Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/4.6.4:4.6.4 Hoofdelijke aansprakelijkheid is in lijn met de eisen die door communautair recht worden gesteld
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/4.6.4
4.6.4 Hoofdelijke aansprakelijkheid is in lijn met de eisen die door communautair recht worden gesteld
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS649077:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie artikel 57 van de Vierde richtlijn.
Dit standpunt wordt ondersteund door de literatuur. Zie o.a. Schoordijk 2003, p. 64; de conclusie van A-G Wesseling-van Gent bij HR 28 juni 2002, JOR 2002/136, NJ 2002, 447 en Beckman 1995, p. 293.
A-G E.M. Wesseling-van Gent, Parket bij de Hoge Raad, Conclusie 29 maart 2002, JOR 2002/136, NJ 2002, 447, r.o. 2.21.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Europees jaarrekeningenrecht stelt een aantal minimumvoorwaarden voor de toepassing van een vrijstelling van de jaarrekeningenplicht. Op basis van Europees recht is vereist dat de consoliderende rechtspersoon zich garant stelt voor de aangegane verplichtingen van de vrij te stellen vennootschap.1 Aangezien hoofdelijke aansprakelijkheid als een zwaardere vorm van aansprakelijkheid wordt gezien dan de aansprakelijkheid die voortvloeit uit een (reguliere) garantstelling, wordt de Nederlandse vrijstellingsregeling op dit punt als strenger dan richtlijnconform beschouwd. Het doel van de richtlijn om schuldeisers te beschermen, wordt door hoofdelijke aansprakelijkheid zelfs beter dan strikt noodzakelijk gediend.2
Aangezien de term ‘garantstelling’ niet nader is gedefinieerd, is het lastig – en de facto onmogelijk – om te beoordelen of hoofdelijke aansprakelijkheid een zwaardere vorm van aansprakelijkheid is. Gezien het feit dat de consoliderende rechtspersoon voor het geheel aansprakelijk is en iedere vorm van subsidiariteit ontbreekt, zal al snel de conclusie worden getrokken dat hoofdelijke aansprakelijkheid een zwaardere vorm van aansprakelijkheid betreft dan een reguliere garantie. Zo bezien kan de hoofdelijke aansprakelijkheid als vereiste voor de Nederlandse groepsvrijstellingsregeling als richtlijnconform worden beschouwd. A-G Wesseling-van Gent heeft in dit verband overwogen:3
“De Nederlandse wetgever heeft hoofdelijke aansprakelijkstelling van de moedermaatschappij voorgeschreven, terwijl de EG-richtlijn een garantverklaring vereist. Daarmee heeft de wetgever voor een zwaardere vorm gekozen. De richtlijn spreekt daarnaast over “de door de dochteronderneming aangegane verplichtingen” en art. 2:403 over “de uit rechtshandelingen van de rechtspersoon voortvloeiende schulden”. Volgens Beckman houdt de richtlijn in dat de moedermaatschappij aan de vrij te stellen groepsrechtspersoon verklaart in te staan voor door de groepsrechtspersoon aangegane verplichtingen.”