NJB 2026/651:In het middel wordt geklaagd over het onder 1 bewezenverklaarde feit. In het bijzonder wordt geklaagd dat “de motivering van het oordeel dat de bitcoins afkomstig zijn uit enig misdrijf getuigt van een onjuiste, want te strenge rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd, in het bijzonder wat betreft ’s hofs overwegingen met de slotsom dat geen andere conclusie mogelijk is dan dat de tenlastegelegde bitcoins onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is”. Witwassen en vereiste dat voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, art. 420bis e.v. Sr: herhaling en toepassing bestendig beoordelingsschema van HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352. Verdachte heeft aangevoerd dat hij in de periode 2012 tot 2013, door tussenkomst van getuige 1, 1.982 bitcoins van betrokkene 3 heeft verkregen tegen betaling van € 12.000, dat hij die uitgave kon doen uit geld dat hij had verdiend uit de handel in auto’s, dat de bitcoins in de periode van 2012 tot eind 2017 een “exponentiële waardevermeerdering” hebben doorgemaakt en dat hij daarom in 2017 voor € 613.260,92 aan bitcoins bezat. Ter ondersteuning van deze stellingen heeft de verdediging gewezen op een borgstellingsverklaring en getuigenverklaringen. Het oordeel van het hof dat de verdachte met die verklaring niet een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven voor de legale herkomst van de in de bewezenverklaring bedoelde bitcoins, omdat de verdachte niet inzichtelijk heeft gemaakt wat de relatie is tussen de door hem verkregen bitcoins en de bitcoins die zijn gestort op zijn account, is niet zonder meer begrijpelijk gezien hetgeen de verdachte heeft verklaard. Dat wordt niet anders doordat de verdachte niet meer informatie heeft verschaft of een USB-stick heeft verstrekt, nu die omstandigheden niet in de weg staan aan de door de verdachte gegeven verklaring en de mogelijkheid daarnaar nader onderzoek te doen.