HR 8 augustus 2008. LJN:9390.
HR, 04-12-2015, nr. 15/02914
15/02914
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
04-12-2015
- Zaaknummer
15/02914
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:3463, Uitspraak, Hoge Raad, 04‑12‑2015; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHAMS:2015:2087, Bekrachtiging/bevestiging
Beroepschrift, Hoge Raad, 04‑12‑2015
- Vindplaatsen
BNB 2016/37 met annotatie van A.O. LUBBERS
Belastingadvies 2016/3.2
FutD 2015-2915
Viditax (FutD) 2015120401
Uitspraak 04‑12‑2015
Partij(en)
4 december 2015
nr. 15/02914
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van [X] N.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 21 mei 2015, nr. 14/00485, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. AWB 13/4506) betreffende de ten aanzien van belanghebbende met betrekking tot haar aanslag in de vennootschapsbelasting voor het boekjaar 2011/2012 gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Het eerste boekjaar van belanghebbende is een verlengd boekjaar dat loopt van 29 november 2011 tot en met 31 december 2012.
2.1.2.
Aan belanghebbende is met dagtekening 22 juni 2013 een voorlopige aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd voor het hiervoor in 2.1.1 bedoelde boekjaar. Gelijktijdig met het opleggen van de voorlopige aanslag is ten aanzien van belanghebbende een beschikking heffingsrente gegeven tot een bedrag van € 1221.
2.2.
Voor het Hof was onder meer in geschil het antwoord op de vraag of het onderscheid dat in het overgangsrecht bij de invoering van de bepalingen inzake belastingrente is gemaakt tussen belastingaanslagen in de vennootschapsbelasting die betrekking hebben op tijdvakken die zijn aangevangen vóór 1 januari 2012 en belastingaanslagen in de vennootschapsbelasting die betrekking hebben op tijdvakken die zijn aangevangen op of na die datum (artikel XXXIV, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet van 22 december 2011, Stb. 2011, 639) in strijd is met het discriminatieverbod zoals vastgelegd in artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het Hof heeft die vraag ontkennend beantwoord.
2.3.
Voor zover de middelen tegen dit oordeel opkomen falen zij. Een volkomen gelijke behandeling van boekjaren die wel of juist niet aanvangen op de datum waarop een wetswijziging in werking treedt, is vaak onmogelijk of praktisch moeilijk uitvoerbaar. Dat geldt ook voor het onderhavige geval. Bovendien zou inwerkingtreding van de nieuwe regeling met ingang van boekjaren die eindigen op of na 31 december 2012 – zoals bepleit door belanghebbende – ook tot ongelijkheden leiden en voorts in haar geval een materieel terugwerkende kracht impliceren. Uit de geschiedenis van wijzigingen van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en van wetten die de (belasting)verplichtingen van de aan de vennootschapsbelasting onderworpen lichamen mede bepalen, blijkt dat de wetgever voor lichamen die niet een boekjaar hebben dat aanvangt op 1 januari, wijzigingen die voor anderen in werking treden op 1 januari van enig jaar, pleegt te laten ingaan met het boekjaar dat aanvangt na 1 januari van het desbetreffende jaar. Bij die lichamen wordt een wetswijziging daardoor bestendig later geëffectueerd dan bij andere lichamen - ongeacht of het gaat om een verzwarende maatregel dan wel een verlichtende – zodat terugwerkende kracht van een dergelijke wetswijziging wordt voorkomen. Uitzonderingen op deze werkwijze zijn denkbaar, doch de wetgever overschrijdt in beginsel niet de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid door dergelijke uitzonderingen achterwege te laten. Ook in het onderhavige geval heeft de wetgever die beoordelingsvrijheid niet overschreden.
2.4.
De middelen kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 4 december 2015.
Beroepschrift 04‑12‑2015
Edelhoogachtbaar College,
Namens belanghebbende, [X] N.V. te [Z], stelt ondergetekende, […], beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het Gerechtshof (hierna: ‘het Hof’) te Amsterdam van 21 mei 2015 in de procedure met nummer BK/BK-AMS 14/00485.
Voor zover in cassatie van belang zijn de door het Hof vastgestelde feiten als volgt:
- •
Belanghebbende is opgericht op 29 november 2011.
- •
Het eerste boekjaar van belanghebbende is een verlengd boekjaar dat loopt vanaf 29 november 2011 tot en met 31 december 2012.
- •
Aan belanghebbende is met dagtekening 22 juni 2013 een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting opgelegd ter zake van het eerst (verlengde) boekjaar waarover EUR 1.221 aan heffingsrente is berekend.
In cassatie is in geschil of het onderscheid dat in het overgangsrecht (artikel XXXIV eerste lid, van Belastingplan 2012, Stb 2011, 639) bij de invoering van de bepalingen inzake belastingrente is gemaakt tussen belastingaanslagen vennootschapsbelasting die betrekking hebben op tijdvakken die zijn aangevangen voor 1 januari 2012 en belastingaanslagen vennootschapsbelasting die betrekking hebben op tijdvakken die zijn aangevangen na 1 januari 2012, in strijd is met het discriminatieverbod zoals neergelegd in artikel 14 EVRM en artikel 26 IVBPR en het eigendomsrecht van artikel 1 Eerste protocol bij het EVRM. Belanghebbende is van mening dat de berekening van de heffingsrente van EUR 1.221 ten onrechte is berekend en dat de inspecteur van de regeling belastingrente had moeten uitgaan.
Voorgestelde middelen
Aan het beroep liggen de volgende — zo nodig in onderlinge samenhang te beschouwen — voorgestelde middelen van cassatie ten grondslag:
- I.
Schending van het recht, althans verkeerde toepassing daarvan, in het bijzonder van het bepaalde in artikel XXXIV van het belastingplan 2012 dat is komen te gelden met ingang van 1 januari 2013.
- II.
Schending van het recht, althans verkeerde toepassing daarvan, in het bijzonder van het overgangsrecht ten aanzien van de belastingrente die is opgenomen in artikel XXXIV van het belastingplan 2012.
- III.
Schending van het recht, althans verkeerde toepassing daarvan, in het bijzonder van het discriminatieverbod zoals neergelegd in artikel 14 van het EVRM dan wel artikel 26 van het IVBPR en het eigendomsrecht van artikel 1 Eerste protocol bij het EVRM.
Toelichting op middel I
Het eerste middel komt op tegen onderdeel 4.1 van de uitspraak van het Hof.
De beschikking van de inspecteur is gebaseerd op het overgangsrecht zoals opgenomen in artikel XXXIV van het Belastingplan 2012 dat is komen te gelden met ingang van 1 januari 2013. Dat artikel bepaalt dat artikel I en hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (de ‘AWR’) van toepassing blijven zoals deze luidden tot en met 31 december 2012 ten aanzien van belastingaanslagen vennootschapsbelasting die betrekking hebben op tijdvakken die zijn aangevangen voor 1 januari 2012.
Belanghebbende heeft een verlengd eerst boekjaar en het tijdvak waarop de belastingaanslag betrekking heeft eindigt op 31 december 2012. Volgens de regeling zou bij andere belastingplichtigen met einde boekjaar op 31 december 2012 geen belastingrente worden berekend. De heffingsrente is dus bij belanghebbende toegepast enkel vanwege het feit dat het betreffende tijdvak voor 1 januari 2012 is aangevangen terwijl het betreffende tijdvak op dezelfde dag eindigt als bij andere belastingplichtigen. Dit heeft tot gevolg dat gelijke gevallen anders worden behandeld door de inspecteur.
Toelichting op middel II
Het tweede middel komt op tegen onderdeel 4.1 van de uitspraak van het Hof.
Ten aanzien van paragraaf 4.1 van de uitspraak van het Hof zij opgemerkt dat geen heffingsrente zou zijn berekend als de vennootschapsbelastingschuld over 2011/2012 uiterlijk op 1 januari 2013 voldaan zou zijn. Echter dit neemt niet de ongelijke behandeling weg of het economische nadeel dat belanghebbende lijdt, omdat andere belastingplichtigen met een boekjaar eindigend op 31 december 2012 hun vennootschapsbelastingschuld over dat boekjaar kunnen betalen tot 1 juli 2013 zonder belastingrente.
In de AWR wordt bepaald dat voor de vennootschapsbelasting het tijdvak waarover de belastingrente wordt berekend 6 maanden na afloop van het belastingjaar aanvangt. Dit betekend dat de wetgever juist bij de toepassing van de belastingrente wel degelijk bij het einde van het boekjaar heeft willen aansluiten.
Toelichting op middel III
Het derde middel komt op tegen onderdeel 4.1 van de uitspraak van het Hof.
Zoals bevestigd door de Hoge Raad met verwijzing naar de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens1., dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd tenzij dat oordeel van redelijke grond is ontbloot. Het Hof stelt zich op het standpunt dat er een objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat voor het onderscheid op grond van het gehanteerde boekjaar. Het Hof motiveert dit standpunt door aan te geven dat de wetgever om praktische en uitvoeringstechnische redenen, onbekend welke, er voor heeft gekozen om het regime van de heffingsrente zoals dat gold tot 1 januari 2013 van toepassing te laten blijven op aanslagen vennootschapsbelasting ter zake van boekjaren die zijn aangevangen voor 1 januari 2012. Overigens is het net zo praktische om wel aan te sluiten bij het einde van het boekjaar en is het volstrekt onduidelijk waarom terugwerking naar (een lang) boekjaar 2012 voorkomen zou moeten worden. Dit is weliswaar een ander heffingstijdvak maar het gaat hier om de belastingrente welke aanknoopt bij betaling van de vennootschapsbelasting. Immers, met uitzondering van het overgangsrecht, wordt ook belastingrente gerekend vanaf 6 maanden na het aflopen van het boekjaar als het boekjaar meer dan 12 maanden eerder aanvangt. Bijvoorbeeld boekjaar 2012/2013 dat aanvangt op 29 november 2012 en eindigt op 31 december 2013. Er is geen praktische of uitvoeringstechnische reden om af te wijken van de standaard voorwaarde van 6 maanden na afloop van het boekjaar bij de berekening van de rente. Het praktische en administratieve doel dat het onderscheid zou kunnen zijn kan niet dienen als rechtvaardiging voor ongelijke behandeling van belanghebbende ten opzichte van andere belastingplichtige rechtspersonen van wie het boekjaar eveneens eindigt op 31 december 2012, omdat het niet onvermijdelijk was geweest, en is, om gelijke gevallen gelijk te behandelen door simpelweg (voor de inwerkingtreding van de belastingregeling) aan te sluiten bij het einde van het aangifte tijdvak. Met de motiveren van het Hof wordt ten onrechte aangesloten bij de aanvang van het aangiftetijdvak met als gevolg ongelijke behandeling van gelijke gevallen in plaats van aan te sluiten bij het einde van een aangiftetijdvak waardoor gelijke gevallen gelijk worden behandeld en is het oordeel van de wetgever in deze ontbloot van een redelijke grond.
Het is op basis van genoemde argumenten in dit geval onmogelijk om in redelijkheid de hiervoor gelijke gevallen als ongelijke gevallen te beschouwen. Onder deze omstandigheden had het Hof tot redelijke toepassing van de wet moeten overgaan waarbij rekening wordt gehouden met het gelijkheidsbeginsel en het in de AWR opgenomen uitgangspunt van einde boekjaar.
Conclusie
Gezien al het voorgaande heeft het Hof naar belanghebbende meent de betwiste beschikking heffingsrente ten onrechte in stand gelaten.
Derhalve geeft ondergetekende Uw Raad in overweging de uitspraak van het Hof, waarvan beroep in cassatie, te vernietigen en ofwel zelf in de zaak te voorzien, dan wel de zaak naar een ander Gerechtshof te verwijzen om alsnog overeenkomstig Uw aanwijzingen tot een juiste afdoening van de zaak te komen.
Tevens verzoekt ondergetekende Uw Raad aan belanghebbende een vergoeding van het betaalde griffierecht toe te kennen.
Teneinde zeker te zijn van een goede ontvangst, wordt deze aanvulling op het beroepschrift u zowel per fax als per gewone post toegezonden.
Met de verschuldigde eerbied,
en hoogachting.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 04‑12‑2015