Rb. Amsterdam, 28-04-2010, nr. 317789 / HA ZA 05-1645
ECLI:NL:RBAMS:2010:BY9022
- Instantie
Rechtbank Amsterdam
- Datum
28-04-2010
- Zaaknummer
317789 / HA ZA 05-1645
- LJN
BY9022
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBAMS:2010:BY9022, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 28‑04‑2010; (Eerste aanleg - meervoudig)
ECLI:NL:RBAMS:2008:4896, Uitspraak, Rechtbank Amsterdam, 30‑07‑2008; (Eerste aanleg - meervoudig, Op tegenspraak, Tussenuitspraak)
Uitspraak 28‑04‑2010
Inhoudsindicatie
Faillissement NV, bestuurders aangesproken o.g.v. misleidende jaarstukken en Beklamel. Tussenvonnis. Gedaagden dienen informatie te verschaffen over een aantal punten uit de (half)jaarcijfers, omdat op hen een verzwaarde stelplicht rust (5.28).
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 317789 / HA ZA 05-1645
Vonnis van 28 april 2010
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DOUBLE DUTCH MANAGEMENT EN BEHEER B.V.,
gevestigd te Haarlem,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MARATHON HOLDING COMPUTERS B.V.,
gevestigd te Nieuwegein,
3. de naamloze vennootschap
N.V. MAATSCHAPPIJ TOT BESCHERMING VAN SCHULDEISERS,
gevestigd te Amsterdam,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TECH DATA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Deventer,
5. de vennootschap naar Duits recht
TOSHIBA EUROPE GMBH,
gevestigd te Neuss (Duitsland),
6. [A],
wonende te [plaats],
eisers,
advocaat mr. J.W. van Rijswijk,
tegen
1. [B],
wonende te [plaats],
2. [C],
wonende te [plaats], gemeente [gemeente],
3. [D],
wonende te [plaats],
4. [E],
wonende te [plaats],
gedaagden,
advocaat voorheen mr. P.N. van Regteren Altena, thans mr. A. Hendrikse.
Eisers worden hierna gezamenlijk eisers genoemd. Gedaagden 1 tot en met 3 worden hierna gedaagden genoemd. Afzonderlijk worden partijen ook respectievelijk DDM, MHC, MBS, Tech Data, Toshiba, , [B], [C], [D] en [E] genoemd.
De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 30 juli 2008 (hierna: het tussenvonnis),
- -
de akte aan de zijde van gedaagden, met producties,
- -
de antwoordakte aan de zijde van eisers, met producties,
- -
de akte uitlating producties aan de zijde van gedaagden, met productie,
- -
de akte uitlating productie aan de zijde van eisers.
Ten slotte is vonnis bepaald.
De nadere beoordeling
In het tussenvonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten op de punten genoemd onder 5.42 van dat vonnis. Vervolgens hebben partijen de voornoemde aktes genomen.
Onregelmatigheden met betrekking tot de bevoorschotting door NMB-Heller
Eisers leggen in hun antwoordakte aan hun vordering een aantal nieuwe stellingen ten grondslag, die zij ontlenen aan een tweetal door hen overgelegde interne notities van 4 en 6 september 2002 van de hand van de heer [F] van NMB Heller (hierna: de notities van NMB-Heller). Op deze notities hebben eisers eerst recent de hand weten te leggen.
Volgens eisers blijkt uit deze notities dat bij CSS vanaf 2000 sprake is geweest van fraude, hierop neerkomend dat aan NMB-Heller een groter bedrag aan uitstaande vorderingen werd voorgespiegeld dan met de werkelijkheid correspondeerde ten einde deze door NMB-Heller te laten bevoorschotten en dat aldus door NMB-Heller meer krediet aan CSS werd verstrekt dan waarop CSS recht had.
In de notities van NMB-Heller wordt melding gemaakt van een aantal onjuistheden in de boekhouding van CSS, die zich als volgt laten samenvatten:
- -
CSS hanteerde in haar boeken debiteurnummers beginnend met 454545.
- -
CSS boekte vanaf 2000 onder deze nummers voor miljoenen euro’s aan facturen op naam van gefingeerde afnemers onder vermelding van haar eigen adres. Begin september 2002 bedroeg het bedrag van deze facturen op naam van gefingeerde afnemers € 15,8 miljoen.
- -
CSS gaf ter verkrijging van bevoorschotting van NMB-Heller aan deze de aldus geboekte facturen en daarin vermelde vorderingen op.
- -
NMB-Heller verstrekte de bevoorschotting overeenkomstig de facturen.
- -
CSS trok de facturen na verloop van drie maanden in, waarna zij de ingetrokken facturen verving door nieuwe facturen overeenkomstig het vorenstaande, nu bij de overeengekomen bevoorschotting was bepaald dat de bevoorschotting eindigt indien de daaraan ten grondslag liggende facturen niet binnen drie maanden zijn voldaan.
Eisers stellen dat de onder 2.2 en 2.3 beschreven praktijk vanaf het voorjaar van 2000 het eigen vermogen en het resultaat van CSS op onoirbare wijze en in toenemende mate met een bedrag van EUR 15 tot 20 miljoen in positieve zin heeft beïnvloed, en dat derhalve door de jaarstukken van CSS een misleidende voorstelling is gegeven van de toestand van CSS, zodat gedaagden op grond van artikel 2:139 BW aansprakelijk zijn.
Gedaagden voeren, tegenover de vorenstaande stellingen van eisers, het volgende aan:
- -
CSS maakte onderhanden werk, dat wel was verricht maar nog niet was gefactureerd, inzichtelijk door interne projectfacturen, waarvoor doorlopende debiteurennummers werden gebruikt.
- -
Medewerkers van de administratie van CSS brachten, zonder dat gedaagden dit wisten, dergelijke interne projectfacturen onder de financieringsregeling voor de bevoorschotting door NMB-Heller. Die medewerkers deden dit te goeder trouw, maar vast staat dat het in strijd was met de afspraken tussen CSS en NMB-Heller.
- -
De positie van NMB-Heller was gedekt doordat het onderliggende werk wel was verricht. Alleen waren de daarbij behorende facturen nog niet verzonden.
- -
CSS heeft daarnaast een aantal dubbeltellingen aan NMB-Heller opgegeven door fouten in haar administratie in verband met systemen van overgenomen bedrijven. Het gaat hier om beperkte bedragen.
- -
Fraude of oplichting levert dit alles niet op.
- -
NMB-Heller heeft in dit alles geen aanleiding gezien de financiering stop te zetten doch heeft in oktober 2002 juist nog een aanvullende financiering van € 1 miljoen verschaft.
- -
De gepubliceerde cijfers waren juist en volledig, ook ten aanzien van de financiering door NMB-Heller. De cijfers zijn op verzoek van de raad van commissarissen beoordeeld door PriceWaterhouseCoopers (hierna PWC) en zij is tot de slotsom gekomen dat de vlottende activa en de financiering door NMB-Heller juist en volledig in de cijfers waren verdisconteerd. Dit is ook zo door PWC met de raad van commissarissen en NMB-Heller besproken die daarmee akkoord was. De halfjaarcijfers 2002 zijn dan ook niet aangepast.
- -
De interne projectfacturen terzake van onderhanden werk betroffen voor circa 75% onderhanden werk van CSS Telecom en CSS Professional Resources. Deze vennootschappen zijn niet failliet gegaan en dit onderhanden werk is ook gewoon gefactureerd en betaald.
Gedaagden betwisten dus niet dat NMB-Heller door toedoen van CSS interne projectfacturen op naam van gefingeerde afnemers bevoorschotte, maar wel dat als gevolg hiervan een misleidende voorstelling in de gepubliceerde (halfjaar)cijfers werd gegeven.
Op grond van het voorgaande staat als niet of onvoldoende betwist tussen partijen vast dat CSS in de periode 2000 tot en met 2002 van NMB-Heller ten onrechte voor miljoenen euro’s, oplopend tot 15,8 miljoen in september 2002, aan krediet heeft ontvangen doordat zij interne, dus niet verzonden, facturen op naam van gefingeerde klanten liet bevoorschotten in strijd met de overeenkomst die zij met NMB-Heller had.
Anders dan eisers betogen kan – in het licht van de betwisting dienaangaande door gedaagden – hieruit echter vooralsnog niet worden geconcludeerd dat het op de facturen vermelde onderhanden werk niet was verricht. De notities van NMB-Heller geven ook geen, althans nauwelijks, steun aan die conclusie. NMB-Heller heeft hiernaar geen onderzoek verricht. Dit betekent dat vooralsnog niet kan worden geconcludeerd dat als gevolg van de praktijk met de interne projectfacturen het resultaat en het eigen vermogen van CSS te gunstig werd voorgesteld. Wel brengt de verzwaarde stelplicht die op gedaagden rust (zie het tussenvonnis onder 5.28) mee dat zij moeten toelichten hun stelling dat de gefingeerde facturen correspondeerden met onderhanden werk en niet tot misleiding in de jaarrekening hebben geleid. De rechtbank begrijpt de stellingen van gedaagden aldus, dat na de ontdekking van de onregelmatigheden door PWC is onderzocht of de halfjaarcijfers 2002 aanpassing behoefden, dat de uitkomst daarvan met de raad van commissarissen en NMB-Heller is besproken en de conclusie was dat de halfjaarcijfers geen aanpassing behoefden. De rechtbank stelt voorts vast dat in het verslag van de vergadering van de raad van commissarissen van 19 september 2002 (productie van 57 van gedaagden) melding wordt gemaakt van een door PWC op te stellen rapport in verband met de debiteurenfinanciering. Het ligt voor de hand dat gedaagden dit in het geding brengen. In ieder geval zullen gedaagden op verifieerbare wijze bij akte nader moeten motiveren hun stelling dat het eigen vermogen als gevolg van de onregelmatigheden niet te gunstig is voorgesteld. De rechtbank zal een comparitie van partijen gelasten waarop gedaagden deze akte mogen nemen. De rechtbank verzoekt gedaagden deze akte ten minste vier weken voorafgaand aan de comparitie aan de wederpartij en de rechtbank te sturen.
Voor de goede orde voegt de rechtbank toe dat gesteld noch gebleken is dat de (al dan niet terecht ) door NMB-Heller verstrekte kredieten niet juist in de jaarrekening zijn verantwoord, zodat de vraag of de jaarrekening op dit punt misleidend was, niet voorligt.
Op de vraag in hoeverre de praktijk als beschreven in 2.7 de halfjaarcijfers 2002 misleidend maakt, zal de rechtbank hierna nog ingaan.
Gedaagden verzoeken de rechtbank, voor het geval zij de onregelmatigheden met betrekking tot de bevoorschotting door NMB-Heller relevant acht, het geding te schorsen in afwachting van het onherroepelijk oordeel van de strafrechter, zodat gedaagden zich toereikend kunnen verweren en zich beschermd weten door de waarborgen van het strafprocesrecht. Dit verzoek kan niet worden gehonoreerd, nu de beoordeling in dit geding in een ander kader en met andere maatstaven plaatsvindt dan de beoordeling in een eventueel strafproces. Voor zover gedaagden zich hiermee hebben willen beroepen op de slotzin van artikel 2:139 BW met het betoog dat de misleidende voorstelling van de toestand van CSS niet aan hen te wijten is, hebben zij dit betoog onvoldoende toegelicht. Eisers hebben onder verwijzing naar de notities van NMB-Heller gesteld dat [D] na geconfronteerd te zijn met een en ander tegenover [F] schuld heeft bekend dat dit uitsluitend om de financiering is gedaan. Gedaagden kunnen in dit licht niet volstaan met de enkele stelling dat zij niets van de praktijk wisten, nog daargelaten dat dit op zichzelf nog niet voldoende is voor een geslaagd beroep op de slotzin van artikel 2:139 BW. Gesteld immers dat gedaagden niets van de foute praktijk zouden hebben geweten, dienen zij nog uit te leggen (a) waarom zij die praktijk niet hebben ontdekt of niet hebben kunnen ontdekken, (b) welke controlestructuren (“checks” en “balances”) zij als bestuurders van de beursgenoteerde onderneming CSS hebben geïmplementeerd teneinde dergelijke praktijken te voorkomen, en (c) waarom onder deze omstandigheden de verwijtbaarheid aan hun zijde ontbreekt.
De rechtbank zal thans de in het tussenvonnis reeds besproken verwijten van eisers ten aanzien van de openbaar gemaakte (half)jaarstukken nader beoordelen aan de hand van de nadere informatie die partijen daaromtrent hebben verstrekt. De rechtbank houdt daarbij de volgorde van het tussenvonnis aan.
Ad a. De lening van CSS Holding aan ACP
Gedaagden hebben alsnog de overeenkomst van geldlening die als bijlage 12 bij de hoofdovereenkomst is opgenomen in het geding gebracht. Ook hebben zij de voorwaarden van de geldlening van de in mei 2002 tot stand gekomen herfinanciering door NMB-Heller alsnog in het geding gebracht. Uit deze laatste voorwaarden is gebleken dat, anders dan partijen tot nu toe hebben gesteld, ACPH de door NMB-Heller verstrekte geldlening niet aan CSS SI, maar aan CSS Holding heeft doorgeleend. De rechtbank zal met partijen van dit laatste uitgaan en komt in zoverre dus terug van hetgeen zij in het tussenvonnis heeft overwogen. Relevant lijkt dit punt overigens vooralsnog niet, omdat gedaagden zich thans niet langer meer op het standpunt stellen dat de volwaardigheid van de vordering uit achtergestelde geldlening op ACPH per 30 juni 2002 mede blijkt uit de mogelijkheid tot verrekening van die vordering met de tegenvordering van ACPH terzake van de lening van mei 2002. De reden hiervan zal zijn dat verrekening blijkens de in het geding gebrachte voorwaarden van geldlening is uitgesloten.
Voor de vraag of de vordering uit achtergestelde geldlening volwaardig was, komt het dus uitsluitend aan op een beoordeling van de solvabiliteit en liquiditeit van ACPH.
In dat verband is onder meer van belang of bij ACP in 2000 en 2001 (grote) verliezen werden geleden. De rechtbank heeft gedaagden in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld stukken in het geding te brengen ter staving van hun stelling dat in 2000 en 2001 geen grote operationele verliezen bij ACP werden geleden, waaronder:
- -
de staat van baten en lasten van de ACP-organisatie per 30 juni 2000 waarnaar in de hoofdovereenkomst wordt verwezen als bijlage 11B bij die overeenkomst, alsmede
- -
de staat van baten en lasten van de ACP-organisatie per 7 december 2000, die volgens de hoofdovereenkomst leidend is bij de afrekening tussen partijen, alsmede
- -
stukken waarin het verloop van de rekening-courant tussen CSS SI en ACP inzichtelijk wordt gemaakt.
Gedaagden hebben de eerste twee opgevraagde stukken niet in het geding gebracht. Zij concluderen dat de staat van baten en lasten per 30 juni 2000 en 7 december 2000 – hoewel de hoofdovereenkomst daarnaar uitdrukkelijk verwijst en de staat van baten en lasten per 7 december 2000 beslissend acht voor de afrekening tussen partijen – uiteindelijk niet zijn opgesteld. Zij veronderstellen dat uiteindelijk zal zijn besloten de jaarrekening van CSS beslissend te laten zijn voor de afrekening, omdat het opstellen van tussentijdse cijfers geen sinecure is. De rechtbank acht deze verklaring om een aantal redenen ontoereikend. Vast staat dat wel staten van activa en passiva van de ACP-organisatie per 30 juni 2000 (bijlage 11A bij de hoofdovereenkomst) en per de datum van levering aan de hoofdovereenkomst zijn gehecht. Er is dus kennelijk wel een tussentijdse afsluiting van de boeken per deze data geweest. Zonder een nadere toelichting – die ontbreekt – valt niet in te zien dat het opstellen van een staat van baten en lasten extra werk van betekenis oplevert indien de bijbehorende staten van activa en passiva reeds beschikbaar zijn. Ook is niet een staat van baten en lasten van ACP over heel 2000 in het geding gebracht, zodat onverklaard blijft hoe partijen bij de hoofdovereenkomst uiteindelijk hebben afgerekend. Voorts is onbegrijpelijk dat een overeenkomst die op 7 december 2000 wordt gesloten en voor de afrekening verwijst naar een nog op te stellen staat van baten en lasten per die datum, mede verwijst naar een aangehechte staat van baten en lasten per een veel eerdere datum, als deze laatste staat niet reeds beschikbaar zou zijn.
Gedaagden hebben voorts als productie 45 een door henzelf opgestelde analyse van het verloop van de rekening-courant tussen CSS SI en ACP in het geding gebracht. Met eisers is de rechtbank van oordeel dat daaraan in dit verband geen betekenis kan worden toegekend omdat gedaagden niet meedelen waarop zij deze analyse – waarin zeer specifieke gegevens voorkomen – baseren, laat staan dat zij hun brondocumenten of -gegevens overleggen.
Gedaagden hebben uitvoerig betoogd dat en waarom een uitdraai van het overzicht van de rekening-courant tussen CSS SI en ACP thans niet meer kan worden geproduceerd. De rechtbank gaat aan dit betoog voorbij nu gedaagden niet betwisten dat zij over informatie betreffende het verloop van de rekening-courant beschikken – anders zouden zij daarvan ook geen analyse met zeer specifieke gegevens kunnen maken – doch die informatie kennelijk niet wensen te ontsluiten voor eisers.
Overigens is de rechtbank ook met eisers van oordeel dat de door gedaagden opgestelde analyse niet correspondeert met de gegevens uit de pro forma balans van ACP per 31 december 2000 uit het rapport van 29 oktober 2007 van [G] Accountants en Belastingadviseurs, dat in opdracht van gedaagden zelf is opgesteld (hierna: het rapport [G]). De balans van ACP per deze datum is nooit opgesteld omdat het eerste boekjaar van ACP eindigde op 31 december 2001, aldus dit rapport. Volgens het rapport is de balans per ultimo 2000 gereconstrueerd aan de hand van de consolidatiestaten van CSS over 2000 en de storting van het aandelenkapitaal en de achtergestelde geldleningen door NMB-Heller en de heer [E] (p. 16 rapport [G]). Deze gereconstrueerde balans wijkt op het punt van de rekening-courantverhouding tot CSS echter materieel af van de door gedaagden gegeven analyse zonder dat gedaagden daarbij een toelichting geven.
Gedaagden hebben hun stelling dat bij ACP(H) geen (grote) verliezen werden geleden ook niet anderszins toereikend onderbouwd. Hoewel de gepubliceerde jaarrekening van ACPH over haar eerste boekjaar (lopend van 7 december 2000 tot 31 december 2001) een verlies toont van € 1,9 miljoen (dupliek nr. 5.14) en dus niet zonder meer het standpunt van gedaagden onderschrijft, geldt bovendien dat deze eerst is opgesteld nadat de dagvaarding in deze zaak (in 2005) is uitgebracht en daarop in strijd met de wet geen accountantscontrole is toegepast, wat meebrengt dat daaraan niet veel betekenis kan worden gehecht.
De door gedaagden in het geding gebrachte verklaringen van de oud-[functies] [H] en [I] kunnen niet als een voldoende onderbouwing gelden. [H] verklaart op dit specifieke punt niets. [I] verklaart slechts dat de oorzaak van het verlies van ACP in het eerste verlengde boekjaar bestond uit “een afboeking op en een operationeel verlies van de Belgische ACP activiteiten” en bevestigt in die zin slechts dat het verlies deels operationeel was.
Een (structureel) verliesgevende situatie heeft een ongunstige invloed op de liquiditeit en solvabiliteit van ACP en daarmee op de volwaardigheid van de vordering van CSS Holding op ACP.
De rechtbank heeft gedaagden voorts gevraagd een nadere toelichting te verschaffen bij de waarde van de door CSS SI aan ACP overgedragen activa en passiva omdat de fairness opinion van [J] om een aantal redenen onvoldoende houvast geeft.
De rechtbank heeft onder meer (tussenvonnis onder 5.12) informatie gevraagd over de waarde van andere activiteiten dan de logistieke diensten, met als toelichting dat geenszins kan worden uitgesloten dat deze een negatieve waarde vertegenwoordigden nu het merendeel van de werknemers daar werkzaam was. Hierover hebben gedaagden geen nadere informatie verschaft.
Ook heeft de rechtbank nadere informatie gevraagd over de omvang van de aan ACP overgedragen schulden en liquide middelen omdat de waardering van [J] (een waarde tussen de € 3 miljoen en € 10 miljoen) is gegeven uitgaande van een onderneming die vrij is van schulden en liquide middelen. In antwoord op deze vraag verwijzen gedaagden naar de pro forma balans van ACP per 31 december 2000 als opgenomen in het rapport [G]. Gedaagden stellen nu – zonder enige nadere toelichting – dat blijkens deze gereconstrueerde balans de omvang van de liquide middelen € 15 miljoen bedraagt en de omvang van de schulden nihil is. De rechtbank stelt vast dat in deze balans inderdaad aan liquide middelen een totaalbedrag van € 15.000.000 is opgenomen, maar moet aannemen dat het hier betreft de opbrengst van de achtergestelde leningen die de overige aandeelhouders (NMB-Heller en [E]) aan ACP hebben verstrekt en dat het dus niet gaat om door CSS SI aan ACP overgedragen liquide middelen. Dit betekent dat er reeds een onverklaarde kloof ontstaat tussen de door [J] genoemde waarde van de onderneming en de daarvoor aan CSS SI betaalde prijs van € 14,5 miljoen, zodat gedaagden niet hebben voldaan aan het verzoek van de rechtbank om nader toe te lichten hun stelling dat ACP niet een te hoge prijs voor de onderneming heeft betaald.
De in het geding gebrachte verklaringen van [H] en [I] kunnen niet als een voldoende onderbouwing op dit punt gelden.
De conclusie uit het voorgaande is dat gedaagden niet aan hun verzwaarde stelplicht hebben voldaan en dat met eisers moet worden aangenomen dat ACP een veel te hoge prijs voor de aan haar overgedragen onderneming heeft betaald en als gevolg daarvan van aanvang af een slechte solvabiliteit had. De vordering van CSS Holding op ACP van € 14,5 miljoen uit achtergestelde geldlening was van aanvang af onvolwaardig en had dus niet (ten volle) mogen worden geactiveerd.
Het causaal verband tussen de gevorderde schade en de gestelde misleiding komt hierna nog aan de orde, maar specifiek ten aanzien van het ontbreken van een voorziening wegens oninbaarheid van de vordering op ACP betogen gedaagden dat dit verband ontbreekt, omdat de gevorderde schade niet is veroorzaakt door een faillissement van ACP. Dit betoog faalt, omdat het eraan voorbijgaat dat het niet treffen van een voorziening voor oninbaarheid van deze vordering tot een misleidende voorstelling van zaken in de gepubliceerde cijfers van CSS heeft geleid en de vordering van eisers is gebaseerd op de stelling dat zij niet met CSS hadden gecontracteerd respectievelijk geen aandelen CSS (tegen de overeengekomen prijs) hadden verkregen als die misleiding achterwege was gebleven. Overigens is onweersproken gebleven de stelling van eisers dat de vordering van CSS op ACPH nooit is voldaan en nooit zal worden voldaan (repliek, nr. 125 en 127 sub s; dupliek nr. 8.50), zodat ook om die reden niet kan worden gezegd dat geen verband bestaat tussen de volwaardigheid van de vordering op ACP en de gevorderde schade.
Ad b.1. Is de vordering op ACPH per 30 juni 2002 gestegen tot € 40 miljoen?
In het tussenvonnis is melding gemaakt van een opvallend verschil in twee concepten van het Limited Review Memorandum, waar het betreft de omvang van de vordering van CSS op ACPH per 30 juni 2002. Gedaagden hebben na het tussenvonnis wel een brief van de raadsman van Deloitte in het geding gebracht, inhoudend dat met het tweede concept het eerste concept is vervallen, maar hebben in het geheel niet toegelicht hoe het mogelijk is dat de post ‘overige vorderingen en overlopende activa’ in beide concepten € 37,371 miljoen bedraagt, maar wel uit geheel andere bestanddelen zou bestaan. Eisers wijzen er terecht op dat enige toelichting op dit punt wel voor de hand had gelegen.
Gedaagden hebben evenmin een verifieerbare onderbouwing van de door hen gegeven specificatie van deze post gegeven. Zij hebben deze specificatie – in het tussenvonnis opgenomen onder 5.18 – zelf in het geding gebracht en moeten deze dus ergens op baseren. Het is echter onvoldoende duidelijk geworden waarop zij die specificatie baseren. Ter toelichting dient het volgende.
De door hen gegeven analyse van het verloop van de rekening-courant tussen CSS en ACP kan om de redenen genoemd onder 2.17-2.19 niet gelden als een onderbouwing van het bestanddeel ‘rekening-courant ACP’.
Het bestanddeel ‘latentie vennootschapsbelasting’ onderbouwen zij met hun productie 53, een beknopte cijferopstelling die kennelijk afkomstig is van de heer [K], maar nu zij op geen enkele wijze toelichten hoe dat overzicht tot stand is gekomen of waar het op is gebaseerd – laat staan dat zij enig brondocument overleggen – kan daaraan geen betekenis worden toegekend.
Ter toelichting op de bestanddelen ‘nog te factureren omzet’, ‘te claimen atlasprojecten fabrikanten’ en ‘overlopende activa’ wordt slechts gesteld dat het verzamelposten betreft van de desbetreffende posten uit de administraties van de verschillende CSS-entiteiten en dat voor een nadere toelichting van deze bestanddelen de administraties van de CSS-entiteiten zouden moeten worden geraadpleegd. Dit moge zo zijn, maar daarmee blijft de vraag onbeantwoord hoe gedaagden komen aan de door hen genoemde cijfers. Nu zij daarover onvoldoende opheldering verschaffen, gaat de rechtbank aan die cijfers voorbij.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat met eisers moet worden aangenomen dat de vordering op ACPH per 30 juni 2002 was gestegen tot € 40 miljoen.
Voor de vraag of deze vordering volwaardig was, is beslissend of Proclare op de balans van ACPH wel voor een bedrag van € 28,5 miljoen mocht worden gewaardeerd. De balans van ACPH per 30 juni 2002 moet immers vergelijkbaar zijn met die per 31 december 2001 (zie conclusie van repliek p. 49-50) en moet dus een zeer slechte liquiditeit hebben laten zien (een groot verschil tussen vlottende passiva en vlottende activa) bij een negatief eigen vermogen van circa € 1,8 miljoen op een balanstotaal van circa € 38,1 miljoen. Bij een omvangrijke afwaardering van het belangrijkste actief van ACP op dat moment, haar deelneming in Proclare, zou een vordering op ACP moeten worden afgewaardeerd wegens (gedeeltelijke) oninbaarbeid.
De rechtbank heeft gedaagden bij tussenvonnis opgedragen een nadere onderbouwing te geven van de door hen gestelde waarde van Proclare per 30 juni 2002. Gedaagden hebben vervolgens een opinie van Spring Finance van 16 april 2002 in het geding gebracht, waarin Proclare wordt gewaardeerd op een bedrag tussen € 120 miljoen en € 180 miljoen. Volgens eisers is deze waardering niet realistisch en kleven aan deze waardering de volgende gebreken, die zijn opgenomen in een stuk van [L] dat als productie 74 in het geding is gebracht:
- -
Uit niets blijkt van een eigen onderzoek of analyse van Spring Finance. Zij stelt uitdrukkelijk geen evaluatie te hebben verricht van de prognoses die aan haar zijn verstrekt.
- -
Uitgegaan wordt van een omzet over heel 2002 van € 44 miljoen. Dit was de omzetverwachting van het management van Proclare in augustus 2001, maar deze was ten tijde van het opstellen van de opinie maar in ieder geval ten tijde van het opstellen van het halfjaarbericht 2002 allang achterhaald. Uit de jaarrekening van Proclare over 2001/2002 blijkt immers dat reeds begin 2002 duidelijk was dat de omzet sterk achterbleef bij de verwachtingen. In deze jaarrekening wordt immers vermeld:
De beide oprichters / aandeelhouders en eerste klanten van Proclare NV zijn na de oprichting van de joint venture [op 14 september 2001, rechtbank] in zwaar weer terechtgekomen. Dit had als consequentie dat begin 2002 de vraag vanuit KPN naar inkoopdiensten van Proclare NV veel lager bleek dan in de plannen bij de oprichting was aangenomen (…) Ook de dienstverlening aan ACP/CSS kende vanaf 2002 een dalende lijn door de teruglopende business van CSS, de grootste opdrachtgever van die diensten.
Uiteindelijk heeft Proclare over heel 2002 een omzet van € 29,5 miljoen behaald.
- -
Verondersteld wordt dat de winst over 2002 elf keer zo groot wordt als die over 2001. Dit is een willekeurige veronderstelling. Vervolgens wordt gerekend met een koers-winstverhouding van 25, die is gebaseerd op een gewogen gemiddelde van de koers-winstverhouding van een viertal beursgenoteerde ondernemingen waarmee Proclare’s activiteiten volgens Spring Finance “tot op zekere hoogte vergelijkbaar” zijn. Omdat die ondernemingen handelsbedrijven zijn en Proclare slechts fees ontvangt, is van vergelijkbaarheid geen sprake volgens eisers.
Nu gedaagden op geen van deze bezwaren inhoudelijk ingaan in hun akte uitlating producties, moet de rechtbank tot de conclusie komen dat de opinie van Spring Finance het standpunt van gedaagden onvoldoende staaft.
Gedaagden hadden de waarde Proclare per 30 juni 2002 nader kunnen onderbouwen door inzicht te geven in de prijs die ACP voor de verkoop van Proclare in 2002 heeft ontvangen. Eisers hebben daarom gevraagd (repliek nr. 144 en 125), maar gedaagden hebben dit zonder opgave van redenen geweigerd (dupliek 8.50) en zien in het verzoek van de rechtbank om nadere informatie kennelijk geen reden om van die weigering terug te komen. Ook hebben gedaagden bij conclusie van antwoord (nr. 3.20) gesteld dat de inbreng van ACP in Proclare bij de vaststelling van de jaarstukken van Proclare en het afgeven van een goedkeurende verklaring daarbij door KPMG opnieuw is vastgesteld, zodat zonder een nadere toelichting – die ontbreekt – niet kan worden ingezien dat zij niet in staat waren betrouwbare nadere informatie over de waardering van Proclare te verstrekken. In aanvulling op hetgeen de rechtbank reeds in het tussenvonnis over de waardering van Proclare heeft overwogen, geldt nog dat:
- -
vast staat dat het SAP-systeem van ACP, dat haar meest waardevolle actief vormde volgens gedaagden, nooit aan Proclare is overgedragen en de waarde van € 28,5 miljoen daardoor te meer moeilijk valt te verenigen met de fairness opinion van 30 maart 2001;
- -
Proclare over 2002 volgens opgave van gedaagden een nettoresultaat heeft behaald van
€ 4,426 miljoen negatief, terwijl in de jaarrekening 2002 van Proclare voor 2003 en 2004 ook verlies werd voorspeld.
De conclusie moet luiden dat gedaagden onvoldoende gemotiveerd hebben betwist de stelling van eisers dat de waarde van Proclare per 30 juni 2002 op niet meer dan enkele miljoenen euro’s kan worden gesteld en dat de vordering van CSS op ACP dan ook nagenoeg geheel had moeten worden afgeboekt wegens oninbaarheid. Dit zou het eigen vermogen van CSS per 30 juni 2002 hebben doen omslaan van € 28,9 miljoen naar negatief, zodat zonder meer van een misleidende voorstelling kan worden gesproken.
Ad b.2. Subsidiar: de fiscale latentie per 30 juni 2002
In het licht van het voorgaande is het niet noodzakelijk in te gaan op de subsidiaire stelling van eisers met betrekking tot de cijfers per 2002, inhoudend dat als de specificatie van gedaagden van de post ‘overige vorderingen en overlopende activa’ per 30 juni 2002 juist zou zijn, CSS ten onrechte een belastinglatentie van € 18,832 miljoen heeft geactiveerd. Deze stelling blijft dan ook verder onbesproken.
Ad c. De geactiveerde goodwill van € 8,7 miljoen in de cijfers per 30 juni 2002
De rechtbank heeft gedaagden in het tussenvonnis opgedragen nadere informatie te verstrekken over de waardering van de post goodwill in de cijfers per 30 juni 2002. Gedaagden hebben vervolgens verwezen naar paragraaf 3.2.1.1 van het tweede concept van het Limited Review Memorandum. Op de aldaar gegeven toelichting hebben eisers vervolgens geen kritiek geuit, zodat dit verwijt van eisers ten aanzien van de geactiveerde goodwill als onvoldoende gemotiveerd moet worden verworpen.
Ad d. Het netten
De rechtbank heeft eisers in het tussenvonnis verzocht om een nadere toelichting bij hun stelling dat de schade van eisers mede is veroorzaakt door het systeem van ‘netten’ in de jaarrekening van CSS. Eisers hebben van de geboden gelegenheid geen gebruik gemaakt, zodat het verwijt betreffende het ‘netten’ eveneens als onvoldoende gemotiveerd moet worden verworpen.
Ad e. Zijn schulden van tientallen miljoenen in 2000 en 2001 niet verantwoord?
De rechtbank heeft in het tussenvonnis als haar voorlopig oordeel te kennen gegeven dat de discussie tussen partijen over de verantwoording in de jaarrekening van CSS van de handelsschulden en handelsvorderingen van de onderneming van ACP van beperkt belang is. Zij heeft daartoe overwogen dat als juist zou zijn de stelling van eisers dat CSS de handelsschulden van die onderneming in haar jaarrekening had moeten verantwoorden, zij daartegenover een vordering op ACP tot een even groot bedrag had moeten verantwoorden, zodat het eigen vermogen geen verandering ondergaat. Eisers hebben dit voorlopig oordeel bestreden en daartoe gesteld dat de in dat geval op te nemen vordering op ACP niet volwaardig zou zijn.
Een en ander brengt mee dat de rechtbank toch nader op deze discussie zal moeten ingaan. Gedaagden hebben betoogd dat niet de juridische maar de economische realiteit beslissend is voor de vraag wie de handelsdebiteuren en -crediteuren van de ACP-onderneming in zijn jaarrekening moet verantwoorden (‘substance over form’). Niet van belang is dus volgens gedaagden wie betaling van de handelsdebiteur kon vorderen respectievelijk door de handelscrediteur tot betaling kon worden aangesproken, maar voor wiens rekening de onderneming werd gedreven.
Met eisers is de rechtbank van oordeel dat deze opvatting in zijn algemeenheid niet kan worden aanvaard. Op grond van richtlijn 115.110 van de Richtlijnen voor de jaarverslaggeving brengt economische overdracht van een recht of een verplichting alleen dan mee dat dat recht of die verplichting niet meer in de jaarrekening hoeft te worden opgenomen indien alle of nagenoeg alle rechten op economische voordelen en/of nagenoeg alle risico’s met betrekking tot het actief of de post van het vreemd vermogen aan een derde zijn overgedragen. Van een overdracht van alle of nagenoeg alle risico’s met betrekking tot een handelsschuld is geen sprake indien de crediteur van die schuld de overdrager (in dit geval CSS SI) kan aanspreken tot voldoening en die overdrager vervolgens een reëel risico loopt dat zij het betaalde niet zal kunnen verhalen op degene aan wie is overgedragen (in dit geval ACP). Hoewel gedaagden zich op dit punt nog niet hebben kunnen uitlaten, is de rechtbank voorshands met eisers van oordeel dat de eventuele onvolwaardigheid van de regresvordering van CSS SI op ACP tot een lager eigen vermogen van CSS SI dient te leiden.
Gedaagden zullen zich hierover nog mogen uitlaten in de door hen te nemen akte. Tevens zullen zij zich over de omvang van de afboeking wegens onvolwaardigheid mogen uitlaten. Daarbij zal tot uitgangspunt moeten worden genomen dat de handelsschulden de vorderingen (na aftrek van de bevoorschotting) met circa € 20 miljoen overtroffen. De regresvordering op ACP is niet een achtergestelde vordering, zodat hier wel kan worden verrekend.
Overige verwijten
Van de overige verwijten, besproken in het tussenvonnis onder 5.29-5.34.1 zijn thans nog van belang de vraag of CSS een voorziening had moeten treffen voor het 403-risico met betrekking tot ACP en de vraag of CSS in de halfjaarcijfers 2002 te hoge winstverwachtingen heeft uitgesproken.
Gedaagden hebben erop gewezen dat ACP, voor welke vennootschap CSS een 403-verklaring had afgelegd die zij is vergeten in te trekken na de verzelfstandiging van ACP, is opgehouden te bestaan als gevolg van de juridische fusie die op 28 december 2001 tot stand is gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is het een kwestie van uitleg van de afgelegde 403-verklaring of de aansprakelijkstelling van CSS ook ziet op schulden uit rechtshandeling die de verkrijgende rechtspersoon – in dit geval ACPH – na de fusie is aangegaan, maar spreekt dit geenszins voor zich. Nu eisers hieromtrent niets hebben gesteld, kan dit niet worden aangenomen. De kwestie of CSS een voorziening voor het 403-risico had moeten treffen is dus alleen nog van belang voor de schulden die ACP vóór de juridische fusie is aangegaan. Partijen zullen zich ter comparitie kunnen uitlaten over de omvang van de voorziening die getroffen had moeten worden en over de vraag of zij op dit punt een deskundigenbericht wenselijk achten en zo ja, welke vragen op dit punt aan de deskundige moeten worden voorgelegd.
De rechtbank heeft gedaagden in de gelegenheid gesteld een nadere toelichting te verstrekken bij de op 27 augustus 2002 uitgesproken winstverwachting voor 2002. Gedaagden hebben vervolgens de producties 55, 56 en 57 in het geding gebracht. Deze stukken bieden echter onvoldoende aanknopingspunten om de uitgesproken winstverwachting in de halfjaarcijfers verifieerbaar te onderbouwen. Naar het oordeel van de rechtbank zijn gedaagden er niet in geslaagd daarmee die winstverwachting voldoende te staven. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat over de eerste helft van 2002 een negatief resultaat van € 1,3 miljoen was behaald en in het halfjaarbericht voor geheel 2002 de verwachting werd uitgesproken dat “in het tweede halfjaar, uitgaande van een traditioneel gunstige seizoensinvloed in deze periode, een bescheiden positief nettoresultaat” zou worden gerealiseerd.
Uit de stukken die eisers in het geding hebben gebracht volgt echter dat ten tijde van het opstellen van de halfjaarcijfers al vaststond dat CSS op dat moment geen herfinanciering van haar bedrijf bij een andere financier dan NMB-Heller zou kunnen krijgen. Voorts blijkt uit die stukken dat de financiering van € 24,5 miljoen die NMB-Heller in mei 2002 via ACP aan CSS had verstrekt op korte termijn moest worden afgelost en dat daartoe geen andere mogelijkheden openstonden dan verkoop van belangrijke bedrijfsonderdelen. Duidelijk was ook reeds dat niet zeker was of dit tijdig zou kunnen geschieden. Uit de stukken die door gedaagden in het geding zijn gebracht blijkt niet dat er concrete gegadigden met concrete voorstellen voor een overname waren. In het vertrouwelijk memo d.d. september 2002 dat gedaagden naar aanleiding van de vergadering met de raad van commissarissen van 27 augustus 2002 hebben opgesteld (productie 56 gedaagden) en in de eerste helft van september 2002 met de raad hebben besproken staat immers:
Momenteel is het gezien de moeilijke markt in de ICT branche en de financiële positie van CSS, niet mogelijk om een herfinanciering te bewerkstelligen teneinde de “Heller/ACP” financiering af te lossen (voor 31/12/2002).
Als gevolg van de huidige situatie op de financiële markten is het op dit moment ook zeer moeilijk ,c.q. onmogelijk, om kapitaal aan te trekken (emissie, convertible etc.).
Conform het arrangement tussen Heller, ACP en CSS van mei 2002, heeft Heller sedert 1 september 2002 de mogelijkheid aan te sturen op desinvesteringen binnen de CSS Groep.
De Directie heeft met behulp van en in overleg met ACP ([E] en Heller ([M])) een plan van aanpak opgesteld.
Dit plan voorziet vervolgens in verkoop van onderdelen van CSS en aanwending van de opbrengst voor de algehele aflossing van de mei-financiering. In het plan komen onder meer de volgende passages voor:
“HIGHLIGHTS-LOWLIGHTS
. Financieel (op basis van halfjaarcijfers en analistenreports):
(…)
- -
Cash flow problemen (door forse daling omzet (…), daling debiteurensaldo, afname resultaat, eenmalige saneringskosten en druk crediteuren)
- -
Verkoop onderdelen noodzakelijk gezien contract ACP/Heller
KORTE TERMIJN STRATEGISCH EN FINANCIEEL PLAN
. CSS moet 24,5 mio liquiditeit genereren voor terugbetaling ACP/Heller
- -
Almede op korte termijn additionele cash behoefte, ten behoeve van terugbrengen Crediteuren, kosten sanering”
Ten tijde van de publicatie van de jaarcijfers was dus duidelijk dat op korte termijn onderdelen van het concern in een moeilijke markt moesten worden afgestoten om de mei-financiering af te lossen, terwijl er nog geen concrete gegadigden waren en terwijl er cash-flowproblemen waren.
Uit hetgeen in nr. 2.7 is overwogen blijkt dat er bovendien een reëel risico bestond dat NMB-Heller op korte termijn de gehele financiering, dus ook de bevoorschotting van debiteuren zou staken, namelijk ingeval zij de praktijk van de bevoorschotting van interne projectfacturen zou ontdekken. In de notities van NMB-Heller wordt de ontdekking van de praktijk van het indienen van gefingeerde facturen ook een vertrouwensbreuk genoemd en naar het oordeel van de rechtbank hebben gedaagden onvoldoende gemotiveerd weersproken de stelling van eisers dat die vertrouwensbreuk zo niet de belangrijkste dan toch in ieder geval een belangrijke oorzaak van de opzegging van het krediet door NMB-Heller vormde. Een aanwijzing voor het tegendeel kan niet worden gevonden in het enkele feit dat NMB-Heller de financiering na de vertrouwensbreuk niet direct heeft opgezegd, maar eerst nog voor korte tijd een additionele financiering van € 1 miljoen heeft verstrekt, omdat eisers onweersproken hebben gesteld dat NMB-Heller na de ontdekking van de praktijk van de interne projectfacturen in onzekerheid verkeerde over de geldigheid van de vestiging van de aan haar verstrekte pandrechten en zij tijd nodig had om haar positie te beoordelen en/of te versterken.
In het licht van een en ander was de verwachting dat CSS, dat op dat moment verlieslatend was, bij een gunstige seizoensinvloed weer winstgevend zou worden in het tweede halfjaar 2002 een misleidende mededeling.
De vorderingen van eisers, voor zover gebaseerd op leveranties aan CSS na 27 augustus 2002
Uit het voorgaande blijkt dat de halfjaarcijfers 2002 in ieder geval misleidend waren, omdat daarin te hoge winstverwachtingen werden uitgesproken en het eigen vermogen daarin met een bedrag van tientallen miljoenen te gunstig werd voorgesteld (zie 2.24 – 2.31 van dit vonnis). De halfjaarcijfers 2002 toonden een eigen vermogen van € 28,9 miljoen. Bij een juiste voorstelling van zaken zouden de halfjaarcijfers 2002 van CSS een negatief eigen vermogen hebben laten zien. Bovendien zou dan geen winstverwachting voor heel 2002 zijn uitgesproken. Per saldo zou derhalve een wezenlijk ander beeld van de toestand van CSS zijn gegeven.
Bij gebreke van een voldoende gemotiveerde betwisting moet met eisers ervan worden uitgegaan dat de leveranciers van CSS in die situatie niet zouden zijn blijven leveren zonder contante betaling te eisen dan wel zekerheid voor de betaling te bedingen, mede omdat – naar eisers onbestreden hebben gesteld – kredietverzekeraars in een dergelijk geval onmiddellijk hun op de debiteur afgegeven limieten plegen in te trekken, zodat een causaal verband tussen de gevorderde schade wegens leveranties van na 27 augustus 2002 en de misleiding in de halfjaarcijfers mag worden aangenomen. Dit betekent dat gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die eisers hebben geleden als gevolg van het onbetaald blijven van de leveranties die na 27 augustus 2002 zijn verricht.
De vorderingen van eisers, voor zover gebaseerd op leveranties aan CSS voor 27 augustus 2002
Voor de jaarcijfers 2000 en 2001 treft in ieder geval doel het verwijt dat de vordering uit achtergestelde geldlening ten onrechte als volwaardige vordering is opgenomen. Daarnaast zouden doel kunnen treffen de verwijten betreffende:
- -
het nalaten om een voorziening te treffen voor de 403-aansprakelijkheid voor ACP;
- -
het niet verantwoorden van schulden van tientallen miljoenen (lees: het niet verwerken in de jaarrekening van het risico van oninbaarheid van de regresvordering op ACP(H) die ontstaat na betaling van die schulden);
- -
het ontbreken van onderhanden werk dat correspondeert met de gefingeerde facturen.
De juistheid van de laatste verwijten, althans de omvang van de eventuele misleiding die daarin is gelegen staat thans nog niet vast. Daarom kan nu niet reeds worden uitgesloten dat sprake is van een causaal verband tussen enerzijds de schade van de leveranciers voor zover het leveranties van voor 27 augustus 2002 betreft en anderzijds de eventuele misleiding in de jaarrekening 2000 en 2001. Het punt dat de rechtbank onder 5.36 van het tussenvonnis behandelt, moet derhalve worden aangehouden. Aan partijen wordt verzocht zich hierover ter comparitie uit te laten.
Overgang van vordering op gedaagden naar [kredietverzekeraar N]?
Aan de toewijzing van het gevorderde onder D, E en F staat niet in de weg dat MBS, Tech Data en Toshiba hun vorderingen op CSS SI aan kredietverzekeraar [kredietverzekeraar N] hebben overgedragen. In het tussenvonnis heeft de rechtbank onder 5.40 reeds als haar voorlopig oordeel te kennen gegeven dat de overdracht van vorderingen van eisers op CSS SI nog niet meebrengt dat ook de vordering van eisers op de bestuurders van CSS SI op grond van artikel 2:139 BW dan wel onrechtmatige daad is overgegaan. Eisers hebben na het tussenvonnis de akte van cessie in het geding is gebracht. Daarin is bepaald dat door verzekerde aan [kredietverzekeraar N] worden overgedragen ‘alle rechten en zekerheden, welke Verzekerde in verband met de vordering op debiteur kan doen gelden waaronder met name: 1. de vorderingen ter zake van rente, boete, schadevergoeding, incasso- en andere kosten; 2. eigendomsrechten […] 3. de vordering tot afdracht van geïncasseerde bedragen of bewijsmiddelen jegens derden belast met de incasso van de aan ommezijde vermelde vordering(en)’. Anders dan gedaagden hebben betoogd, kan hierin niet worden gelezen dat ook vorderingen van verzekerde op bestuurders van de debiteur op grond van artikel 2:139 BW of onrechtmatige daad aan [kredietverzekeraar N] zijn gecedeerd. Deze vorderingen zijn geen vorderingen die eisers “in verband met de vordering op debiteur kan doen gelden” als bedoeld in de akte van cessie en zijn ook van een geheel andere orde dan de met name genoemde vorderingen die wel zijn gecedeerd. Weliswaar wordt onder 3 ook een vordering jegens derden genoemd, doch het betreft hier een vordering die in nauw verband met de vordering op de debiteur staat, te weten de vordering tot afdracht van geïncasseerde bedragen jegens derden die met de incasso van de vordering op de debiteur zijn belast, zodat daaraan geen argument ten gunste van het betoog van gedaagden is te ontlenen.
Evenmin slaagt het betoog van gedaagden dat de vorderingen van eisers op hen als nevenrechten van de vorderingen van eisers op CSS SI op de voet van artikel 6:142 BW mee zijn overgegaan op [kredietverzekeraar N].
De rechtbank ziet in hetgeen na het tussenvonnis nog naar voren is gebracht derhalve geen aanleiding haar voorlopig oordeel bij te stellen en blijft van oordeel dat de cessie niet in de weg staat aan toewijzing van het gevorderde onder D, E en F.
Vorderingen DDM, en Brawa: omvang schade en causaliteit
Gedaagden hebben betoogd dat de schade van niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat hij de aandelen CSS van DDM heeft verkregen en hij volgens gedaagden ‘de man achter DDM’ is. Gedaagden spreken in dit verband van een vestzak-broekzak-transactie. Nu geen feiten of omstandigheden zijn gesteld op grond waarvan met DDM zou kunnen worden vereenzelvigd, verwerpt de rechtbank dit verweer. De schade van komt dus in beginsel voor vergoeding in aanmerking. Wel zal, indien voor een te hoge prijs van DDM heeft gekocht omdat de misleiding in de openbaar gemaakte cijfers van CSS tot een hogere beurskoers voor de aandelen CSS heeft geleid, de (voor vergoeding in aanmerking komende) schade van DDM, voor zover veroorzaakt door de verkrijging op 13 oktober 2000, daardoor verminderen. Eerst indien deze schade van DDM niet voor vergoeding in aanmerking komt (waarover nog nummer 2.57), zal de aan te vergoeden schade moeten worden verminderd met het bedrag waarvoor hij als aandeelhouder van DDM mogelijk heeft geprofiteerd van de te hoge koopprijs. zal in dat geval openheid van zaken moeten geven over zijn deelname in het kapitaal van DDM ten tijde van de relevante transacties.
De rechtbank heeft eisers in het tussenvonnis (onder 5.37) in de gelegenheid gesteld een nadere toelichting te geven op hun stelling dat DDM en in het geheel geen aandelen CSS Holding hadden verkregen als de (eventuele) misleiding in de jaarrekeningen over 1999 en 2000 achterwege was gebleven.
Eisers hebben in hun antwoordakte dienaangaande gesteld dat DDM, indien zij ten tijde van de verkrijging van de aandelen (op 13 oktober 2000) ermee bekend was geweest dat CSS Holding sinds een half jaar fraudeerde met debiteuren en ook overigens misleidende cijfers publiceerde, zij die aandelen niet had aanvaard als betaling op de door haar verkochte aandelen TBT. Een verkopende partij accepteert uiteraard geen koopprijs in aandelen indien hij weet dat de voorgespiegelde groeipotentie niet aanwezig is, de gepubliceerde cijfers misleidend zijn en er gefraudeerd wordt met debiteuren, aldus eisers. Als immers uitkomt dat de voorgespiegelde groeipotentie niet aanwezig is, de gepubliceerde cijfers misleidend zijn en er gefraudeerd wordt met debiteuren, zal de koers van het aandeel in elkaar klappen. Als DDM geen aandelen in CSS Holding had verkregen, had zij deze ook niet aan kunnen verkopen, zodat ook geen aandelen in CSS Holding had verkregen, aldus nog steeds eisers.
De rechtbank volgt eisers niet in deze redenering. Eisers baseren zich op artikel 2:139 BW. Het gaat dus niet om de vraag of zij geen aandelen zouden hebben verkregen als zij weet hadden gehad van de misleiding, maar om de vraag – en zo heeft de rechtbank het in het tussenvonnis ook geformuleerd – of DDM en geen aandelen in CSS Holding zouden hebben verkregen als de misleiding in de jaarrekening achterwege was gebleven. Voor het overige hebben eiseres op dit punt aangevoerd dat, indien een beursfonds als CSS niet aan haar winstverwachtingen voldoet, dit ingrijpende gevolgen heeft voor de geloofwaardigheid en de financierbaarheid van de onderneming en de bereidheid van wederpartijen (zoals DDM en ) om aandelen CSS als betaling te aanvaarden. Dit betoog wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen nu eisers onvoldoende concreet hebben gesteld dat DDM en geen aandelen CSS zouden hebben verkregen indien een juiste voorstelling van zaken in de (half)jaarcijfers zou zijn gegeven. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de gevraagde nadere toelichting niet is gegeven, zodat – naar zij reeds in het tussenvonnis heeft overwogen – de schade van DDM en zal moeten worden begroot aan de hand van een schatting van de invloed van de misleiding op de beurskoers van de aandelen per de transactiedata. De rechtbank acht op dit punt voorshands een deskundigenbericht noodzakelijk.
In aanvulling op de feiten als vermeld in het tussenvonnis geldt dat Exploitatiemaatschappij Brawa B.V. (hierna: Brawa) in de periode van 14 september 2001 tot en met 10 juli 2002 aandelen CSS Holding heeft gekocht en deze weer heeft verkocht in de periode van 23 oktober 2002 tot en met 12 maart 2003. In totaal heeft zij op deze transacties € 82.122,98 verlies geleden. Brawa heeft haar vordering op gedaagden uit hoofde van artikel 2:139 BW, althans artikel 6:162 BW ter grootte van € 82.122,98 aan MBS overgedragen. De vordering van MBS (vordering D als vermeld onder 3.1 en 3.6.3 van het tussenvonnis) omvat mede de door Brawa aan MBS overgedragen vordering.
Omtrent het causaal verband tussen de schade van Brawa ter grootte van € 82.122,98 en de misleiding in de jaarrekeningen van CSS over 2000 en 2001 wordt door eisers eveneens gesteld dat Brawa de aandelen niet had gekocht indien zij bekend was geweest met de misleidende voorstelling van zaken. Op de gronden, vermeld onder 2.54, gaat deze redenering niet op. Ook de schade van Brawa moet dus worden begroot aan de hand van een schatting van de invloed van de misleiding op de beurskoers van de aandelen per de transactiedata.
Overigens kan DDM ten tijde van haar eerste verkrijging van aandelen CSS, op 13 oktober 2000, slechts zijn afgegaan op de jaarcijfers over 1999 en de halfjaarcijfers 2000. Tenzij eisers alsnog ter comparitie nader onderbouwen dat (ook) deze cijfers misleidend waren, zal de schade van DDM, voor zover deze betreft de eerste verkrijging (vordering A) bij gebreke van een voldoende onderbouwing worden afgewezen.
Voortgang procedure
De procedure is behoorlijk vertraagd doordat partijen lang op dit vonnis hebben moeten wachten. Om de voortgang van de procedure nu te bespoedigen zal de rechtbank een comparitie van partijen gelasten waarop gedaagden de akte bedoeld onder 2.8 en 2.38 kunnen nemen en partijen zich tevens uit kunnen laten over de wenselijkheid van een onderzoek door een of meer deskundigen, het aantal en de perso(o)n(en) van de te benoemen deskundigen en de aan deze(n) te stellen vragen. Ter comparitie kan tevens de mogelijkheid van een schikking worden onderzocht dan wel overleg worden gevoerd over het verdere verloop van de procedure. Gedaagden dienen de akte ten minste vier weken voorafgaand aan de comparitie aan de wederpartij en de rechtbank te sturen.
Alle overige beslissingen worden aangehouden.
De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat partijen in persoon, rechtspersonen rechtsgeldig vertegenwoordigd, desgewenst vergezeld door hun raadslieden, zullen verschijnen voor het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een schikking voor de rechters die dit vonnis hebben gewezen, op donderdag 8 juli 2010 van 9.30 tot 12.30 uur in het gebouw van de rechtbank aan de Parnassusweg 222-228 te Amsterdam;
bepaalt dat gedaagden vier weken tevoren, dus uiterlijk op 10 juni 2010, aan de griffie van deze rechtbank en aan de wederpartij de onder 2.58 bedoelde akte zullen doen toekomen;
bepaalt dat voorzover partijen zich overigens bij gelegenheid van deze comparitie wensen te bedienen van nog niet in het geding gebrachte stukken daarvan uiterlijk 14 dagen tevoren afschriften aan de griffie van deze rechtbank en aan de wederpartij zullen doen toekomen;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mrs. A.P. Schoonbrood-Wessels, M.R. Jöbsis en
L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2010.
Uitspraak 30‑07‑2008
Inhoudsindicatie
Faillissement NV, bestuurders aangesproken o.g.v. misleidende jaarstukken en Beklamel. Verzwaarde stelplicht bestuurders; bevel 22 Rv.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 317789 / HA ZA 05-1645
Vonnis van 30 juli 2008
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DOUBLE DUTCH MANAGEMENT EN BEHEER B.V.,
gevestigd te Haarlem,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
MARATHON HOLDING COMPUTERS B.V.,
gevestigd te Nieuwegein,
3. de naamloze vennootschap
N.V. MAATSCHAPPIJ TOT BESCHERMING VAN SCHULDEISERS,
gevestigd te Amsterdam,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
TECH DATA NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Deventer,
5. de vennootschap naar Duits recht
TOSHIBA EUROPE GMBH,
gevestigd te Neuss (Duitsland),
6. [eiser 6],
[eiser 6]
wonende te [woonplaats 1] ,
eisers,
procureur mr. J.W. van Rijswijk,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
wonende te [woonplaats 2] (Zwitserland),
2. [gedaagde 2],
[gedaagde 2]
wonende te [woonplaats 3] , [gemeente] ,
3. [gedaagde 3],
[gedaagde 3]
wonende te [woonplaats 4] ,
4. [gedaagde 4],
[gedaagde 4]
wonende te [woonplaats 5] ,
gedaagden,
procureur mr. P.N. van Regteren Altena.
Eisers zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid met eisers. Gedaagde 1 tot en met 3 zullen hierna gedaagden worden genoemd. Afzonderlijk zullen partijen ook respectievelijk DDM, MHC, MBS, Tech Data, Toshiba, [eiser 6] , [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en [gedaagde 4] worden genoemd.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
de gelijkluidende exploten van dagvaarding, met producties;
- -
de conclusie van antwoord, met producties;
- -
de conclusie van repliek tevens houdende akte tot vermeerdering van eis, met producties;
- -
de akte vermeerdering van eis, met producties;
- -
de conclusie van dupliek tevens antwoord vermeerdering van eis, met producties;
- -
de akte uitlating producties van eisers;
- -
het proces-verbaal van pleidooi van 11 maart 2008, met de daarin vermelde stukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1.
Computer Services Solutions Holding N.V. (hierna: CSS Holding) was een beursgenoteerde ICT-onderneming. Een dochtervennootschap van CSS Holding, CSS System Integration B.V. (CSS SI), leverde vanaf eind 1998 diensten op het gebied van automatisering en handelde daarnaast in hardware met behulp van door haar zelf ontwikkelde zogenoemde SAP-software. Zij hield zich voorts bezig met werkplekbeheer en verleende financiële diensten.
De financiële gegevens van CSS SI waren geconsolideerd in de geconsolideerde jaarrekening van CSS Holding en CSS Holding had bij het handelsregister een verklaring neergelegd waarin zij zich hoofdelijk aansprakelijk stelde voor de uit rechtshandelingen van CSS SI voortvloeiende schulden (een zogenaamde 403-verklaring; zie artikel 2:403 lid 1 onder f van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW).
CSS SI en CSS Holding zullen hierna gezamenlijk ook wel als CSS worden aangeduid.
2.2.
Gedaagden waren in de jaren 1998 tot en met 2002 bestuurders van CSS Holding. Tot 23 augustus 2000 was ook [gedaagde 4] bestuurder van CSS Holding. CSS Holding was bestuurder van CSS SI.
2.3.
CSS SI was van 2 juni 1997 tot 7 december 2000 enig bestuurder en enig aandeelhouder van een vennootschap die vanaf 27 december 2000 de naam Atcostplus B.V. (hierna: ACP) droeg. De financiële gegevens van ACP zijn tot 1 januari 2000 geconsolideerd in de geconsolideerde jaarrekening van CSS Holding. Ook voor ACP had CSS Holding een 403-verklaring gedeponeerd.
2.4.
Bij overeenkomst van 13 oktober 2000 heeft een dochtervennootschap van CSS Holding van DDM de aandelen in TBT Teleline Bedrijfs- en Telecommunicatie B.V. (hierna: TBT) gekocht. Een deel van de koopprijs ter grootte van NLG 3.200.000,= is betaald in de vorm van aandelen in CSS Holding.
2.5.
Op 6 december 2000 werd de vennootschap Atcostplus Holding N.V. (hierna: ACPH) opgericht. De aandelen van ACPH werden voor 49% gehouden door CSS SI, voor 26% door NMB-Heller N.V. (NMB Heller) en voor 25% door [gedaagde 4] . Op 7 december 2000 heeft CSS SI haar aandelen in ACP overgedragen aan ACPH. ACPH was vanaf 7 december 2000, behalve enig aandeelhouder, ook enig bestuurder van ACP.
2.6.
CSS Holding heeft de voor ACP afgelegde 403-verklaring na deze transactie niet ingetrokken.
2.7.
De activiteiten van CSS SI die betrekking hadden op de handel in hardware met behulp van SAP-software, het werkplekbeheer en de financiële diensten zijn vervolgens in ACP ingebracht. De afspraken met betrekking tot ACP zijn vastgelegd in een overeenkomst tussen CSS Holding, NMB Heller, [gedaagde 4] en ACPH van 7 december 2000 (hierna: de hoofdovereenkomst). Daarin is onder meer geregeld de verkoop en levering door CSS SI aan ACP van de activa en passiva van CSS SI die betrekking hadden op de handel in hardware, het werkplekbeheer, inclusief het SAP-systeem, en de financiële diensten. Deze activa en passiva werden verkocht tegen de boekwaarde per de datum van levering, vermeerderd met een bedrag van € 26,5 miljoen aan goodwill. De goodwill werd niet direct betaald (en is door CSS Holding ook niet als winst in haar resultatenrekening verantwoord of aan haar eigen vermogen toegevoegd) maar zou verrekend worden als korting op door ACP aan CSS te leveren diensten in de jaren 2001 tot en met 2005. De rest van de koopprijs, een bedrag van € 14,5 miljoen, werd door ACPH aan CSS Holding schuldig gebleven uit hoofde van een achtergestelde (converteerbare) rentedragende geldlening. Voorts werd bepaald dat de overgedragen onderneming per 1 januari 2000 voor rekening en risico van ACP zou komen.
In de hoofdovereenkomst is een en ander als volgt verwoord:
(…)
Artikel 2 – Onderwerp van de Overeenkomst
(…)
2.3
De overnameprijs voor de verkoop en levering van de activa/passiva als hiervoor bedoeld (…) bedraagt het saldo van de boekwaarde op de Leveringsdatum van de betreffende activa (…) minus de boekwaarde op de Leveringsdatum van de door de Vennootschap [ACPH; rechtbank] over te nemen passiva, vast te stellen aan de hand van een staat van activa en passiva per de Leveringsdatum (de “Staat van Activa en Passiva”) (…). Uitsluitend ter indicatie is als Bijlage 11A bij deze Overeenkomst opgenomen een staat van activa en passiva per 30 juni 2000, waarbij het verschil tussen het totaal der activa en het totaal der passiva wordt belichaamd in een als sluitpost functionerende rekening courant stand.
2.4
Ter zake van de in artikel 2.1 f (…) bedoelde overdrachten geldt dat de @cost+ organisatie [de activiteiten van CSS SI betreffende de handel in hardware via internet, het werkplekbeheer en de financiële diensten; rechtbank] met ingang van 1 januari 2000 (de “Overdrachtsdatum”) voor rekening en risico van @cost+.nl B.V. [ACP; rechtbank] (…) wordt gedreven. Met het oog daarop zal op de wijze als hierna is bepaald in artikel 2.5 een staat van baten en lasten per de Leveringsdatum (de “Staat van Baten en Lasten”) worden opgemaakt, waarbij de Vennootschap gehouden is het verschil tussen het totaal der baten enerzijds en het totaal der lasten anderzijds aan CSS Holding te voldoen. Uitsluitend ter indicatie is aan deze Overeenkomst als Bijlage 11B gehecht een staat van baten en lasten per 30 juni 2000, waaruit dit verschil over de periode 1 januari 2000 tot en met 30 juni 2000 blijkt.
(…)
2.6
De (…) koopprijs (…) alsmede hetgeen de Vennootschap verschuldigd is op basis van het bepaalde in artikel 2.4 van deze Overeenkomst, wordt vanaf de Closingdatum schuldig gebleven in de vorm van een achtergestelde converteerbare lening conform de hieraan als Bijlage 12 opgenomen overeenkomst van geldlening (…)
2.8.
Als bijlage 7 bij de hoofdovereenkomst is een overeenkomst houdende koop, verkoop en overdracht activa en passiva (hierna: de activatransactie 2000) tussen ACP als koper en CSS SI als verkoper gevoegd.
2.9.
Als bijlage 10 bij de hoofdovereenkomst is een raamovereenkomst (hierna: de raamovereenkomst) gevoegd, waarin de hoofdvoorwaarden voor serviceovereenkomsten tussen CSS Holding en ACPH zijn vastgelegd. De raamovereenkomst bevat onder meer de in 2.7 vermelde kortingsregeling.
2.10.
De in 2.7 vermelde goodwill van € 26,5 miljoen is onmiddellijk in zijn geheel ten laste van het eigen vermogen van ACPH gebracht, waardoor dit per 31 december 2000 circa € 26 miljoen negatief bedroeg.
2.11.
Op 30 maart 2001 heeft [accountantsbureau] op verzoek van CSS Holding een waarderingsrapport (hierna: de fairness opinion) opgesteld betreffende de logistieke activiteiten van ACP (de logistieke afwikkeling van hardware orders).
Een brief bij de fairness opinion luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
(…)
Indicatieve waarde range ACP per eind maart 2001
Op basis van de door ons uitgevoerde indicatieve waardering, (…) komen wij tot de conclusie dat de indicatieve waarde van ACP per heden tussen Euro 3 miljoen en Euro 10 miljoen bedraagt. Hierbij hebben wij de volgende uitgangspunten gehanteerd:
(…)
• rekening houdend met de te verstrekken korting aan CSS;
• inclusief de vaste activa (systemen);
(…)
• vrij van schulden en liquide middelen.
(…)
Uitgaande van niet gewijzigde inzichten (…), is de waarde van hetgeen CSS aan ACP op 7 december heeft verkocht met betrekking tot het bovenstaande niet gewijzigd.
(…)
De fairness opnion luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
(…)
In the indicative balance sheet of ACP, ACP management considers the discount agreement as a (contingent) liability (and accordingly goodwill was charged to equity), which results in higher budgeted net revenue for the year 2001. Following this methodology, the indicative value (Enterprise Value) of ACP would amount to EUR 6 to 20 million, free of debt and cash, as at the end of March 2001.
(…)
2.12.
[eiser 6] kocht op 28 juni 2001 56.458 aandelen CSS Holding van DDM voor een bedrag van in totaal € 796.057,80.
2.13.
In april 2001 hebben ACPH en KPN Telecommerce B.V. (KPN) hun voornemen vastgelegd om hun elektronische handelsactiviteiten in de joint venture Proclare N.V. (Proclare) te bundelen.
2.14.
Op 24 juli 2001 bracht [accountantsbureau] een due dilligence rapport uit over de inbreng van ACPH en KPN in Proclare. De inbreng van ACPH bestond uit haar logistieke diensten. Dit rapport luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
(…)
10. Parties have agreed that at Formation Date the value of the ACP contributed business is estimated at NLG 54.000.000 (…)
2.15.
Op 30 augustus 2001 sloten ACPH en KPN een aandeelhoudersovereenkomst met betrekking tot Proclare. ACPH verplichtte zich in de overeenkomst haar logistieke diensten (dat wil zeggen haar onderneming met uitzondering van het beheer van werkplekdiensten, het SAP-beheer, de debiteuren en crediteuren en daaraan gekoppelde bevoorschotting door NMB) in te brengen in Proclare.
Omstreeks datzelfde moment sloten (onder meer) ACPH, ACP en Proclare een subscription and contribution agreement (de subscription agreement). In de subscription agreement is de waarde van het in Proclare in te brengen deel van de onderneming van ACPH geschat op NLG 54.000.000,=. Een accountantsverklaring als bedoeld in artikel 2:94b BW van 14 september 2001 houdt, voor zover hier van belang, in dat de waarde van de overeengekomen inbreng door ACP op de aan haar uit te geven aandelen in Proclare ten minste € 50.000,= bedraagt.
2.16.
Op of omstreeks 13 november 2001 zijn CSS Holding en DDM overeengekomen dat van het restant van de koopprijs voor de aandelen in TBT een deel ter grootte van NLG 1.450.000,= in de vorm van aandelen in CSS Holding zou worden voldaan.
2.17.
Op 28 december 2001 fuseerden ACPH en ACP, waarbij ACP de verdwijnende vennootschap was en ACPH de verkrijgende vennootschap.
2.18.
Op 31 december 2001 sloten ACPH en CSS SI een overeenkomst (hierna: de activatransactie 2001) waarbij CSS SI dat deel van de onderneming van ACPH kocht dat zich bezig houdt met werkplekdiensten en SAP-beheer. Deze activa zijn met ingang van 31 december 2001 voor rekening van CSS SI gekomen.
De koopprijs bedroeg € 5.543.783,= (exclusief btw) voor de computerapparatuur en € 10.300.188,= (exclusief btw) voor het SAP-informatiesysteem. Op grond van de overeenkomst zou CSS SI de koopprijs voldoen door verrekening met hetgeen ACPH in rekening-courant aan CSS SI verschuldigd was.
2.19.
In augustus 2002 heeft CSS SI de debiteuren en crediteuren van ACPH en de daaraan gekoppelde bevoorschotting door NMB Heller met ingang van 1 januari 2002 overgenomen. De door ACPH aan CSS SI in verband hiermee te betalen koopsom (de crediteuren waren groter dan de debiteuren na aftrek van de bevoorschotting) bedroeg circa € 20 miljoen, althans € 16 miljoen. Per 30 juni 2002 bedroegen de overgenomen crediteuren € 24.950.000,= en de overgenomen debiteuren (voor aftrek van de bevoorschotting) € 32.856.000,=.
2.20.
In de loop van 2002 en 2003 stootte KPN haar belang in Proclare af.
2.21.
NMB Heller heeft in mei 2002 in het kader van een herfinanciering van CSS SI een lening van € 24,5 miljoen verstrekt. NMB Heller heeft deze lening aan ACPH verstrekt, die het bedrag met toestemming van NMB Heller aan CSS SI heeft doorgeleend.
2.22.
In mei 2002 heeft CSS Holding met een emissie van aandelen en van een converteerbare lening € 9 miljoen opgehaald. [gedaagde 1] participeerde in de lening voor € 0,8 miljoen.
2.23.
Accountantskantoor Deloitte & Touche heeft twee verschillende concepten “Limited Review Memorandum” per 30 juni 2002 van CSS Holding opgesteld, gedateerd 23 augustus 2003. Hierin zijn de geconsolideerde cijfers van CSS Holding per 30 juni 2002 opgenomen. De concepten stemmen met elkaar overeen waar het betreft de verwerking van de vordering op ACP uit achtergestelde geldlening. In beide concepten wordt deze vordering onder de vaste activa opgenomen voor een bedrag van € 16.366.000,- inclusief rente. Naar aanleiding van deze post wordt in beide concepten vermeld:
Wij hebben niet een “officiële” saldobevestiging ontvangen van de onderlinge vorderingen en schulden. Volgens de Raad van Bestuur is de vordering volwaardig (…). Aan de vordering ligt geen leningsovereenkomst ten grondslag. Hierdoor bestaat onduidelijkheid over de zekerheden en aflossingsschema’s (…).
Beide concepten vermelden voorts onder de passiva (te weten onder de kortlopende schulden) de schuld aan ACPH ter grootte van € 24,5 miljoen uit hoofde van de in mei 2002 aan CSS SI verstrekte geldlening (vgl. onder 2.21).
Beide concepten vermelden voorts onder de activa een post ‘overige vorderingen en overlopende activa’ van € 37,371 miljoen. De concepten lopen echter uiteen waar het de toelichting op deze post betreft. In het eerste concept is in deze post volgens de toelichting een vordering op ACPH ter grootte van € 24 miljoen vermeld. Het eerste concept luidt, voor zover hier van belang:
De toename van de post overige vorderingen en overlopende activa houdt verband met een in 2002 doorgevoerde correctie op de post vennootschapsbelasting (actieve latenties) voorgaande jaren, alsook met de verwerking van de crediteuren in de balans van CSS Holding N.V. (…)
Gegeven de huidige financiële situatie is het de vraag of deze actieve latentie gerealiseerd kan worden c.q. op dit moment volwaardig is.
De vordering op Atcostplus in rekening-courant bedraagt € 24.000.000,=. Wij hebben nog niet kunnen vaststellen of deze vordering volwaardig is. [onderstreping van rechtbank]
In het tweede concept luidt dezelfde passage:
De toename van de post overige vorderingen en overlopende activa houdt verband met een in 2002 doorgevoerde correctie op de post vennootschapsbelasting (actieve latenties) voorgaande jaren, alsook met de rekening-courant van Atcostplus. (…)
Gegeven de huidige financiële situatie is het de vraag of deze actieve latentie gerealiseerd kan worden c.q. op dit moment volwaardig is.
Wij hebben nog niet kunnen vaststellen of deze vordering volwaardig is.
In het tweede concept is de vordering ter grootte van € 24 miljoen op ACPH derhalve niet langer vermeld.
2.24.
Op 29 augustus 2002 heeft CSS Holding haar halfjaarbericht 2002 openbaar gemaakt met de halfjaarresultaten per 30 juni 2002. Daarin is vermeld:
De onderneming verwacht in het tweede halfjaar, uitgaande van een traditioneel gunstige seizoensinvloed in deze periode, een bescheiden positief nettoresultaat te realiseren.
2.25.
De geconsolideerde brutowinst van CSS Holding volgens de door haar gepubliceerde cijfers bedroeg:
- -
over 2000: € 25,5 miljoen;
- -
over 2001: € 21,9 miljoen;
- -
over de eerste helft van 2002: € 1,3 miljoen negatief.Volgens op 29 augustus 2002 gepubliceerde halfjaarcijfers 2002 bedroeg het eigen vermogen van CSS Holding per 30 juni 2002: € 28,9 miljoen.
2.26.
Op 13 november 2002 zijn CSS Holding en CSS SI in staat van faillissement verklaard, nadat begin november 2002 surseance was aangevraagd en verleend. De curatoren in de faillissementen hebben in hun vierde openbare verslag verklaard dat concurrente crediteuren niet op enige uitkering kunnen rekenen.
2.27.
Een schriftelijke verklaring van [eiser 6] van 14 juli 2004 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
De heer [eiser 6] (…), handelend voor zichzelf in privé als ook in zijn hoedanigheid van directeur/aandeelhouder van Double Dutch Management Beheer B.V. (…).
Verklaart en garandeert, het navolgende aan de heer [gedaagde 4] :
De heer [eiser 6] , in privé dan wel in bovengenoemde hoedanigheid en daarbij de betreffende (rechts)personen vertegenwoordigend, zal de heer [gedaagde 4] op generlei wijze aanspreken, in recht betrekken, of in het openbaar benaderen of betrekken, op enig handelen, nalaten of vermeende betrokkenheid van de heer [gedaagde 4] als vermeend/beweerdelijk feitelijk bestuurder/leidinggevende van Computer Services Solutions Holding N.V. en de daarmee in een groep verbonden vennootschappen (“CSS Concern”). Hierbij geldt ten overvloede dat dit zich uitstrekt zowel over de periode dat de heer [gedaagde 4] nog wel als statutair bestuurder (tot 23 augustus 2000) bij het CSS Concern in functie was als over de periode daarna (…).
2.28.
ACP behoefde geen eigen jaarrekening openbaar te maken, omdat ACPH een 403-verklaring voor haar had afgelegd. ACPH heeft (onder haar nieuwe naam Wieringemeer Holding N.V.) op 3 februari 2003 over de periode van 6 december 2000 tot en met 31 december 2001 een voorlopige jaarrekening gedeponeerd. In 2005 heeft ACPH haar definitieve jaarrekening over deze periode gedeponeerd. Op deze jaarrekening is geen accountantscontrole toegepast.
3. De vordering
3.1.
Eisers vorderen, na vermeerdering van eis, dat de rechtbank bij vonnis, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
A. gedaagden en [gedaagde 4] hoofdelijk veroordeelt om aan DDM te betalen een bedrag van EUR 656.039,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 oktober 2000 tot aan de dag van algehele voldoening;
gedaagden hoofdelijk veroordeelt om aan DDM te betalen een bedrag van EUR 597.956,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 november 2001 tot aan de dag van algehele voldoening;
gedaagden hoofdelijk veroordeelt om aan MHC te betalen een bedrag van EUR 124.715,90, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 november 2002 tot aan de dag van algehele voldoening;
gedaagden hoofdelijk veroordeelt om aan MBS te betalen een bedrag van EUR 1.917.235,11, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 november 2002 tot aan de dag van algehele voldoening;
gedaagden hoofdelijk veroordeelt om aan Tech Data te betalen een bedrag van EUR 678.275,28, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 november 2002 tot aan de dag van algehele voldoening;
gedaagden hoofdelijk veroordeelt om aan Toshiba te betalen een bedrag van EUR 166.612,59, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 november 2002 tot aan de dag van algehele voldoening;
voor recht verklaart dat gedaagden jegens [eiser 6] op grond van artikel 2:139 BW althans 6:162 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die [eiser 6] geleden heeft als gevolg van de misleidende voorstelling van zaken die door de jaarrekening en het jaarverslag 2000 en de halfjaarcijfers 2000 van CSS Holding NV is gegeven van de (geconsolideerde) financiële toestand van de vennootschap en gedaagden hoofdelijk veroordeelt om deze schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, aan [eiser 6] te vergoeden;
gedaagden en [gedaagde 4] beveelt op de voet van artikel 162 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) de boeken en bescheiden van ACP(H) die ten grondslag liggen aan de jaarrekening 2000/2001 over te leggen;
I. gedaagden en [gedaagde 4] , althans gedaagden, hoofdelijk veroordeelt in de door eisers gemaakte buitengerechtelijke kosten van EUR 53.520,37 exclusief btw, alles met hoofdelijke veroordeling van gedaagden en [gedaagde 4] in de kosten van dit geding.
3.2.
Eisers stellen vorderingen te hebben op CSS SI en/of CSS Holding en spreken [gedaagde 4] en gedaagden aan in hun hoedanigheid van (oud-)bestuurder van CSS Holding en (indirect) CSS SI voor de schade die zij door de oninbaarheid van die vorderingen lijden. Volgens eisers zijn [gedaagde 4] en gedaagden voor die schade aansprakelijk op grond van artikel 2: 139 BW, althans uit hoofde van een door dezen jegens eisers gepleegde onrechtmatige daad. Zij stellen daartoe, samengevat, het volgende.
3.3.
Gedaagden en [gedaagde 4] , althans gedaagden, hebben bewerkstelligd dat in de door CSS Holding gepubliceerde geconsolideerde jaarrekeningen en jaarverslagen over de jaren 1999, 2000 en 2001, alsmede in de door haar publiekelijk bekend gemaakte geconsolideerde halfjaarcijfers in de jaren 2000, 2001 en 2002 een misleidende voorstelling van zaken is gegeven van de (geconsolideerde) toestand van CSS Holding alsmede van de toestand van CSS SI.
3.4.
De genoemde (half)jaarstukken geven geen getrouw, duidelijk en stelselmatig beeld van het vermogen. Gedaagden en [gedaagde 4] hebben in het bijzonder verbloemd dat grote verliezen zijn geleden, onder meer door een zeer grote vordering op ACP die onvolwaardig was op de balans te activeren. Als eisers op de hoogte waren geweest van de werkelijke financiële situatie van CSS Holding, zouden zij niet of op andere voorwaarden zaken hebben gedaan met CSS Holding en CSS SI, aldus nog steeds eisers. Eisers achten in het bijzonder ook de op 29 augustus 2002 gepubliceerde halfjaarcijfers 2002 misleidend en de bij die gelegenheid uitgesproken toekomstverwachtingen onverantwoord. Die halfjaarcijfers geven in het geheel geen aanleiding te veronderstellen dat een faillissement van CSS Holding en CSS SI aanstaande was, nu hierin melding wordt gemaakt van een groepsvermogen van € 28,9 miljoen en uitgegaan wordt van een bescheiden positief nettoresultaat in het tweede halfjaar, aldus eisers.
De specifieke verwijten ten aanzien van de financiële verslaglegging zullen hierna, onder 5, worden vermeld.
3.5.
Eisers betogen voorts dat gedaagden namens CSS SI en CSS Holding verplichtingen zijn aangegaan terwijl zij wisten althans behoorden te weten dat deze vennootschappen niet of niet binnen een redelijke termijn in staat zouden zijn deze na te komen en de vennootschappen evenmin verhaal zouden bieden voor de schade die eisers daardoor zouden lijden.
Deze verplichtingen zijn volgens eisers aangegaan na een peildatum als bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2001, JOR 2002/38 (Sobi-Hurks), als gevolg waarvan gedaagden (en [gedaagde 4] ) hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de daaruit voortvloeiende schade.
3.6.
Eisers baseren hun onder 3.2 vermelde vorderingen op CSS SI en/of CSS Holding op het volgende.
De vordering van DDM (A en B)
3.6.1.
DDM stelt een vordering op grond van wanprestatie althans onrechtmatige daad te hebben op CSS Holding. Zij stelt dat gedaagden en [gedaagde 4] haar in september/oktober 2000 en, wat gedaagden betreft, nogmaals in november 2001 ertoe hebben bewogen om een deel van de kooprijs voor de aandelen in TBT te accepteren in de vorm van aandelen in CSS Holding. Als DDM had geweten van de werkelijke financiële situatie van CSS Holding in die perioden, dan had zij niet op dezelfde voorwaarden zaken gedaan en uitsluitend betaling in contanten aanvaard.
De vorderingen van MHC, Tech Data en Toshiba (C, E en F)
3.6.2.
MHC, Tech Data en Toshiba stellen een vordering op CSS SI te hebben uit hoofde van verrichte leveranties. CSS Holding is op grond van de 403-verklaring hoofdelijk verbonden voor die vorderingen.
De vordering van MBS (D)
3.6.3.
MBS stelt dat aan haar zijn overgedragen een zevental vorderingen van crediteuren van CSS SI uit hoofde van verrichte leveranties. Op grond van de 403-verklaring is CSS Holding hoofdelijk verbonden voor die vorderingen.
De vordering van [eiser 6] (G)
3.6.4.
[eiser 6] stelt dat hij de onder 2.12. vermelde koop van aandelen in CSS Holding niet, althans niet tegen dezelfde prijs, met DDM had gesloten, indien hij had geweten van de werkelijke financiële situatie van CSS Holding, en dat hij op deze aankoop een verlies heeft gemaakt van EUR 432.196,98.
De vordering ex artikel 162 Rv (H)
3.7.
Eisers voeren aan dat de jaarrekening 2000/2001 van ACPH tal van vragen oproepen, reden waarom zij verzoeken te bevelen dat gedaagden en [gedaagde 4] alle stukken die ten grondslag liggen aan die jaarrekening zullen overleggen.
4. Het verweer
4.1.
Gedaagden en [gedaagde 4] voeren verweer. Op hetgeen zij daartoe aanvoeren wordt hierna, voor zoveel nodig, ingegaan.
5. De beoordeling
5.1.
Aangezien ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding twee van de vier gedaagden niet in Nederland woonden, staat allereerst ter beoordeling of de Nederlandse rechter bevoegd is en of het Nederlands recht van toepassing is.
Het standpunt van eisers dat de Nederlandse rechter zowel op grond van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EVEX) ten aanzien van [gedaagde 1] , als op grond van de Verordening betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-verordening) ten aanzien van [gedaagde 4] , rechtsmacht toekomt, wordt door de rechtbank onderschreven. Wat het toepasselijke recht betreft, is de rechtbank met partijen van oordeel dat de verwijten betreffende de jaarstukken van CSS Holding aan de hand van Nederlands recht en meer in het bijzonder artikel 2:139 BW moeten worden beoordeeld, nu CSS Holding een rechtspersoon naar Nederlands recht is. Voor het overige hebben eisers impliciet gekozen voor toepasselijkheid van het Nederlandse recht. Gedaagden en [gedaagde 4] hebben daartegen geen verweer gevoerd en partijen hebben in hun processtukken steeds aansluiting gezocht bij het Nederlandse recht, zodat ook de rechtbank voor het overige van deze rechtskeuze uitgaat.
5.2.
De rechtbank zal eerst ingaan op de vorderingen jegens [gedaagde 4] (A) en de vordering om gedaagden en [gedaagde 4] te bevelen stukken te overleggen (H). Daarna zullen de overige vorderingen worden besproken.
De vorderingen van DDM jegens [gedaagde 4] (A)
5.3.
[gedaagde 4] voert als meest verstrekkend verweer aan dat DDM haar vorderingsrechten jegens hem heeft prijsgegeven met de onder 2.27 weergegeven verklaring van 14 juli 2004.
5.4.
Eisers hebben deze stelling onweersproken gelaten, zodat tussen partijen vaststaat dat DDM haar recht om [gedaagde 4] in rechte te betrekken heeft prijsgegeven. Het verweer slaagt dus, en de vordering van DDM jegens [gedaagde 4] zal bij eindvonnis worden afgewezen.
De vordering op grond van artikel 162 Rv (H)
5.5.
Het verzoek van eisers om gedaagden en [gedaagde 4] te bevelen de boeken en bescheiden van ACP(H) over te leggen op grond van het bepaalde in artikel 162 Rv is niet toewijsbaar. Ingevolge deze bepaling kan de rechter in de loop van een geding, op verzoek of ambtshalve, aan partijen of aan een van hen de openlegging bevelen van de boeken, bescheiden en geschriften, die zij ingevolge de wet moeten houden, maken of bewaren. Deze bepaling biedt niet de mogelijkheid om gedaagden, die bestuurder zijn van CSS Holding en CSS SI, maar niet van ACP(H), te verplichten de administratie van ACP(H) open te leggen. Er zijn overigens ook geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan gedaagden geacht kunnen worden toegang te hebben tot de administratie van ACP(H). Integendeel, vast staat dat de curator het belang dat CSS SI had in ACPH inmiddels heeft vervreemd.
Indien en voor zover eisers zouden hebben willen betogen dat [gedaagde 4] , die de jaarrekening van ACPH over 2000 en 2001 heeft opgesteld, de daarin opgenomen gegevens nader dient toe te lichten, omdat op hem een verzwaarde stelplicht rust, faalt deze redenering op de grond dat het hiervoor onder 5.3 en 5.4 overwogene meebrengt dat van enige stelplicht van [gedaagde 4] geen sprake meer kan zijn.
De vorderingen jegens gedaagden (B-G)
5.6.
De overige vorderingen van eisers zijn gebaseerd op twee grondslagen: i) de jaarstukken en tussentijdse cijfers van CSS Holding waren misleidend en ii) namens CSS SI zijn verplichtingen aangegaan op een moment dat duidelijk was of had moeten zijn dat CSS SI die verplichtingen niet zou kunnen nakomen.
Ad i) Misleidende jaarstukken en tussentijdse cijfers
5.7.
Op grond van artikel 2:139 BW zijn bestuurders van een vennootschap aansprakelijk voor schade die voortvloeit uit een misleidende voorstelling van de toestand van de vennootschap, gegeven in de jaarrekening, het jaarverslag of de tussentijdse cijfers. Niet iedere onjuistheid in de financiële verslaglegging moet zonder meer worden gekwalificeerd als misleiding in de zin van artikel 2:139 BW. Van misleiding is eerst sprake indien door de stukken en cijfers een wezenlijk scheve voorstelling wordt gegeven van de toestand van de vennootschap. Voor aansprakelijkheid is voorts vereist dat een bestuurder die over voldoende inzicht en ervaring beschikt, weet of ernstig ermee rekening moet houden dat de onjuistheid in de stukken tot een misleidende voorstelling zal leiden.
5.8.
De rechtbank zal eerst de belangrijkste verwijten van eisers aangaande de openbaar gemaakte (half)jaarstukken bespreken. Dat zijn:
a. de vordering van CSS Holding op ACP uit hoofde van de onder 2.7 vermelde achtergestelde geldlening is ten onrechte als volwaardig aangemerkt;
b.1. naast deze vordering uit achtergestelde geldlening had CSS per 30 juni 2006 nog een vordering op ACPH, groot EUR 24 miljoen, die eveneens afgeboekt had moeten worden;b.2. subsidiair, voor het geval juist is de stelling van gedaagden dat er onder vlottende activa per 30 juni 2002 niet een vordering op ACP van EUR 24 miljoen is opgenomen, maar wel een vennootschapsbelastinglatentie van ruim EUR 18 miljoen, was het misleidend om die latentie te activeren;
c. CSS Holding heeft ten onrechte in de halfjaarcijfers 2002 een bedrag van EUR 8,7 miljoen aan goodwill geactiveerd;
d. CSS heeft ten onrechte de brutomarge van bepaalde transacties als netto-omzet verantwoord (het zogenoemde netten);e. CSS heeft over 2000 en 2001 schulden van tientallen miljoenen ten onrechte niet in haar (half)jaarcijfers verantwoord.
Ad a. De lening van CSS Holding aan ACP
5.9.
Eisers stellen dat CSS Holding ten onrechte haar achtergestelde vordering op ACP, oorspronkelijk groot EUR 14,5 miljoen niet (gedeeltelijk) reeds per ultimo 2000, althans uiterlijk per 30 juni 2002, heeft afgeboekt, nu deze vordering vanwege de materiële insolventie van ACP onvolwaardig was.
5.10.
De rechtbank stelt voorop dat voor de vraag of een voorziening voor oninbaarheid getroffen had moeten worden, van belang zijn: (1) de voorwaarden van geldlening, (2) de solvabiliteit en (3) de liquiditeit van ACPH. Over ieder van deze drie factoren is vooralsnog onvoldoende informatie aan de rechtbank verstrekt.
ad (1)5.11. Partijen zijn het erover eens dat het een achtergestelde lening betreft, dus een lening die pas voldaan hoeft te worden als alle concurrente schuldeisers zijn betaald. Voor het overige stellen partijen de voorwaarden van geldlening niet te kennen. Meer in het bijzonder stellen zij niet te weten wat is overeengekomen ten aanzien van de opeisbaarheid en de mogelijkheid tot verrekening voor CSS Holding met een tegenvordering. Dit laatste zou van belang kunnen zijn, nu gedaagden zich op het standpunt stellen dat ACP(H) over tegenvorderingen beschikte en dat er ‘gesaldeerd’ per 30 juni 2002 niet een vordering op ACPH bestond, maar juist een schuld van ACPH. De rechtbank nodigt gedaagden in de eerste plaats uit zich specifieker over die tegenvorderingen van ACP(H) en de debiteur van die tegenvorderingen uit te laten. Naar de rechtbank begrijpt, betreft het namelijk enerzijds een tegenvordering uit hoofde van de activatransactie 2001 (zie onder 2.18) en komt de andere tegenvordering voort uit de in mei 2002 tot stand gekomen herfinanciering, waarbij APCH de door NMB Heller verstrekte geldlening heeft doorgeleend aan CSS SI (zie onder 2.21). Naar de rechtbank begrijpt, is de debiteur van deze beide tegenvorderingen CSS SI, wat de vraag oproept of verrekening met de vordering van CSS Holding uit hoofde van de achtergestelde geldlening mogelijk is.
Wat de voorwaarden van geldlening betreft, is bij gelegenheid van de pleidooien vastgesteld dat de hoofdovereenkomst verwijst naar een overeenkomst van geldlening die als bijlage 12 bij de hoofdovereenkomst is opgenomen. Partijen hebben deze overeenkomst van geldlening niet overgelegd. De rechtbank acht het van belang dat de desbetreffende overeenkomst wordt overgelegd. Nu het voor de hand ligt dat aan ieder van de vier partijen bij de hoofdovereenkomst ook bijlage 12 bij die overeenkomst ter hand is gesteld, komt het de rechtbank voor dat deze bijlage gevonden moet kunnen worden.
ad (2)
5.12.
Voor de beoordeling van de inbaarheid van de lening is verder de solvabiliteit van ACP(H) van belang. Het enkele feit dat het eigen vermogen van ACPH direct na haar oprichting EUR 26,5 miljoen negatief was, naar hiervoor in 2.10 is vastgesteld, brengt – anders dan eisers hebben betoogd – niet mee dat ACPH niet in staat was haar schuld uit achtergestelde geldlening te voldoen, zeker niet omdat het negatieve eigen vermogen is ontstaan door de afboeking ineens van de goodwill, die ACP(H) niet daadwerkelijk heeft betaald, maar in de jaren 2001 tot en met 2005 zou gaan betalen in de vorm van korting op door ACP aan CSS te leveren diensten en de raamovereenkomst bovendien bepaalt (in artikel 8.4) dat de korting alleen wordt toegepast indien de operationele cash flow van ACPH dit toelaat. Ter beoordeling van de inbaarheid van de vordering op ACPH acht de rechtbank onder meer ook van belang of de koopprijs voor de door CSS SI aan ACP overgedragen activa en passiva niet te hoog was. De rechtbank verlangt op dit punt een nadere toelichting. De fairness opinion van [accountantsbureau] (zie 2.11) biedt om een aantal redenen onvoldoende houvast. In de eerste plaats is de waarderingsmarge die daarin wordt genoemd (gesproken wordt van een waarde tussen de EUR 3 miljoen en 10 miljoen) erg ruim. Bovendien hebben partijen niet aangegeven in hoeverre de betaalde koopprijs bij deze waardering aansluit. De waardering is immers gegeven uitgaande van een onderneming die vrij is van schulden en liquide middelen. De rechtbank is niet geïnformeerd over de omvang van de schulden en liquide middelen die aan ACP zijn overgedragen. En tot slot ziet de fairness opinion, naar gedaagden hebben erkend, alleen op de logistieke diensten, terwijl ook andere activiteiten naar ACP zijn overgegaan. Nu vast staat dat bij die andere activiteiten het merendeel van de werknemers van ACP betrokken was, valt niet uit te sluiten dat zij een negatieve waarde vertegenwoordigden. [accountantsbureau] heeft noch de activa en passiva noch de resultaten van die andere activiteiten in haar waardering betrokken. De rechtbank is vooralsnog dan ook niet in staat te beoordelen of de koopprijs die ACP heeft betaald voor de onderneming die zij van CSS SI heeft gekregen, wellicht te hoog was.
5.13.
Aan het rapport van ABN AMRO Corporate Finance van januari 2001 hecht de rechtbank in dit verband geen waarde, reeds omdat het vermeldt dat het niet een waardering inhoudt van aandelen of ondernemingen van de vennootschap en dat ABN AMRO de gegevens die de vennootschap aan haar heeft verschaft niet heeft nagegaan.
Aan het rapport van de Rabobank uit februari 2000 gaat de rechtbank in dit verband ook voorbij, nu gedaagden bij pleidooi hebben gesteld dat zij niet naar dit rapport hebben verwezen ter staving van de waarde van ACP in 2001 en 2002 (pleitnota, nr. 6.9.2).
5.14.
Eisers hebben er voorts op gewezen dat de in de fairness opinion vastgestelde waarde grotendeels is toegerekend aan het SAP-systeem. Volgens eisers kan dit systeem echter niet zonder toestemming van SAP worden overgedragen. Dat het systeem niet daadwerkelijk is overgedragen, zou volgens eisers ook daaruit blijken dat ACPH op 30 juni 2001 zelf een licentieovereenkomst met SAP heeft gesloten. Gedaagden hebben dit betoog gemotiveerd bestreden en daarbij onderscheid gemaakt tussen de licentie (het recht op toegang tot de SAP-software), die niet zonder toestemming van SAP kan worden overgedragen, en de door CSS SI met behulp van de SAP-software ontwikkelde applicaties van die software. Gedaagden stellen dat uitsluitend die applicaties zijn overgedragen en dat zulks zonder toestemming van SAP mogelijk was, althans dat SAP daarmee bekend was en daartegen nooit bezwaar heeft gemaakt. Dit betoog is bij pleidooi (pleitnota van eisers, nr. 13) niet voldoende gemotiveerd bestreden, zodat de rechtbank aan het standpunt van eisers dienaangaande voorbijgaat.
ad (3)
5.15.
Eisers hebben gesteld dat het actief van ACP ternauwernood voldoende was om de kortlopende schulden te voldoen, terwijl een deel van de activa niet liquide te maken was. Eisers stellen voorts dat er grote operationele verliezen waren bij ACP in 2000 en 2001. Zo was het resultaat bij ACP volgens eisers in het derde kwartaal van 2000 EUR 5,5 miljoen negatief. Dit resultaat kan volgens eisers worden afgeleid uit de mutatie in de post rekening-courant CSS SI en ACP op de balans van ACP per 30 september 2000 ten opzichte van de balans per 30 juni 2000. Gedaagden hebben deze balansen opgesteld aan de hand van de staat van activa en passiva per respectievelijk 30 september 2000 en per 30 juni 2000 (bijlage 11A bij de hoofdovereenkomst). Gedaagden betwisten dat bij APC in 2000 en 2001 grote operationele verliezen zijn geleden. Zij betwisten dat de genoemde mutatie van de rekening-courant informatie verschaft over het door ACP behaalde resultaat. Eisers hebben hier tegenover gesteld dat in deze balansen een post eigen vermogen ontbreekt en de post rekening-courant daarin als sluitpost fungeert. Eisers wijzen er voorts op dat ook in de raamovereenkomst (zie 2.9) gesproken wordt over verliezen over 2000 en 2001 en dat de verliezen van ACP zouden kunnen blijken uit de staat van baten en lasten van de ACP-activiteiten per 30 juni 2000 (bijlage 11B van de hoofdovereenkomst, zie 2.7), die niet in het geding is gebracht. De rechtbank is van oordeel dat het bij deze stand van het debat op de weg van gedaagden ligt hun standpunt nader toe te lichten en te documenteren. De rechtbank zal dat hieronder (in 5.28) nader motiveren. Gedaagden dienen inzichtelijk te maken wat het verloop van de rekening-courant tussen CSS SI en ACP is geweest in de periode van 1 januari 2000 tot 13 november 2002. Daarnaast dient de staat van baten en lasten per 30 juni 2000 (bijlage 11B) en per 7 december 2000 (de leveringsdatum) in het geding te worden gebracht.
5.16.
De stelling ten slotte dat de lening ten onrechte onder de vlottende activa in plaats van de vaste activa is opgenomen, behoeft geen bespreking, nu gesteld noch gebleken is dat dit heeft geleid tot een misleidende voorstelling waaruit voor eisers schade kan zijn voortgevloeid.
Ad b.1. Is de vordering op ACPH per 30 juni 2002 gestegen tot 40 miljoen?
5.17.
Volgens eisers is in de geconsolideerde cijfers per 30 juni 2002 een vordering op ACPH opgenomen van EUR 40 miljoen, die volgens eisers geheel had moeten worden afgeboekt wegens oninbaarheid. Het betreft hier volgens eisers enerzijds de vordering uit achtergestelde geldlening, die per 30 juni 2002 inclusief rente EUR 16,366 miljoen bedroeg, en anderzijds een vordering van EUR 24 miljoen, waaromtrent zij opheldering wensen. Dat een vordering van EUR 24 miljoen op APCH in de geconsolideerde cijfers per 30 juni 2002 is opgenomen, leiden eisers af uit het eerste concept van het Limited Review Memorandum (zie onder 2.23). Gedaagden stellen dat het vermelden van een vordering op ACP van EUR 24 miljoen in het eerste concept op een vergissing berustte en dat deze vergissing in het tweede concept is hersteld. Volgens hen heeft de accountant waarschijnlijk de vordering van ACPH op CSS SI van EUR 24 miljoen uit hoofde van de in mei 2002 verstrekte geldlening abusievelijk aangemerkt als vordering van CSS SI op ACPH. ACPH had volgens gedaagden per 30 juni 2002 gesaldeerd een vordering van ruim EUR 8 miljoen op CSS, zijnde het saldo van de schuld uit achtergestelde geldlening, op dat moment circa EUR 16 miljoen groot, en de vordering wegens de in mei verstrekte geldlening, groot EUR 24 miljoen.
5.18.
Het geschil tussen partijen betreft de vraag hoe de post ‘overige vorderingen en overlopende activa’ van EUR 37,371 miljoen is samengesteld. Een cijfermatige specificatie daarvan wordt in de toelichting op de cijfers niet gegeven.
Gedaagden stellen dat deze post als volgt kan worden gespecificeerd:
rekening-courant ACP: - 364
latentie vennootschapsbelasting: 18.832
te ontvangen converteerbare lening 1.636
nog te factureren omzet 4.656
te claimen atlasprojecten fabrikanten 397
overlopende activa 12.214
Totaal 37.371
5.19.
Eisers hebben naar het oordeel van de rechtbank terecht om een onderbouwing van deze specificatie gevraagd. De verklaring die gedaagden geven voor het verschil tussen het eerste en het tweede concept, te weten dat het waarschijnlijk om een vergissing van de accountant gaat, volstaat naar het oordeel van de rechtbank niet. Allereerst is de opmerking van de accountant over de volwaardigheid van de vordering van EUR 24 miljoen niet goed te verklaren als het om een vergissing als gesteld zou gaan. Verder is niet goed voorstelbaar dat de omvang van de totale post ‘overige vorderingen en overlopende activa’ in beide concepten hetzelfde is, hoewel de bestanddelen waaruit die post bestaat in het eerste concept andere zouden zijn dan in het tweede concept. Tot slot wordt de toename van de bewuste post in het eerste concept in verband gebracht met de verwerking van de crediteuren ACPH in de balans van CSS Holding. De overname van de crediteuren en debiteuren (inclusief bevoorschotting) van ACPH heeft in augustus 2002 met ingang van 1 januari 2002 plaatsgevonden en deze overname moet dus voor het eerst in de halfjaarcijfers 2002 zichtbaar zijn geworden. Tussen partijen is niet in geschil dat de overgenomen crediteuren de overgenomen debiteuren (na aftrek van de bevoorschotting) met ongeveer EUR 20 miljoen (repliek nr. 116 en dupliek nr. 8.44), althans met ongeveer EUR 16 miljoen (pleitnota gedaagden nr. 6.9.7), overtroffen, wat betekent dat de overname tot een vordering in die orde van grootte op ACPH moet hebben geleid. Ook daarom is de door gedaagden gegeven verklaring voor het verschil tussen de concepten niet toereikend. Gedaagden zullen de door hen gegeven (kennelijk aan de administratie van CSS Holding ontleende) specificatie van de bewuste post derhalve moeten onderbouwen.
5.20.
De discussie over de omvang van de vordering van CSS op ACPH per 30 juni 2002 hangt, naar de rechtbank begrijpt, samen met de vraag of juist is het door gedaagden (in onderdeel 4.3 van de conclusie van dupliek) gegeven overzicht van de vorderingen en schulden per ultimo 2001 tussen CSS (SI en Holding tezamen) enerzijds en ACPH anderzijds. In dat overzicht is een schuld van CSS aan ACPH van EUR 16,209 miljoen opgenomen. De herkomst van deze laatste post is onduidelijk. Naast deze post worden in genoemd overzicht afzonderlijk vermeld de vordering uit achtergestelde geldlening (op dat moment groot EUR 15,652 miljoen) en de schuld uit hoofde van de in mei 2002 door ACPH aan CSS SI verstrekte geldlening. Eisers hebben bij pleidooi opheldering over de eerstgenoemde schuld aan ACPH van EUR 16,209 miljoen gevraagd. Deze schuld aan ACPH komt niet meer voor in de halfjaarcijfers per 30 juni 2002.
De rechtbank heeft hiervoor reeds geoordeeld dat zij inzage wenst in het verloop van de rekening-courant tussen CSS SI en ACP(H). Nu gedaagden hier een rekening-courantverhouding presenteren tussen CSS en ACP(H), zullen zij ook in het verloop daarvan inzage moeten verschaffen. Aan de hand daarvan zullen bovengenoemde stellingen nader moeten worden beoordeeld.
5.21.
Voor de vraag of de per 30 juni 2002 geactiveerde vordering van CSS op ACPH volwaardig was, geldt mutatis mutandis hetgeen hiervoor in 5.10 en volgende is overwogen. De rechtbank heeft ook hier behoefte aan nadere informatie.
5.21.1.
Nagegaan zal moeten worden in hoeverre verrekening van de vordering op ACPH mogelijk is met de schuld(en) aan ACPH, waarvoor naast de overeenkomst van geldlening mogelijk ook de identiteit van de schuldenaar en schuldeiser relevant zijn.
5.21.2.
De rechtbank stelt voorts vast dat [accountantsbureau] in haar Limited Review Memorandum voor de volwaardigheid van de vordering uit achtergestelde geldlening per 30 juni 2002 de waarde van de deelneming van ACPH in Proclare bepalend achtte. Door geen van partijen is bestreden dat die vordering in ieder geval niet volwaardig is als de deelneming in Proclare ernstig zou zijn overgewaardeerd. Deze deelneming is in de cijfers van ACPH per ultimo 2001 gewaardeerd op EUR 28,5 miljoen. De rechtbank acht de stelling van gedaagden dat dit een reële waarde is, vooralsnog onvoldoende gemotiveerd in het licht van het debat tussen partijen. Vast staat immers dat KPN, de andere aandeelhouder van Proclare, haar deelneming in 2002 heeft afgewaardeerd tot nihil. Vast staat ook dat Proclare over de periode van 2002 tot en met 2006 een cumulatief verlies van meer dan EUR 5 miljoen heeft geleden. Weliswaar sluit dit laatste op zichzelf niet uit dat men in 2002 goede verwachtingen mocht hebben ten aanzien van de over deze jaren te behalen resultaten; dat dit in concreto ook zo was, is door gedaagden niet voldoende toegelicht, mede in het licht van het vaststaande feit dat de internethausse in 2001 duidelijk op zijn retour was en er een dalende trend in de omzet in hardware was. Voorts vindt de waardering op een bedrag van EUR 28,5 miljoen geen steun in enig accountantsrapport. De accountantsverklaring vermeld in 2.15 kan niet als zodanig gelden, omdat daarin slechts is verklaard dat de inbreng van ACPH in Proclare ten minste EUR 50.000,= waard was. Het onder 2.14 vermelde due diligence rapport van [accountantsbureau] van 24 juli 2001 kan evenmin als zodanig gelden, nu daarin slechts wordt vermeld welke waardering partijen zijn overeengekomen. De fairness opinion van 30 maart 2001 gaat voorts van een veel lagere waarde van de door ACPH in Proclare ingebrachte activiteiten uit. Daarbij komt dat, naar gedaagden zelf stellen, de omzet in hardware na het uitbrengen van dat rapport hard verder is gedaald. De vooruitzichten van de onderneming die in Proclare is ingebracht zijn daarmee verslechterd. De stelling van gedaagden dat de waardering van de inbreng van ACPH in Proclare wel reëel moet zijn, omdat aangenomen mag worden dat KPN zich uit eigen belang zou hebben verzet tegen een overwaardering van de inbreng van ACPH, gaat niet op, omdat niet valt uit te sluiten dat de door KPN ingebrachte activiteiten in dezelfde mate werden overgewaardeerd, in welk geval van benadeling van KPN geen sprake zou zijn geweest. Bovendien zijn KPN en ACPH een afrekening overeengekomen op basis van een herwaardering van hun respectieve inbreng na verloop van tijd, voor welke herwaardering de daadwerkelijk door Proclare genoten inkomsten bepalend zouden zijn. Het feit dat KPN akkoord is gegaan met de (voorlopige) waardering van de door ACPH ingebrachte activiteiten op een bedrag van EUR 24,5 miljoen, zegt dus niets, nog daargelaten dat de waardering van de deelneming van ACPH in Proclare per ultimo 2001 dit bedrag nog met EUR 4 miljoen oversteeg.
Ad b.2. Subsidiair: de fiscale latentie per 30 juni 2002
5.22.
Voor het geval de in 5.18 weergegeven specificatie van de post ‘overige vorderingen en overlopende activa’ juist zou zijn, stellen eisers, derhalve subsidiair, dat de daarin opgenomen vennootschapsbelastinglatentie van EUR 18,832 miljoen niet (volledig) geactiveerd had mogen worden in de gegeven omstandigheden. In de toelichting op deze post schrijft [accountantsbureau] dat het ‘gegeven de huidige financiële situatie’ de vraag is of deze actieve latentie gerealiseerd kan worden c.q. op dit moment volwaardig is.
Daarbij dient als uitgangspunt gehanteerd te worden dat verliescompensatie in 2002 in de tijd onbeperkt mogelijk was.
De rechtbank is van oordeel dat gedaagden hun stelling nader zullen moeten onderbouwen dat zij eind augustus redelijkerwijs nog geen rekening hoefden te houden met een faillissement van CSS Holding. Zij overweegt daartoe als volgt. Het korte tijdsverloop tot het aanvragen van de surseance van betaling voor CSS – iets meer dan twee maanden – maakt die stelling op voorhand niet erg aannemelijk. Gedaagden stellen dat de surseance de enige uitweg was toen bleek dat de banken geen (verdere) financiering wilden verstrekken, maar dienaangaande heeft commissaris [naam] in de vergadering van de raad van commissarissen van 27 augustus 2002 reeds opgemerkt: “Ik denk dat we als CSS weinig keus hebben, het water staat tot aan de lippen en we staan met de rug tegen de muur, dus mijns inziens geen keus.” De stelling van gedaagden dat zij eind augustus 2002 in redelijkheid nog konden uitgaan van een gematigd positief resultaat voor het tweede semester van 2002 doet aan een en ander niet af, omdat die stelling, naar hieronder zal blijken, in het licht van het debat tussen partijen ook onvoldoende is gemotiveerd.
Afhankelijk van het nadere debat van partijen over deze punten, zal de rechtbank uiteindelijk mogelijk een deskundigenbericht behoeven over de vraag of eind augustus 2002 een activering van de belastinglatentie van ruim EUR 18 miljoen in overeenstemming was met de in artikel 2:362 lid 1 BW gegeven en destijds geldende maatstaf.
Ad c. De geactiveerde goodwill van EUR 8,7 miljoen in de cijfers per 30 juni 2002
5.23.
Eisers stellen dat het geconsolideerd eigen vermogen van CSS Holding in de halfjaarcijfers 2002 kunstmatig is verhoogd door een bedrag van EUR 8,7 miljoen, dat in 2002 in het kader van zogenoemde earn-out-regelingen voor eerder verworven ondernemingen is betaald, als goodwill te activeren, terwijl CSS SI (en daarmee CSS Holding, die voor CSS SI een 403-verklaring had afgelegd) reeds in grote financiële problemen verkeerde. Eisers wijzen erop dat het hier een stelselwijziging betreft, omdat tot dat moment betaalde goodwill op verworven ondernemingen altijd direct ten laste van het (geconsolideerde) eigen vermogen van CSS Holding was gebracht. Gedaagden voeren aan dat de stelselwijziging het gevolg was van een verwachte wetswijziging, die activering zou eisen, en dat bovendien de International Accounting Standards haar schaduwen vooruit wierp.
5.24.
Naar het oordeel van de rechtbank was de stelselwijziging, die in de toelichting naar behoren is verduidelijkt, op zichzelf geoorloofd.
Met eisers is de rechtbank echter van oordeel dat onduidelijk is waarop de waardering van deze post is gebaseerd. De rechtbank wenst hierover nader te worden geïnformeerd. Ook op dit punt zal uiteindelijk mogelijk een deskundigenbericht noodzakelijk zijn.
Ad d. Het netten
5.25.
Eisers stellen dat CSS Holding de omzet in haar jaarrekeningen en halfjaarcijfers op onjuiste wijze heeft verantwoord door op een deel van de hardwaretransacties het systeem van ‘netten’ toe te passen. Hierbij worden niet de gehele omzet en de kosten verbonden aan het realiseren daarvan verantwoord, maar slechts de behaalde brutomarge. Het netten beïnvloedt weliswaar niet het resultaat of het eigen vermogen van de vennootschap, maar wel haar solvabiliteit, doordat de verhouding van het eigen vermogen afgezet tegen het balanstotaal erdoor wordt verbeterd. Daardoor zou een misleidende voorstelling van zaken kunnen worden gecreëerd.
Partijen zijn het erover eens dat netten is toegestaan voor die transacties waarbij CSS SI optrad als tussenpersoon althans daarmee gelijk te stellen was. De Raad van Tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (Raad van Tucht) heeft in zijn uitspraak van 19 december 2006 in de zaak die de Stichting Onderzoek Bedrijfs Informatie heeft gevoerd tegen twee registeraccountants van Deloitte geoordeeld dat CSS het systeem van netten ten onrechte heeft toegepast. De Raad van Tucht heeft daartoe onder meer overwogen dat ter zitting is erkend dat de garantieverplichtingen met betrekking tot de geleverde producten op CSS rustten. Gedaagden hebben gesteld dat zij niet op de zitting van de Raad van Tucht aanwezig waren, dat het bestaan van garantieverplichtingen voor CSS ten onrechte door de accountants is erkend en dat inmiddels hoger beroep is ingesteld van de uitspraak van de Raad van Tucht.
De rechtbank zal het oordeel over de vraag of het systeem van netten (al dan niet in combinatie met andere onjuistheden in de cijfers van CSS Holding) tot een misleidende voorstelling heeft geleid waardoor eisers schade kunnen hebben geleden, aanhouden. De rechtbank verzoekt partijen hun stellingen hieromtrent nader toe te lichten.
De rechtbank overweegt reeds nu dat de omstandigheid dat in de toelichting op de (half)jaarcijfers is vermeld dat sprake is van netten, nog niet maakt dat van misleiding geen sprake kan zijn. In de toelichting wordt immers de indruk gewekt dat het netten is toegestaan, en de vraag is of dat zo is.
Ad e. Zijn schulden van tientallen miljoenen in 2000 en 2001 niet verantwoord?
5.26.
Vast staat dat de handelsvorderingen en handelsschulden die verbonden waren aan de door ACP en ACPH uitgeoefende activiteiten in 2000 en 2001 noch in de (geconsolideerde) jaarcijfers van ACPH, noch in die van CSS Holding zijn opgenomen. De in deze procedure te beantwoorden vraag is of CSS Holding deze vorderingen en schulden in haar cijfers had moeten opnemen. Vast staat dat de schulden de vorderingen (na aftrek van de bevoorschotting) met circa EUR 20 miljoen overtroffen.
5.27.
De rechtbank stelt voorop dat CSS Holding deze schulden en vorderingen in beginsel (tenzij het systeem van netten zou mogen worden toegepast) in haar balans had moeten opnemen indien en voor zover CSS SI op de balansdatum de rechthebbende op de vorderingen ofwel de debiteur van de schulden was. Vraag is derhalve tot wiens vermogen de vorderingen en schulden op de balansdatum behoorden.
Ziet de rechtbank het goed – de discussie tussen partijen op dit punt is als gevolg van steeds wisselende standpunten niet erg helder geweest – dan dient hierbij een onderscheid te worden gemaakt tussen de vorderingen en schulden die reeds bestonden op 7 december 2000, de datum waarop een gedeelte van de onderneming van CSS SI aan ACP is verkocht, en de vorderingen en schulden die daarna zijn ontstaan.
Ten aanzien van de eerste categorie hebben eisers, naar de rechtbank begrijpt, bij pleidooi bestreden dat de overdracht van de vorderingen en schulden door CSS SI aan ACP in juridische zin heeft plaatsgevonden. Eisers wijzen er immers op dat gedaagden bij antwoord erkennen dat de juridische overdracht van die posten nooit heeft plaatsgevonden. Hierbij is relevant dat naar het in 2000 geldende recht voor overdracht van een schuld nog mededeling van de overdracht aan de debiteur was vereist. Voor overdracht van een schuld was en is voorts de toestemming van de schuldeiser vereist.
De rechtbank zal gedaagden in de gelegenheid stellen op dit punt te reageren, maar merkt nu reeds op dat het belang van deze kwestie naar haar voorlopig oordeel beperkt is. Naar haar voorlopig oordeel moet ervan worden uitgegaan dat, als juist zou zijn dat de vorderingen en schulden die krachtens de hoofdovereenkomst zijn verkocht aan ACP vervolgens niet aan ACP zijn overgedragen (omdat er geen mededeling aan de schuldenaar is gedaan respectievelijk geen toestemming van de schuldeiser is verkregen), de verkochte vorderingen weliswaar geactiveerd hadden moeten blijven, maar daartegenover een passivering had moeten plaatsvinden van de met de verkoop van de vorderingen corresponderende schuld aan ACP (te weten tot afdracht van al hetgeen op de vorderingen zou worden betaald); en de verkochte schulden weliswaar aan de passiefzijde van de balans waren blijven staan maar daartegenover een vordering op ACP geactiveerd had moeten worden (te weten de vordering tot betaling aan CSS SI van hetgeen CSS SI op die schulden betaalt). Het mogelijk ten onrechte niet opnemen van de op 7 december 2000 verkochte schulden kan dus slechts – naar het voorlopig oordeel van de rechtbank – tot een balansverkorting hebben geleid die de solvabiliteit van CSS Holding per ultimo 2000 mogelijk positief heeft beïnvloed. Dat hiervan nog een invloed van betekenis op de solvabiliteit van CSS Holding per ultimo 2001 is uitgegaan, komt vooralsnog niet aannemelijk voor, nu het waarschijnlijk uitsluitend om kortlopende schulden en vorderingen zal gaan.
Wat de tweede categorie van vorderingen en schulden betreft, ontstaan na 7 december 2000, hebben eisers bij repliek gesteld dat gedaagden de leveranciers van hardware ook na 7 december 2000 hun facturen lieten sturen aan CSS SI, waarmee zij schuldeiser van CSS SI werden. Dit betoog is bij dupliek ten dele weersproken. Onder verwijzing naar onder meer de raamovereenkomst hebben gedaagden betoogd dat in het normale geval ACP de contractspartij van de leveranciers van hardware was, maar dat CSS SI contractspartij bleef van een aantal leveranciers. Nu eisers dit niet hebben betwist, moet daarvan worden uitgegaan. De rechtbank verzoekt gedaagden opgave te doen van de omvang van de schulden per 31 december 2001 die CSS Holding niet in haar jaarrekening heeft verantwoord, hoewel zij wel de contractspartij van de leverancier was.
Ook hier geldt dat de correctie van de jaarrekening naar het voorlopig oordeel van de rechtbank alleen gevolgen heeft voor solvabiliteit van CSS Holding. Partijen kunnen zich over dit voorlopig oordeel uitlaten.
Verzwaarde stelplicht; nadere informatie
5.28.
Zoals hiervoor overwogen, heeft de rechtbank op een aantal punten behoefte aan een nadere toelichting. Deze toelichting zal in de eerste plaats door gedaagden moeten worden verstrekt. Daarbij is van belang dat eisers in beginsel slechts kunnen beschikken over de openbaar gemaakte informatie betreffende de financiën van CSS, terwijl gedaagden als bestuurders moeten worden geacht van de relevante feiten op de hoogte te zijn. Dit leidt ertoe dat op gedaagden een verzwaarde stelplicht rust. Zij kunnen in dit geval niet volstaan met de enkele ontkenning van het door eisers gestelde. Gedaagden dienen hun stellingen van een voldoende feitelijke onderbouwing te voorzien teneinde eisers aanknopingspunten te bieden voor het leveren van bewijs. De rechtbank zal daarom gedaagden op de voet van artikel 22 Rv bevelen bij akte stukken in het geding te brengen en inlichtingen te verschaffen op de punten die nadere toelichting behoeven, waarna eisers hierop bij antwoordakte mogen reageren. Het betreft inlichtingen over:
- -
de debiteur van) de onder 5.11 genoemde tegenvorderingen van ACP(H);
- -
de overeenkomst van achtergestelde geldlening tussen CSS Holding en ACP;
- -
de waarde van de door CSS SI aan ACP overgedragen activa en passiva;
- -
het verloop van de rekening-courant tussen CSS SI en ACP in de periode van 1 januari 2000 tot 13 november 2002, bijlage 11B bij de hoofdovereenkomst, alsmede de staat van baten en lasten per 7 december 2000;
- -
de onderbouwing van de in 5.18 gegeven specificatie van ‘overige vorderingen en overlopende activa’ per 30 juni 2002;
- -
de onderbouwing van de stelling van gedaagden omtrent de schuld aan ACPH van EUR 16,209 miljoen (vgl. 5.20) door inzage te verschaffen in het verloop van de rekening-courant tussen CSS en ACP(H);
- -
de mate waarin gedaagden eind augustus 2002 redelijkerwijs rekening dienden te houden met een faillissement van CSS Holding (vgl. 5.22), in welk verband onder meer de eind augustus 2002 voorhanden zijnde prognoses (betreffende te verwachten resultaat en financieringsbehoefte) en cijfers over de maanden juli en augustus 2002 zouden kunnen worden overgelegd;
- -
de waardering van de post goodwill in de halfjaarcijfers 2002 van CSS Holding;
- -
de vraag in hoeverre de overdracht van de vorderingen en schulden door CSS SI aan ACP heeft plaatsgevonden (vgl. 5.27);
- -
de omvang van de schulden per 31 december 2001 die CSS Holding niet in haar jaarrekening heeft verantwoord, hoewel zij wel de contractspartij van de leverancier was (vgl. 5.27).
Indien en voor zover gedaagden niet (meer) over die stukken (kunnen) beschikken, dienen zij dit gemotiveerd te onderbouwen. Overwogen wordt dat er geen reden is om op voorhand aan te nemen dat gedaagden in verband met het faillissement van CSS Holding en CSS SI thans niet meer over deze stukken kunnen beschikken. De curator is immers bereid gebleken aan gedaagden toegang tot de administratie van deze rechtspersonen te verschaffen en hen in staat te stellen relevante stukken daaruit te kopiëren. Aan eisers heeft de curator dit juist tot nu toe geweigerd. De rechtbank gaat ervan uit dat de curator nogmaals bereid zal zijn aan gedaagden inzage in de administratie van de failliete vennootschappen te verschaffen. Ten aanzien van het verloop van de rekening-courant geeft de rechtbank gedaagden in overweging een verzoek tot het verstrekken van het gevraagde overzicht aan de curator te richten, nu zij bij voorkeur beschikt over een rechtstreeks van de curator afkomstig overzicht van het verloop van de rekening-courant.
Overige verwijten
5.29.
Bij conclusie van antwoord hebben gedaagden gemotiveerd gereageerd op het verwijt dat in de jaarstukken een te laag aantal debiteurendagen is vermeld. Eisers zijn daarop niet meer teruggekomen, zodat aan dit verwijt voorbij wordt gegaan. Datzelfde geldt voor het verwijt van eisers dat ten onrechte de door NMB Heller verstrekte bevoorschotting van debiteuren in mindering is gebracht op het debiteurensaldo en niet als vreemd vermogen is verantwoord.
5.30.
Eisers stellen verder dat CSS Holding ten onrechte in de jaarrekeningen 2001 en 2002 ACP niet heeft genoemd als vennootschap waarvoor zij een 403-verklaring had afgegeven en dat hierdoor een reëel risico niet in de jaarrekeningen naar voren is gekomen. Gedaagden voeren aan dat het niet tijdig intrekken van de 403-verklaring een vergissing was en er dus geen intentie tot misleiding is geweest.
Naar het oordeel van de rechtbank kan de juistheid van deze laatste stelling in het midden blijven. Immers, door het niet intrekken van de 403-verklaring bleef voor CSS Holding het risico bestaan dat zij door crediteuren van ACP zou worden aangesproken. Zij had voor dit risico een voorziening moeten treffen als het waarschijnlijk was dat dit risico tot een verlies zou leiden waarvan de omvang op dat moment redelijkerwijs al kon worden geschat. In dit stadium is nog niet vast te stellen in hoeverre het niet vermelden van de 403-verklaring betreffende ACP en het niet treffen van een voorziening voor het 403-risico hebben bijdragen aan een misleidende voorstelling van zaken betreffende de toestand van CSS Holding. Immers, de noodzaak van het treffen van een voorziening door CSS Holding in verband met de 403-verklaring betreffende ACP is afhankelijk van solvabiliteit en liquiditeit van ACP, zodat dit verwijt na ontvangst van de gevraagde stukken en inlichtingen nader zal worden beoordeeld. Daarbij zal ook acht moeten worden geslagen op de aan ACP verstrekte achtergestelde geldleningen tot een totaalbedrag van EUR 29.312.000.
5.31.
Voorts hebben eisers aangevoerd dat in het (half)jaarverslag 2000 van CSS Holding ten onrechte de indruk is gewekt dat een consortium onder leiding van NMB Heller de zeggenschap over ACP had. Gedaagden hebben vervolgens gemotiveerd, onder overlegging van een in augustus 2000 tussen CSS Holding en NMB Heller gesloten Memorandum of Understanding, betoogd dat wel degelijk een consortium onder leiding van NMB Heller de leiding over ACPH had, waarna eisers niet meer op dit punt zijn teruggekomen, zodat de rechtbank aan dit verwijt als onvoldoende gemotiveerd voorbij moet gaan.
5.32.
Eisers verwijten gedaagden voorts dat, hoewel in de toelichting op de jaarcijfers van 2000 van CSS Holding is vermeld dat de resultaten van afgestoten deelnemingen in de consolidatie worden verwerkt tot het tijdstip van vervreemding, de resultaten van ACP over de periode van 1 januari 2000 tot 7 december 2000 buiten de geconsolideerde jaarcijfers van 2000 van CSS Holding zijn gehouden. Eisers hebben ter onderbouwing van dit standpunt gewezen op de bovengenoemde uitspraak van de Raad van Tucht van 19 december 2006.
De rechtbank is van oordeel dat, nu vast staat (zie het vorige nummer) dat CSS Holding niet de controle over ACPH uitoefende, en bovendien vast staat dat de door CSS SI aan ACP verkochte onderneming met ingang van 1 januari 2000 voor rekening van ACP is gedreven overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.4 van de hoofdovereenkomst, de resultaten van die onderneming met ingang van die datum terecht niet meer in de geconsolideerde cijfers van CSS Holding zijn opgenomen. Met de Raad van Tucht is de rechtbank derhalve van oordeel dat het CSS Holding niet was toegestaan haar 49%-deelneming in ACP over de periode na 1 januari 2000 te consolideren. Weliswaar is de zojuist aangehaalde passage uit de toelichting onjuist, omdat ACP niet per de datum van vervreemding (7 december 2000) is gedeconsolideerd, maar het daarop betrekking hebbend verwijt faalt, nu gesteld noch gebleken is dat door deze onjuiste passage een misleidende voorstelling is gegeven waardoor eisers schade (kunnen) hebben geleden. Hetzelfde geldt voor de passage uit het halfjaarbericht 2000 waarin wordt vermeld dat de activiteiten van CSS SI betreffende de handel in hardware zijn verzelfstandigd en de zeggenschap daarover is overgedragen: deze passage is onjuist, maar gesteld noch gebleken is dat eisers daardoor schade (kunnen) hebben geleden.
5.33.
Eisers verwijten gedaagden daarnaast dat zij in de (half)jaarcijfers 1999 tot en met 2002 van CSS Holding een te hoge winstverwachting hebben uitgesproken. Zo staat in de halfjaarcijfers 2002 de verwachting dat het tweede halfjaar zou worden afgesloten met een bescheiden positief resultaat, terwijl surseance en faillissement aanstaande waren en het dan ook duidelijk had moeten zijn dat die positieve verwachting niet langer gerechtvaardigd was.
Gedaagden brengen hiertegen onder meer in dat de onware voorstelling de toestand van de vennootschap moet betreffen, niet haar verleden of haar toekomst, voor zover deze de tegenwoordige toestand niet bepalen. Zij stellen voorts dat zij de uitgesproken winstverwachting in redelijkheid mochten hebben omdat algemeen de verwachting bestond dat de markt in het tweede semester van 2002 weer zou aantrekken en het vierde kwartaal traditioneel het beste kwartaal van het jaar was. Zij stellen voorts dat CSS SI niet ten onder is gegaan aan verliezen, maar aan een liquiditeitstekort, ontstaan nadat geen bank meer bereid bleek tot (verdere) financiering.
5.34.
De rechtbank oordeelt als volgt.
In het licht van de wettelijke eis dat in het jaarverslag mededelingen worden gedaan omtrent de verwachte gang van zaken (artikel 2:391 lid 2 BW), zullen dergelijke mededelingen ook op grond van het bepaalde in artikel 2:139 BW tot aansprakelijkheid van de bestuurder kunnen leiden. Dit zal ook het geval zijn als in halfjaarcijfers dergelijke mededelingen worden gedaan, ook al is het bepaalde in Titel 9 van Boek 2 niet rechtstreeks van toepassing op halfjaarcijfers. Een winstverwachting is misleidend als, op het moment dat zij openbaar wordt gemaakt, reeds ontwikkelingen bekend, voorzienbaar of redelijkerwijs voorzienbaar zijn op grond waarvan die verwachting niet meer houdbaar is en die ontwikkelingen worden verzwegen.
5.34.1.
Met eisers is de rechtbank van oordeel dat gedaagden vooralsnog niet voldoende hebben toegelicht dat de winstverwachting die in de halfjaarcijfers 2002 is neergelegd op 29 augustus 2002 (de datum van openbaarmaking daarvan) nog houdbaar was. Naar eisers onweersproken hebben gesteld, was het desastreuze derde kwartaal op dat moment al voor twee derde deel achter de rug en had 2001 helemaal geen goed vierde kwartaal gekend: in 2001 was de winst in het vierde kwartaal minder dan de gemiddelde kwartaalwinst in de eerste helft van het jaar. Voorts maakt het korte tijdsverloop tussen het moment waarop de winstverwachting voor het tweede halfjaar openbaar werd gemaakt en het moment waarop de surseance van betaling voor CSS is aangevraagd – iets meer dan twee maanden – dat het op voorhand weinig aannemelijk is dat een positieve winstverwachting voor het tweede semester van 2002 eind augustus 2002 nog gerechtvaardigd was. Daaraan doet niet af de stelling van gedaagden dat CSS SI niet ten onder is gegaan aan verliezen, maar aan een liquiditeitstekort. Het ligt immers voor de hand dat de weigering van de banken om (verdere) financiering te verstrekken was terug te voeren op het ontbreken van winstverwachting bij de banken. Een nadere onderbouwing van het standpunt van gedaagden zou gegeven kunnen worden door overlegging van de eind augustus 2002 beschikbare prognoses over de resterende maanden van het jaar en volgende jaren en de cijfers over de maanden augustus en september 2002. De rechtbank zal zo nodig in een later stadium op deze kwestie terugkomen.
Het beroep op artikel 28 h Fondsenreglement (oud)
5.35.
Eisers beroepen zich ter onderbouwing van hun vorderingen ook op artikel 28h Fondsenregelement (oud). Zij stellen dat CSS Holding op grond van deze bepaling uiterlijk rond 1 juli 2002, maar vermoedelijk al veel eerder, een winstwaarschuwing openbaar had moeten maken. Dit betoog helpt de eisers die hun vordering op CSS SI en CSS Holding ontlenen aan een overeenkomst met een van deze vennootschappen niet, omdat de ingeroepen bepaling niet strekt ter bescherming van hun belangen. Deze bepaling strekt immers slechts ter bescherming van de belangen van beleggers. Uitsluitend [eiser 6] , die in juni 2001 aandelen in CSS Holding heeft gekocht, en DDM, die aandelen in CSS Holding heeft aanvaard ter betaling van een schuld in september/oktober 2000 en november 2001, kunnen zich derhalve op deze bepaling beroepen. Rechtens relevant wordt dat beroep uiteraard eerst indien CSS Holding reeds voorafgaand aan de relevante transacties in aandelen CSS Holding een winstwaarschuwing openbaar had moeten maken. Voorts zal een schending van artikel 28h Fondsenreglement een onrechtmatige daad van CSS Holding jegens hen kunnen opleveren, maar niet per definitie ook een onrechtmatige daad van iedere bestuurder van CSS Holding jegens hen. De rechtbank zal zo nodig in een later stadium nader op deze kwestie ingaan.
Voorlopige conclusies uit het bovenstaande voor de vorderingen van de eisers die leveranties aan CSS SI hebben verricht en causaal verband
5.36.
De rechtbank stelt vast dat de meeste verwijten, voor zover deze niet nu reeds door de rechtbank ongegrond zijn bevonden, betrekking hebben op de halfjaarcijfers 2002. Voor de jaarcijfers 2000 en 2001 zouden slechts vier verwijten van de eisers die leveranties aan CSS SI hebben verricht geheel of ten dele doel kunnen treffen. Het betreft:
- -
het verwijt dat de vordering uit achtergestelde geldlening op ACP niet in die jaren is afgeboekt;
- -
het verwijt dat er geen voorziening is getroffen voor het feit dat de 403-verklaring voor APC na 7 december 2000 is gehandhaafd;
- -
het verwijt dat het systeem van netten ten onrechte is toegepast;
- -
het verwijt dat er tientallen miljoenen aan schulden niet zijn verantwoord.
Dit roept vragen op over het causale verband tussen de gestelde misleidende voorstelling in de jaarrekeningen 2000 en 2001 en de gestelde schade van deze crediteuren van CSS SI. Immers, de laatste twee verwijten hebben naar het (voorlopig) oordeel van de rechtbank geen gevolgen voor de resultaten of het eigen vermogen van CSS, maar uitsluitend voor haar solvabiliteit, waarbij geldt dat eisers zich vooralsnog onvoldoende concreet hebben uitgelaten over de mate waarin de solvabiliteit hierdoor te positief zou zijn voorgesteld. Voorts geldt dat eisers zelf de gevolgen van de eerste twee verwijten op de cijfers van CSS als volgt hebben becijferd. Afboeking van de achtergestelde vordering in 2000 zou tot een verlaging van het nettoresultaat over 2000 hebben geleid van EUR 19,1 miljoen naar EUR 8,3 miljoen. Een voorziening voor het 403-risico had volgens eisers over de periode van 7 december 2000 tot en met 31 december 2001 EUR 7,1 miljoen moeten bedragen, waarvan het grootste gedeelte aan 2001 toerekenbaar is (dagvaarding nr. 86 onder d en 87). Dit impliceert dat ook over 2001 nog altijd een nettowinst door CSS zou zijn behaald. Mede gezien de hoogte van het eigen vermogen van CSS per ultimo 2000 en 2001 na deze correcties, betekent een en ander dat vooralsnog niet voldoende is gemotiveerd dat de betreffende eisers niet bereid zouden zijn geweest tot leveranties aan CSS SI als de misleiding achterwege was gebleven. Eisers zullen zich over dit causale verband bij akte nader uit kunnen laten, waarbij geldt dat gedaagden hun aanknopingspunten voor het door hen te leveren bewijs zullen moeten verschaffen.
Op het causaal verband tussen de eventuele misleiding in de halfjaarcijfers 2002 en de gestelde schade zal de rechtbank zo nodig in een later stadium ingaan. Het voorgaande brengt wel mee dat, als een causaal verband met misleiding in de jaarrekening 2000 en 2001 niet komt vast te staan, op grond van artikel 2:139 BW hooguit voor vergoeding in aanmerking kunnen komen de vorderingen voor orders van CSS SI die na 29 augustus 2002, de datum van publicatie van de halfjaarcijfers 2002, zijn aanvaard.
Voorlopige conclusies uit het bovenstaande voor de vorderingen van DDM en [eiser 6] en causaal verband
5.37.
Voor de vorderingen van DDM en [eiser 6] zijn de halfjaarcijfers 2002 en de jaarcijfers 2001 niet van belang, nu zij hun vorderingen baseren op transacties die voor publicatie van die cijfers zijn verricht. Hetgeen in het vorige nummer is opgemerkt voor het causale verband tussen de gestelde misleiding in de jaarrekeningen 2000 en de gestelde schade geldt niet (onverkort) voor de vorderingen van DDM en [eiser 6] . Wel heeft te gelden dat vooralsnog, gelet op de verwijten die mogelijk doel kunnen treffen over 2000 (en 1999), niet voldoende is toegelicht dat DDM en [eiser 6] in het geheel geen aandelen CSS Holding hadden gekocht als de misleiding achterwege was gebleven. Tenzij een voldoende toelichting op deze stelling alsnog wordt gegeven, zal de maximaal toewijsbare schade moeten worden begroot aan de hand van een schatting van de invloed van eventuele misleiding op de beurskoers van de aandelen per de transactiedata. Ook voor deze schadebegroting zal te zijner tijd mogelijk een deskundigenbericht noodzakelijk zijn.
Ad ii) Beklamel / Sobi-Hurks
5.38.
Eisers voeren als tweede grond voor hun vordering aan dat gedaagden namens CSS SI met de eisers sub 2-5 (dan wel hun rechtsvoorgangers) verplichtingen zijn aangegaan op een moment dat duidelijk was dat CSS SI dan wel CSS Holding niet aan die verplichtingen zou kunnen voldoen. Eisers stellen dat de peildatum die bepalend is voor het moment vanaf welk het aangaan van nieuwe verplichtingen door CSS SI dan wel CSS Holding onrechtmatig is, ten laatste op 26 februari 2002, de datum waarop de jaarrekening 2001 openbaar werd gemaakt, dient te worden gesteld. Aangezien tussen begin 2000 en medio 2002 een cumulatief verlies van EUR 40 miljoen buiten de boeken is gehouden en ultimo 1999 nog sprake was van een groepsvermogen van EUR 20 miljoen, zal bij een lineair verloop van de verlieslatendheid het eigen vermogen van CSS SI zo rond het voorjaar van 2001 negatief zijn geworden en CSS SI aldus materieel insolvent zijn geworden, aldus eisers.
De rechtbank zal deze grond bespreken na de hiervoor gemelde aktewisseling, indien en voor zover dan nog noodzakelijk. Partijen zullen desgewenst hun stellingen betreffende deze grond aan de hand van de in het geding te brengen informatie in de te nemen aktes kunnen concretiseren.
Hebben Tech Data, Toshiba en MBS, voor zover zij ageert als rechtsopvolger van Copaco, nog een vordering op CSS SI?
5.39.
Tech Data, Toshiba en MBS, althans voor zover zij ageert als rechtsopvolger van Copaco, hebben leveranties verricht aan CSS SI. Hun vorderingen op CSS SI zijn voor 90% voldaan door kredietverzekeraar NCM Gerling. Voor de resterende 10% van die vorderingen spreken zij in deze procedure gedaagden aan. Volgens gedaagden moet die vordering worden afgewezen omdat zij hun oorspronkelijke vordering op CSS SI volledig overgedragen hebben aan kredietverzekeraar NCM Gerling. Zij wijzen in dit verband op de tekst van de opgemaakte schadeafrekeningen, tevens akten van overdracht van vorderingen (producties 4b en 5 bij dagvaarding). Daarin staat dat de gehele vordering op de debiteur aan NCM Gerling wordt overgedragen.
5.40.
Naar aanleiding van dit verweer heeft zich een debat tussen partijen ontwikkeld dat de rechtbank in dit stadium onbesproken zal laten, omdat de rechtbank de relevantie daarvan vooralsnog niet inziet. Vast staat immers dat NCM Gerling 10% van de oorspronkelijke vordering van de betrokken eisers op CSS SI niet aan hen heeft vergoed, zodat zij in zoverre schade hebben geleden. De stelling van eisers is dat zij die schade hebben geleden als gevolg van de misleidende voorstelling in de openbaar gemaakte cijfers, althans als gevolg van de overtreding van de zogenoemde Beklamelnorm door gedaagden. De grondslag van de vordering is derhalve niet gebaseerd op nakoming, in welk kader van belang zou kunnen zijn of de gehele vordering is overgegaan op NCM Gerling. Of de oorspronkelijke vordering op CSS SI al dan niet aan NCM Gerling is overgedragen is evenwel, gelet op de stelling van eisers, voor de uitkomst van dit geschil naar het voorlopig oordeel van de rechtbank niet van belang. Partijen zullen zich hierover kunnen uitlaten.
Slotsom
5.41.
De vorderingen jegens [gedaagde 4] zullen bij eindvonnis worden afgewezen.
5.42.
De zaak zal worden verwezen naar de rol voor het nemen van een akte aan de zijde van gedaagden als in 5.28 omschreven. Gedaagden kunnen zich daarin voorts uitlaten op de punten genoemd in 5.25, 5.27, slot, 5.34.1, 5.36, 5.38 en 5.40, slot. Eisers zullen daarna – eveneens op een termijn van zes weken – mogen reageren en zich voorts uitlaten op de genoemde punten. Alle overige beslissingen zullen worden aangehouden.
6. De beslissing
De rechtbank
in de zaak tussen eisers en [gedaagde 4] :
6.1.
houdt iedere beslissing aan,
in de zaak tussen eisers en gedaagden:
6.2.
verwijst de zaak naar de rol van woensdag 10 september 2008 voor het nemen van een akte overeenkomstig rechtsoverweging 5.42 aan de zijde van gedaagden,
6.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. Schoonbrood - Wessels, mr. C.S. Naarden en mr. M.R. Jöbsis en in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2008.
Bij afwezigheid van de voorzitter is dit vonnis door de jongste rechter getekend.