Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/6.2.4
6.2.4 Herstructureringsrichtlijn
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192559:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Considerans 44.
Art. 9 lid 4 tweede zin Herstructureringsrichtlijn.
Considerans 44.
Art. 9 lid 4 tweede alinea Herstructureringsrichtlijn.
Art. 9 lid 4 vierde alinea Herstructureringsrichtlijn.
Zie art. 11 Herstructureringsrichtlijn, waarover §9.6.4.
Considerans 46.
Art. 9 lid 4 derde alinea Herstructureringsrichtlijn. Zie over de achtergrond van deze toevoeging General Approach, p. 5: “Some Member States, however, were not familiar with this system and considered that this could be burdensome, costly and, in many cases, unnecessary. This is especially the case where the debtor is a micro, small or medium-sized enterprise on account of its simple capital structure and limited number of creditors. The compromise therefore provides for a possibility for Member States to allow micro, small or medium-sized enterprises to opt to not treat affected parties in separate classes.” Wanneer van die optie gebruik wordt gemaakt, dient het nationale recht volgens de Europese wetgever eveneens te bepalen dat schuldenaren het recht hebben om ook nadat het plan is verworpen door de enige klasse, opnieuw een akkoord aan te bieden. Zie Considerans 45, tweede zin.
320. De Herstructureringsrichtlijn schrijft voor dat bij het akkoord betrokken partijen in klassen (‘categorieën’) worden ingedeeld. In considerans 44 verwijst de Europese wetgever naar de in §4.9.3 en 4.9.4 besproken ratio van een klassegewijze stemming: het streven naar gelijke behandeling van rechten die substantieel gelijkaardig zijn en het beschermen van minderheden. Art. 9 lid 4 Herstructureringsrichtlijn bepaalt dat het nationaal recht een klassecriterium moet formuleren, dat faciliteert dat de categorieën “voldoende gedeelde belangen weerspiegelen op basis van verifieerbare criteria”. Volgens de considerans moeten de vermogensverschaffers zodanig worden gegroepeerd dat de indeling de “rechten en rangorde van hun vorderingen en belangen” respecteert.1
Het klassencriterium lijkt bij eerste lezing op twee punten gewijzigd ten opzichte van het Richtlijnvoorstel. Art. 9 lid 2 Richtlijnvoorstel schreef voor dat de klassenindeling dusdanig moest zijn dat een klasse vorderingen of aandelenbelangen omvat met “rechten die voldoende gelijkaardig zijn om de leden van de categorie als een homogene groep met gedeelde belangen te beschouwen”. Bovendien was in art. 2 lid 6 van het Richtlijnvoorstel gedefinieerd wat onder een ‘klassenindeling’ werd verstaan. Volgens deze definitie zouden de rechten en rangorde van de betrokken vorderingen en aandelenbelangen uit de klassenindeling moeten blijken, waarbij rekening wordt gehouden met bestaande rechten, intercreditor-overeenkomsten en de behandeling in het akkoord.
In de definitieve tekst van de Richtlijn is in de eerste plaats de verwijzing naar de rechten van schuldeisers en aandeelhouders verdwenen. De focus van art. 9 lid 4 Herstructureringsrichtlijn lijkt meer op de ‘belangen’ van de partijen te liggen. Uit de considerans kan evenwel worden opgemaakt dat op dit punt geen wijziging ten opzichte van het Richtlijnvoorstel is beoogd. De klassenindeling moet immers de rechten en de rangorde van de vorderingen en aandelenbelangen respecteren. Ten tweede blijkt uit de definitieve tekst of considerans niet dat de behandeling onder het akkoord relevant is voor de klassenindeling. Gelet op het feit dat het klassencriterium door de nationale wetgevers moet worden geformuleerd, lijkt het mogelijk ook de behandeling onder het akkoord relevant te achten voor de klassenindeling.
321. Zowel in het Richtlijnvoorstel als in de definitieve tekst schrijft de Europese wetgever voor dat zekerheidsgerechtigde schuldeisers en schuldeisers zonder zekerheidsrechten in ieder geval in een aparte klasse worden geplaatst.2 Niet alle aspecten van de klassenindeling worden geharmoniseerd in de Herstructureringsrichtlijn. Diverse aspecten worden aan nationale wetgevers overgelaten. Zo kunnen Lidstaten bepalen dat door zekerheid gedekte vorderingen op basis van een waardering van het onderpand worden onverdeeld in een door zekerheid gedekte vordering en een concurrente vordering. Verplicht is dat niet. Het staat lidstaten ook vrij om schuldeisers met onvoldoende gedeelde belangen, zoals belasting- en socialezekerheidsinstanties, in afzonderlijke klassen te plaatsen.3 Lidstaten mogen bovendien bepalen dat werknemers een aparte klasse vormen.4 Ook voor “niet-gediversifieerde of anderszins bijzondere kwetsbare schuldeisers, zoals werknemers en leveranciers” mogen lidstaten bijzondere regels opstellen, opdat zij kunnen profiteren van deze vorming van categorieën. De gedachte lijkt te zijn dat het vormen van een extra klasse deze schuldeisers nadere bescherming biedt. 5 Een afwijzing van het herstructureringsplan door een van deze klassen hoeft echter niet te betekenen dat het akkoord geen doorgang vindt. De Europese preventieve herstructureringsstelsels bevatten namelijk een cross class cram down-mogelijkheid.6
Het nationale recht moet regels bevatten over aangelegenheden die van bijzonder belang zijn voor de klassenindeling, zoals de vraag hoe men om moet gaan met voorwaardelijke en betwiste vorderingen en met vorderingen van gelieerde partijen.7
Het Europese criterium voor klassenindeling is niet bijzonder duidelijk, en laat lidstaten bovendien de nodige implementatievrijheid. Bovendien kunnen lidstaten ervoor kiezen om bij akkoorden ter zake van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen geen klassenindeling te vereisen.8