HR 1 februari 2013, ECLI:NL:GHARL:2018:7327, NJ 2013/84 (Van Leeuwen/Lips)
Hof Arnhem-Leeuwarden, 12-08-2025, nr. 200.341.052
ECLI:NL:GHARL:2025:4999
- Instantie
Hof Arnhem-Leeuwarden
- Datum
12-08-2025
- Zaaknummer
200.341.052
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARL:2025:4999, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 12‑08‑2025; (Hoger beroep, Tussenuitspraak)
ECLI:NL:GHARL:2025:2181, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 08‑04‑2025; (Hoger beroep, Tussenuitspraak)
ECLI:NL:GHARL:2024:6526, Uitspraak, Hof Arnhem-Leeuwarden, 22‑10‑2024; (Hoger beroep, Tussenuitspraak)
Uitspraak 12‑08‑2025
Inhoudsindicatie
Beroep op bedrog ex artikel 3:44 lid 3 BW. Volgens V wist M van voorgenomen verkoop van deelnemingen en heeft dit opzettelijk verzwegen. Hof oordeelt het bewijsaanbod van V als relevant en voldoende specifiek en laat V toe tot bewijs. Tussenarrest met bewijsinstructie.
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.341.052
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 298569
arrest van 12 augustus 2025
in de zaak van
[appellante] (de vrouw)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. E.H. van Olmen
tegen
[geïntimeerde] (de man)
die woont in [woonplaats1]
advocaat: mr. C.G.A. van Stratum
1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
Naar aanleiding van het arrest in het incident van 8 april 2024 heeft op 21 juli 2025 een mondelinge behandeling in de hoofdzaak bij het hof plaatsgevonden. Partijen en hun advocaten hebben tijdens de zitting hun standpunten toegelicht. Op 12 mei 2025 is nog een H12- formulier van mr. Van Olmen in het geding gebracht en op 22 mei 2025 een H12-formulier van mr. Van Stratum. Daarna is op respectievelijk 10 en 11 juli 2025 een H12-formulier met producties door mr. Van Stratum en mr. Van Olmen in het geding gebracht. Van de mondelinge behandeling is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). Aan het eind van de mondelinge behandeling is meegedeeld dat het hof arrest zal wijzen.
2. De kern van de zaak
2.1.
Tot de door echtscheiding ontbonden huwelijksgemeenschap van de vrouw en de man behoorden alle aandelen in [naam3] BV. [naam3] BV houdt 36% van de aandelen in [naam4] BV (voorheen [naam5] BV). In de echtscheidingsprocedure heeft de rechtbank geoordeeld dat de peildatum voor de waardering van de aandelen 1 juli 2020 is (tussenbeschikking van 16 juli 2020). Vervolgens heeft de rechtbank beslist als volgt (tussenbeschikking van 7 september 2020):
“1. gelast een deskundigenonderzoek ter beantwoording van de hieronder
geformuleerde vragen en benoemt daartoe tot deskundige de heer [naam1] ,
verbonden aan [naam6] (…):
- wat is de waarde van de aandelen van de man in [naam3] BV (inclusief de
onderliggende werkmaatschappijen) op basis van de intrinsieke waarderingsmethode (het
zichtbaar eigen vermogen, de eventueel zakelijk overdraagbare goodwill en de eventueel
overige stille reserves, alsmede de commerciële afstortingswaarde van het pensioen in eigen beheer) per 1 juli 2020? Bij beantwoording van deze vraag kan de deskundige ter bepaling van de zakelijk overdraagbare goodwill op basis van de “Mobach-methode” alle normalisatie toepassen die hij noodzakelijk acht.”
Verder is bepaald dat het de deskundige vrij staat om tijdens zijn onderzoek te onderzoeken of een onderlinge regeling tot de mogelijkheden behoort.
Partijen hebben daarna met de deskundige gesproken over de verdeling van de aandelen in [naam3] BV en de ontbonden huwelijksgemeenschap. Zij hebben hun afspraken vastgelegd in een echtscheidingsconvenant van 19 februari 2021 dat is opgesteld door de deskundige.
De verdeling van de aandelen in [naam3] BV is opgenomen in artikel 4.2. van het echtscheidingsconvenant tevens vaststellingsovereenkomst, dat luidt als volgt:
“Artikel 4.2 Aanmerkelijk belang in [naam3] B.V.
4.2.1
Tot de gemeenschap van goederen behoren alle aandelen in de besloten vennootschap [naam3] B.V. statutair gevestigd te [woonplaats1] . Deze aandelen worden toebedeeld aan de man.
4.2.2
De brutowaarde voor de aandelen [naam3] B.V. is door partijen bepaald op € 6.361.959,- (zie bijlage 3).
(…)
De aanmerkelijk belangdaim komt (…) uit op € 1.706325,-. De nettowaarde (brutowaarde aandelen € 6.361.959,- -/- aanmerkelijk belangdaim € 1.706.525,-) van de aandelen van [naam3] B.V. hebben partijen op 5 januari 2021 bepaald naar de stand per 1 juli 2020 op een bedrag van € 4.655.434,-. De man wordt met de toedeling van de aandelen aan hem overbedeeld. De overbedelingsschuld van de man aan de vrouw bedraagt € 2.327.717,-.
Dit is een vaststellingsovereenkomst.
Dit artikel is een vaststellingsovereenkomst.”
Partijen hebben samen met de deskundige bij de waardering van de aandelen in [naam3] BV rekening gehouden met een waarde van de 36% deelneming van [naam3] BV in [naam4] BV van € 519.911 en een netto goodwill [naam4] BV van € 2.479.981.
De levering van de aandelen aan de man heeft op 23 februari 2021 plaatsgehad.
[naam4] BV had een aantal deelnemingen. Op 29 maart 2021 heeft [naam7] BV (hierna: [naam7] ) een stuk getiteld ‘non-binding offer’ uitgebracht aan [naam4] BV met het oog op de koop van een aantal van deze deelnemingen. Op 7 mei 2021 heeft [naam4] BV een aantal deelnemingen verkocht aan [naam7] voor een koopsom van (afgerond) € 66.000.000. Op de mondelinge behandeling bij het hof op 21 juli 2025 heeft de advocaat van de man gezegd dat het gaat om de verkoop van de deelnemingen in [naam8] BV, [naam9] BV en [naam10] , die toen alle drie zijn geherstructureerd in [naam11] BV.
2.2.
Bij de rechtbank heeft de vrouw vernietiging van enkele bepalingen uit het echtscheidingsconvenant gevorderd (dan wel dat vanwege de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 lid 2 BW geen beroep op die bepalingen mag worden gedaan) en dat deze bepalingen worden vervangen door een bepaling waarin een hogere waarde van de aandelen in [naam3] BV is verdisconteerd. Ook heeft zij bij incident een inzagevordering ingesteld op grond van artikel 843a Rv.
2.3.
De rechtbank heeft de vorderingen in de hoofdzaak en de vordering in het incident afgewezen. De vrouw is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld. Zij wenst dat het hof alsnog haar vorderingen toewijst en heeft haar eis gewijzigd. Ook heeft zij opnieuw een inzagevordering op grond van artikel 843a Rv ingesteld.
2.4.
Dit hof heeft op 8 april 2025 bij arrest in het incident bepaald dat de man aan de vrouw een afschrift moet verstrekken van de opdrachtbrief tussen [de bank] en de aandeelhouders van [naam4] BV en die tussen [naam12] en [naam4] BV en daaraan een dwangsom verbonden van € 1.000 per dag of dagdeel dat niet aan de veroordeling wordt voldaan, met een maximum van € 100.000. Voor het overige heeft het hof de inzagevordering afgewezen en bepaald dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Iedere verdere beslissing is aangehouden.
2.5.
Het hof houdt in dit arrest elke beslissing op de vorderingen van de vrouw aan en zal haar eerst toelaten tot het leveren van bewijs van haar stellingen.
3. De toelichting op de beslissing van het hof
3.1.
De stelling van de vrouw komt erop neer dat de man tijdens de besprekingen met [naam1] wist van de voorgenomen verkoop door [naam4] BV van deelnemingen aan [naam7] , dat hij dit opzettelijk heeft verzwegen en dat de uitkomst van de besprekingen anders zou zijn geweest als de vrouw daarvan had geweten.
3.2.
De vrouw vordert daarom vernietiging van de bepalingen 4.2 en 4.9 inclusief bijlage 1, 3 en 4 van het echtscheidingsconvenant voor zover het de waarde van de aandelen, de te hanteren peildatum, de totale overbedelingssom en de bijbehorende berekeningen betreft en wel op grond van bedrog (artikel 3:44 lid 3 BW). Zij vordert (subsidiair) deze bepalingen buiten toepassing te laten op grond van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 2 BW). Volgens haar moeten de waarde van de aandelen, de overbedelingssom, de onderliggende berekeningen en de peildatum opnieuw worden bepaald. Zij voert daartoe aan dat de man zijn informatieplicht heeft geschonden tijdens het forensische mediationtraject, waarin partijen onder begeleiding van [naam1] samen de waarde van de aandelen in [naam3] BV hebben vastgesteld in het echtscheidingsconvenant. De man heeft gedurende dit traject bewust een negatief beeld geschetst van de toekomstverwachting van [naam4] BV en de deelnemingen daarin. In mei 2021, dus vlak nadat partijen het echtscheidingsconvenant hebben ondertekend op 19 februari 2021, is gebleken dat deelnemingen van [naam4] BV zijn verkocht aan [naam7] voor een verbluffend hoger bedrag dan de waarde die partijen daaraan hebben toegekend op basis van de door de man verstrekte gegevens. Volgens de vrouw kan het niet anders zijn dan dat zijzelf en [naam1] andere informatie hebben ontvangen dan [naam7] en onvolledig of onjuist zijn voorgelicht door de man. De vrouw heeft de opdrachtbrieven tussen [de bank] en [naam12] en [naam4] BV ontvangen (producties 34 en 35 bij brief van 10 juli 2025) en notulen van vergaderingen van aandeelhouders van [naam4] BV. Deze opdrachtbrieven in combinatie met de gespreksverslagen (productie 38 bij brief van 10 juli 2025) van het forensisch mediationtraject en de notulen van de algemene vergaderingen van [naam4] BV (producties 12 en 13 bij brief van 11 juli 2025 van de zijde van de man) tonen aan dat de man bij de gesprekken met de vrouw en [naam1] opzettelijk relevante informatie heeft achtergehouden. Hierdoor heeft de vrouw op grond van onjuiste informatie ingestemd met de overeengekomen peildatum, de waarderingsmethode en de waarde van de aandelen in [naam3] BV. Uit deze stukken blijkt dat de man tijdens de besprekingen al op de hoogte was van de verkoop van deelnemingen door [naam4] BV aan [naam7] . Daarnaast blijkt uit de hoge factor die [naam7] bij de koop heeft toegepast op de waardering van de deelnemingen, dat [naam7] is uitgegaan van een groeiverwachting bij [naam4] BV, terwijl de man in de gesprekken met de vrouw en [naam1] heeft gezegd dat er een winstwaarschuwing gold (zie productie 33, bijlage N). Er is dus sprake van bedrog dan wel een situatie waarin op grond van de redelijkheid en billijkheid het echtscheidingsconvenant niet ongewijzigd in stand kan blijven. Het doen van onjuiste mededelingen en het verzwijgen van relevante informatie wordt op grond van artikel 3:44 BW aangemerkt als kunstgreep. Ook is sprake van opzet bij de man voor de kunstgreep. De vrouw heeft meerdere keren concreet, ook tijdens de echtscheidingsprocedure, om informatie en stukken gevraagd. Deze informatie bleek veelal onvolledig. Gedurende de echtscheidingsprocedure heeft de vrouw ervaren dat de man een weigerachtige houding had wat betreft het verstrekken van stukken. De relevante informatie over de verkoop aan [naam7] is niet met de vrouw en [naam1] gedeeld en er is zo een onjuist beeld gegeven van de toekomstverwachting van de deelnemingen en van [naam4] BV. De vrouw meent dat de man dit heeft gedaan met het oogmerk om de vrouw te misleiden om tot een lage(re) waardering van de aandelen in [naam3] BV te komen. Voorwaardelijke opzet volstaat al voor het aannemen van bedrog. Partijen zijn uiteindelijk tot overeenstemming gekomen over de waarde van de aandelen in [naam3] BV, omdat de vrouw en [naam1] in de veronderstelling waren dat zij volledig waren ingelicht door de man. [naam1] heeft partijen nog gewezen op de gevolgen van artikel 3:194 lid 2 BW. De vrouw zou niet tot deze overeenstemming zijn gekomen, indien zij had geweten dat zij niet volledig was ingelicht. Indien partijen niet tot deze overeenstemming zouden zijn gekomen, had [naam1] als deskundige een waardering gemaakt waarbij ook de toekomstverwachtingen relevant waren. Er is dus sprake van causaal verband tussen de kunstgrepen van de man en de verdeling van de aandelen in [naam3] BV voor het afgesproken bedrag. Daarmee is voldaan aan de wettelijke vereisten voor bedrog, aldus de vrouw.
3.3.
De man voert verweer. Vast staat dat de waarde van de aandelen in [naam3] BV op 1 juli 2020 via de intrinsieke waarderingsmethode met toepassing van de Mobach-methode bepaald moest worden. Op die peildatum was nog geen sprake van een ‘op handen zijnde overname’. Daarvan was tijdens de besprekingen met [naam1] evenmin sprake. Bovendien was die informatie niet relevant, omdat de deskundige bij de waardering uitsluitend rekening mocht houden met informatie die bekend was op de peildatum. Dat beperkt de omvang van de informatieplicht van de man. Op de vrouw rusten de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de materieelrechtelijke elementen die volgen uit artikel 3:44 lid 3 BW. Daaraan voldoet de vrouw niet. De hele zaak hangt van ‘giswerk’ aan elkaar. De man heeft dat allemaal gemotiveerd weerlegd, is consistent geweest in zijn verklaringen en alles wat hij gesteld heeft volgt ook uit de stukken. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat hij slechts een (stille) vennoot was bij [naam4] BV en dat hij niet actief betrokken was bij de bedrijfsvoering, dat hij geen bestuursfunctie had, en dat [naam2] (CEO) als enige van de aandeelhouders een actieve rol had als het gaat om [naam4] BV. Ten aanzien van het subsidiaire beroep van de vrouw op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid, geldt dat de rechter de nodige terughoudendheid moet betrachten bij het buiten toepassing laten van (een deel van) een tussen partijen gesloten overeenkomst. Dat geldt temeer wanneer partijen zijn bijgestaan door professionele partijen die over de totstandkoming van die overeenkomst uitvoerig hebben onderhandeld. De vrouw blijft, na zoveel jaren, steeds proberen om op gemaakte afspraken open te breken om voor zichzelf een beter resultaat te bereiken en in dat licht moet de onderhavige zaak ook worden bezien en beoordeeld.
3.4.
Bedrog is aanwezig, wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep (artikel 3:44 lid 3 BW).
3.5.
Partijen zijn het erover eens dat de verdeling van de aandelen in [naam3] BV (ook) een vaststellingsovereenkomst is (artikel 7:900 BW). Dat staat ook met zoveel woorden in het echtscheidingsconvenant. Met een vaststellingsovereenkomst willen partijen onzekerheid of een geschil over hun rechtsverhouding beëindigen of voorkomen. Zij spreken dan af wat hun rechtsverhouding is en aanvaarden dan dat deze vaststelling kan afwijken van wat feitelijk tussen hen rechtens gold. De aard van de vaststellingsovereenkomst staat in beginsel aan een succesvol beroep op een wilsgebrek als bedrog in de weg; met een vaststellingsovereenkomst willen partijen immers juist een onzekerheid of een geschil beëindigen of voorkomen. Dat betekent nog niet dat een vaststellingsovereenkomst nooit kan worden vernietigd op grond van bedrog. De aard van zo’n vaststellingsovereenkomst staat niet in de weg aan vernietiging op grond van bedrog, als, zoals in deze zaak is gesteld, de vrouw tot het sluiten van een vaststellingsovereenkomst is bewogen doordat de man vóór het sluiten van de vaststellingsovereenkomst onjuiste informatie heeft verstrekt1.of relevante informatie voor zich heeft gehouden.2.
3.6.
Partijen zijn het erover eens dat, indien het hof van oordeel zou zijn dat er voldoende grond is om tot vernietiging van de verdeling over te gaan, sprake moet zijn van partiële nietigheid, in die zin dat het hof de levering van de aandelen in stand laat en het zich beperkt tot een oordeel over de waarde van de aandelen.
3.7.
Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw aan haar stelplicht voldaan, maar tegenover de betwisting van de man nog niet bewezen dat 1. de man wist van de overname gesprekken met [naam7] , 2. hij die informatie met de vrouw en de heer [naam1] in het kader van het forensisch mediationtraject had moeten delen 3. omdat die informatie relevant zou kunnen zijn bij de waardering van de aandelen in het forensisch mediationtraject.
3.8.
De vrouw biedt bewijs aan door middel van het horen van getuigen. Zij herhaalt het bewijsaanbod dat zij in eerste aanleg deed. Volgens haar kunnen de door haar genoemde getuigen onder meer verklaren over de overname van de deelnemingen van [naam4] BV door [naam7] , wanneer dit van start is gegaan en onder welke voorwaarden. De vrouw wil [naam1] als getuige horen over het forensisch mediationtraject. [naam1] kan het hof informeren over de wijze waarop de informatie over het overnametraject en de gunstige toekomstverwachtingen van de deelnemingen van [naam5] BV impact zou hebben gehad op de waardering van de aandelen in [naam3] BV tussen partijen. Daarnaast kan hij verklaren wat de informatie over het overnametraject zou hebben gedaan met zijn visie op de waardering en de gehanteerde factor.
3.9.
Het bewijsaanbod van de vrouw is relevant en voldoende specifiek. Zij geeft aan welke vragen zij zou willen stellen aan de getuigen. Het gaat om feiten die tot de beslissing van de zaak kunnen leiden. De man heeft gezegd dat wetenschap over de transactie met [naam7] pas na de peildatum van 1 juli 2020 tot stand is gekomen en daarom niet meer van invloed kan zijn op de waardebepaling omdat het gaat om waardering op basis van de intrinsieke waarderingsmethode en de goodwill aan de hand van de Mobach-methode. Het hof is van oordeel dat, anders dan de man stelt, ook informatie van na de peildatum van invloed zou kunnen zijn op de waardering, in het bijzonder van de vaststelling van de omvang van de goodwill volgens de Mobach-methode. Het hof gaat ervan uit dat tussen partijen geldt dat de peildatum voor de waardering van de aandelen in [naam3] BV
1 juli 2020 is en dat de door de rechtbank vastgestelde waarderingsmethode van toepassing is. De beslissing van de rechtbank van 16 juli 2020 is in kracht van gewijsde gegaan en is dus bindend tussen partijen (gezag van gewijsde).
4. De beslissing
Het hof:
4.1.
Het hof laat de vrouw toe tot bewijs van haar stelling dat 1. de man wist van de overname gesprekken met [naam7] , 2. hij die informatie met de vrouw en de heer [naam1] in het kader van het forensisch mediationtraject had moeten delen 3. omdat die informatie relevant zou kunnen zijn bij de waardering van de aandelen in het forensisch mediationtraject;
4.2.
Als getuigen worden gehoord, zal het hof de getuigen verhoren in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 in Arnhem/het Wilhelminaplein 1 in Leeuwarden. Partijen moeten daar zelf bij aanwezig zijn.
4.3.
De vrouw moet op dinsdag 2 september 2025 laten weten hoeveel getuigen zij wil laten horen met opgave van de verhinderdagen van die getuigen, van partijen en van hun advocaten. Daarna stelt het hof de dag(en) en (het) tijdstip(pen) van het verhoor vast. Dat gebeurt ook als de opgave onvolledig is.
4.4.
De vrouw moet de namen en woonplaatsen van de getuigen ten minste een week voor het getuigenverhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof opgeven.
4.5.
Een partij die tijdens het getuigenverhoor nieuwe stukken wil indienen, moet het hof en de wederpartij daarvan uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een kopie sturen.
4.6.
Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, M.L. van der Bel en K. Mans, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 12‑08‑2025
Hof Arnhem-Leeuwarden 14 augustus 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7327
Uitspraak 08‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Inzagevordering ex artikel 843a Rv. Gedeeltelijke toewijzing. Dwangsom. In vervolg op: ECLI:NL:RBOVE:2024:409
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.341.052
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 298569
arrest in het incident van 8 april 2025
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiseres
hierna: [appellante]
advocaat: mr. E.H. van Olmen
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats1]
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. C.G.A. van Stratum
1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
Naar aanleiding van het arrest van 22 oktober 2024 heeft op 10 maart 2025 een mondelinge behandeling in het incident bij het hof plaatsgevonden. Partijen en hun advocaten hebben tijdens de zitting hun standpunten toegelicht. Van de mondelinge behandeling is een verslag gemaakt dat aan het dossier is toegevoegd (het proces-verbaal). De spreekaantekeningen van mr. Gubbens (als waarnemer van mr. Van Olmen) zijn aan het proces-verbaal gehecht, net als de spreekaantekeningen van mr. Van Stratum. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de voorzitter meegedeeld dat het hof arrest zal wijzen in het incident.
2. De verdere beoordeling
2.1.
[appellante] wil met het incident in het hoger beroep bereiken dat zij alsnog inzage krijgt in stukken met betrekking tot de overname van de deelnemingen Erace Holding door Visma. Zij vordert inzage in de volgende stukken:
- -
de opdrachtbrief / engagement letter (hierna: de opdrachtbrief) tussen ING M&A Advisory (hierna: ING) en de aandeelhouders van Erace Holding;
- -
de opdrachtbrief tussen Deloitte inzake financial due diligence en Erace Holding;
- -
stukken waaruit blijkt wanneer het eerste gesprek heeft plaatsgevonden tussen de vertegenwoordigers van Erace Holding en Visma Nederland B.V. (hierna: Visma);
- -
de geheimhoudingsverklaring;
- -
het non-binding offer met datumstempel;
- -
het waarderingsrapport dan wel prijsadvies van ING.
2.2.
Het hof zal de inzagevordering toewijzen met betrekking tot de gevorderde opdrachtbrief tussen ING en de aandeelhouders van Erace Holding. Voor het overige zal het hof de inzagevordering afwijzen. Het hof licht hierna toe hoe het tot dit oordeel komt.
Achtergrondinformatie
2.3.
Tot de ontbonden huwelijksgemeenschap van [appellante] en [geïntimeerde] behoorden alle aandelen in Cappe Holding BV. In het kader van de echtscheidingsprocedure zijn deze aandelen in het echtscheidingsconvenant van 19 februari 2021 aan [geïntimeerde] toegedeeld en aan hem geleverd op 23 februari 2021. De afspraken die over die overname zijn gemaakt, zijn vastgelegd in het echtscheidingsconvenant en het zijn die afspraken die [appellante] ter discussie heeft gesteld. De waarde van de toegedeelde aandelen in Cappe Holding was mede afhankelijk van de waarde van Erace Holding (voorheen Ecare Holding), omdat Cappe Holding 36% van de aandelen in Erace Holding bezit. De waarde van Erace Holding is op haar beurt beïnvloed door de overname van de drie deelnemingen door Visma (zie figuur).

Inzagevordering: het juridisch kader
2.4.
In het tussenarrest van 22 oktober 2024 is het juridisch kader geschetst bij een inzagevordering die is gebaseerd op artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Door de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht is artikel 843a Rv met ingang van 1 januari 2025 vervallen. Op basis van het overgangsrecht blijft dit artikel van toepassing in een procedure die vóór deze datum is gestart totdat de procedure bij die instantie is geëindigd. Deze procedure is gestart vóór 1 januari 2025 wat betekent dat het hof de vordering van [appellante] zal beoordelen aan de hand van artikel 843a Rv.
2.5.
In de periode waarop de gevraagde stukken betrekking hebben heette Erace Holding nog Ecare Holding. Het hof gebruikt hierna in alle gevallen de huidige naam Erace Holding.
2.6.
De gegevens die [appellante] heeft opgevraagd zien meer in het bijzonder op de verhouding tussen Erace Holding en Visma. Volgens [appellante] zijn deze gegevens relevant voor het bepalen van de waarde van de aandelen die Cappe Holding hield in Erace Holding, zodat deze gegevens ook van belang zijn voor de bepaling van waarde van de aandelen in Cappe Holding die tot de ontbonden huwelijksgemeenschap behoorden, waarin zij deelgenoot was voor de onverdeelde helft. Het hof oordeelt dat hiermee voldaan is aan de eis dat het moet gaan om bescheiden over een rechtsverhouding waarbij [appellante] partij is.
- Wel inzage m.b.t. de opdrachtbrief tussen ING en de aandeelhouders van Erace Holding
2.7.
[appellante] heeft toegelicht dat de aandeelhouders van Erace Holding (waaronder dus ook Cappe Holding) ING opdracht hebben gegeven om advies uit te brengen met betrekking tot de overdracht van de deelnemingen aan Visma. Volgens [appellante] volgt uit de opdrachtbrief op welke datum deze opdracht aan ING is verstrekt en op welk moment (dus) bij de aandeelhouders (in ieder geval) bekend is geweest dat Visma serieuze interesse toonde in de overname van de deelnemingen. Daaruit volgt de wetenschap van [geïntimeerde] als (indirect) aandeelhouder in Erace Holding via Cappe Holding. Het rechtmatig belang bij het inzageverzoek is daarmee gegeven.
[appellante] heeft aannemelijk gemaakt dat [geïntimeerde] beschikt over deze opdrachtbrief, dan wel dat hij deze gemakkelijk moet kunnen verkrijgen. [geïntimeerde] heeft gesteld dat sprake is van een gewichtige reden die zich tegen inzage verzet door zich in zijn algemeenheid te beroepen op de geheimhoudingsplicht (non-disclosure) met betrekking tot de opgevraagde stukken die zien op de verhouding tussen Erace Holding en Visma. [geïntimeerde] heeft niet onderbouwd dat de geheimhoudingsplicht waarop hij doelt zich ook uitstrekt tot de periode voorafgaand aan de overname door Visma, zijnde de periode waarin de opdrachtbrief is geschreven. Er is onvoldoende gebleken dat de geheimhoudingsplicht ook geldt voor de opdrachtbrief, zodat geen sprake is van een gewichtige reden die aan inzage in de weg staat. Het hof zal de gevorderde inzage met betrekking tot de opdrachtbrief daarom toewijzen.
- Wel inzage m.b.t. de opdrachtbrief tussen Deloitte en Erace Holding
2.8.
Erace Holding heeft Deloitte opdracht gegeven voor het uitvoeren van een financial due diligence onderzoek. [appellante] heeft gesteld – onder verwijzing naar een rapport van de heer [naam1] – dat voorafgaand aan de in de letter of intent van 29 maart 2021 genoemde due diligence al een vendor due diligence is uitgevoerd. Volgens [appellante] bestaan aanknopingspunten om aan te nemen dat een uitgebreid boekenonderzoek is gedaan en geïnitieerd door Erace Holding (als verkopende partij) voorafgaand aan een mogelijk bod door Visma. [geïntimeerde] heeft deze uitvoerig onderbouwde stelling van [appellante] onvoldoende gemotiveerd betwist. Het hof is daarom van oordeel dat voor [appellante] een gerechtvaardigd belang bestaat om de opdrachtbrief in te zien. Mogelijk kan de inhoud van het document bijdragen aan de onderbouwing van de (veronder)stelling van [appellante] dat [geïntimeerde] al tijdens de onderhandelingsfase rond de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant op de hoogte was van de overname en haar daarover had moeten informeren. De door [geïntimeerde] aangevoerde gewichtige reden staat niet – zie eerder rov. 2.7 – aan inzage van dit document in de weg. Om die reden zal het hof het inzageverzoek met betrekking tot de opdrachtbrief tussen Deloitte en Erace Holding toewijzen.
- Geen inzage m.b.t. het waarderingsrapport dan wel prijsadvies van ING
2.9.
Ten aanzien van het door ING uitgebrachte waarderingsrapport dan wel het prijsadvies ligt het in de rede dat deze dateert van een later moment dan de datum waarop de vaststellingsovereenkomst (het echtscheidingsconvenant) tussen [appellante] en [geïntimeerde] werd getekend. Om die reden kunnen deze stukken niet bijdragen aan de onderbouwing van het door [appellante] gestelde bedrog van [geïntimeerde] (namelijk dat [geïntimeerde] eerder op de hoogte was en haar ten onrechte niet heeft geïnformeerd, dan wel onjuist heeft geïnformeerd). Om die reden zal het hof de inzagevordering met betrekking tot dit document afwijzen.
- Geen inzage m.b.t. stukken waaruit blijkt wanneer het eerste gesprek heeft plaatsgevonden tussen de vertegenwoordigers van Erace Holding en Visma
2.10.
[appellante] wenst stukken in te zien waaruit blijkt wanneer het eerste gesprek heeft plaatsgevonden tussen de vertegenwoordigers van Erace Holding en Visma. Het had op de weg van [appellante] gelegen om meer concreet aan te geven op welke stukken zij doelt, dat heeft zij niet gedaan. Haar vordering is daarom onvoldoende bepaald en zal om die reden door het hof worden afgewezen.
- Geen inzage m.b.t. de geheimhoudingsverklaring
2.11.
[appellante] heeft inzage gevorderd in ‘de geheimhoudingsverklaring’. Voor het hof is onduidelijk gebleven of een dergelijk stuk bestaat en zo ja, welk stuk zij dan precies bedoelt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [appellante] verklaard dat “uit niets blijkt dat sprake is van een geheimhoudingsovereenkomst, wat de reikwijdte van de vermeende geheimhoudingsovereenkomst is en welke gevolgen hieraan zijn verbonden”. [geïntimeerde] heeft in deze procedure echter meermaals een beroep gedaan op het bestaan van een geheimhoudingsovereenkomst op grond waarvan hij weigert om stukken te overleggen. Het hof begrijpt dat dit de aanleiding heeft gevormd voor [appellante] om die geheimhoudingsverklaring te willen inzien.
2.12.
[geïntimeerde] heeft tijdens de mondelinge behandeling betwist dat hij zelf een geheimhoudingsverklaring heeft ondertekend. Volgens hem is alleen tussen Erace Holding en Visma non-disclosure overeengekomen, op grond waarvan het overnameproces tussen de vennootschappen niet met derden mag worden gedeeld. [geïntimeerde] zelf is bij die overeenkomst geen partij. Het hof leidt uit de stellingen van [appellante] af dat zij een ander stuk wenst in te zien dan de overeengekomen non-disclosure uit de overeenkomst van 7 mei 2021 tussen Ecare Holding en Visma, maar wat zij precies bedoelt is het hof niet duidelijk. Om die reden zal het hof de inzagevordering met betrekking tot de gevorderde geheimhoudingsverklaring afwijzen.
- Geen inzage m.b.t. het non-binding offer met datumstempel
2.13.
[geïntimeerde] heeft een document in het geding gebracht dat de titel draagt “letter of intent” en heeft gesteld dat uit de inhoud van dit document volgt dat het eigenlijk een non-binding offer betreft. Onderaan het document staat: “For the avoidance of doubt, the offer as described in this letter of intent is non-binding.” Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] ongelijk en móet er aan deze letter of intent een non-binding offer zijn voorafgegaan, alleen al vanwege de titel van voornoemd document en omdat ervaringsregels uit de overnamepraktijk meebrengen dat een letter of intent volgt op een non-binding offer. Om die reden vordert zij inzage in het non-binding offer. [appellante] heeft haar standpunt onderbouwd aan de hand van een rapport van de heer [naam1] . Het hof ziet op basis van wat partijen hebben aangevoerd echter onvoldoende concrete aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat er nog een ander document bestaat dat het ‘eigenlijke’ non-binding offer is. Om die reden zal het inzageverzoek op dit punt worden afgewezen.
Conclusie
2.14.
Het hof zal de inzagevordering van [appellante] toewijzen voor zover het de inzage in de opdrachtbrief tussen ING en de aandeelhouders van Erace Holding en de opdrachtbrief tussen Deloitte en Erace Holding betreft. Voor het overige zal het hof de inzagevordering afwijzen. Anders dan [geïntimeerde] het hof heeft verzocht, zal het hof geen voorwaarden aan die inzage verbinden. [geïntimeerde] heeft enkel in algemene zin naar voren gebracht dat de documenten waarvan inzage wordt gevorderd zodanig bedrijfsgevoelige informatie bevatten dat aan de inzage daarvan bijzondere voorwaarden moeten worden verbonden. Op vragen van het hof heeft [geïntimeerde] niet toegelicht waarom, en aan welke stukken in het bijzonder, voorwaarden moeten worden gesteld. Afgezet tegen het belang van [appellante] om het stuk zonder beperkingen (zoals zwartgelakte tekst) in te zien, heeft [geïntimeerde] daarmee het hof onvoldoende aanleiding gegeven voor het stellen van beperkende voorwaarden.
Dwangsom
2.15.
Zoals gevorderd door [appellante] zal een dwangsom worden verbonden aan de veroordeling tot inzage. Aan [geïntimeerde] zal een termijn van twee weken worden gegund om aan de veroordeling te voldoen voordat de dwangsom gaat lopen. De hoogte van de dwangsom wordt, in afwijking van het gevorderde, bepaald op € 1.000,- per dag of dagdeel met een maximum van € 100.000,-.
Proceskosten
2.16.
Het hof bepaalt dat elke partij zijn eigen kosten moet dragen (compensatie van proceskosten) vanwege de aard van de zaak (familieverhoudingen).
Hoofdzaak
2.17.
Het hof bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.
3. De beslissing
Het hof:
in het incident
3.1.
bepaalt dat [geïntimeerde] aan [appellante] uiterlijk op 22 april 2025 een afschrift moet verstrekken van:
- de opdrachtbrief tussen ING en de aandeelhouders van Erace Holding, en
- de opdrachtbrief tussen Deloitte en Erace Holding,
op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag of dagdeel dat niet aan de veroordeling wordt voldaan, met een maximum van € 100.000,-.
in de hoofdzaak in hoger beroep
3.2.
bepaalt dat de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich volgens het roljournaal bevindt;
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. K. Mans, J.H. Lieber en G.A. Diebels, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 8 april 2025.
Uitspraak 22‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Inzagevordering ex artikel 843a Rv. Het hof heeft behoefte aan nadere informatie van partijen en zal daarom een mondelinge behandeling gelasten. In vervolg op: ECLI:NL:RBOVE:2024:409
Partij(en)
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.341.052
zaaknummer rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo: 298569
arrest in het incident van 22 oktober 2024
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiseres
hierna: [appellante]
advocaat: mr. E.H. van Olmen
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats1]
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: [geïntimeerde]
advocaat: mr. C.G.A. van Stratum
1. Het verloop van de procedure in hoger beroep
[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, op 24 januari 2024 tussen partijen heeft uitgesproken.
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:
- -
de dagvaarding in hoger beroep;
- -
de memorie van grieven, tevens wijziging c.q. vermeerdering van eis en tevens vordering in incident ex artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv);
- -
de memorie van antwoord in het incident.
2. De kern van de zaak
2.1.
Partijen waren met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. Tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde onder meer de aandelen in Cappe Holding B.V. (hierna: Cappe Holding), waarvan [geïntimeerde] directeur-grootaandeelhouder is. Cappe Holding houdt op haar beurt 36% van de aandelen in Ecare Holding B.V., na naamswijziging inmiddels Erace Holding B.V. (hierna: Erace Holding). Erace Holding heeft verschillende dochterondernemingen.
2.2.
Op 16 juli 2020 heeft de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking is ingeschreven op 26 oktober 2020. De rechtbank heeft toen ook, onder andere, de peildatum voor de waardering van de tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behorende aandelen vastgesteld op 1 juli 2020; de methode voor het waarderen van die aandelen bepaald (de intrinsieke waarderingsmethode) en een deskundige benoemd om de waarde te bepalen en desgewenst met partijen een regeling te beproeven (forensische mediation). Partijen hebben, na deze waardebepaling en mediation door de deskundige, op 19 februari 2021 een vaststellingsovereenkomst (een echtscheidingsconvenant) gesloten waarin (onder meer) overeenstemming is vastgelegd met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Daarbij zijn de aandelen in Cappe Holding aan [geïntimeerde] toebedeeld, met bepaling dat hij wegens overbedeling terzake van deze aandelen € 2.327.717 aan [appellante] verschuldigd is. Bij beschikking van 1 april 2021 heeft de rechtbank de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld overeenkomstig het echtscheidingsconvenant.
2.3.
Op 7 mei 2021 heeft Erace Holding haar aandelen in de werkmaatschappijen Ecare Applicatie B.V. (92%), Ecare Cloudit B.V. (100%) en Ecare Shared Services B.V. (30%) (hierna: de deelnemingen Erace Holding) verkocht aan Visma Nederland B.V. (hierna: Visma). Op 29 maart 2021 had Visma een “non-binding offer” uitgebracht aan Erace Holding met het oog op deze overname.
2.4.
[appellante] stelt zich op het standpunt dat [geïntimeerde] , al tijdens de onderhandelingen die resulteerden in de vaststellingsovereenkomst, (bewust) belangrijke informatie met betrekking tot de waarde van de over te dragen aandelen heeft achtergehouden door niets naar voren te brengen over de op handen zijnde overname. Volgens [appellante] zijn de deelnemingen Erace Holding voor meer dan € 100.000.000 (transactiekosten € 646.000) aan Visma verkocht en werden de aandelen die Cappe Holding in Erace Holding hield hierdoor aanzienlijk meer waard dan de waarde die partijen in het echtscheidingsconvenant aan die aandelen hadden toegekend.
2.5.
[appellante] heeft bij de rechtbank, voor zover voor de beoordeling van dit incident van belang – en geparafraseerd – gevorderd dat de rechtbank enkele bepalingen uit de vaststellingsovereenkomst zal vernietigen (of zal bepalen dat daar vanwege de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geen beroep op mag worden gedaan) en zal vervangen door een bepaling waarin de hogere waarde van de aandelen is verdisconteerd. Daarnaast heeft zij bij incident een inzagevordering ingesteld op grond van artikel 843a Rv.
2.6.
De rechtbank heeft de vorderingen in de hoofdzaak en de vordering in het incident afgewezen. [appellante] is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij opnieuw een inzagevordering op grond van artikel 843a Rv ingesteld.
3. Het oordeel van het hof
3.1.
[appellante] wil met (het incident in) het hoger beroep bereiken dat zij alsnog inzage krijgt in stukken met betrekking tot de overname van de deelnemingen Erace Holding door Visma. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellante] in dit hoger beroep (inclusief het incident) geprocedeerd op een manier die zo tegen de regels indruist dat een groot deel van wat zij heeft aangevoerd buiten beschouwing moet worden gelaten. Verder vindt [geïntimeerde] dat ook in hoger beroep de afwijzing van de inzagevordering overeind moet blijven en de nieuwe inzagevordering moet worden afgewezen.
3.2.
Het hof zal in dit arrest nog niet inhoudelijk beslissen op de inzagevordering van [appellante] . Het hof heeft behoefte aan nadere informatie van partijen en zal daarom een mondelinge behandeling bepalen.
Het bezwaar van [geïntimeerde] tegen de omvang van de memorie van grieven gaat niet op
3.3.
Het hof constateert dat het zesde en zevende bezwaar (grief) van [appellante] zien op de door de rechtbank afgewezen inzagevordering (artikel 843a Rv). Het hof begrijpt dat het daar gestelde ook is bedoeld als onderbouwing van de door [appellante] in hoger beroep ingestelde inzagevordering. Daarnaast heeft [appellante] verwezen naar hetgeen zij bij de rechtbank daarover al heeft gesteld en heeft zij productie 30 overgelegd, waarin zij heeft uitgewerkt dat volgens haar aan de voorwaarden van artikel 843a Rv is voldaan.
3.4.
[geïntimeerde] heeft tegen deze wijze van procederen bezwaar gemaakt. Hij heeft gesteld dat de memorie van grieven al 30 pagina’s lang is en dat het verwijzen naar vindplaatsen uit de processtukken uit eerste aanleg en het uitwerken van de incidentele vordering in een productie, feitelijk neerkomen op een ontoelaatbare uitbreiding van de memorie van grieven.
3.5.
Het hof stelt vast dat de rolraadsheer [appellante] toestemming heeft gegeven om een memorie van grieven van maximaal 30 pagina’s in te dienen. [appellante] heeft zich aan dit maximum gehouden. De door [appellante] ingestelde incidentele vordering telt niet mee in de telling van het aantal pagina’s van de memorie van grieven. Uit artikel 2.11 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven volgt dat ‘andere memories’ (zoals het processtuk waarmee een vordering in incident wordt ingesteld)
maximaal 15 pagina’s lang mogen zijn. De vordering in het incident tesamen met de uitwerking in productie 30 zijn 14 bladzijden en hadden door [appellante] als één conclusie moeten en kunnen worden ingediend. Een productie is immers niet bedoeld om argumenten/stellingen verder aan te vullen. Van een overschrijding van het maximum aantal pagina’s is echter geen sprake en daarom komt het hof tot het volgende oordeel. Het hof zal datgene dat bij het zesde en zevende bezwaar is aangevoerd, de verwijzingen naar het in eerste aanleg gestelde en de inhoud van productie 30 in zijn beoordeling betrekken. [geïntimeerde] wordt daar niet door in zijn verdediging geschaad, mede omdat hij in zijn memorie van antwoord erop heeft geanticipeerd dat het hof tot dit oordeel zou komen door ook te reageren op de inhoud van de hiervoor genoemde stukken.
Inzagevordering: het juridisch kader
3.6.
De wet kent de mogelijkheid om van iemand anders inzage in bescheiden (documenten) te vragen, of zelfs een kopie of uittreksel (artikel 843a Rv). Onder bescheiden vallen ook op een gegevensdrager aangebrachte gegevens. Er kan echter niet willekeurig worden gevraagd naar gegevens die interessant zouden kunnen zijn. De wet stelt de volgende eisen:
- -
de verzoeker moet rechtmatig belang hebben bij de inzage, afschrift of uittreksel;
- -
het moet gaan om bescheiden over een rechtsverhouding waarbij de verzoeker partij is;
- -
het moet gaan om specifieke gegevens die de verzoeker niet heeft, maar de ander wel.
De verzoeker heeft geen recht op deze gegevens als de ander een sterk argument heeft om te weigeren.
3.7.
[appellante] stelt dat zij de regeling die in het echtscheidingsconvenant is opgenomen is aangegaan vanuit het vertrouwen dat [geïntimeerde] haar de correcte en volledige informatie had verstrekt over de verschillende ondernemingen, de winst en bestendigheid daarvan en alle verdere informatie die relevant was voor de beoordeling van de waarde van de deelnemingen. Volgens haar heeft [geïntimeerde] dat vertrouwen beschaamd, doordat [geïntimeerde] tijdens de echtscheidingsprocedure al wist dat er serieuze onderhandelingen plaatsvonden tussen Erace Holding en Visma over de eventuele overname van de drie dochterondernemingen, terwijl hij aan haar heeft verklaard dat de ondernemingen niet in de markt waren voor overname. Het overnametraject was volgens [appellante] achteraf gezien zelfs al gaande. Die informatie had [geïntimeerde] volgens [appellante] met haar en de forensisch mediator moeten delen. Volgens [appellante] had de verwachting (of zelfs de mogelijkheid) dat de aandelen in Erace Holding aan Visma verkocht zouden worden invloed op de waarde van de aandelen in Cappe Holding gehad en zou zij niet hebben ingestemd met de waarde die partijen nu in het echtscheidingsconvenant aan die aandelen hebben toegekend. [appellante] heeft in haar memorie van grieven onderbouwd waarom zij redenen heeft aan te nemen dat [geïntimeerde] van de voorgenomen verkoop aan Visma op de hoogte moet zijn geweest. Ook heeft zij haar standpunt onderbouwd aan de hand van onder meer een rapport van [naam1] (hierna: [naam1] ) (productie 29 bij memorie van grieven), waaruit onder meer volgt dat de waarde van de aandelen in Cappe Holding (veel) te laag zijn gewaardeerd in het echtscheidingsconvenant. De gegevens die [appellante] wil inzien zijn volgens haar nodig om te kunnen bewijzen dat [geïntimeerde] informatie had of had kunnen hebben per peildatum die veel positiever is over de resultaatverwachtingen van Erace Holding dan dat hij tijdens de mediation heeft geuit, waardoor de waardering van de aandelen in Cappe Holding op basis van onjuiste, dan wel onvolledige informatie tot stand is gekomen. [naam1] heeft in zijn toelichting op zijn rapport vermeld dat het voor [appellante] niet mogelijk is om bewijs van haar stelling te leveren zonder medewerking van [geïntimeerde] aan verstrekking van enkele stukken. [appellante] vordert inzage in de volgende stukken:
- -
de opdrachtbrief / engagement letter tussen ING M&A Advisory en de aandeelhouders van Erace Holding;
- -
de opdrachtbrief / engagement letter tussen Deloitte inzake financial due dilligence en Erace Holding;
- -
stukken waaruit blijkt wanneer het eerste gesprek heeft plaatsgevonden tussen de vertegenwoordigers van Erace Holding en Visma;
- -
de geheimhoudingsverklaring;
- -
het non binding offer met datumstempel;
- -
het waarderingsrapport c.q. prijsadvies van ING M&A Advisory.
3.8.
[appellante] heeft gegevens opgevraagd die zien op de verhouding tussen Erace Holding en Visma. Volgens [appellante] zijn deze gegevens relevant voor het bepalen van de waarde van de aandelen die Cappe Holding hield in Erace Holding, zodat deze gegevens ook van belang zijn voor de bepaling van waarde van de aandelen die zij als aandeelhouder in Cappe Holding hield. [appellante] stelt belang te hebben bij de gevorderde stukken, omdat zij daarmee haar stelling – dat de vaststellingsovereenkomst die tussen partijen is gesloten dient te worden vernietigd op grond van bedrog, dan wel dat de afspraken naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn – kan onderbouwen.
3.9.
[geïntimeerde] betwist dat hij [appellante] onjuist heeft geïnformeerd. Bovendien bestaat volgens [geïntimeerde] geen rechtmatig belang bij de gevorderde stukken en is sprake van een fishing expedition. Verder heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat gewichtige redenen zich verzetten tegen het overleggen (afgifte) van de gevraagde stukken. Hij heeft toegelicht dat de opgevraagde stukken vertrouwelijke stukken betreffen en zien op een bedrijfsovername tussen twee vennootschappen. Voor het geval de vordering toch zou worden toegewezen, heeft [geïntimeerde] gevraagd verschillende voorwaarden aan de inzage te verbinden.
Het hof zal een mondelinge behandeling bepalen
3.10.
Om de inzagevordering van [appellante] te kunnen beoordelen, heeft het hof behoefte aan nadere informatie van partijen. Daarom zal het hof een mondelinge behandeling bepalen ten overstaan van de meervoudige kamer. In het bijzonder (maar niet uitsluitend) wenst het hof met partijen te spreken over de aard en omvang van de stukken waarvan [appellante] inzage vordert, de bezwaren die [geïntimeerde] daartegen heeft aangevoerd, evenals over de voorwaarden die [geïntimeerde] wenst te verbinden aan een eventuele toewijzing van de inzagevordering.
3.11.
Het hof bepaalt dat de hoofdzaak wordt aangehouden totdat inhoudelijk op de inzagevordering van [appellante] is beslist en zal iedere verdere beslissing aanhouden.
4. De beslissing
Het hof:
in het incident
4.1.
bepaalt een mondelinge behandeling, waarbij partijen (vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en die tot het geven van inlichtingen in staat is en bevoegd is om een schikking aan te gaan) samen met hun advocaten zullen verschijnen voor de meervoudige kamer van het hof;
4.2.
bepaalt dat de zitting zal plaatsvinden op 2 december 2024 om 09.30 uur in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem;
4.3.
bepaalt dat, als partijen verhinderd zijn op de hiervoor genoemde datum, zij binnen twee weken na de datum van dit arrest door middel van een H7-formulier een andere dag voor de zitting kunnen verzoeken. Bij het verzoek moet een opgave van de verhinderdata van alle betrokkenen voor de periode van januari tot en met maart 2025 worden gevoegd; als deze opgave ontbreekt, blijft de eerdere dagbepaling van kracht;
4.4.
bepaalt dat de advocaten bij de mondelinge behandeling ieder gedurende maximaal tien minuten het standpunt van partijen mogen toelichten;
4.5.
bepaalt dat als een partij bij de mondelinge behandeling nog processtukken of andere stukken wil inbrengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk 10 dagen voor de mondelinge behandeling een kopie van deze stukken hebben ontvangen (het hof in tweevoud, de wederpartij in enkelvoud);
4.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
in de hoofdzaak in hoger beroep
4.7.
houdt de hoofdzaak aan totdat inhoudelijk op het incident is beslist;
4.8.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R. Prakke-Nieuwenhuizen, K. Mans en G.A. Diebels, en is bij afwezigheid van de voorzitter door de rolraadsheer ondertekend en door hem, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2024.