Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement
Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/9.4.4.2:9.4.4.2 Klassenindeling
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/9.4.4.2
9.4.4.2 Klassenindeling
Documentgegevens:
mr. A.M. Mennens , datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192827:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Codire-rapport 2018, p. 201-202 dat als ‘best practice’ beschrijft dat de rechter tijdens de homologatiezitting moet nagaan of de klassenindeling op orde is.
Vgl. §4.9.2 en nr. 339.
Zie voor betogen voor die benadering: Tollenaar 2016, §8.9.1; Payne 2014, p. 71.
Zie voor kritiek op deze onzuivere formulering nr. 505.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
506. Een onjuiste klassenindeling is een grond voor de weigering van de homologatie, zo volgt uit art. 384 lid 2 sub c Fw.1 De rechter dient dus na te gaan of het in §6.2.5 besproken criterium juist is toegepast op de crediteurenpopulatie en de aandeelhouders die in het akkoord betrokken worden. Zoals besproken in nr. 334 kiest de wetgever ervoor slechts twee factoren verplicht te stellen. In §6.3 kwam reeds aan bod hoe de klassenindeling wordt getoetst in het Amerikaanse en het Engelse recht, en wat de Herstructureringsrichtlijn voorschrijft op dit punt.
Een juiste klassenindeling is van groot belang. Indien de klassen onjuist zijn ingedeeld, gaat immers van de besluitvorming minder of zelfs geen enkele democratische legitimatie uit.2 Dat is problematisch, omdat het pre-insolventieakkoordproces als uitgangspunt neemt dat de besluitvorming over het akkoord op democratische wijze plaatsvindt. Zo kan de vraag of de reorganisatiewaarde correct is verdeeld over de klassen pas aan bod komen indien het akkoord door één of meer klassen is verworpen. Indien de klassen onjuist zijn ingedeeld, maar wel in alle klassen de vereiste meerderheid is behaald, is het voor tegenstemmers onmogelijk om het akkoord te laten toetsen aan de eerlijkheidsnorm van art. 384 lid 4 Fw. Die toets komt immers pas in beeld wanneer in een klasse de vereiste meerderheid niet is behaald. Een onjuiste klassenindeling kan er dus toe leiden dat aan vermogensverschaffers de bescherming van een dergelijke fundamentele waarborg wordt ontnomen. Daarom is het van belang dat de rechter de bevoegdheid heeft om, zo nodig ambtshalve, de homologatie te weigeren wanneer hij meent dat de klassen onjuist zijn ingedeeld.
Ook ten aanzien van gebreken in de klassenindeling heeft de wetgever echter een ontsnappingsmogelijkheid gecreëerd.3 De rechter hoeft de homologatie niet te weigeren indien het gebrek in de klassenindeling redelijkerwijs niet tot een andere uitkomst van de stemming had kunnen leiden.4 Ook op deze plaats laat de formulering te wensen over. De rechter zou het akkoord moeten kunnen homologeren indien de stemming in redelijkheid niet tot een andere uitkomst had kunnen leiden wanneer het gebrek in de klassenindeling niet had bestaan of was weggenomen.
Stel, crediteur X is ingedeeld in klasse A, terwijl hij eigenlijk in klasse B had moeten stemmen. Indien vast komt te staan dat X eigenlijk in een andere klasse had moeten stemmen, dient de rechter een tweeledige exercitie te doorlopen. Ten eerste moet hij bezien of de vereiste meerderheid binnen klasse A nog steeds (al dan niet) zou zijn gehaald, indien de stem van X niet wordt meegeteld. Daarnaast dient de rechter na te gaan of de vereiste meerderheid in klasse B zou zijn gehaald, indien X in die klasse had meegestemd. Deze laatste vraag kan lastiger te beantwoorden zijn, omdat aan verschillende klassen vaak een uiteenlopend aanbod wordt gedaan. De rechter kan er dan niet zomaar van uitgaan dat X net zoals in de oorspronkelijke stemming vóór of tegen stemde. Die voor- of tegenstem is immers gebaseerd op het aanbod dat is gedaan. De rechter zal in een dergelijk geval dus moeten onderzoeken hoe de vermogensverschaffer gestemd zou hebben over het akkoordvoorstel dat aan klasse B is gedaan.
Om dezelfde redenen als uiteengezet in nr. 505 acht ik goed verdedigbaar dat de homologatie moet worden geweigerd indien de klassenindeling niet op orde is én een juiste indeling tot een andere stemuitslag had geleid. De klassenindeling vormt immers het hart van het democratische besluitvormingsproces. Het is daarom passend dat op de aanbieder van het akkoord een zware verantwoordelijkheid voor een deugdelijke klassenindeling rust.