PJ 2021/133
De rechtbank stelt de prejudiciële vraag of pensioenpremies vallen onder de regels van een onderhands akkoord in de Faillissementswet.
Rb. Amsterdam 23-08-2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:4475, m.nt. prof. dr. E. Lutjens
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
23 augustus 2021
- Magistraten
Mrs. A.E. de Vos, M.C. Bosch, V.G.T. van Emstede
- Zaaknummer
C/13/704064 / FT RK 21.587
- Noot
prof. dr. E. Lutjens
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS294728:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:RBAMS:2021:7533, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 21‑12‑2021
ECLI:NL:RBAMS:2021:4475, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 23‑08‑2021
ECLI:NL:RBAMS:2021:4741, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 05‑08‑2021
- Wetingang
Art. 369 lid 4 Fw
Essentie
De rechtbank stelt de prejudiciële vraag of pensioenpremies vallen onder de regels van een onderhands akkoord in de Faillissementswet.
Samenvatting
De art. 369 e.v. Faillissementswet hebben betrokken op de Homologatie van het onderhands akkoord (WHOA). Volgens art. 369 lid 4 BW is het in de betreffende afdeling bepaald niet van toepassing op rechten van werknemers die voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst. De rechtbank stelt aan de Hoge Raad de vraag of hieronder ook vallen de achterstallige pensioenpremies verschuldigd aan bedrijfstakpensioenfondsen.
Partij(en)
Rechtbank ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.