Omzetting als rechtsvormwijziging
Einde inhoudsopgave
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/5.4.3.2.1:5.4.3.2.1 Bestaanseis en juridische fusie en splitsing
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/5.4.3.2.1
5.4.3.2.1 Bestaanseis en juridische fusie en splitsing
Documentgegevens:
Mr. B. Snijder-Kuipers, datum 20-01-2010
- Datum
20-01-2010
- Auteur
Mr. B. Snijder-Kuipers
- JCDI
JCDI:ADS500322:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 4:56 lid 1 BW
Asser-Perrick 6, nr. 17a.
Wetsvoorstel 18 285.
Kamerstukken II 1983/84, 18 285, nr. 3, p. 11-12.
P.J.F.M. le Cat, Verbintenissenrecht, II. Overeenkomsten met overheidslichamen. Uitvoeringsfase. Deventer: Kluwer (losbl.), artikel 4:141 BW, aant. 4 en L.C.A. Verstappen, in: M.J.A. van Mourik (red.), L.C.A. Verstappen e.a., Handboek Erfrecht, Deventer: Kluwer 2006, p. 275 e.v.
Zie 5.2.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Essentieel is dat een rechtspersoon moet bestaan op het moment van het openvallen van de nalatenschap om gerechtigd te zijn tot een making. De wet1 formuleert het aldus:
`Om aan een making een recht te kunnen ontlenen, moet men bestaan op het ogenblik dat de nalatenschap openvalt. Rechten uit een making ten voordele van een rechtspersoon die voor dat ogenblik is opgehouden te bestaan ten gevolge van een fusie of een splitsing, komen toe aan de verkrijgende rechtspersoon, onderscheidenlijk de verkrijgende rechtspersoon waarvan de aan de akte van splitsing gehechte beschrijving dat bepaalt. Indien de aan de hand van de akte van splitsing gehechte beschrijving niet kan worden bepaald welke rechtspersoon in de plaats en de rechten treedt van de gesplitste rechtspersoon, is artikel 334s van Boek 2 van overeenkomstige toepassing.'
De tweede volzin geeft een wettelijke rechtspersoonlijke plaatsvervulling aan.2 Voor juridische fusie en splitsing is een wettelijke uitlegregel met betrekking tot de bestaanseis opgenomen, die van rechtswege bewerkstelligt dat een erfstelling of legaat toevalt aan de rechtsopvolger aangezien de betrokken rechtspersoon ten gevolge van juridische fusie of splitsing kan zijn opgehouden te bestaan. De op het moment van testeren bestaande rechtspersoon heeft slechts een verwachting, terwijl de rechtspersoon op moment van openvallen van de nalatenschap een recht verkrijgt.
Zonder deze wettelijke aanvulling van uiterste wilsbeschikkingen zou een making aan een rechtspersoon die door juridische fusie of splitsing is opgehouden te bestaan, vervallen indien de bevoordeelde rechtspersoon niet meer bestaat op het moment van het openvallen van de nalatenschap.
Deze wettelijke regeling geldt ook indien het doel van de rechtsopvolger anders is dan het doel van de oorspronkelijke rechtspersoon. Dat is een consequentie van de rechtspersoonlijke plaatsvervulling die van rechtswege werkt. Deze bepaling is van regelend recht. Indien de erflater dit niet wenst, kan hij daarvoor een voorziening in het testament opnemen.
Beoogd werd te voorkomen dat verenigingen en stichtingen af zouden zien van een fusie omdat eventuele voordelen uit hoofde van een testamentaire beschikking zouden komen te vervallen indien de vereniging of stichting krachtens juridische fusie of splitsing verdwijnen.3 Dit heeft de wetgever willen voorkomen. De wetgever overwoog als volgt:
`Omdat mag worden verwacht dat verenigingen en stichtingen niet vaak zullen fuseren met rechtspersonen met een geheel verschillende doelstelling, mag de wetgever ervan uit gaan, dat het vaker wel dan niet de bedoeling van de erflater zal zijn dat de erfstelling of making na de fusie van kracht blijft ten gunste van de verkrijgende vereniging of stichting. Indien iemand zich zo nauw bij een rechtspersoon betrokken voelt dat hij die in zijn testament bedenkt, zal veelal van de fusie op de hoogte zijn. Acht hij de fusie minder gewenst, dan kan hij zijn testament wijzigen. Dit wettelijke stelsel schept minder ongemak dan om telkens de erflaters die hun beschikking willen handhaven te dwingen na een fusie hun testament te wijzigen.'4
De wettelijke regeling gaat uit van een aantal aannames, te weten:
juridische fusie van vereniging of stichtingen vindt plaats tussen rechtspersonen met dezelfde doelstelling;
in het merendeel van de gevallen zal de erflater de rechtsopvolger wensen te bevoordelen;
de erflater is in de regel op de hoogte van de fusie;
de noodzaak tot wijzigen van een testament is zo min mogelijk vereist door wettelijke aanvulling.
De vierde aanname is correct. Op de eerste drie aannames valt wel wat aan te merken. De wetgever gaat uit van het standpunt dat de making gedaan zal zijn met het oog op het doel van de rechtspersoon op het moment van opstellen van het testament. Een opvolgende rechtspersoon na fusie of splitsing heeft dezelfde doelstelling als de vorige rechtspersoon. Op die manier wordt de wilsbeschikking uitgevoerd in de lijn van de wensen van de testateur. Het is de vraag of deze aanname correct is. Vaak vindt een fusie tussen verenigingen en stichtingen plaats die een aanverwant doel hebben maar noodzakelijk is dit niet. Ook indien de doelstellingen in elkaars verlengde liggen, kan niet zonder meer worden aangenomen dat de bedoeling van de erflater met de making onverkort nageleefd wordt.
De derde aanname, dat de erflater in de regel op de hoogte is van de fusie, is twijfelachtig. De erflater zal meestal niet op de hoogte zijn van de juridische fusie. Indien deze aanname correct zou zijn, zou dat juist een argument zijn om de wettelijke rechtspersoonlijke plaatsvervullingregel af te schaffen. Als de erflater op de hoogte is van de fusie, kan hij immers ook de making aan dit gegeven aanpassen en de rechtspersoon na fusie de bevoordeling doen toekomen. In de praktijk zal dit wel eens vergeten kunnen worden. De wetgever heeft met deze regel willen voorkomen dat de erflater zijn testament zou moeten aanpassen.
Indien sprake is van een making onder voorwaarde regelt de wet niet wat rechtens is indien op het moment van openvallen van de nalatenschap de rechtspersoon bestaat en deze rechtspersoon vóór de vervulling van de voorwaarde verdwijnt krachtens juridische fusie of splitsing.5 Op het ogenblik dat de voorwaarde wordt vervuld, moet de rechtspersoon bestaan op grond van artikel 4:137 BW. Uitgangspunt is dat een making is vervallen omdat de rechtspersoon niet meer bestaat tenzij van een andere bedoeling van de testateur blijkt. Of daarvan sprake is, wordt aan de hand van uitleg vastgesteld.6 Daarbij speelt de mate van (dis)continuïteit ten gevolge van de rechtsvormwijziging een rol. Met name speelt daarbij een rol in hoeverre het doel gewijzigd wordt. Hoe meer discontinuïteit ten gevolge van de rechtsvormwijziging, des te eerder zal de making als vervallen beschouwd moeten worden.