Hof Arnhem, 25-10-2011, nr. 200.072.393
ECLI:NL:GHARN:2011:BU6019
- Instantie
Hof Arnhem
- Datum
25-10-2011
- Magistraten
Mrs. I.A. Katz-Soeterboek, E.B. Knottnerus, G.P.M. van den Dungen
- Zaaknummer
200.072.393
- LJN
BU6019
- Vakgebied(en)
Pensioenen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHARN:2011:BU6019, Uitspraak, Hof Arnhem, 25‑10‑2011
Uitspraak 25‑10‑2011
Mrs. I.A. Katz-Soeterboek, E.B. Knottnerus, G.P.M. van den Dungen
Partij(en)
arrest van de vijfde civiele kamer van 25 oktober 2011
inzake
- 1.
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
Vereniging van Gepensioneerden van Elementis Specialties Netherlands B.V.,
statutair gevestigd te Delden, gemeente Hof van Twente,
- 2.
[appellante 2],
erfgename van [betrokkene 1],
wonende te [woonplaats],
- 3.
[appellant 3],
wonende te [woonplaats],
- 4.
[appellante 4],
wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],
appellanten,
advocaat: mr.drs. D.G. Schouwman,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Elementis Specialties Netherlands B.V.,
gevestigd te Delden, gemeente Hof van Twente,
geïntimeerde,
advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.
1. Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 20 april 2010 dat de kantonrechter (rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Almelo) tussen appellanten (hierna gezamenlijk te noemen: appellanten en afzonderlijk te noemen: de Vereniging van Gepensioneerden, [appellante 2], [appellant 3] en [appellante 4]) als eisende partijen en geïntimeerde (hierna ook te noemen: Elementis) als gedaagde partij heeft gewezen; van dat vonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in hoger beroep
2.1
Appellanten hebben bij exploot van 15 juli 2010, hersteld bij exploot van 11 augustus 2010, Elementis aangezegd van genoemd vonnis van 20 april 2010 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Elementis voor dit hof. In het exploot van 15 juli 2010 hebben appellanten aangekondigd te zullen concluderen dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, de vorderingen die appellanten in eerste aanleg tegen Elementis hebben ingesteld alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Elementis in de kosten van beide instanties.
2.2
Bij memorie van grieven hebben appellanten drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en hebben zij nieuwe producties in het geding gebracht. Zij hebben geconcludeerd (het hof begrijpt) tot handhaving van het gestelde in het hiervoor genoemde exploot.
2.3
Bij memorie van antwoord heeft Elementis de grieven bestreden en heeft zij nieuwe producties in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis in stand zal laten, met veroordeling van appellanten in (bedoeld zal zijn) de kosten van het hoger beroep, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
2.4
Vervolgens hebben beide partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
3. De grieven
Appellanten hebben — zakelijk weergegeven — de volgende grieven aangevoerd. Het hof leest in plaats van ‘de rechtbank’ telkens ‘de kantonrechter’.
Grief I
Ten onrechte heeft de kantonrechter geconcludeerd dat het pensioenreglement 2006 op appellanten van toepassing is en de vorderingen daarom afgewezen.
Grief II
Ten onrechte heeft de kantonrechter de vorderingen van appellanten afgewezen op grond van de overweging dat, nu in de CAO een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen, instemming van de deelnemers, actieven, gepensioneerden en slapers niet nodig is.
Grief III
Ten onrechte heeft de kantonrechter zijn afwijzing van de vorderingen van appellanten gegrond op zijn mening dat blijkens de tekst van het akkoord van 27 oktober 2005 de positie van de gepensioneerden en slapers aan de orde is geweest bij de onderhandelingen voorafgaande aan de totstandkoming van het akkoord, nu artikel 5 sub e van dat akkoord het indexatiebeleid voor slapers en gepensioneerden inhoudt.
4. De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, staan in hoger beroep de volgende feiten vast.
4.1
(De rechtsvoorganger(s) van) Elementis en FNV Bondgenoten, De Unie en CNV Bedrijvenbond hebben — voor zover hier van belang — in de periode van 1998 tot 1 januari 2006 (opvolgende) collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten. In die CAO's is steeds een bepaling met betrekking tot een pensioenregeling opgenomen.
4.2
In artikel 17 van de CAO die heeft gegolden in de periode van 1 april 2004 tot 1 april 2005 is onder andere het volgende vermeld:
‘Pensioenregeling
- 1.
In de onderneming van werkgever geldt de Servo-pensioenregeling.
(…)
- 2.
Wijzigingen in de pensioenregeling die betrekking hebben op de werknemersbijdrage in de premie of de hoogte van de uitkering zullen — met inachtneming van het bepaalde in de WOR — door de werkgever worden vastgesteld, in overleg met de vakverenigingen.
(…)’
4.3
Op 27 oktober 2005 hebben Elementis en FNV Bondgenoten, De Unie en CNV Bedrij venbond een akkoord bereikt over een nieuwe CAO. In dit akkoord is onder andere het volgende vermeld:
‘(…)
- 1.
Looptijd
De looptijd bedraagt 1 jaar, te weten van 1 april 2005 tot en met 31 maart 2006.
(…)
- 5.
(Vroeg)pensioen
(…)
- b.
Met ingang van 1 januari 2006 wordt een nieuwe pensioenregeling ESN van kracht op basis van voorwaardelijk geïndexeerd middelloon.
(…)
- e.
Met ingang van 1 januari 2006 luidt het indexatiebeleid als volgt:
- —
Indexatie voor slapers en gepensioneerden:
‘Opgebouwde aanspraken van slapers en de pensioenen die uitgekeerd worden, komen in aanmerking voor verhoging door middel van indexatie. De indexatie wordt afgeleid van het stijgingspercentage van de consumentenprijzen (CPI) over de periode 1 april van het voorgaande jaar tot en met 31 maart van het lopende jaar, maar bedraagt nooit meer dan 3% of het indexatiepercentage voor de actieven in datzelfde jaar. De indexatie wordt toegekend, voor zover de aan ESN uitgekeerde overrente boven de rekenrente van 4%, voor deze groep van slapers en gepensioneerden, toereikend is.
(…)’’
4.4
In artikel 17 van de CAO die heeft gegolden in de periode van 1 april 2005 tot en met 31 maart 2006 is onder andere het volgende vermeld:
‘Pensioenregeling
- 1.
In de onderneming van werkgever geldt een pensioenregeling.
(…)
- 2.
Wijzigingen in de pensioenregeling die betrekking hebben op de werknemersbijdrage in de premie of de hoogte van de uitkering zullen — met inachtneming van het bepaalde in de WOR — door de werkgever worden vastgesteld, in overleg met de vakverenigingen.
(…)
- 4.
Met ingang van 1 januari 2006 wordt een nieuwe pensioenregeling op basis van voorwaardelijk geïndexeerd middelloon van kracht. De in dit kader tussen partijen gemaakte afspraken zijn opgenomen in bijlage VIII bij deze CAO.’
4.5
Bij de in rechtsoverweging 4.4 vermelde CAO behoort een bijlage getiteld ‘Protocol afspraken pensioen’ (hierna: het Protocol) die de afspraken bevat zoals die tussen Elementis en FNV Bondgenoten, De Unie en CNV met ingang van 1 januari 2006 golden. In het Protocol is — voor zover hier van belang — het volgende bepaald:
- ‘5.
Met ingang van 1 januari 2006 luidt het indexatiebeleid als volgt:
- —
Indexatie voor slapers en gepensioneerden:
‘Opgebouwde aanspraken van slapers en de pensioenen die uitgekeerd worden, komen in aanmerking voor verhoging door middel van indexatie. De indexatie wordt afgeleid van het stijgingspercentage van de consumentenprijzen (CPI) over de periode 1 april van het voorgaande jaar tot en met 31 maart van het lopende jaar, maar bedraagt nooit meer dan 3% of het indexatiepercentage voor de actieven in datzelfde jaar. De indexatie wordt toegekend, voor zover de aan ESN uitgekeerde overrente boven de rekenrente van 4%, voor deze groep van slapers en gepensioneerden, toereikend is.’
(…)’
4.6
Vanaf 1 april 1998 tot 1 januari 2006 gold binnen (de rechtsvoorganger(s) van) Elementis het Pensioenreglement Condea Servo B.V. en gelieerde ondernemingen (hierna: het Pensioenreglement 1998).
In het Pensioenreglement 1998 is onder andere het volgende bepaald:
‘(…)
Artikel 3. Pensioenaanspraken
Aan de deelnemers worden pensioenaanspraken toegekend onder de voorwaarden in dit reglement omschreven.
Deze pensioenaanspraken omvatten:
- —
ouderdomspensioen voor alle deelnemers
- —
tijdelijk ouderdomspensioen (…)
- —
nabestaandenpensioen voor alle deelnemers
- —
wezenpensioen voor alle deelnemers.
(…)
Artikel 10. Aanpassing van pensioenen
- 1.
Per 31 maart van elk jaar zullen alle pensioenen, met uitzondering van het tijdelijk ouderdomspensioen, op het leven van een gewezen deelnemer van wie de pensioenopbouw niet wordt voortgezet alsmede alle opgebouwde aanspraken, met uitzondering van het tijdelijk ouderdomspensioen, op het leven van de in aktieve dienst zijnde deelnemer, worden verhoogd.
De pensioenen zullen voor het eerst worden verhoogd per 31.03.1999.
- 2.
De jaarlijkse verhoging bedraagt:
- —
voor gewezen deelnemers: de stijging van het CBS-consumentenprijsindexcijfer werknemers laag, afgeleid over de periode april van het voorgaande kalenderjaar tot en met maart in het kalenderjaar van verhoging:
De jaarlijkse stijging zal niet meer bedragen dan 5%.
- —
voor in aktieve dienst zijnde deelnemers: de cumulerende percentuele algemene salarisaanpassing(en) van de salarisschalen in de periode van 1 april van het voorgaande kalenderjaar tot en met 31 maart in het kalenderjaar van verhoging.’
4.7
Naar aanleiding van het onder 4.3 vermelde akkoord en de totstandkoming van de CAO 1 april 2005 tot en met 31 maart 2006 is met ingang van 1 januari 2006 het Pensioenreglement Elementis Specialties B.V. tot stand gekomen (hierna: het Pensioenreglement 2006). In het Pensioenreglement 2006 is onder andere het volgende bepaald:
‘(…)
Artikel 3. Pensioenaanspraken
- 1.
Aan de deelnemers worden pensioenaanspraken toegekend onder de voorwaarden in dit reglement omschreven.
Deze pensioenaanspraken omvatten:
- —
ouderdomspensioen voor alle deelnemers
- —
tijdelijk ouderdomspensioen (…)
- —
nabestaandenpensioen voor alle deelnemers
- —
wezenpensioen voor alle deelnemers.
(…)
Artikel 10. Aanpassing van pensioenen
- 1.
Indien en voor zover de beschikbare middelen dit toelaten, kunnen jaarlijks per 31 maart de volgende pensioenaanspraken en ingegane pensioenen worden verhoogd met een toeslag als omschreven in lid 3 van dit artikel:
- a.
de opgebouwde pensioenaanspraken van de deelnemers;
- b.
de premievrije aanspraken van de gewezen deelnemers;
- c.
de ingegane pensioenen van de gepensioneerden.
De pensioenen zullen voor het eerst worden verhoogd per 31.03.2006.
- 2.
De toeslag als bedoeld in lid 1 van dit artikel is voorwaardelijk en wordt uitsluitend gefinancierd uit de overrente die op grond van de door de werkgever met de verzekeraar overeengekomen voorwaarden ter beschikking komt uit hoofde van de opbrengsten uit beleggingen van de pensioenvoorzieningen voorzover deze opbrengsten meer dan 4% bedragen, rekening houdend met contractueel overeengekomen kosten en opslagen van de verzekeraar.
Het in dit lid genoemde percentage geldt slechts voor de duur van de per 01.04.1998 tussen de werkgever en de verzekeraar gesloten overeenkomst van collectieve verzekeringen.
Voor wat betreft de aanwending van de overrente voor toeslagverlening wordt onderscheid gemaakt tussen de overrente die valt toe te rekenen aan enerzijds de in lid 1 sub a genoemde deelnemers en anderzijds aan de in lid 1 sub h en c genoemde gewezen deelnemers.
- 3.
Indien er overrente beschikbaar is, bedraagt de jaarlijkse verhoging:
- a.
Voor in actieve dienst zijnde deelnemers: de cumulerende percentuele algemene salarisaanpassing(en) van de salarisschalen in de periode van 1 april van het voorgaande kalenderjaar tot en met 31 maart in het kalenderjaar van verhoging.
- b.
Voor gewezen deelnemers en gepensioneerden: de stijging van het CBS-consumentenprijsindexcijfer alle huishoudens, afgeleid over de periode april van het voorgaande kalenderjaar tot en met maart in het kalenderjaar van verhoging.
De jaarlijkse stijging in enig jaar is gemaximeerd op het niveau van het verhogingspercentage zoals dat in dat jaar geldt voor de in actieve dienst zijnde deelnemers, maar zal niet meer bedragen dan 3 %.
Een verhoging zal in enig jaar niet meer bedragen dan hetgeen kan worden gefinancierd uit de in dat jaar beschikbare overrente.’
4.8
De Vereniging van Gepensioneerden is op 14 augustus 2008 opgericht. In haar statuten is onder andere het volgende vermeld:
‘Naam (…)
Artikel 1
De vereniging draagt de naam: VERENIGING VAN GEPENSIONEERDEN VAN ELEMENTIS SPECIALTIES NETHERLANDS B.V. (voorheen SERVO DELDEN B.V.. CONDEA SERVO B.V. en SASOL SERVO B.V.),(…)
Doel
Artikel 2
- 1.
De vereniging heeft ten doel:
de pensioenbelangen te behartigen van de leden en wel in het bijzonder het aanvechten van het nieuwe pensioenreglement van Elementis (…), gedateerd één januari tweeduizend zes en met name artikel 10 van dat reglement, handelend over ‘aanpassing van pensioenen’ (indexering van pensioenen), opdat gemeld nieuwe reglement niet van toepassing zal zijn op haar leden maar dat het pensioenreglement van Condea Servo B.V. van één april negentienhonderd achtennegentig van toepassing blijft.
- 2.
Zij tracht dit doel te bereiken door: (…) het voeren van juridische procedures tegen Elementis (…)
Lidmaatschap
Artikel 4
(…)
- 3.
Als lid worden toegelaten:
- —
gepensioneerden, die in de periode van (…) (1-4-1998) tot (…) (1-1-2006) op basis van het pensioenreglement van Condea Servo B.V., gedateerd (…) (1-4-1998) zijn gepensioneerd;
- —
oud-medewerkers, die het bedrijf (…) hebben verlaten in de periode (…) (1-4-1998) tot (…) (1-1-2006) met bijvoorbeeld een ouderenregeling of ontslag via de rechtbank of via de WAO en die hun pensioenrechten op basis van het pensioenreglement van Condea Servo B.V., gedateerd (…) (1-4-1998) bij Elementis hebben laten staan. Deze groep behoort tot de zogenaamde ‘slapers’
- —
nabestaanden van bovengenoemde gepensioneerden of slapers.
(…)’
4.9
[betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) was werknemer van Elementis en is met ingang van 1 juni 2005 gepensioneerd. Hij is op 29 oktober 2009 overleden. [appellante 2] is erfgename van [betrokkene 1].
4.10
[appellant 3] was werknemer van Elementis en is met ingang van 1 oktober 2004 gepensioneerd.
4.11
[appellante 4] was gehuwd met de voormalig werknemer van Elementis, [voormalig werknemer] (hierna: [voormalig werknemer]). [voormalig werknemer] is met ingang van 1 juli 2005 gepensioneerd. Hij is op 8 januari 2007 overleden.
4.12
[appellant 3] en [appellante 4] zijn lid van de Vereniging van Gepensioneerden. [betrokkene 1] was (het hof begrijpt) tot zijn overlijden lid van de Vereniging van Gepensioneerden.
4.13
[betrokkene 1] was op 1 januari 2006 lid van één van de vakorganisaties die met Elementis in de jaren daarvoor een CAO heeft gesloten.
4.14
In een brief van 8 mei 2006 van Elementis aan [appellant 3] en andere gepensioneerden van Elementis is onder andere het volgende vermeld:
‘Zoals u wellicht bekend, is de fiscale regelgeving met betrekking tot (pre)pensioenregelingen ingrijpend gewijzigd. Als direct gevolg hiervan is de pensioenregeling van Elementis (…), voorheen de ‘Servo Pensioenregeling’, aangepast.
Met deze brief informeer ik u dat, als onderdeel van de hiervoor bedoelde wijziging van de pensioenregeling, tevens het indexatiebeleid is gewijzigd. Met ingang van 1 januari 2006 luidt het indexatiebeleid voor slapers en gepensioneerden als volgt:
‘De indexatie wordt afgeleid van het stijgingspercentage van de consumentenprijzen (CPI) over de periode 1 april van het voorgaande jaar tot en met 31 maart van het lopende jaar, maar bedraagt nooit meer dan 3% of het indexatiepercentage voor de actieven in datzelfde jaar. De indexatie wordt toegekend, voorzover de aan ESN uitgekeerde overrente, betrekking hebbend op de categorie slapers en gepensioneerden, toereikend is.
(…)’’
4.15
In een brief van 16 november 2006 van FNV Bondgenoten aan een van haar leden is onder andere het volgende vermeld:
‘(…)
Allereerst moet ik 2 begrippen benoemen
- 1.
Slapers en gepensioneerden.
Dit zijn mensen die niet meer actief werkzaam zijn bij Elementis Specialties Nederland (ESN).
- 2.
Actieve deelnemers. Dit zijn mensen, werkzaam zijn bij ESN en op grond van een arbeidsovereenkomst deelnemer zijn van de pensioenregeling van ESN
In de brief van 8 mei jl. van ESN (…) is aangegeven dat de fiscale regelgeving met betrekking tot (pre)pensioenregelingen ingrijpend (het hof leest) zijn gewijzigd.
(…)
Als direct gevolg hiervan is de pensioenregeling van ESN per 1 januari 2006 aangepast. Los van deze wetgeving waren wij al vanaf 2001 in overleg met de directie van ESN omdat de hoogte en de ontwikkeling van de pensioenkosten in de achter ons liggende jaren, eisen van de Pensioen en Verzekeringkamer m.b.t. de reserves wijziging van de Pensioenregeling noodzakelijk maakten.
(…)
Sinds 1 april 2002 zijn actieven een steeds groter deel van de pensioenkosten gaan betalen.
(…)
Omdat de pensioenregeling inhoudelijk niet werd aangepast bleven de kosten stijgen.
Berekeningen door Delta Lloyd in 2005 maakten duidelijk dat de kosten op dat moment al 33,6 % van de pensioengrondslag bedroegen en bij ongewijzigd beleid nog verder zouden stijgen. Rekening houdend met een verlaging van de rekenrente van 4% naar 3% (wettelijke plicht) in 2008 zelfs tot boven 40%. Consequentie hiervan was dat de premie voor de actieven zou stijgen richting 14% tot 15%.
(…)
De beslissing om ook het indexatiebeleid voor slapers en gepensioneerden te wijzigen is niet licht genomen. De pensioenregeling voor de actieven, waaronder het indexatiebeleid, is inmiddels ingrijpend versoberd, de pensioenleeftijd is 65 jaar geworden terwijl de werknemersbijdrage ongewijzigd 9,25% van de grondslag bedraagt.
Wij vonden en vinden het reëel om de lasten hierbij niet langer eenzijdig af te wentelen op de actieven, maar hiervoor ook van slapers en gepensioneerden een bijdrage te vragen.
4.16
In een email van 17 september 2009 van [appellan 3] aan zijn advocaat, mr. D.G. Schouwman, is onder andere het volgende vermeld:
(…)
winst na belasting | ||||
|---|---|---|---|---|
ESN | 2004 | minus | 3.759.000 | Euro |
ESN | 2005 | minus | 1.052.000 | euro |
ESN | 2006 | 2.582.000 | Euro | |
ESN | 2007 | 6.724.000 | Euro | |
ESN | 2008 | 2.794.000 | Euro | |
De verliezen in 2004 en 2005 kunnen alleen maar veroorzaakt zijn door ‘exeptional items’. Waaronder de herstructureringskosten binnen ESN en reserveringen voor personele zaken, waaronder vertrek medewerkers met een ouderenregeling en het ontslaan van medewerkers via de kantonrechter.
Dat de winst in 2008 achterblijft bij 2007 is voor een belangrijk deel te wijten aan de economische crisis.
(…)’
4.17
In een brief van 9 december 2009 van Elementis aan haar werknemers is onder andere het volgende vermeld:
‘(…)
Wanneer er in december geen gekke dingen gebeuren zullen we dit jaar met een positief eind resultaat afsluiten. Een resultaat waar we aan het begin van het jaar niet over durfden te dromen. Dit is de optel som van alle uitstekende acties die het afgelopen jaar in alle delen van onze organisatie zijn genomen.
Als we dan nog ook nog bedenken dat we dit jaar ook nog diverse tegenvallers hebben gehad die we in de toekomst kunnen voorkomen dan ziet het er voor volgend jaar en de verdere toekomst weer beter uit.
(…)’
5. De motivering van de beslissing in hoger beroep
5.1
In deze zaak gaat het — kort gezegd — om het volgende.
Vanaf 1 april 1998 tot 1 januari 2006 gold binnen (de rechtsvoorganger(s) van) Elementis het Pensioenreglement 1998. In dit reglement is in artikel 10 een bepaling met betrekking tot de aanpassing (indexatie) van pensioenen opgenomen. Met ingang van 1 januari 2006 is een nieuw pensioenreglement binnen Elementis tot stand gekomen (het Pensioenreglement 2006), waarin een nieuw artikel 10 dat betrekking heeft op de aanpassing (indexatie) van pensioenen is opgenomen. Elementis heeft bij brief van 8 mei 2006 aan [appellant 3] en andere vóór 1 januari 2006 gepensioneerden van Elementis bericht dat het met ingang van 1 januari 2006 gewijzigde indexatiebeleid ook voor hen geldt.
5.2
Appellanten hebben in eerste aanleg — na wijziging van hun eis — de volgende vorderingen tegen Elementis ingesteld:
primair:
- 1.
te verklaren voor recht dat het indexatiebeleid uit de pensioenregeling Condea Servo B.V. van 1 april 1998 nog immer op de leden van de Vereniging van Gepensioneerden van toepassing is;
- 2.
Elementis te bevelen haar verplichtingen uit hoofde van voormelde pensioenregeling jegens de leden van de Vereniging van Gepensioneerden, althans jegens [betrokkene 1], [appellant 3] en [appellante 4] na te komen, meer in het bijzonder ten aanzien van de indexering als bedoeld in artikel 10 van dat reglement;
- 3.
zulks met terugwerkende kracht en met verhoging van de indexeringsbijdrage met de wettelijke rente vanaf de dag dat deze bedragen verschuldigd zijn geworden tot de dag der algehele voldoening;
- 4.
een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag voor elke dag dat Elementis in gebreke blijft aan het ten deze te wijzen vonnis te voldoen;
subsidiair:
- 5.
Elementis te bevelen haar verplichtingen uit de pensioenregeling Condea Servo B.V. van 1 april 1998 jegens de leden van Vereniging van Gepensioneerden die op 26 oktober 2005 geen lid waren van één van de vakorganisaties welke partij waren bij de CAO Elementis Specialties Netherlands B.V. van 1 april 2005 tot 1 april 2006 en jegens [appellante 4] na te komen, meer in het bijzonder ten aanzien van de indexering als bedoeld in artikel 10 van voormelde regeling;
- 6.
zulks met terugwerkende kracht en met verhoging van de indexeringsbijdrage met de wettelijke rente vanaf de dag dat deze bedragen verschuldigd zijn geworden tot aan de dag der algehele voldoening;
- 7.
een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag voor elke dag dat Elementis in gebreke blijft aan het ten deze te wijzen vonnis te voldoen;
primair en subsidiair:
- 8.
althans een beslissing te nemen die de kantonrechter juist acht, met veroordeling van
Elementis in de kosten van de procedure.
5.3
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de vorderingen van appellanten afgewezen en appellanten veroordeeld in de proceskosten.
5.4
Met de grieven wordt beoogd het geschil in volle omvang aan het hof ter beoordeling voor te leggen. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
5.5
Appellanten hebben hun in rechtsoverweging 5.2 omschreven vorderingen in hoger beroep gehandhaafd. Elementis heeft zich in hoger beroep als volgt verweerd tegen deze vorderingen:
- a.
Elementis heeft bezwaren tegen de door appellanten geformuleerde vorderingen;
- b.
Elementis is op grond van de pensioenovereenkomst tussen haar en (de leden) van appellanten gerechtigd de binnen haar bedrijf geldende pensioenregeling eenzijdig, met instemming van de vakbonden, te wijzigen;
- c.
ook indien de onder a genoemde eenzijdige wijzigingsmogelijkheid niet was overeengekomen, hebben de inactieven (appellanten) de gewijzigde indexatiebepaling uit het CAO-akkoord van 25 oktober 2005 tegen zich te laten gelden;
- d.
Elementis was op grond van de artikelen 6:248 en 6:258 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) gerechtigd de pensioenregeling te wijzigen.
5.6
Tussen partijen is — naar het oordeel van het hof terecht — niet in geschil dat de Vereniging van Gepensioneerden, gelet op haar in rechtsoverweging 4.8 omschreven statutaire doel, op grond van artikel 3:305a BW bevoegd is de in rechtsoverweging 5.2 omschreven vorderingen in te stellen. Na het overlijden van [betrokkene 1] op 29 oktober 2009 is de procedure in hoger beroep voortgezet door (zijn erfgename) [appellante 2].
Onvoorwaardelijke/voorwaardelijke indexering?
5.7
Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 10 van het Pensioenreglement 2006 een voorwaardelijk recht op indexatie van de pensioenen toekent, aangezien in dit artikel is bepaald dat aanpassing van de pensioenen slechts kan plaatsvinden indien de beschikbare middelen dit toelaten.
5.8
Volgens Elementis bevat ook artikel 10 van het Pensioenreglement 1998 een voorwaardelijk recht op indexatie van de pensioenen. Appellanten hebben dit gemotiveerd betwist. Volgens hen bevat artikel 10 van het Pensioenreglement 1998 een onvoorwaardelijk recht op indexatie van de pensioenen.
5.9
Bij de beantwoording van de vraag of artikel 10 van het Pensioenreglement 1998 een voorwaardelijk dan wel een onvoorwaardelijk recht op indexatie van pensioenen toekent, gaat het om de uitleg van het desbetreffende pensioenreglement. Daarbij gaat het niet om de uitleg van bepalingen uit een pensioenreglement in de verhouding tussen een werknemer en de pensioenuitvoerder, in welke verhouding in beginsel dient te worden uitgegaan van toepassing van de zogenaamde CAO-norm. In dit geval gaat het om de uitleg van het pensioenreglement in de verhouding tussen een werkgever en (een) gepensioneerde(n) in een situatie dat het pensioenreglement deel uit maakte van de (destijds) tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst. In een dergelijke situatie ligt het eerder voor de hand aansluiting te zoeken bij de zogenaamde Haviltexnorm. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad bestaat tussen de CAO-norm en de Haviltexnorm geen tegenstelling, maar een vloeiende overgang. Dit heeft enerzijds tot gevolg dat ook bij toepassing van de Haviltexnorm geldt dat, indien de inhoud van een overeenkomst in een geschrift is vastgelegd, de argumenten voor een uitleg van dat geschrift naar objectieve maatstaven aan gewicht winnen in de mate waarin de daarin belichaamde overeenkomst naar haar aard meer is bestemd de rechtspositie te beïnvloeden van derden die de bedoeling van de contracterende partijen uit dat geschrift niet kunnen kennen, terwijl het geschrift ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen. Anderzijds leidt de CAO-norm niet tot een louter taalkundige uitleg. Bij de uitleg van een schriftelijk contract zijn telkens alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen, van doorslaggevende betekenis. De uitleg dient dan ook niet plaats te vinden op grond van alleen de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het geschrift is gesteld. In praktisch opzicht is de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van het geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang.
5.10
Gelet op het voorgaande komt met betrekking tot de uitleg van artikel 10 van het Pensioenreglement 1998 in de verhouding tussen Elementis en appellanten dan ook groot belang toe aan de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen van het reglement, waarbij ook acht geslagen moet worden op de aard en strekking van de desbetreffende bepalingen, de elders in het reglement gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de mogelijke interpretaties zouden leiden. Hierbij heeft het hof in aanmerking genomen dat gesteld noch gebleken is dat appellanten bij de totstandkoming van het Pensioenreglement 1998 betrokken zijn geweest.
5.11
Het hof is van oordeel dat artikel 10 van het Pensioenreglement 1998 een onvoorwaardelijk recht op indexatie van de pensioenen toekent en overweegt daartoe het volgende.
5.12
In artikel 10 van het Pensioenreglement 1998 is bepaald dat ‘Per 31 maart van elk jaar alle pensioenen zullen (cursivering door het hof) worden verhoogd’ (…) ‘met de stijging van het CBS-consumentenprijsindexcijfer ’(…) zij het dat ‘De jaarlijkse stijging niet meer zal bedragen dan 5%’. In artikel 10 van het Pensioenreglement 2006 is bepaald dat de daarin beschreven pensioenaanspraken en de ingegane pensioenen jaarlijks kunnen (cursivering door het hof) worden aangepast, indien en voor zover de beschikbare middelen dit toelaten (cursivering door het hof). Anders dan in het Pensioenreglement 2006, is met betrekking tot het in het Pensioenreglement 1998 vermelde recht op indexatie geen enkel voorbehoud gemaakt, in die zin dat dit afhankelijk is gesteld van beschikbare middelen. Niet van belang is dat in artikel 3 van het Pensioenreglement 1998 (overigens is ditzelfde ook in artikel 3 van het Pensioenreglement 2006 vastgelegd) is bepaald dat de pensioenaanspraken — onder andere — het ouderdomspensioen omvatten en dat het eventuele recht op indexatie in dat artikel niet uitdrukkelijk wordt genoemd. In de aanhef van artikel 3 van het Pensioenreglement 1998 is ook bepaald dat de pensioenaanspraken worden toegekend onder de voorwaarden in (hof: de rest van) het reglement omschreven, en die voorwaarden zijn, voor zover het de indexatie van de pensioenen betreft, uitgewerkt in artikel 10 van het Pensioenreglement 1998.
5.13
De omstandigheid dat Elementis, zoals zij heeft aangevoerd en waarop het hof hierna nog zal terugkomen, op grond van artikel 17 van de CAO bevoegd is op de in dat artikel voorgeschreven wijze — onder andere — de hoogte van de uitkering in de pensioenregeling te wijzigen, betekent niet dat hiermee het onvoorwaardelijk karakter aan het in artikel 10 van het Pensioenreglement 1998 vermelde recht op indexatie zou kunnen worden ontnomen aan gepensioneerde werknemers.
5.14
Appellanten hebben in eerste aanleg aangevoerd (zie punt 14 van hun conclusie van repliek) dat er een niet exact aan te duiden aantal leden van de Vereniging van Gepensioneerden is, op wie het Pensioenreglement 1998 niet van toepassing is. Die personen spelen in deze procedure naar het oordeel van het hof geen rol, aangezien uitsluitend een veroordeling wordt gevorderd ten gunste van degenen op wie het Pensioenreglement 1998 van toepassing is.
Gebondenheid van appellanten aan het met ingang van 1 januari 2006 gewijzigde indexatiebeleid?
5.15
Beide partijen zijn er in eerste aanleg vanuit gegaan dat alle leden van de Vereniging van Gepensioneerden tijdens hun dienstverband gebonden waren aan de CAO. In hoger beroep hebben appellanten aangevoerd (zie punt 17 van hun memorie van grieven) dat ten aanzien van veertien leden van de Vereniging van Gepensioneerden wel het Pensioenreglement 1998 geldt, maar dat zij niet aan de CAO gebonden zijn. Elementis heeft de hiervoor genoemde stellingen gemotiveerd betwist (zie punt 17 e.v. van haar memorie van antwoord) en aangevoerd dat de CAO voor alle werknemers binnen Elementis gold, naar het hof begrijpt, hetzij op grond van het feit dat zij lid waren van een van de bij de CAO betrokken werknemersorganisaties, hetzij op grond van een incorporatiebeding in de arbeidsovereenkomst, hetzij door het gebruik.
5.16
Tussen partijen is niet in geschil dat noch in het Pensioenreglement 1998, noch in de individuele arbeidsovereenkomst van de werknemers, voor wie het Pensioenreglement 1998 gold, een bepaling was opgenomen die Elementis de bevoegdheid gaf het in artikel 10 van het Pensioenreglement 1998 vermelde onvoorwaardelijk recht op indexatie te wijzigen. Zoals Elementis steeds heeft betoogd, ontleent zij haar bevoegdheid om de in het Pensioenreglement 1998 vermelde indexatiebepaling te wijzigen aan artikel 17 van de CAO.
5.17
Gelet op hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 5.14 tot en met 5.16 is overwogen en om proceseconomische redenen gaat het hof er in het hierna volgende veronderstellenderwijze vanuit dat alle werknemers van Elementis voor wie het Pensioenreglement 1998 gold, tijdens hun dienstverband gebonden waren aan artikel 17 van de CAO.
5.18
In artikel 17 van de CAO is bepaald dat wijzigingen in de pensioenregeling die betrekking hebben op de werknemersbijdrage in de premie of de hoogte van de uitkering — met inachtneming van het bepaalde in de WOR — door de werkgever zullen worden vastgesteld, in overleg met de vakverenigingen. De in artikel 17 van de CAO vermelde bevoegdheid van de werkgever om de hoogte van de pensioenuitkering te wijzigen betreft een ruime bevoegdheid en is naar het oordeel van het hof niet beperkt tot de wijziging van de in artikel 5 van het Pensioenreglement 1998 vermelde pensioengrondslag, maar omvat mede de bevoegdheid om het in artikel 10 van het Pensioenreglement 1998 vermelde recht op indexatie, dat immers ook de hoogte van de pensioenuitkering bepaalt, te wijzigen.
5.19
Het is in beginsel juist, zoals Elementis onder punt 15 van haar memorie van antwoord heeft aangevoerd, dat Elementis, in overleg met de vakorganisaties, het tot 1 januari 2006 geldende Pensioenreglement 1998 heeft gewijzigd op grond van de aan haar in de CAO toegekende bevoegdheid. Volgens Elementis is er geen sprake van een wijziging van de CAO. De vraag of voor deze wijziging op grond van artikel 27 van de Wet op de Ondernemingsraden instemming van de Ondernemingsraad was vereist, kan in het midden blijven, omdat dit voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet van belang is.
5.20
Elementis verliest met haar in rechtsoverweging 5.19 omschreven standpunt uit het oog dat, anders dan in de CAO die in de periode van 1 april 2004 tot 1 april 2005 heeft gegolden, uitdrukkelijk in de CAO (zelf) die in de periode van 1 april 2005 tot en met 31 maart 2006 heeft gegolden, is opgenomen dat met ingang van 1 januari 2006 een nieuwe pensioenregeling op basis van een voorwaardelijk geïndexeerd middelloon van kracht is geworden en dat de afspraken hieromtrent ook zijn uitgewerkt in het als bijlage bij deze CAO behorende Protocol. Het hof verwijst naar artikel 17 lid 4 van de CAO die in de periode van 1 april 2005 tot en met 31 maart 2006 heeft gegolden, zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.4. en naar artikel 5 van het Protocol bij deze CAO, zoals weergegeven in rechtsoverweging 4.5. Als uitvloeisel hiervan is ten slotte met ingang van 1 januari 2006 het Pensioenreglement 2006 van kracht geworden. Aangezien voorts vast staat dat Elementis, noch op grond van het Pensioenreglement 1998 zelf, noch op grond van de individuele arbeidsovereenkomst van de gepensioneerde werknemers, voor wie het Pensioenreglement 1998 gold, bevoegd was het in artikel 10 van het Pensioenreglement 1998 vermelde onvoorwaardelijk recht op indexatie te wijzigen, betekent dit dat wel degelijk beoordeeld dient te worden of appellanten gebonden zijn aan het met ingang van 1 januari 2006 gewijzigde indexatiebeleid, zoals vermeld in de op die datum geldende CAO, en zoals vastgelegd in artikel 10 van het Pensioenreglement 2006.
5.21
Met betrekking tot de beoordeling van de vraag of appellanten — kort gezegd — gebonden zijn aan het met ingang van 1 januari 2006 gewijzigde indexatiebeleid, zijn de volgende bepalingen van de Wet op de Collectieve Arbeidsovereenkomst (hierna: WCAO) van belang:
‘Artikel 1 lid 1: Onder een collectieve arbeidsovereenkomst wordt verstaan, de overeenkomst aangegaan door een of meer werkgevers of een of meer verenigingen van werkgevers met volledige rechtsbevoegdheid van werkgevers en een of meer verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid van werknemers, waarbij voornamelijk of uitsluitend worden geregeld arbeidsvoorwaarden, bij arbeidsovereenkomsten in acht te nemen.
Artikel 1 lid 2: Zij kan ook betreffen aannemingen van werk en overeenkomsten van opdracht. Hetgeen in deze wet omtrent arbeidsovereenkomsten, werkgevers en werknemers is bepaald, vindt dan overeenkomstige toepassing.
Artikel 9 lid 1: Allen, die tijdens de duur van de collectieve arbeidsovereenkomst, te rekenen vanaf het tijdstip waarop deze is aangegaan, lid zijn of worden van een vereniging, welke de overeenkomst heeft aangegaan, en bij de overeenkomst zijn betrokken, zijn door die overeenkomst gebonden.
Artikel 9 lid 2: Zij zijn tegenover elk der partijen bij de collectieve arbeidsovereenkomst gehouden al datgene, wat te hun aanzien bij de overeenkomst is bepaald, te goeder trouw ten uitvoer te brengen, als hadden zij zich zelf daartoe verbonden.
Artikel 12 lid 1: Elk beding tussen een werkgever en een werknemer, strijdig met een collectieve arbeidsovereenkomst door welke zij beide gebonden zijn, is nietig; in plaats van zodanig beding gelden de bepalingen van de collectieve arbeidsovereenkomst.
Artikel 14: Wanneer bij de collectieve arbeidsovereenkomst niet anders is bepaald, is de werkgever, die door die overeenkomst gebonden is, verplicht tijdens de duur van die overeenkomst haar bepalingen omtrent arbeidsvoorwaarden ook na te komen bij de arbeidsovereenkomsten, als in de collectieve arbeidsovereenkomsten bedoeld, welke hij aangaat met werknemers, die door de collectieve arbeidsovereenkomst niet gebonden zijn.’
5.22
Voorop gesteld wordt dat appellanten niet hebben betwist dat de bevoegdheid van Elementis om de hoogte van de pensioenuitkering te wijzigen een onderwerp beslaat dat betrekking heeft op (een regeling omtrent) arbeidsvoorwaarden, zoals vermeld in artikel 1 lid 1 WCAO. Het hof heeft in rechtsoverweging 5.18 beslist dat deze bevoegdheid mede de bevoegdheid omvat om het in artikel 10 van het Pensioenreglement 1998 vermelde recht op indexatie te wijzigen.
5.23
Van belang is dat aan het slot van artikel 1 lid 1 WCAO is bepaald dat deze bij een CAO te regelen onderwerpen op het gebied van arbeidsvoorwaarden bij arbeidsovereenkomsten in acht moeten worden genomen (cursivering door het hof) en dat op grond van artikel 9 lid 1 WCAO voor een eventuele gebondenheid aan een CAO naast de eis van het lidmaatschap van een vereniging (van werkgevers of werknemers) ook is vereist dat (de werkgever of de werknemer) bij de overeenkomst (hof: bedoeld is de CAO) betrokken zijn. Ook de artikelen 12 en 14 WCAO, zoals hiervoor weergegeven, duiden erop dat voor de gebondenheid aan een CAO sprake moet zijn van een werkgever-werknemer relatie.
5.24
Gesteld noch gebleken is dat de tussen appellanten en Elementis gesloten arbeidsovereenkomst na de pensionering van appellanten heeft voortgeduurd. Dit betekent dat de (nieuwe) CAO die op 27 oktober 2005 — dus na de pensionering van appellanten — is gesloten niet meer dwingend kon doorwerken en evenmin de — geëindigde — arbeidsovereenkomst kon aanvullen.
5.25
Tevens is gesteld noch gebleken dat appellanten op enigerlei wijze betrokken zijn geweest bij het op 27 oktober 2005 tot stand gekomen akkoord tussen Elementis en de vakverenigingen en bij de CAO die in de periode van april 2005 tot en met 31 maart 2006 heeft gegolden, in die zin dat zij (inhoudelijk) invloed hebben kunnen uitoefenen op de voorgenomen wijziging van het indexatiebeleid. Het enkele feit dat een aantal van de gepensioneerden, zoals bijvoorbeeld [betrokkene 1], lid was van een van de bij de CAO betrokken werknemersverenigingen is, gelet op de ook in artikel 9 lid 1 WCAO neergelegde eis van betrokkenheid bij die CAO, dan ook onvoldoende om hun gebondenheid aan die CAO aan te nemen. Dit zou voorts tot de onaanvaardbare uitkomst leiden dat een vakbondslid zich de gevolgen van een verslechterde arbeidsvoorwaarde zou moeten laten welgevallen en een niet-vakbondslid niet.
5.26
Elementis heeft voorts onvoldoende onderbouwd welke (andere) rechtsverhouding na de pensionering van appellanten tussen haar en appellanten is ontstaan, dan wel is blijven bestaan, die wel tot het door Elementis beoogde rechtsgevolg zou kunnen leiden. Het hof is van oordeel dat de in artikel 7:611 BW vermelde verplichting van appellanten om zich als goed werknemer te gedragen niet zo ver reikt dat zij na hun pensionering gehouden zouden zijn door hen op grond van het Pensioenreglement 1998 verworven rechten, die hun dagelijkse (financiële) leven in hoge mate heeft bepaald, prijs te geven.
Onvoorziene omstandigheden (artikel 6:258 BW)?
5.27
Op grond van artikel 6:258 lid 1 BW kan de rechter op verlangen van één der partijen de gevolgen van een overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.
5.28
Naar de bedoeling van de wetgever is voor de vraag of sprake is van onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW, niet beslissend of de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voorzienbaar waren. Het komt er slechts op aan, van welke veronderstellingen partijen zijn uitgegaan: of zij in de mogelijkheid van het optreden van de onvoorziene omstandigheden hebben willen voorzien of althans stilzwijgend die mogelijkheid hebben verdisconteerd (TM, Parl. Gesch. 6, p. 968; MvA II, Parl. Gesch.6, p. 975).
5.29
Het hof neemt voor de invulling van de in artikel 6:258 BW voorkomende begrippen ‘redelijkheid en billijkheid’ artikel 3:12 BW tot uitgangspunt. Dit artikel bepaalt dat bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, rekening moet worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuiging en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen. Er bestaat geen rangorde tussen deze verschillende gezichtspunten. Bij de toepassing van artikel 6:258 BW dient terughoudendheid te worden betracht.
5.30
Elementis heeft zich er allereerst op beroepen dat zij door gewijzigde fiscale regelgeving op het gebied van (pre)pensioenregelingen (de inwerkingtreding van de Wet aanpassing fiscale behandeling VUT/prepensioen en introductie levensloopregeling) genoodzaakt was de Pensioenregeling 1998 te wijzigen. Voorts heeft zij — en dat is de kern van haar standpunt — aangevoerd dat de Pensioenregeling 1998 in de loop der tijd te duur is geworden, niet alleen voor haar, maar met name ook voor de actieve werknemers. Voor hen zou ingeval van een ongewijzigde instandhouding van de Pensioenregeling 1998 de pensioenpremie stijgen tot 14 à 15%. Gelet hierop heeft Elementis, in overleg met de vakorganisaties, ervoor gekozen de zogenaamde postactieven te laten bijdragen in de kosten en wel door middel van een andere wijze van indexatie. Volgens Elementis past dit in het collectieve pensioenstelsel, waarbij solidariteit tussen de verschillende generaties als uitgangspunt heeft te gelden. Ten slotte heeft Elementis aangevoerd dat nakoming van de ongewijzigde indexatiebepaling voor haar onaanvaardbaar grote financiële consequenties zou hebben. Appellanten hebben de hiervoor vermelde stellingen gemotiveerd weersproken. Het hof overweegt het volgende.
5.31
Elementis heeft niet, althans onvoldoende toegelicht op welke grond zij door de inwerkingtreding van de Wet VPL genoodzaakt was het voor appellanten geldende indexatiebeleid aan te passen.
5.32
In het algemeen geldt dat Elementis bij haar bedrijfsvoering steeds (financiële) afwegingen dient te maken teneinde het voortbestaan van een gezonde onderneming te waarborgen. Dat betekent ook dat zij zal moeten waken voor het verder laten oplopen van kosten, waaronder kosten verband houdende met de uitvoering van een pensioenregeling. Tussen partijen is niet in geschil dat de kosten die met de Pensioenregeling 1998 waren gemoeid, aanzienlijk waren. Uit de stellingen van Elementis en uit de in rechtsoverweging 4.15 vermelde brief van 16 november 2006 van FNV Bondgenoten blijkt echter dat de steeds verder oplopende kosten verbonden aan de pensioenregeling niet van de ene dag op de andere dag zijn ontstaan zodat daarmee in zoverre rekening had kunnen worden gehouden. Van Elementis had mogen worden verwacht dat zij tijdig (financiële) maatregelen zou hebben getroffen om deze kosten in omvang te beperken. Elementis heeft onvoldoende toegelicht welke concrete maatregelen zij in dit verband heeft genomen, rekening houdende met de positie van de gepensioneerden.
5.33
Het voorgaande betekent niet dat aan Elementis het recht zou moeten worden ontzegd op enig moment maatregelen te nemen zoals zij heeft gedaan door in overleg met de vakbonden met ingang van 1 januari 2006 de pensioenregeling te wijzigen. Dat stond haar als ondernemer in beginsel vrij. Zij heeft daarbij welbewust de keuze gemaakt om ook van de gepensioneerden een bijdrage in de lasten te vragen door het indexatiebeleid in hun nadeel aan te passen. Die keuze dient voor haar rekening te blijven. Gelet op de in rechtsoverweging 4.16 en 4.17 vermelde financiële omstandigheden, heeft Elementis onvoldoende gemotiveerd weersproken dat haar bedrijfsresultaten van dien aard waren dat zij genoodzaakt was ook van de gepensioneerden een aanzienlijk offer te vragen. Van belang hierbij is dat de gepensioneerden een wezenlijk andere groep betreft dan de zogenaamde actieve werknemers. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.26 is overwogen, gaat het bij de gepensioneerden om verworven (financiële) rechten, waarop zij ook hun uitgavenpatroon hebben afgestemd.
5.34
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zijn de door Elementis aangevoerde feiten en omstandigheden — als deze al onvoorzien waren — onvoldoende om aan te nemen dat appellanten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde voortzetting van het onvoorwaardelijke indexatiebeleid mochten verwachten. Het beroep op artikel 6:258 lid 1 faalt.
Onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 BW)?
5.35
Op grond van artikel 6:248 lid 2 BW is een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De in artikel 6:248 lid 2 BW vermelde formulering ‘naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar’ brengt tot uitdrukking dat de rechter bij de toepassing van lid 2 de nodige terughoudendheid zal moeten betrachten.
5.36
Met betrekking tot het beroep op artikel 6:248 lid 2 BW heeft Elementis geen andere feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd dan hetgeen ten grondslag is gelegd aan haar beroep op artikel 6:258 BW. Het hof heeft hiervoor overwogen dat de door Elementis aangevoerde feiten en omstandigheden onvoldoende zijn om haar beroep op artikel 6:258 BW te honoreren. Dit betekent dat ook het beroep van Elementis op artikel 6:248 lid 2 BW dient te worden verworpen.
5.37
De grieven slagen, zodat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen. Voor de duidelijkheid en mede gelet op de door Elementis geuite bezwaren tegen de door appellanten geformuleerde vorderingen, zal het hof de primaire vorderingen onder 1, 2 en 3 van appellanten toewijzen, zoals hierna in het dictum te vermelden. Het hof zal de door appellanten gevorderde dwangsommen (primaire vordering onder 4) afwijzen. De primaire vorderingen onder 2 en 3, ten aanzien waarvan appellanten dwangsommen vorderen, hebben betrekking op de betaling van een geldsom. Met betrekking tot die veroordelingen kan geen dwangsom worden opgelegd (artikel 611a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv)). Dit geldt ook voor de vordering van appellanten om dwangsommen te verbinden aan de door hen gevorderde verklaring voor recht (primaire vordering onder 1). Een dwangsom kan slechts worden verbonden aan een hoofdveroordeling. Een verklaring voor recht is geen veroordeling.
5.38
Het hof zal Elementis, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten van beide instanties veroordelen.
6. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van 20 april 2010 van de kantonrechter (rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Almelo) en doet opnieuw recht:
verklaart voor recht dat het indexatiebeleid uit de pensioenregeling Condea Servo B.V. van 1 april 1998 nogsteeds van toepassing is op de in artikel 4 van de statuten van de Vereniging van Gepensioneerden vermelde leden, zoals omschreven in rechtsoverweging 4.8 van dit arrest;
beveelt Elementis haar verplichtingen uit hoofde van voormelde pensioenregeling jegens de hiervoor genoemde leden van de Vereniging van Gepensioneerden na te komen ten aanzien van de indexatie als bedoeld in artikel 10 van de hiervoor genoemde pensioenregeling;
een en ander met terugwerkende kracht en met verhoging van de indexatiebijdrage met de wettelijke rente vanaf de dag dat deze bedragen verschuldigd zijn geworden tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt Elementis in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van appellanten wat betreft de eerste aanleg begroot op € 400,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 369,25 voor verschotten (€ 72,25 kosten van het exploot en € 297,- griffierecht) en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep begroot op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 336,89 voor verschotten (€ 73,89 kosten van het eerste hoger beroep exploot en € 263,- griffierecht);
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, E.B. Knottnerus en G.P.M. van den Dungen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2011.