Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/3.4.4.2
3.4.4.2 De registratie van broeikasgasemissierechten
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS610631:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dit is ook geregeld in artikel 16.43 lid 2 Wm.
Artikel 3 onder 22 Verordening (EU) 389/2013.
Stcrt. 2008, 33. Deze aanwijzing heeft nog plaatsgevonden onder het voormalige artikel 16.43 lid 4 Wm, dat verwees naar het toen geldende artikel 2 onder q Verordening (EG) 2216/2004. Onder deze verordening werd de nationaal administrateur nog de ‘registeradministrateur’ genoemd.
Verordening (EG) 2216/2004 is ingetrokken door Verordening (EU) 920/2010, die op zijn beurt weer is ingetrokken door Verordening (EU) 389/2013.
Zie hierboven de behandeling van de artikelen 16.35a en 16.35b Wm.
Besluit 13/CMP.1 waarnaar wordt verwezen is het besluit: FCCC/KP/CMP/2005/8/Add.2, Decision 13/CMP.1.
Zie artikel 15 en 16 FCCC/KP/CMP/2005/8/Add.2, Decision 13/CMP.1. Zie tevens MvT, Kamerstukken II 2010/11, 32667, nr. 3, p. 89.
De Verordening inzake het EU-register is Verordening (EU) 389/2013. Het bestuur van de NEa wordt in artikel 16.43 lid 1 Wm aangewezen als de bevoegde autoriteit, als bedoeld in Verordening (EU) 389/2013. Artikel 16.43 lid 2 Wm bevat vervolgens een verplichting voor het bestuur van de NEa om de taken die het als bevoegde autoriteit ingevolge die Verordening heeft uit te voeren in overeenstemming met de Verordening. Daarnaast dient het bestuur van de NEa ervoor te zorgen dat het register voldoet aan de vereisten die daaraan door de Verordening worden gesteld.1
Aangezien de registers tegenwoordig niet meer op nationaal niveau, maar op EU-niveau vorm en inhoud worden gegeven,2 komt aan artikel 16.43 lid 2 Wm voor wat betreft de bepaling dat het bestuur van de NEa ervoor moet zorgen dat het register aan de vereisten uit de Verordening voldoet, geen betekenis meer toe.
Naast een bevoegde autoriteit kent Verordening (EU) 389/2013 ook een nationale administrateur.3 Ingevolge artikel 16.43 lid 3 Wm dient het bestuur van de NEa bij besluit een medewerker van de NEa aan te wijzen als nationaal administrateur. Van dit besluit dient mededeling te worden gedaan in de Staatscourant. De nationaal administrateur is, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2005, op 7 februari 2008 aangewezen.4
Artikel 16.43 lid 4 Wm is een bepaling waaraan inmiddels geen betekenis meer toekomt. De bepaling luidt:
‘Onze Minister wordt aangewezen als betrokken instantie en desbetreffende instantie als bedoeld in de Verordening EU-register handel in emissierechten.’
Echter, in Verordening (EU) 389/2013 komen de begrippen ‘betrokken instantie’ en ‘desbetreffende instantie’ niet meer voor. Deze begrippen werden gehanteerd onder Verordening (EG) 2216/2004. 5Deze Verordening is echter ingetrokken. De betreffende begrippen zijn ook niet door andere begrippen vervangen in de huidige Verordening (EU) 389/2013.
Naast broeikasgasemissierechten kunnen in het register tevens CER’s, ERU’s, AAU’s en RMU’s worden geregistreerd. Dit volgt uit artikel 16.43 lid 5 Wm. Deze bepaling is voor dit onderzoek verder niet relevant, aangezien deze rechten niet kunnen worden aangewend voor de verantwoording van de uitstoot van broeikasgassen onder het ETS. Bepaalde Kyoto-rechten kun-nen wel voor broeikasgasemissierechten worden omgeruild, maar hier gelden specifieke regels voor.6
Ingevolge artikel 16.44 lid 1 Wm kan eenieder broeikasgasemissierechten bezitten. Deze bepaling implementeert artikel 19 lid 2, eerste zin Richtlijn ETS. Verder schrijft artikel 16.44 lid 1 Wm voor dat eenieder ook CER’s, ERU’s, AAU’s en RMU’s kan bezitten. In artikel 16.44 lid 2 Wm worden daar echter wel weer enkele uitzonderingen op gemaakt. Om de hierboven reeds genoemde reden is deze bepaling voor dit onderzoek niet relevant. Op deze bepaling wordt derhalve in zoverre in dit onderzoek niet verder ingegaan.
Op grond van artikel 16.45 Wm kan de Minister regels stellen ter uitvoering van Verordening (EU) 389/2013. Deze regels zijn vastgesteld in hoofdstuk 4 Rhe.
Op grond van artikel 16.46 Wm moeten CER’s, ERU’s, AAU’s en RMU’s die op een rekening in het register staan, aan het eind van de aanvullende periode voor het voldoen aan de Kyotoverplichtingen (eerste verbintenisperiode) worden geannuleerd. Artikel 16.46 Wm luidt als volgt:
‘Emissiereductie-eenheden, gecertificeerde emissiereducties en verwijderingseenheden die aan het einde van de aanvullende periode voor het voldoen aan verplichtingen, bedoeld in het overeenkomstig het Protocol van Kyoto genomen besluit 13/CMP.1, op een rekening in het register voor handel in emissierechten zijn geregistreerd, worden geannuleerd.’7
Artikel 16.46 Wm geeft hiermee uitvoering aan artikel 15 en 16 van dat besluit, waarin een maximum wordt gesteld aan de rechten die van de eerste naar de tweede verbintenisperiode onder het Kyotoprotocol mogen worden overgeheveld.8