Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/15.4.4.1
15.4.4.1 Algemeen
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS498252:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Keulen/Knigge 2010, p, 192 e.v.
Melai/Groenhuijsen, aant. 3.1 bij art. 27. Over het verdachte-begrip zie men nader Keulen/Knigge 2010, p. 193 e.v.
Thans art. 182 Sv. Daarin wordt ‘een persoon die als verdachte van een strafbaar feit is verhoord, of die reeds ter zake van een strafbaar feit wordt vervolgd’ de mogelijkheid geboden om de rechter-commissaris te verzoeken onderzoekshandelingen te verrichten. Zie nader Borgers 2013, onderdeel 4.2, die ook ingaat op de koppeling in art. 36a Sv met de criminal charge.
Vgl. Melai/Groenhuijsen, aant. 5.1 bij art. 27.
Welke uitleg de Nederlandse strafwetgever geeft aan het criminal charge-begrip respectievelijk de ‘person charged’ in (fiscale) strafzaken, is niet duidelijk. In het strafrechtsysteem staat centraal de persoon van de verdachte ex art. 27 Sv. Dat is degene ten aanzien van wie uit de feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit bestaat (lid 1) of degene tegen wie de vervolging is gericht (lid 2). Voor wat betreft het criterium ‘een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit’ worden in de literatuur drie elementen onderscheiden, namelijk dat er sprake is van een vermoeden dat betrekking heeft op schuld aan een strafbaar feit, dat redelijk is en voortvloeit uit de feiten en omstandigheden. 1 Of er in een concrete situatie sprake is van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit is dus casusspecifiek. Scherp omlijnde criteria en concrete aanknopingspunten zijn niet te geven.2
Wettelijke omschrijving ‘charge’-begrip; art. 36a Sv (oud)
Melai/Groenhuijsen wijzen erop dat de wetgever zich in één geval heeft laten inspireren door de omschrijving van de persoon die is ‘charged with a criminal offence’. In art. 36a Sv (oud) werd aan de verdachte jegens wie door of vanwege de Staat een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald feit in Nederland een vervolging zal worden ingesteld, het recht gegeven om de r-c om een zogenoemde mini-instructie te verzoeken.3 Of uit deze formulering kan worden afgeleid dat de strafwetgever het jurisprudentiële verwachtingscriterium omarmt wanneer de criminal charge in strafzaken een rol speelt, is niet zeker. art. 36a Sv (oud) heeft niet (rechtstreeks) betrekking op art. 6 EVRM.
De (zelfstandige) betekenis van de criminal charge in Nederlandse strafzaken betreft in ieder geval situaties waarin art. 6 EVRM de verdachte meer waarborgen biedt dan de strafwet. Vgl. het in art. 6, lid 1 EVRM neergelegde vereiste dat de berechting moet plaatsvinden binnen een redelijke termijn en het uit art. 6, lid 1 en lid 3 sub d EVRM voortvloeiende vereiste dat de verdachte een ‘adequate and proper opportunity’ moet hebben om een getuige te ondervragen.4