Aanvullen van subjectieve rechten
Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/1.1.1:1.1.1 Inleiding
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/1.1.1
1.1.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS299245:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
1. “Privaatrecht is toebedeeling. In het privaatrecht wordt al datgene, wat de mensch in de natuur aantreft en waarover hij in zijn belang kan beschikken, tusschen de menschen gedeeld, het wijst aan, wien deze zaken ten slotte dienstbaar zijn, waarop hij recht heeft in subjectieven zin1.” Het privaatrecht heeft, moderner gezegd, als doel om schaarse middelen toe te delen aan verschillende mensen zodat zij daar gebruik van kunnen maken.2 Om dat te doen worden in het privaatrecht twee stappen gezet. De eerste stap is dat schaarse middelen – alles van economische waarde waarvan de hoeveelheid niet onbeperkt is – worden ‘gevangen’ in juridische begrippen.
Schaarse middelen zijn er in allerlei varianten. Het kan bijvoorbeeld gaan om dingen die we kunnen aanraken, zoals een muntenverzameling, een stuk land of een schilderij. Daarnaast zijn er dingen die we niet kunnen aanraken, maar die desalniettemin schaars zijn en economische waarde vertegenwoordigen. Voorbeelden hiervan zijn geld op een bankrekening, de mogelijkheid om ergens te wonen, of de arbeid die iemand kan verrichten om een schilderij te schilderen. De eerste categorie schaarse middelen vangen we in het privaatrecht – meer specifiek het vermogensrecht – onder de noemer ‘zaken’, de tweede (zodra ze aan iemand toekomen) onder de noemer ‘vermogensrechten’. De categorieën ‘zaken’ en ‘vermogensrechten’ vormen samen de categorie ‘goederen’ (art. 3:1 BW). Een bijzondere vorm van vermogensrechten zijn de vermogensrechten die niet uit hun aard schaars zijn, maar die door de wet schaars worden gemaakt: de intellectuele eigendomsrechten. Ik bespreek deze in dit boek verder niet.
2. Nadat alles van economische waarde is ingedeeld in de categorieën ‘zaken’ en ‘vermogensrechten’, is het mogelijk de tweede stap te zetten: het toedelen van aanspraken op deze goederen. Het vermogensrecht gebruikt daar wederom juridische begrippen voor.
Iemand kan bijvoorbeeld ‘eigenaar’ zijn van een muntenverzameling, een stuk land of een schilderij. Het kan ook voorkomen dat hem een ‘beperkt recht’ wordt verleend, doordat hij een pandrecht krijgt op de munten in de muntenverzameling, een recht van erfpacht krijgt op de grond, of een recht van vruchtgebruik krijgt op het schilderij. Andere mogelijkheden zijn bijvoorbeeld dat iemand deze zaken in ‘huur’ of ‘bruikleen’ krijgt. Alle mogelijke rechten die binnen het vermogensrecht aan iemand kunnen toekomen, worden ‘subjectieve rechten’ genoemd.3
3. Deze subjectieve rechten kunnen op verschillende manieren worden verkregen en voor elke soort verkrijging bevat het vermogensrecht een regeling: iemand kan bijvoorbeeld eigenaar worden doordat hij een muntenverzameling vindt bij een opgraving, een stuk land in bezit neemt, of een schilderij vindt bij het grofvuil. Over dit soort wijzen van verkrijging wil ik het hier niet hebben. In dit boek ga ik uit van de wijze van verkrijging waarvoor binnen het vermogensrecht de meeste aandacht bestaat: de vrijwillige creatie en herverdeling van subjectieve rechten tussen twee (of meer) partijen als gevolg van een transactie. Zulke transacties zijn aan de orde van de dag. Ze komen steeds voor als het creëren of herverdelen van subjectieve rechten meerwaarde oplevert voor de beide partijen die bij de transactie betrokken zijn. Dat is het geval indien beide partijen iets ontvangen dat hen meer waard is dan hetgeen ze kwijtraken.
A heeft als eigenaar van een stuk grond de mogelijkheid om van deze grond gebruik te maken zoals hij wil. Indien het nut dat hij ontleent aan het gebruik van de grond kleiner is dan het nut dat het gebruik van dezelfde grond, althans een gedeelte daarvan, zou hebben voor B, is het mogelijk dat A en B besluiten de meerwaarde voor B te ‘verzilveren’ door een transactie aan te gaan: B verkrijgt (een gedeelte van) een (gebruiks)recht op de grond, A krijgt in ruil daarvoor compensatie van B. Het herverdelen van nut tussen A en B kan op verschillende manieren: A kan de eigendom van de grond aan B overdragen, maar het is bijvoorbeeld ook mogelijk dat B een beperkt recht van erfpacht, opstal, vruchtgebruik of erfdienstbaarheid op de grond krijgt, dat tussen A en B een huurovereenkomst wordt gesloten waaruit voor A de verbintenis voortvloeit B de grond te laten gebruiken, of dat A en B afspreken dat B een koopoptie op de grond verkrijgt waardoor hem de bevoegdheid toekomt de grond als eerste gegadigde te kopen.
4. Het herverdelen van het nut dat in goederen en diensten besloten ligt, is een onderliggend motief voor veel van wat er in de economie en het vermogensrecht gebeurt.4 In het voorbeeld uit het vorige randnummer zien we dat “al datgene, wat de mensch in de natuur aantreft” wordt gevangen in vermogensrechtelijke begrippen, om vervolgens onderdeel gemaakt te worden van gestandaardiseerde vermogensrechtelijke transacties. Het vermogensrecht faciliteert daarmee de uitwisseling van (het gebruik van) schaarse middelen. De gedachte is dat door het faciliteren van transacties deze schaarse middelen uiteindelijk toekomen aan de partij die er het meeste nut aan ontleent. Daardoor wordt het totale nut dat de maatschappij ontleent aan de beschikbare schaarse middelen geoptimaliseerd.5 Het faciliteren van herverdeling van (gebruik van) schaarse middelen in het vermogensrecht vindt daarom grotendeels plaats door het vergemakkelijken en goedkoper maken van transacties.6
5. Eén van de wijzen waarop het vermogensrecht tegemoetkomt aan de wens om transacties eenvoudiger en goedkoper te maken, is het bijeenbrengen van verschillende schaarse middelen in een ‘rechtsobject’: een handig pakketje, dat in één keer tot onderdeel van een transactie gemaakt kan worden.7
Als A het eigendomsrecht van zijn stuk grond aan B over wil dragen, hoeven A en B niet uit te spellen wat allemaal onder dat eigendomsrecht valt. Ook zonder dat zij daar expliciet een afspraak over maken, verkrijgt B bij de overdracht – naast de grond zelf – bijvoorbeeld ook de bomen en struiken die zich op het perceel bevinden, het water dat zich onder de grond bevindt en het huis van A dat op de grond is gebouwd. Daarnaast verkrijgt B, opnieuw zonder dat zij daar iets over hebben afgesproken, niet alleen dit huis, maar ook de zich in het huis bevindende deuren, vloeren, het dak, de inbouwkeuken, etc. Met andere woorden: al deze dingen vormen samen één ding, waarop één eigendomsrecht rust. Er hoeft dus maar één eigendomsrecht overgedragen te worden om de verkrijger aanspraak te geven op een stuk grond plus huis, plus toebehoren, in plaats van dat elk onderdeel (elke zandkorrel, elke plant, elke baksteen) afzonderlijk dient te worden overgedragen.
6. In het voorbeeld hierboven worden schaarse middelen bij elkaar gevoegd tot één rechtsobject. Het gevolg daarvan is dat een subjectief recht – in dit geval een eigendomsrecht – dat op dit rechtsobject ziet óók betrekking heeft op al deze schaarse middelen. De regels binnen het vermogensrecht die bepalen wat er precies onder een rechtsobject valt, zijn niet vrijblijvend. Soms kan een rechtsobject worden ‘aangevuld’, ongeacht of partijen dat ook zo bedoeld hebben:
Aannemer A bouwt tijdens de zomervakantie een serre aan het huis van B, terwijl die serre eigenlijk voor buurman C bedoeld was. Ook al was het nooit de bedoeling dat de serre bij B aangebouwd zou worden, toch is de serre nu van B: de wet bepaalt namelijk dwingend dat het huis van B ook de serre omvat (art. 3:4 BW).
7. Uit het bovenstaande voorbeeld blijkt dat ons vermogensrecht regels kent die dwingend bepalen wat er allemaal bij een rechtsobject hoort. Op vergelijkbare wijze bestaan er regels over wat er bij een subjectief recht hoort:
A heeft van zijn buurman B een recht van erfdienstbaarheid gekregen, meer specifiek een recht van overpad. Dit houdt in dat A over de grond van B mag lopen om bij zijn achtertuin te komen. Als A zijn grond overdraagt aan C, is het niet nodig om het recht van erfdienstbaarheid afzonderlijk aan C over te dragen: de wet bepaalt namelijk dat dit recht automatisch overgaat naar C (art. 3:82 BW).
8. In de voorgaande randnummers heb ik steeds een eigendomsrecht op een stuk grond als voorbeeld genomen om te kijken wat er allemaal ‘bij hoort’. Zulke voorbeelden kunnen voor allerlei uiteenlopende goederen worden gegeven. Ook voor bijvoorbeeld een vordering tot betaling van een geldsom of een combimagnetron kan men zich afvragen wat er allemaal ‘bij hoort’. Het Nederlandse vermogensrecht kent niet één criterium om deze vraag te beantwoorden. In plaats daarvan werkt het met verschillende rechtsfiguren die bewerkstelligen dat aan subjectieve rechten iets extra’s wordt toegevoegd. In het bovenstaande voorbeeld van een aangebouwde serre kwam de bestanddeelvorming al aan de orde (art. 3:4 BW). Het recht van erfdienstbaarheid is een voorbeeld van een afhankelijk recht (art. 3:7 en 3:82 BW). Aan een vordering tot betaling van een geldsom kan bijvoorbeeld worden toegevoegd het recht om te kiezen of betaling in euro’s of in dollars plaatsvindt – een nevenrecht (art. 6:142 BW). Een door de verkoper van een combimagnetron afgegeven garantie voor het goed functioneren van de magnetron is een kwalitatief recht (art. 6:251 BW), dat kan worden ingeroepen door degene die op het betreffende moment eigenaar van de magnetron is. Deze figuren worden verderop in dit boek uitgebreid besproken. Voor nu is het voldoende om te weten dat bij elk van deze figuren geldt dat degene die een subjectief recht verkrijgt, ook alles dat daarmee samenhangt verkrijgt (de bestanddelen, de afhankelijke rechten, de nevenrechten, de kwalitatieve rechten).