ouderschapsverlof niet mee te rekenen voor de bepaling van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon van Dicu voor het jaar 2015 is gebaseerd op artikel 51, lid 1, onder a), van de Roemeense arbeidswet, dat bepaalt dat de arbeidsovereenkomst tijdens het ouderschapsverlof wordt geschorst. Uit artikel 145, leden 4 tot en met 6, van die arbeidswet blijkt dat dat ouderschapsverlof door die schorsing niet met een tijdvak van daadwerkelijke arbeid wordt gelijkgesteld voor de bepaling van de duur van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon.44. Die schorsing blijkt in overeenstemming met de voorschriften van de herziene raamovereenkomst.
27.
Bovendien lijkt die onderbreking niet ertoe te leiden dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde situatie nog meer op gespannen voet met artikel 7 van richtlijn 2003/88 komt te staan. Aangezien de arbeidsbetrekking volgens het nationale recht en volledig in overeenstemming met het Unierecht wordt geschorst om redenen die geen verband houden met ziekte van de betrokken werkneemster45., is de situatie van Dicu voor het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon mijns inziens vergelijkbaar met die van een werknemer met tijdelijke werktijdverkorting. Daarover heeft het Hof geoordeeld dat ‘[hoewel] is uitgesloten dat het door het Unierecht gewaarborgde recht van een werknemer op het minimale jaarlijks betaald verlof wordt verminderd in een situatie waarin de werknemer zijn verplichting tot het verrichten van arbeid niet kon nakomen wegens een ziekte gedurende de referentieperiode’46., de rechtspraak volgens welke artikel 7 van richtlijn 2003/88 in de weg staat aan nationale bepalingen volgens welke aan het einde van de arbeidsverhouding geen financiële vergoeding wegens niet opgenomen jaarlijks betaald verlof wordt betaald aan de werknemer die tijdens de gehele referentieperiode en/of overdrachtsperiode dan wel een deel ervan met ziekteverlof is geweest, waardoor hij geen gebruik heeft kunnen maken van zijn recht op jaarlijks betaald verlof47., ‘niet mutatis mutandis kan worden toegepast op een situatie van een werknemer met werktijdverkorting’.48. Het Hof oordeelt vervolgens duidelijk dat ‘de situatie van een werknemer die arbeidsongeschikt is wegens ziekte […] fundamenteel [verschilt] van de situatie van een werknemer met werktijdverkorting’.49.
28.
De context waarin het Hof dat heeft geoordeeld, is wat dat betreft volledig vergelijkbaar met die van de onderhavige prejudiciële verwijzing, aangezien de werktijdverkorting van de betrokken werknemers voortvloeide uit een sociaal plan dat een overeenkomst vaststelde ‘over de schorsingvan de wederzijdse verplichtingen van de werkgever en de werknemer wat prestaties betreft, in verhouding tot [die verkorting]’.50. In een dergelijk geval heeft het Hof aanvaard dat het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon kan worden bepaald met toepassing van de pro-rata-temporisregel.51. Gelet op de vrijheid van de lidstaten om de contractuele regeling tussen de werknemer met ouderschapsverlof en zijn werkgever vast te leggen alsook op het feit dat het Unierecht zich niet mengt in de delicate kwestie van de vergoeding van het ouderschapsverlof, dient immers te worden vastgesteld dat de niet-inaanmerkingneming van het ouderschapsverlof voor de berekening van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon louter het gevolg is van de schorsing van de wederzijdse verplichtingen die Dicu tot dan toe aan haar werkgever bonden.52. Het feit dat die schorsing een pro-rata-temporisvermindering van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon van Dicu meebrengt, lijkt in de huidige stand van het Unierecht niet voor kritiek vatbaar. Bijgevolg is er in die omstandigheden evenmin tegenspraak met het herhaalde oordeel van het Hof dat een door het Unierecht gegarandeerd verlof niet kan afdoen aan een ander door dit recht gewaarborgd verlof53., juist omdat het Unierecht geen recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon waarborgt in een periode waarin de wederzijdse verplichtingen van de werknemer en de werkgever worden geschorst en die niet wordt beschouwd als een tijdvak van daadwerkelijke arbeid. Bij de uitlegging die ik het Hof dus in overweging geef, wordt zowel de integriteit van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon als die van het ouderschapsverlof behouden.
29.
Uiteindelijk zou het alleen aan de lidstaten staan, te beslissen in voorkomend geval verder te gaan dan de minimumeisen van de herziene raamovereenkomst door — indien zij daarvoor kiezen — voor de bepaling van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon het tijdvak van ouderschapsverlof gelijk te stellen met een tijdvak van daadwerkelijke arbeid.
30.
Ten slotte wil ik elke poging tegengaan om de herziene raamovereenkomst aldus uit te leggen dat die overeenkomst, gelezen in het licht van de bepalingen waarin het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon is neergelegd, voor de lidstaten een verplichting zou meebrengen om voor de bepaling van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon alleen de in clausule 2, punt 2, van die overeenkomst gewaarborgde minimale duur van het ouderschapsverlof in aanmerking te nemen, dat wil zeggen vier maanden. Naast het feit dat de rechtsgrondslag van een dergelijke uitlegging mijns inziens heel onzeker is, ook omdat die geen enkele weerklank vindt in de rechtspraak van het Hof over de herziene raamovereenkomst, heb ik in een andere context54. het Hof uitdrukkelijk gewaarschuwd voor de risico's als van die minimumduur van vier maanden de harde kern van de bescherming van werknemers met ouderschapsverlof in het Unierecht wordt gemaakt. Mutatis mutandis blijft die waarschuwing relevant voor het antwoord aan de verwijzende rechter in deze zaak.
31.
Bijgevolg luidt de conclusie dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88 aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, waarbij het tijdvak van ouderschapsverlof voor een jong kind niet wordt meegerekend voor de bepaling van de duur van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon van een werknemer door dat tijdvak niet met een tijdvak van daadwerkelijke arbeid gelijk te stellen.
Conclusie
32.
Gelet op al het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Curte de Apel Cluj (rechter in tweede aanleg Cluj, Roemenië) als volgt te beantwoorden:
‘Artikel 7, lid 1, van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale regeling zoals die in het hoofdgeding, waarbij het tijdvak van ouderschapsverlof voor een jong kind niet wordt meegerekend voor de bepaling van de duur van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon van een werknemer door dat tijdvak niet met een tijdvak van daadwerkelijke arbeid gelijk te stellen.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 20‑03‑2018
Oorspronkelijke taal: Frans.
PB 2003, L 299, blz. 9.
Uit artikel 2, lid 1, van besluit 325/2005 van de hoge raad voor de magistratuur houdende goedkeuring van de verlofregeling voor rechters en procureurs volgt dat een magistraat, zoals Dicu, recht heeft op 35 dagen jaarlijkse vakantie met behoud van loon.
De verwijzende rechter vermeldt hier het arrest van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a. (C-350/06 en C-520/06, EU:C:2009:18, punt 26).
PB 2010, L 68, blz. 13.
Arrest van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a. (C-350/06 en C-520/06, EU:C:2009:18).
Arrest van 24 januari 2012, Dominguez (C-282/10, EU:C:2012:33).
Arrest van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a. (C-350/06 en C-520/06, EU:C:2009:18).
Arrest van 24 januari 2012, Dominguez (C-282/10, EU:C:2012:33).
Deze bepaling luidt als volgt: ‘De individuele arbeidsovereenkomst kan op initiatief van de werknemer in de volgende gevallen worden geschorst: a) ouderschapsverlof voor kinderen tot de leeftijd van twee jaar […].’Artikel 49, lid 2, van de Roemeense arbeidswet definieert de gevolgen van de schorsing van de overeenkomst als volgt: ‘[s]chorsing van de arbeidsovereenkomst leidt tot schorsing van de verrichting van arbeid door de werknemer en van de betaling van salaris door de werkgever.’
Zie artikel 7, lid 2, van richtlijn 2003/88.
PB 2007, C 303, blz. 1.
Artikel 31, lid 2, van het Handvest bepaalt dat ‘[i]edere werknemer […] recht [heeft] op een beperking van de maximumarbeidsduur en op dagelijkse en wekelijkse rusttijden, alsmede op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon’.
Arrest van 24 januari 2012, Dominguez (C-282/10, EU:C:2012:33, punt 16 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a. (C-350/06 en C-520/06, EU:C:2009:18, punt 25).
Die overweging luidt: ‘De verbetering van de veiligheid, de hygiëne en de gezondheid van de werknemers op het werk is een doelstelling die niet aan overwegingen van zuiver economische aard ondergeschikt mag worden gemaakt.’
Zie arresten van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a. (C-350/06 en C-520/06, EU:C:2009:18, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak, alsook punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook arrest van 10 september 2009, Vicente Pereda (C-277/08, EU:C:2009:542, punt 20).
Arrest van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a. (C-350/06 en C-520/06, EU:C:2009:18, punt 41). Cursivering van mij.
Arrest van 20 januari 2009 (C-350/06 en C-520/06, EU:C:2009:18).
Cursivering van mij.
Cursivering van mij.
Arrest van 18 maart 2004, Merino Gómez (C-342/01, EU:C:2004:160).
Zie arrest van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a. (C-350/06 en C-520/06, EU:C:2009:18, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 18 maart 2004, Merino Gómez (C-342/01, EU:C:2004:160, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook arresten van 14 april 2005, Commissie/Luxemburg (C-519/03, EU:C:2005:234, punt 32), en 20 september 2007, Kiiski (C-116/06, EU:C:2007:536, punt 46).
Arrest van 18 maart 2004, Merino Gómez (C-342/01, EU:C:2004:160, punt 33).
Namelijk de arresten van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a. (C-350/06 en C-520/06, EU:C:2009:18), en 18 maart 2004, Merino Gómez (C-342/01, EU:C:2004:160).
Arrest van 24 januari 2012, Dominguez (C-282/10, EU:C:2012:33).
Arrest van 24 januari 2012, Dominguez (C-282/10, EU:C:2012:33, punt 20).
Arrest van 24 januari 2012, Dominguez (C-282/10, EU:C:2012:33, punt 30).
Zie arresten van 14 april 2005, Commissie/Luxemburg (C-519/03, EU:C:2005:234, punt 32); 20 september 2007, Kiiski (C-116/06, EU:C:2007:536, punt 35); 16 juli 2015, Maïstrellis (C-222/14, EU:C:2015:473, punt 31), en 16 juni 2016, Rodríguez Sánchez (C-351/14, EU:C:2016:447). Zie ook clausule 2, punt 1, van de herziene raamovereenkomst.
Zie arrest van 16 juli 2015, Maïstrellis (C-222/14, EU:C:2015:473, punt 38). Het onderscheid tussen zwangerschapsverlof en ouderschapsverlof blijkt bovendien uitdrukkelijk uit punt 15 van de algemene overwegingen van de herziene raamovereenkomst [zie ook arrest van 16 juni 2016, Rodríguez Sánchez (C-351/14, EU:C:2016:447, punt 43)].
Zie arrest van 13 februari 2014, TSN en YTN (C-512/11 en C-513/11, EU:C:2014:73, punt 39). Zie, over de toepasselijkheid van de herziene raamovereenkomst op de werknemers die ambtenaar zijn, arrest van 7 september 2017, H. (C-174/16, EU:C:2017:637, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie ook clausule 1 van de herziene raamovereenkomst.
Zie ook arresten van 13 februari 2014, TSN en YTN (C-512/11 en C-513/11, EU:C:2014:73, punt 38), en 7 september 2017, H. (C-174/16, EU:C:2017:637, punt 29).
Zie clausule 2, punt 1, van de herziene raamovereenkomst.
Zie clausule 2, punt 2, van de herziene raamovereenkomst.
Zie clausule 3, punt 1, van de herziene raamovereenkomst.
Zie clausule 5, punt 1, van de herziene raamovereenkomst.
Zie clausule 5, punt 2, van de herziene raamovereenkomst. Uit het dossier blijkt dat de op de datum van ingang van het ouderschapsverlof verworven rechten van Dicu inzake jaarlijkse vakantie met behoud van loon na afloop van dat verlof niet ter discussie zijn gesteld.
Zie clausule 5, punt 4, van de herziene raamovereenkomst.
Zie clausule 5, punt 3, van de herziene raamovereenkomst.
Zie clausule 5, punt 5, eerste alinea, van de herziene raamovereenkomst.
Zie clausule 5, punt 5, tweede alinea, van de herziene raamovereenkomst.
Zie, over de gevolgen van de schorsing van de arbeidsovereenkomst tijdens het ouderschapsverlof in het Roemeense recht, voetnoot 10 bij deze conclusie.
Het Hof heeft in herinnering gebracht dat Verdrag nr. 132 van de Internationale Arbeidsorganisatie van 24 juni 1970 over de jaarlijkse vakantie met behoud van loon weliswaar uitdrukkelijk bepaalt dat arbeidsverzuim wegens ziekte als arbeidstijd moet worden aangemerkt [zie arrest van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a. (C-350/06 en C-520/06, EU:C:2009:18, punt 38)], maar niets zegt over wat er gebeurt in geval van ouderschapsverlof.
Arrest van 8 november 2012, Heimann en Toltschin (C-229/11 en C-230/11, EU:C:2012:693, punt 26).
Zie arrest van 20 januari 2009, Schultz-Hoff e.a. (C-350/06 en C-520/06, EU:C:2009:18, punt 62).
Arrest van 8 november 2012, Heimann en Toltschin (C-229/11 en C-230/11, EU:C:2012:693, punt 26).
Arrest van 8 november 2012, Heimann en Toltschin (C-229/11 en C-230/11, EU:C:2012:693, punt 27).
Arrest van 8 november 2012, Heimann en Toltschin (C-229/11 en C-230/11, EU:C:2012:693, punten 28). Cursivering van mij. Zie ook punt 32 van dat arrest.
Het Hof heeft eerst de betrokken werknemers geherkwalificeerd als ‘deeltijdwerknemers’ [zie arrest van 8 november 2012, Heimann en Toltschin (C-229/11 en C-230/11, EU:C:2012:693, punt 32)] en vervolgens zijn relevante rechtspraak ter zake op hen toegepast [zie, over de rechtspraak in kwestie, arrest van 22 april 2010, Zentralbetriebsrat der Landeskrankenhäuser Tirols (C-486/08, EU:C:2010:215, punten 33 en 34), en zie, voor de toepassing ervan op de betrokken werknemers, arrest van 8 november 2012, Heimann en Toltschin (C-229/11 en C-230/11, EU:C:2012:693, punten 33-35)].
Om helemaal volledig te zijn, herinner ik eraan dat de schorsing van de overeenkomst en bijgevolg van de wederzijdse prestaties geen afbreuk doet aan de continuïteit van de arbeidsverhouding, dat wil zeggen dat de werknemer met ouderschapsverlof zijn hoedanigheid van werknemer wel degelijk behoudt [zie arrest van 20 september 2007, Kiiski (C-116/06, EU:C:2007:536, punt 32)].
Zie in punt 19 van deze conclusie in herinnering gebrachte rechtspraak.
Zie punt 20 van mijn conclusie in de zaak H. (C-174/16, EU:C:2017:306).