Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/4.4.a
4.4.a Bevoegdheid tot beroepsbeoordeling
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS608330:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 25 februari 1997, nr. 22107/93 (Findlay/VK); EHRM 26 februari 2002, nr. 38784/97 (Morris/VK); Kuijer 2004, p. 247-248.
Kuijer 2004, p. 207, 247-248.
Zie verder over ‘interne onafhankelijkheid’ Kuijer 2004, p. 265-287.
ECRM 18 januari 1989 (ontv.), nr. 12458/86 (Versteele/België).
EHRM 23 mei 1991, nr. 11662/85 (Oberschlick/Oostenrijk); EHRM 1 februari 2005, nr. 46845/99 (Indra/Slowakije) (civiel); EHRM 4 maart 2014, nr. 36073/04 (Fazli Aslaner/Turkije); EHRM 5 juni 2014, nr. 50996/08 (HIT d.d. Nova Gorica/Slovenië) (civiel).
EHRM 24 juli 2012, nr. 29995/08 (Toziczka/Polen) (civiel).
EHRM 27 mei 2010, nr. 847/05 (Berhani/Albanië), aldus ook over de relevantie van pretrial-betrokkenheid voor de onpartijdigheid van een zittingsrechter, zie Kuijer 2004, p. 346-350.
Door het Hof omschreven als leave to appeal out of time, dat ondanks de overeenkomst in naamgeving hier niet wordt behandeld.
EHRM 27 mei 2010, nr. 847/05 (Berhani/Albanië).
Zie de volledige toegangsvoorwaarde in overweging 11 van EHRM 23 oktober 2012 (ontv.), nr. 62793/10 (Dunn/Verenigd Koninkrijk).
EHRM 23 oktober 2012 (ontv.), nr. 62793/10 (Dunn/Verenigd Koninkrijk); zie ook ECRM 9 september 1998 (ontv.), nr. 37120/97 (R.M.B/Verenigd Koninkrijk); EHRM 16 januari 2007 (ontv.), nr. 37794/05 (Wells/Verenigd Koninkrijk).
EHRM 23 oktober 2012 (ontv.), nr. 62793/10 (Dunn/Verenigd Koninkrijk).
Zie voor beoordeling a quo van klassieke toegangsvoorwaarden door een rechtbank EHRM 8 januari 2008 (ontv.), nr. 32671/02 (Skorik/Oekraïne); zie voor beoordeling a quo van een vrije toegangsvoorwaarde EHRM 16 januari 2007, nr. 2065/03 (Warsicka/Polen) (civiel), waarin de appelrechter oordeelt dat de insteller van het cassatieberoep in zijn schriftuur geen argumenten heeft aangevoerd die laten zien dat behandeling van het beroep gerechtvaardigd is (“arguments showing that its examination would be justified”).
Zie echter EHRM 28 maart 2000 (ontv.), nr. 45738/99 (Bullivant/Verenigd Koninkrijk), waarin mogelijk gedelegeerde beoordeling van een inhoudelijke toegangsvoorwaarde (leave to appeal against sentence) aan de orde is, maar de uitspraak van het EHRM maakt dat niet goed duidelijk.
EHRM 6 december 2007, nr. 15123/03 (Volovik/Oekraïne).
EHRM 8 januari 2008 (ontv.), nr. 32671/02 (Skorik/Oekraïne).
Zie bijv. EHRM 22 november 2011, nr. 18544/08 (Central Mediterranean Development Corporation Ltd./Malta) (civiel).
EHRM 16 november 2006, nr. 5548/03 (Hajiyev/Azerbeidzjan); EHRM 28 februari 2012, nr. 36084/06 (Pashayev/Azerbeidzjan).
Dit neemt niet weg dat dergelijke beslissingen uitgebreid door griffiers mogen worden voorbereid.
Vgl. EHRM 7 april 2005, nr. 73717/01 (Alija/Griekenland) (civiel) en EHRM 1 januari 2007, nr. 9747 (Gorou/Griekenland nr. 4) (civiel); waarin de openbaar aanklager de toegang tot cassatie beoordeelt, en het EHRM over dit orgaan opmerkt dat de Griekse wet de onafhankelijkheid ervan arandeert
Vgl. het Deense Procesbevillingsnævnet (Leave to appeal board of Appeals permission board), waarover het EHRM nog geen onafhankelijkheidsklachten heeft behandeld. Zie over de samenstelling van dit orgaan www.domstol.dk.
Zie ook paragraaf 3.10e.
Om te beginnen moet het gerecht dat de beroepsbeoordeling uitvoert op grond van artikel 6 EVRM onafhankelijk en onpartijdig zijn. De algemene vereisten van rechtspositionele en functionele onafhankelijkheid en objectieve en subjectieve onpartijdigheid krijgen in beroep een eigen, aangevulde betekenis.1 Zo mag de bevoegdheid tot vernietiging en verandering van de bestreden uitspraak enkel door gerechten worden uitgeoefend. “The power to give a binding decision which may not be altered by a non-judicial authority is inherent in the very notion of ‘tribunal’. The principle can also be seen as a component of the ‘independence’ required by Article 6 § 1”, aldus het EHRM.2 Volgens het Hof kan deze regel ook in de eis van onafhankelijkheid worden ingelezen. Dit verbaast wellicht, aangezien de eis van (functionele) onafhankelijkheid in het algemeen inhoudt dat een rechter juist niet is onderworpen aan enige autoriteit.3 Juist in het kader van rechtsmiddelen is deze regel niet aan de orde, of preciezer: rechterlijke uitspraken mogen wel degelijk worden vernietigd, maar alleen door een orgaan dat eveneens een gerecht is in de zin van artikel 6 EVRM.4 De eis van onafhankelijk verbiedt intussen evenmin dat de beroepsrechter de bestreden uitspraak bevestigt, omdat hij zich daarmee immers niet onderwerpt aan de autoriteit van het lagere gerecht.5
Daarnaast is in beroep natuurlijk ook de eis van objectieve onpartijdigheid relevant. Het is verboden dat de beslissingen over de inhoud van het beroep bij een hoger gerecht worden genomen door één of meer rechters die reeds in eerdere aanleg inhoudelijk over de zaak oordeelde(n), hetgeen zich bijvoorbeeld na promotie of als gevolg van functiecumulatie kan voordoen.6 Ook als de beroepsbeoordeling meer afstandelijke cassatietoetsing betreft, is het verband tussen de beoordeling in beroep en eerdere aanleg volgens het EHRM zo innig, dat een objectief partijdigheidsprobleem zich voordoet als zowel in eerdere aanleg als in cassatie door dezelfde rechter is beslist.7
Zijn deze regels relevant voor afgescheiden beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep? Bij het beantwoorden van deze vraag moeten drie gevallen worden onderscheiden. Het eerste geval betreft beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep door de reguliere kamer van het beroepsgerecht zelf dan wel een uit dat gerecht samengestelde kleine of onderdeelkamer. In het algemeen rechtvaardigt het enkele feit dat een rechter reeds bepaalde beslissingen over het beroep of eerdere beroepen heeft genomen op zichzelf nog niet de vrees voor partijdigheid. “What matters is the scope and nature of the measures taken by the judge on prior appeals”, aldus het Hof in de zaak Berhani/Albanië.8 Deze zaak draait om drie appelrechters die het hoger beroep van de verdachte niet-ontvankelijk verklaren vanwege termijnverzuim, maar na verlenging van de appeltermijn inhoudelijk toch over de zaak oordelen – althans, twee van hen.9 Het EHRM acht artikel 6 EVRM niet geschonden omdat “the Court of Appeal confined itself to dismissing the applicant’s appeal for failure to comply with the formal requirements, including time-limits. It did not make any assessment of the available facts or evidence produced with a view to reviewing the District Court’s judgment.”10 Zolang de beoordeling van de toegang dus niet (te zeer) verwant is aan inhoudelijke beoordeling van het beroep, rechtvaardigt de opeenvolgende beslissing over toegang tot en inhoud van het beroep niet de vrees voor partijdigheid. Als andersom een rechter uit een beroepsgerecht bij inhoudelijke verlofbeoordeling eerst een (marginaal) inhoudelijk oordeel over het beroep velt en vervolgens deelneemt aan de inhoudelijke beslissing op het beroep, dan zal dit wel problematisch zijn. Zo’n geval kan zich in feite alleen voordoen als het openbaar ministerie beroep instelt en daaraan verlof wordt verleend, omdat alleen zo’n beslissing de schijn van partijdigheid tegen de verdachte kan wekken.
Ook in een tweede situatie is het karakter van de toegangsvoorwaarden relevant. Ten tweede rijst namelijk de vraag of toegangsbeoordeling door de rechter a quo is toegelaten. In diverse landen wordt de ontvankelijkheid van het beroep voor een deel beoordeeld door de rechter die de bestreden uitspraak gaf (iudex a quo). Zo oordeelt in het Verenigd Koninkrijk de appelrechter over de toegang tot beroep bij de House of Lords op grond van de maatstaf of een de zaak “raised a point of law of general public importance”.11 Dit soort toegangsbeoordeling a quo acht het EHRM veelal in overeenstemming met artikel 6 EVRM. Het Hof keurde bijvoorbeeld het Engelse systeem in verschillende uitspraken goed, omdat bij de beoordeling van toegang “the Court of Appeal was not deciding on whether its decision had been right or wrong, rather its consideration was limited solely to the existence or otherwise, of a point of law of general public importance”.12 Gelet op dat verschil oordeelt het EHRM dat de beoordeling van de toegang “cannot be said to be the same or intrinsically linked to the merits of the original appeal”.13 Deze overwegingen impliceren dat de beoordeling a quo van klassieke en vrije toegangsvoorwaarden enerzijds wel geoorloofd is,14 maar de beoordeling a quo van inhoudelijke toegangsvoorwaarden niet. De rechter a quo zou in dat laatste geval immers een juistheidsoordeel over zijn eigen uitspraak moeten geven, hetgeen naar alle waarschijnlijkheid indruist tegen de eisen van objectieve partijdigheid.15 Het is wachten op een uitspraak waarin het EHRM deze conclusies expliciet trekt.
Daarnaast is een andere factor van belang, namelijk of tegen toegangsbeoordeling a quo beroep openstaat. In de zaak Volovik/Oekraïne oordeelde de rechtbank over de inachtneming van diverse formele ontvankelijkheidsvoorwaarden voor hoger beroep. Het EHRM oordeelt daarover dat “the first-instance courts were granted the uncontrolled power to decide whether appeals against their decisions could reach the higher courts. This situation could arguably lead, as it did in the applicant’s case, to an appeal never reaching the higher instance.”16 Ook in andere zaken hecht het EHRM belang aan de mogelijkheid van beroep tegen de toegangsbeoordeling a quo.17 Omdat het Hof evenwel daarop in andere zaken niet wijst dan wel aan de onmogelijkheid van beroep tegen toegangsbeoordeling a quo (kennelijk) geen waarde toekent,18 is deze factor als zodanig blijkbaar niet beslissend. Wat het verschil in beoordeling tussen deze zaken verklaart, kan ik niet uit de uitspraken afleiden.
Een derde en laatste kwestie is of toegangsonderzoek en -beoordeling mag worden uitgevoerd door niet-rechterlijke ambtenaren. In twee Armeense zaken werd de toegang tot het hooggerechtshof afgewezen per door een griffier ondertekende brief. Arrest werd niet gewezen, er was enkel de brief. Het EHRM overweegt dat het recht op toegang tot een gerecht is geschonden, voornamelijk erop wijzend dat het nationale recht niet toelaat dat griffiers de toegang tot beroep afwijzen.19 Indien wél voldaan zou zijn aan het legaliteitsvereiste voor beperking van het recht op toegang, is alsnog twijfelachtig of de niet-ontvankelijkverklaring door een griffier om onafhankelijkheidsredenen wel aanvaardbaar is. Omdat de weigering van toegang niets aan de bestreden uitspraak verandert, wordt het gezag van die uitspraak daardoor niet aangetast – zie hierboven. In zoverre bestaat dan ook geen onafhankelijkheidsprobleem. Intussen heeft de weigering van toegang wel hetzelfde effect als de afwijzing van het beroep, de bestreden uitspraak blijft er immers door in stand. En als weigering is gebaseerd op inhoudelijke toegangsvoorwaarden, is de weigering van toegang ook materieel nauw verwant aan de afwijzing van het beroep. De definitieve beslissing over de toegang tot beroep mag dan ook niet aan niet-rechterlijke ambtenaren worden overgelaten, zo kan worden betoogd.20 Deze ambtenaren zouden immers onder politieke of anderszins onwenselijk controle kunnen staan, hetgeen afbreuk zou doen aan de onafhankelijkheid van de rechtspraak in zijn geheel.21 Dit wordt mogelijk anders indien het orgaan dat over de toegang tot beroep oordeelt weliswaar niet (geheel) uit rechterlijke ambtenaren bestaat, maar de onafhankelijkheid van de leden van dit orgaan wel degelijk is gegarandeerd.22 Wellicht is dit ook anders indien tegen het toegangsoordeel van een niet-rechterlijk orgaan weer beroep openstaat op een rechter.23