Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/5.3.5.2
5.3.5.2 Inmengingen eigendomsrechten van aandeelhouders
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS372094:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Hof Amsterdam (OK) 17 januari 2007,JOR 2007/42 (Stork), 10 december 2008 JOR 2009/38 (AHAM) en 6 september 2013, JOR 2013/272 m.nt. Josephus Jitta (Cryo-Save Group/Amar).
Zie bijvoorbeeld HR 25 februari 2011, NJ 2011, 335 m.nt Van Schilfgaarde, JOR 2011/115 m.nt. Doorman (Inter Acces).
Zie par. 5.3.4.
Zie bijv. EHRM 29 maart 2010, appl.nr. 34044/02 (Depalle).
In par. 15.2.2.3 komt ter sprake dat de ondernemingskamer dienaangaande de iure geen bevelen geeft, maar dat dit de facto wel zou uitpakt. Ik verwacht dat het EHRM zal uitgaan van de feitelijke situatie.
Vgl. HR 11 juli 2014, NJ 2014/389 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2014/263 m.nt. Josephus Jitta bijJOR 2014/264 (Novero-II).
Naar Nederlands recht is dat ook niet verplicht. HR 23 maart 2012, NJ 2012,393 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2012/141 m.t. Josephus Jitta en Barkhuysen (e-Traction II),
Het feit dat de positie vis-à-vis de vennootschap moet worden gezien als het relevant eigendom, brengt mee dat het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen al snel in het vaarwater van art. 1 EP kan komen. Het treffen van (onmiddellijke) voorzieningen heeft namelijk als primair gevolg dat de positie van aandeelhouders vis-à-vis de vennootschap wijzigt. Verwezen zij naar par. 8.3.2.2 en 8.3.2.3.
In voorkomende gevallen komt daarbij ook nog eens dat de aanleiding voor het ingrijpen door de ondernemingskamer is gelegen in de wijze waarop een aandeelhouder gebruik maakt of wil maken van zijn zeggenschapsrechten binnen de vennootschap. Bijvoorbeeld: het feit dat een aandeelhouder gebruik maakt van zijn agenderingsrecht, is voor de ondernemingskamer aanleiding tot het verbieden van besluitvormig ten aanzien van het desbetreffende agendapunt.1
Daarnaast kunnen de (onmiddellijke) voorzieningen het gevolg hebben dat de vennootschap in staat wordt gesteld om zichzelf te reorganiseren. Bijvoorbeeld indien (onmiddellijke) voorzieningen als expliciet doel hebben om het nemen van een emissiebesluit mogelijk te maken en het daarnaast mogelijk maken om bij de emissie voorbij te gaan aan het voorkeursrecht van één of meer aandeelhouders, zoals soms bij noodzaakfinanciering het geval is.2 Een dergelijke reorganisatie leidt er toe dat aandeelhouders verwateren, hetgeen kan kwalificeren als een inmenging.3 In deze gevallen is het strikt genomen niet de ondernemingskamer die besluit tot deze reorganisatie. De ondernemingskamer maakt de reorganisatie slechts mogelijk, maar de noodzakelijke besluiten worden genomen door één of meer van de organen van de vennootschap. Deze organen zijn geen partij bij het EVRM. Toch kan mijns inziens niet volgehouden worden dat een dergelijke reorganisatie niet onder art. 1 EP zou kunnen worden getoetst, althans indien deze reorganisatie is voorzien in één of meer beschikkingen van de ondernemingskamer. Bijvoorbeeld, indien de ondernemingskamer in het dictum het bestuur expliciet machtigt om de desbetreffende emissie uit te voeren. Het zij herhaald, het nodig is “to look behind the appearances and investigate the realities of the situation complained of” om vast te stellen of sprake is van een inmenging4 en aldus kan men er niet aan voorbij gaan dat de ondernemingskamer een cruciale faciliterende rol heeft gespeeld in het mogelijk maken van de reorganisatie, of zelfs met zoveel woorden heeft overwogen dat deze geboden is.5
Ook denkbaar is dat de reorganisatie niet is voorzien in één of meer beschikkingen van de ondernemingskamer, maar daartoe wel wordt besloten door één of meer tijdelijk door de ondernemingskamer aangestelde functionarissen. Denkbaar is bijvoorbeeld dat vanwege een algehele impasse in de aandeelhoudersvergadering alle aandelen tijdelijk ten titel van beheer zijn overgedragen en de tijdelijke beheerder, een paar maanden ná zijn benoeming, het idee opvat om een emissiebesluit te nemen en daarbij voorbij te gaan aan het voorkeursrecht van de aandeelhouders. Mijns inziens is het feit dat deze tijdelijke functionaris door de ondernemingskamer is aangesteld onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van overheidshandelen.6 Voorts bestaat er in een dergelijk geval mijns inziens geen verplichting van de Nederlandse overheid om pro-actief in te grijpen.7 Wel kan ik me voorstellen dat sprake is van een inmenging, indien één of meer van de oorspronkelijke aandeelhouders de ondernemingskamer verzoeken om de desbetreffende reorganisatie een halt toe te roepen en de ondernemingskamer besluit om dat niet te doen. De ondernemingskamer sanctioneert in een dergelijk geval immers min of meer dat haar ingrijpen de desbetreffende reorganisatie tot gevolg heeft.
Een (onmiddellijke) voorziening die de rechten en bevoegdheden van een aandeelhouder (rechtstreeks) aantast, zal niet altijd als een inmenging kwalificeren. Zoals in par. 5.3.3.2 ter sprake kwam is geen sprake van een inmenging als de eigenaar niet kan aantonen dat hij daadwerkelijk financieel nadeel heeft geleden. Een houder van enkele aandelen in een grote beursvennootschap zal naar mijn verwachting een verwaarloosbaar financieel nadeel lijden indien het recht van de aandeelhoudersvergadering om bestuurders te benoemen tijdelijk wordt doorkruist door een tijdelijke aanstelling van bestuurders door de ondernemingskamer. Dat ligt anders voor een meerderheidsaandeelhouder, of een (prioriteits)aandeelhouder die het recht heeft om een bindende voordracht te doen.