Procestaal: Spaans.
HvJ EU, 24-06-2021, nr. C-559/19
ECLI:EU:C:2021:512
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
24-06-2021
- Magistraten
J.-C. Bonichot, R. Silva de Lapuerta, M. Safjan, P. G. Xuereb, N. Jääskinen
- Zaaknummer
C-559/19
- Conclusie
J. kokott
- Roepnaam
Commissie/Spanje (Détérioration de l’espace naturel de Doñana)
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2021:512, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 24‑06‑2021
ECLI:EU:C:2020:987, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 03‑12‑2020
Uitspraak 24‑06‑2021
Inhoudsindicatie
‘ Niet-nakoming — Artikel 258 VWEU — Beschermd natuurgebied Doñana (Spanje) — Richtlijn 2000/60/EG — Kader voor waterbeleid in de Europese Unie — Artikel 4, lid 1, onder b), i), artikel 5 en artikel 11, lid 1, lid 3, onder a), c) en e), en lid 4 — Achteruitgang van de toestand van grondwaterlichamen — Geen nadere karakterisering van de grondwaterlichamen waarvoor een risico op achteruitgang is vastgesteld — Passende basis- en aanvullende maatregelen — Richtlijn 92/43/EEG — Artikel 6, lid 2 — Verslechtering van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten’
J.-C. Bonichot, R. Silva de Lapuerta, M. Safjan, P. G. Xuereb, N. Jääskinen
Partij(en)
In zaak C-559/19,*
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU, ingesteld op 22 juli 2019,
Europese Commissie, aanvankelijk vertegenwoordigd door C. Hermes, E. Manhaeve en E. Sanfrutos Cano, vervolgens door C. Hermes, E. Manhaeve en M. Jáuregui Gómez als gemachtigden,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk Spanje, aanvankelijk vertegenwoordigd door L. Aguilera Ruiz, vervolgens door J. Rodríguez de la Rúa Puig en M.-J. Ruiz Sánchez als gemachtigden,
verweerder,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: J.-C. Bonichot, kamerpresident, R. Silva de Lapuerta, vicepresident van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, M. Safjan, P. G. Xuereb, waarnemend rechter van de Eerste kamer, en N. Jääskinen (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: J. Kokott,
griffier: L. Carrasco Marco, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 september 2020,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 december 2020,
het navolgende
Arrest
1
In haar verzoekschrift verzoekt de Europese Commissie het Hof vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje de verplichtingen niet is nagekomen die op deze lidstaat rusten krachtens ten eerste artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB 2000, L 327, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/64/EU van de Raad van 17 december 2013 (PB 2013, L 353, blz. 8) (hierna: ‘richtlijn 2000/60’), junctis artikel 1, onder a), van richtlijn 2000/60 en punt 2.1.2 van bijlage V daarbij; artikel 5 van deze richtlijn juncto punt 2.2 van bijlage II daarbij, en artikel 11, lid 1, lid 3, onder a), c) en e), en lid 4, van deze richtlijn, en ten tweede artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992, L 206, blz. 7) juncto artikel 7 daarvan, met betrekking tot de grondwaterlichamen en de habitats van het beschermde natuurgebied Doñana (Spanje).
I. Toepasselijke bepalingen
A. Richtlijn 2000/60
2
Artikel 1 van richtlijn 2000/60 bepaalt:
‘Het doel van deze richtlijn is de vaststelling van een kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwateren en grondwater, waarmee:
- a)
aquatische ecosystemen en, wat de waterbehoeften ervan betreft, terrestrische ecosystemen en waterrijke gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van aquatische ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed en worden beschermd en verbeterd;
[…]
en dat zodoende bijdraagt tot:
- —
de beschikbaarheid van voldoende oppervlaktewater en grondwater van goede kwaliteit voor een duurzaam, evenwichtig en billijk gebruik van water,
[…]’
3
Artikel 4 van deze richtlijn bepaalt in lid 1, onder b) en c), en lid 4:
- ‘1.
Bij de tenuitvoerlegging van het in het stroomgebiedsbeheerplan omschreven maatregelenprogramma:
[…]
- b)
voor grondwater
- i)
leggen de lidstaten de nodige maatregelen ten uitvoer met de bedoeling de inbreng van verontreinigende stoffen in het grondwater te voorkomen of te beperken en de achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen te voorkomen onder voorbehoud van de toepassing van de leden 6 en 7 en onverminderd lid 8 van dit artikel, en onder voorbehoud van de toepassing van artikel 11, lid 3, onder j);
- ii)
beschermen, verbeteren en herstellen de lidstaten alle grondwaterlichamen en zorgen voor een evenwicht tussen onttrekking en aanvulling van grondwater, met de bedoeling uiterlijk 15 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn een goede grondwatertoestand overeenkomstig de bepalingen van bijlage V te bereiken, onder voorbehoud van verlengingen overeenkomstig lid 4 en toepassing van de leden 5, 6 en 7 en onverminderd lid 8 van dit artikel en onder voorbehoud van toepassing van artikel 11, lid 3, onder j);
- iii)
leggen de lidstaten de nodige maatregelen ten uitvoer om elke significante en aanhoudende stijgende tendens van de concentratie van een verontreinigende stof ten gevolge van menselijke activiteiten om te buigen, teneinde de grondwaterverontreiniging geleidelijk te verminderen.
[…]
- c)
voor beschermde gebieden
uiterlijk 15 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn voldoen de lidstaten aan alle normen en doelstellingen, voor zover niet anders bepaald in de communautaire wetgeving waaronder het betrokken beschermde gebied is ingesteld.
[…]
- 4.
De in lid 1 gestelde termijnen kunnen met het oog op het gefaseerde bereiken van de doelstellingen voor waterlichamen worden verlengd, mits de toestand van het aangetaste waterlichaam niet verder verslechtert, wanneer aan alle navolgende voorwaarden wordt voldaan:
[…]’
4
Artikel 5 van deze richtlijn luidt als volgt:
- ‘1.
Elke lidstaat draagt er zorg voor dat voor elk stroomgebiedsdistrict of op zijn grondgebied gelegen deel van een internationaal stroomgebiedsdistrict
- —
een analyse van de kenmerken ervan,
- —
een beoordeling van de effecten van menselijke activiteiten op de toestand van het oppervlaktewater en op het grondwater, en
- —
een economische analyse van het watergebruik
worden uitgevoerd overeenkomstig de technische specificaties van de bijlagen II en III en dat zij uiterlijk vier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn voltooid zijn.
- 2.
De in lid 1 bedoelde analyses en beoordelingen worden uiterlijk 13 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn en vervolgens om de zes jaar getoetst en zo nodig bijgewerkt.’
5
Artikel 11 van diezelfde richtlijn bepaalt:
- ‘1.
Elke lidstaat draagt er zorg voor dat voor elk stroomgebiedsdistrict of voor het op zijn grondgebied gelegen deel van een internationaal stroomgebiedsdistrict, een maatregelenprogramma wordt opgesteld waarin rekening is gehouden met de resultaten van de krachtens artikel 5 voorgeschreven analyses, teneinde de doelstellingen van artikel 4 te verwezenlijken. Deze maatregelenprogramma's kunnen verwijzen naar maatregelen die voortvloeien uit de nationale wetgeving en op geheel het grondgebied van een lidstaat betrekking hebben. Een lidstaat kan zo nodig maatregelen nemen die op alle stroomgebiedsdistricten en/of de op zijn grondgebied gelegen delen van internationale stroomgebiedsdistricten van toepassing zijn.
- 2.
Elk maatregelenprogramma omvat de in lid 3 genoemde ‘basismaatregelen’ en, waar nodig, ‘aanvullende maatregelen’.
- 3.
‘Basismaatregelen’ zijn de minimumvereisten waaraan moet worden voldaan en omvatten:
- a)
de maatregelen die voor de toepassing van de communautaire wetgeving voor de waterbescherming nodig zijn, met inbegrip van maatregelen die krachtens de in artikel 10 en deel A van bijlage VI genoemde wetgeving vereist zijn;
[…]
- c)
maatregelen om duurzaam en efficiënt watergebruik te bevorderen teneinde te voorkomen dat de in artikel 4 genoemde doelstellingen niet worden bereikt;
[…]
- e)
beheersingsmaatregelen van de onttrekking van zoet oppervlaktewater en grondwater en de opstuwing van zoet oppervlaktewater, met inbegrip van een register of registers van wateronttrekkingen en het vereiste van voorafgaande toestemming voor wateronttrekking en opstuwing. Deze beheersingsmaatregelen worden geregeld getoetst en zo nodig bijgesteld. De lidstaten kunnen onttrekkingen en opstuwingen die geen significant effect hebben op de watertoestand, van deze beheersingsmaatregelen vrijstellen;
[…]
- 4.
‘Aanvullende maatregelen’ zijn de maatregelen die worden ontworpen en uitgevoerd in aanvulling op de basismaatregelen, teneinde de krachtens artikel 4 vastgestelde doelstellingen te bereiken. Bijlage VI, deel B, bevat een niet-limitatieve lijst van dergelijke maatregelen.
De lidstaten kunnen met het oog op extra bescherming of verbetering van de onder deze richtlijn vallende wateren nog andere aanvullende maatregelen vaststellen, met inbegrip van maatregelen ter uitvoering van de relevante internationale overeenkomsten, bedoeld in artikel 1.
[…]’
6
Punt 2.1 van bijlage II bij richtlijn 2000/60 heeft als opschrift ‘Eerste karakterisering’ en luidt:
‘De lidstaten maken een eerste karakterisering van alle grondwaterlichamen om te beoordelen voor welke doeleinden zij gebruikt worden en in hoeverre zij gevaar lopen niet te voldoen aan de doelstellingen voor ieder grondwaterlichaam van artikel 4. De lidstaten kunnen de grondwaterlichamen ten behoeve van deze eerste karakterisering groeperen. Voor die analyse mag gebruik worden gemaakt van bestaande hydrologische, geologische en bodemkundige gegevens, gegevens over landgebruik, lozing en wateronttrekking en andere gegevens, maar het volgende moet in ieder geval geïdentificeerd worden:
- —
locatie en grenzen van het grondwaterlichaam of de grondwaterlichamen;
- —
mogelijke vormen van belasting van de grondwaterlichamen, zoals
- —
diffuse bronnen van verontreiniging,
- —
verontreiniging uit puntbronnen,
- —
onttrekking van water,
[…]
[…]’
7
Punt 2.2 van bijlage II bij deze richtlijn, met als opschrift ‘Nadere karakterisering’, luidt als volgt:
‘Na deze eerste karakterisering maken de lidstaten van de grondwaterlichamen of groepen waterlichamen waarvan is vastgesteld dat zij gevaar lopen, een nadere karakterisering om nauwkeuriger te kunnen beoordelen hoe groot het gevaar is hiervoor en welke maatregelen er krachtens artikel 11 moeten worden genomen. Deze karakterisering moet daartoe relevante gegevens omvatten over de effecten van menselijke activiteiten en, voor zover dienstig, gegevens over:
- —
geologische kenmerken van het grondwaterlichaam, met inbegrip van grootte en soort van de geologische eenheden;
- —
hydrogeologische kenmerken van het grondwaterlichaam, met inbegrip van doorlaatbaarheid, porositeit en begrenzing;
- —
kenmerken van de oppervlakteafzettingen en bodems in het stroomgebied waaruit het grondwaterlichaam wordt aangevuld, met inbegrip van dikte, porositeit, doorlaatbaarheid, en absorptie-eigenschappen van de afzettingen en bodems;
- —
stratificatiekarakteristieken van het grondwater in het grondwaterlichaam;
- —
een inventarisatie van de bijbehorende oppervlaktesystemen, met inbegrip van terrestrische ecosystemen en oppervlaktewaterlichamen waarmee het grondwaterlichaam dynamisch verbonden is;
- —
schattingen van richtingen en mate van de uitwisseling van water tussen het grondwaterlichaam en bijbehorende oppervlaktesystemen;
- —
voldoende gegevens om het jaarlijkse gemiddelde van de totale aanvulling op lange termijn te berekenen;
- —
kenmerken van de chemische samenstelling van het grondwater, inbegrepen de beschrijving van de bijdragen uit menselijke activiteiten. De lidstaten kunnen bij de vastlegging van de natuurlijke achtergrondwaarden voor deze grondwaterlichamen gebruikmaken van typologieën voor de beschrijving van het grondwater.’
8
In punt 2.1.2 van bijlage V bij die richtlijn, met het opschrift ‘Definitie van kwantitatieve toestand’, wordt ‘grondwaterstand’ gedefinieerd als volgt:
‘De grondwaterstand in het grondwaterlichaam is van dien aard dat de gemiddelde jaarlijkse onttrekking op lange termijn de beschikbare grondwatervoorraad niet overschrijdt.
Dienovereenkomstig ondergaat de grondwaterstand geen zodanige antropogene veranderingen dat:
- —
de milieudoelstellingen volgens artikel 4 voor bijbehorende oppervlaktewateren niet worden bereikt,
- —
de toestand van die wateren significant achteruitgaat,
- —
significante schade wordt toegebracht aan de terrestrische ecosystemen die rechtstreeks van het grondwaterlichaam afhankelijk zijn,
en er kunnen zich tijdelijk, of in een ruimtelijk beperkt gebied voortdurend, veranderingen voordoen in de stroomrichting ten gevolge van veranderingen in de grondwaterstand, maar zulke omkeringen veroorzaken geen intrusies van zout water of stoffen van andere aard en wijzen niet op een aanhoudende, duidelijk te constateren antropogene tendens in de stroomrichting die vermoedelijk tot zulke intrusies zal leiden.’
B. Richtlijn 92/43
9
Artikel 1, onder e), van richtlijn 92/43 luidt:
‘In deze richtlijn wordt verstaan onder
[…]
- e)
staat van instandhouding van een natuurlijke habitat: de som van de invloeden die op de betrokken natuurlijke habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en op lange termijn een verandering kunnen bewerkstelligen in de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat of die van invloed kunnen zijn op het voortbestaan op lange termijn van de betrokken typische soorten op het in artikel 2 bedoelde grondgebied.
De ‘staat van instandhouding’ van een natuurlijke habitat wordt als ‘gunstig’ beschouwd wanneer:
- —
het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, en
- —
de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en
- —
de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is als bedoeld in letter i)’.
10
Artikel 6 van deze richtlijn bepaalt in de leden 2 en 3:
- ‘2.
De lidstaten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn, een significant effect zouden kunnen hebben.
- 3.
Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.’
11
Artikel 7 van deze richtlijn luidt:
‘De uit artikel 6, leden 2, 3 en 4, voortvloeiende verplichtingen komen in de plaats van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4, lid 4, eerste zin, van richtlijn 79/409/EEG [van de Raad van 2 april 1979 inzake de instandhouding van wilde vogels (PB 1979, L 103, blz. 1)], voor wat betreft de speciale beschermingszones die overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die richtlijn zijn aangewezen of bij analogie overeenkomstig artikel 4, lid 2, van die richtlijn zijn erkend, zulks vanaf de datum van toepassing van de onderhavige richtlijn, dan wel vanaf de datum van de aanwijzing of erkenning door een lidstaat overeenkomstig richtlijn [79/409], indien deze datum later valt.’
II. Voorgeschiedenis van het geding en precontentieuze procedure
12
Doñana is een beschermd natuurgebied in het zuidwesten van Spanje (hierna: ‘beschermd natuurgebied Doñana’). Het omvat zowel het nationale park Doñana, dat is opgericht in 1969, als het natuurpark Doñana, dat is opgericht in 1989 en uitgebreid in 1997. Bij beschikking 2006/613/EG van de Commissie van 19 juli 2006 tot vaststelling, op grond van richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de mediterrane biogeografische regio (PB 2006, L 259, blz. 1) heeft de Commissie drie beschermde gebieden van laatstgenoemd park op deze lijst gezet, te weten Doñana, dat als speciale beschermingszone wordt beschouwd (code ZEPA/LIC ES0000024), alsook Doñana Norte y Oeste en Dehesa del Estero y Montes de Moguer, die ook als speciale beschermingszones worden beschouwd (code ZEPA/LIC ES6150009 respectievelijk code ZEC ES6150012). Deze zones worden beschermd door de Unierechtelijke voorschriften inzake natuurbehoud. De niet-permanente poelen in het Middellandse-Zeegebied van het beschermde natuurgebied Doñana, die als prioritaire habitattypen code 3170* hebben, vormen het ecosysteem dat de zones het best karakteriseert. Het belang van die poelen is internationaal erkend bij de op 2 februari 1971 te Ramsar gesloten overeenkomst inzake watergebieden van internationale betekenis, in het bijzonder als verblijfplaats voor watervogels, en door de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur (Unesco), die deze in 1994 heeft opgenomen op de werelderfgoedlijst.
13
Voor de toepassing van richtlijn 2000/60 is het beschermde natuurgebied Doñana in het Plan Hidrológico del Guadalquivir 2009–2015 (stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015) — dat krachtens artikel 13 van deze richtlijn is goedgekeurd bij Real Decreto 355/2013 por el que se aprueba el Plan Hidrológico de la Demarcación Hidrográfica del Guadalquivir (koninklijk besluit nr. 355/2013 tot goedkeuring van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier) van 17 mei 2013 (BOE nr. 121 van 21 mei 2013, blz. 38229; hierna: ‘stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015’) — opgenomen in één enkel grondwaterlichaam, namelijk Almonte-Marismas (hierna: ‘watervoerende laag Almonte-Marismas’). Dit plan is vervangen door het Plan Hidrológico del Guadalquivir 2015–2021 (stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021), goedgekeurd bij Real Decreto 1/2016 por el que se aprueba la revisión de los Planes Hidrológicos de las demarcaciones hidrográficas del Cantábrico Occidental, Guadalquivir, Ceuta, Melilla, Segura y Júcar, y de la parte española de las demarcaciones hidrográficas del Cantábrico Oriental, Miño-Sil, Duero, Tajo, Guadiana y Ebro (koninklijk besluit nr. 1/2016 tot goedkeuring van de herziening van de stroomgebiedsbeheerplannen voor Cantábrico Occidental, Guadalquivir, Ceuta, Melilla, Segura en Júcar alsook voor het Spaanse gedeelte van Cantábrico Oriental, Miño-Sil, Duero, Tajo, Guadiana en Ebro) van 8 januari 2016 (BOE nr. 16 van 19 januari 2016, blz. 2972; hierna: ‘stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021’). In dit tweede plan is de watervoerende laag Almonte-Marismas opgedeeld in vijf grondwaterlichamen: Manto eólico de Doñana, Marismas de Doñana, Marismas, Almonte en La Rocina (hierna: ‘watervoerende laag Doñana’).
14
In 2009 heeft de Commissie verschillende klachten ontvangen over de verslechtering van de habitats van het beschermde natuurgebied Doñana. Het ging onder meer om overexploitatie van de grondwaterlichamen van dit gebied, waarmee de waterrijke gebieden van dit natuurgebied in verbinding staan. De bezorgdheden die in deze klachten werden geuit, zijn ook ter kennis gebracht van het Europees Parlement, in de vorm van schriftelijke vragen of petities.
15
Op 17 oktober 2014, aan het eind van een procedure in het kader van het EU-Pilotmechanisme inzake de toepassing van de Europese milieuwetgeving door het Koninkrijk Spanje, heeft de Commissie deze lidstaat een aanmaningsbrief gestuurd om te laten weten dat hij haars inziens niet de verplichtingen was nagekomen die op hem rusten krachtens ten eerste artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2000/60 junctis artikel 1, onder a), van deze richtlijn en punt 2.1.2 van bijlage V hierbij; artikel 5 van deze richtlijn juncto punt 2.2 van bijlage II daarbij, en artikel 11, lid 1, lid 3, onder a), c) en e), en lid 4, van deze richtlijn, en ten tweede artikel 6, lid 2, juncto artikel 7 van richtlijn 92/43, wat zowel de grondwaterlichamen als de habitats van het beschermde natuurgebied Doñana betreft.
16
Op 11 februari 2015 heeft het Koninkrijk Spanje op deze aanmaningsbrief geantwoord.
17
Na het antwoord van het Koninkrijk Spanje te hebben onderzocht, heeft de Commissie die lidstaat op 29 april 2016 een met redenen omkleed advies gestuurd (hierna: ‘met redenen omkleed advies’), waarin zij bij het standpunt bleef dat zij in haar aanmaningsbrief had geformuleerd, namelijk dat de lidstaat had nagelaten:
- —
ten eerste de noodzakelijke maatregelen te treffen om achteruitgang van de toestand van de grondwaterlichamen in het beschermde natuurgebied Doñana te voorkomen;
- —
ten tweede een nadere karakterisering te maken van alle grondwaterlichamen van de watervoerende laag Almonte-Marismas waarvoor een risico op verslechtering bestond;
- —
ten derde geschikte basis- en aanvullende maatregelen uit te werken en op te nemen in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015 en het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021, en
- —
ten vierde passende maatregelen te nemen om achteruitgang te voorkomen van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de beschermde gebieden van de regio Doñana, en met name in Doñana (ZEPA/LIC ES6150000024), Doñana Norte y Oeste (ZEPA/LIC ES6150009) en Dehesa del Estero y Montes de Moguer (ZEC ES6150012), die in punt 12 van dit arrest worden genoemd.
18
In dit met redenen omkleed advies heeft de Commissie het Koninkrijk Spanje gelast de geconstateerde tekortkomingen te verhelpen vóór 29 juni 2016.
19
Op 9 augustus 2016 heeft het Koninkrijk Spanje op het met redenen omkleed advies geantwoord en de Commissie geïnformeerd over de maatregelen die het had getroffen om voornoemde tekortkomingen te verhelpen en die voornamelijk zouden worden opgenomen in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021. Het heeft ook gewezen op de maatregelen die waren genomen in het kader van het in 2014 goedgekeurde speciale beheerplan voor de irrigatiezones in de noordelijke bosgordel van Doñana (hierna: ‘speciaal beheerplan van 2014 voor de irrigatie van Doñana’).
20
Aangezien de Commissie meende dat de door het Koninkrijk Spanje meegedeelde maatregelen onvoldoende waren om een einde te maken aan de gesignaleerde verslechteringen in het beschermde natuurgebied Doñana, heeft zij op 24 januari 2019 besloten het onderhavige beroep in te stellen.
III. Verzoek om nieuw bewijs te mogen overleggen nadat de schriftelijke behandeling is afgesloten
21
Bij schrijven van 14 april 2021 heeft het Koninkrijk Spanje verzocht om krachtens artikel 128, lid 2 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof nieuw bewijs te mogen overleggen na de sluiting van de schriftelijke behandeling, en het Hof daarbij een document overgelegd met de titel ‘Eindrapport van de gezamenlijke opvolgingsmissie van het Werelderfgoedcentrum/IUCN/Ramsar van het nationale park Doñana’, dat Unesco aan die lidstaat had gezonden op 8 april 2021.
22
Volgens artikel 128, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering dient een partij die nog bewijs wil overleggen of wil aanbieden haar stellingen nader te bewijzen nadat de schriftelijke behandeling is afgesloten, de vertraging waarmee zodanig bewijs wordt ingediend of dit bewijsaanbod wordt gedaan, te motiveren, en kan de president op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, aan de andere partij een termijn stellen voor het innemen van een standpunt ten aanzien van dit bewijs.
23
In casu beschikt het Hof reeds over het merendeel van de informatie die in dat rapport staat, acht het zich voldoende ingelicht om uitspraak te doen en hoeft de zaak niet te worden beslecht op basis van nieuw bewijs waarover tussen partijen geen discussie heeft plaatsgevonden. Derhalve dient het verzoek van het Koninkrijk Spanje te worden afgewezen.
IV. Beroep
24
Ter ondersteuning van haar beroep betoogt de Commissie dat het Koninkrijk Spanje niet heeft voldaan aan de krachtens richtlijn 2000/60 op deze lidstaat rustende verplichtingen wat de grondwaterlichamen in de beschermde zones van het beschermde natuurgebied Doñana betreft, en evenmin aan de krachtens richtlijn 92/43 op hem rustende verplichtingen wat de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in die zones betreft.
A. Niet-nakoming van de verplichtingen uit richtlijn 2000/60
25
De Commissie verwijt het Koninkrijk Spanje in wezen dat het niet alle door richtlijn 2000/60 geëiste maatregelen heeft vastgesteld om de verslechtering van de grondwaterlichamen in het beschermde natuurgebied Doñana tegen te gaan. Volgens haar is deze verslechtering vooral te wijten aan menselijke activiteiten waardoor het evenwicht tussen onttrekking en aanvulling van grondwater wordt gewijzigd.
26
De Commissie voert drie grieven aan: 1) schending van artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2000/60 junctis artikel 1, onder a), van deze richtlijn en punt 2.1.2 van bijlage V daarbij; 2) schending van artikel 5 van deze richtlijn juncto punt 2.2 van bijlage II daarbij, en 3) schending van artikel 11, lid 1, lid 3, onder a), c) en e), en lid 4, van deze richtlijn.
1. Eerste grief
a) Argumenten van partijen
27
De Commissie betoogt dat het Koninkrijk Spanje in strijd met artikel 4, lid 1, onder b), i), van richtlijn 2000/60 niet de noodzakelijke maatregelen heeft genomen om de achteruitgang van de toestand van de grondwaterlichamen in het beschermde natuurgebied Doñana te voorkomen. Zij wijst erop dat deze bepaling, gelezen in samenhang met punt 2.1.2 van bijlage V bij deze richtlijn, de lidstaten de verplichting oplegt te voorkomen dat menselijke activiteiten het grondwaterniveau wijzigen en op die manier de terrestrische ecosystemen beschadigen die rechtstreeks van deze waterlichamen afhangen.
28
De Commissie benadrukt in het bijzonder dat het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015 en het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 aantonen dat het Koninkrijk Spanje de krachtens artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2000/60 op deze lidstaat rustende verplichtingen niet is nagekomen.
29
Zo heeft deze lidstaat om te beginnen, door in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015 foutief te vermelden dat de watervoerende laag Almonte-Marismas in ‘goede kwantitatieve toestand’ verkeerde in de zin van punt 2.1.2 van bijlage V bij richtlijn 2000/60, de aanhoudende verslechtering onderschat die werd veroorzaakt door de overexploitatie van de watervoerende lagen in de regio Doñana — namelijk doordat almaar vaker te veel water werd onttrokken ten behoeve van irrigeerbare gronden — en niet de noodzakelijk maatregelen genomen om deze achteruitgang te vermijden. De Commissie benadrukt in dit verband dat de daling van de grondwaterniveaus in die watervoerende laag heeft geleid tot de verzuring van de tijdelijke lagunes, met grote schade tot gevolg voor de terrestrische ecosystemen die rechtstreeks afhankelijk waren van deze watervoerende laag.
30
Voorts is die achteruitgang bevestigd bij de goedkeuring van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021, waarbij de watervoerende laag Almonte-Marismas is opgedeeld in vijf grondwaterlichamen. In dit stroomgebiedsbeheerplan is officieel erkend dat drie van deze waterlichamen, te weten Marismas, Almonte en La Rocina (hierna: ‘drie waterlichamen’), in slechte kwantitatieve toestand verkeerden en dat twee daarvan, namelijk Marismas en Almonte, ook in slechte chemische toestand verkeerden.
31
Tot slot beklemtoont de Commissie dat volgens een rapport van de Confederación Hidrográfica del Guadalquivir (openbaar lichaam dat met het waterbeheer in het stroomgebied van de Guadalquivir-rivier is belast, Spanje) de drie waterlichamen, die de watervoerende laag Almonte-Marismas bevoorraden, er momenteel nog steeds op achteruitgaan, en dat er dus nog steeds schade wordt berokkend aan de terrestrische ecosystemen die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze waterlichamen, ook al zijn de in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 bepaalde maatregelen al getroffen.
32
Het Koninkrijk Spanje betwist de argumenten van de Commissie en betoogt dat de verplichtingen van artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2000/60 volledig zijn nagekomen, eerst met het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015 en vervolgens met het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021.
33
Ten eerste biedt artikel 4, lid 4, van richtlijn 2000/60 de mogelijkheid ermee te wachten de verplichtingen uit artikel 4, lid 1, onder b), van deze richtlijn na te komen om ‘doelstellingen voor waterlichamen’ gefaseerd te bereiken. Het Koninkrijk Spanje stelt van deze mogelijkheid gebruik te hebben gemaakt, daar het na de inwerkingtreding van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 heeft vastgesteld dat de doelstelling van een goede kwantitatieve toestand van de watervoerende laag Almonte-Marismas met name voor de drie waterlichamen niet kon worden bereikt.
34
Ten tweede zijn passende maatregelen genomen om aan de bepalingen van richtlijn 2000/60 te voldoen en om dus nieuwe verslechtering van de betrokken waterlichamen te vermijden. Zo is de totale wateronttrekking bij de waterlichamen ongeveer 10 % gedaald, zijn de drie waterlichamen waarvoor de doelstelling van een ‘goede kwantitatieve toestand’ niet kan worden bereikt, aangemerkt als waterlichamen ‘die mogelijk niet in goede kwantitatieve toestand kunnen worden gebracht’, is grondwateronttrekking vervangen door oppervlaktewateronttrekking, zijn er sinds 2015 almaar meer inspecties in de regio Doñana om niet-toegestane wateronttrekking te vermijden, zijn er strafdossiers aangelegd en zijn illegale waterputten gesloten. Deze maatregelen zijn doeltreffend gebleken, aangezien het waterlichaam Almonte niet meer voortdurend achteruitgaat en de toestand van de waterlichamen La Rocina en Marismas is verbeterd.
b) Beoordeling door het Hof
35
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat richtlijn 2000/60 een kaderrichtlijn is met als rechtsgrondslag artikel 175, lid 1, EG (thans artikel 192, lid 1, VWEU). De richtlijn stelt gemeenschappelijke beginselen en een algemeen actiekader voor waterbescherming vast en zorgt voor de coördinatie, de integratie en — op langere termijn — de ontwikkeling van algemene beginselen en structuren voor de bescherming en het duurzame gebruik van water in de Europese Unie. De gemeenschappelijke beginselen en het globale actiekader die in de richtlijn worden vastgesteld, moeten daarna verder worden ontwikkeld door de lidstaten door middel van specifieke maatregelen die worden genomen binnen de in die richtlijn gestelde termijnen. De richtlijn beoogt evenwel geen volledige harmonisatie van de regelingen van de lidstaten inzake water (arrest van 1 juli 2015, Bund für Umwelt und Naturschutz Deutschland, C-461/13, EU:C:2015:433, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
36
Richtlijn 2000/60 heeft volgens artikel 1, onder a), ervan tot doel een kader vast te stellen voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwateren en grondwater, waarmee aquatische ecosystemen en terrestrische ecosystemen die rechtstreeks afhankelijk zijn van aquatische ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed en worden beschermd en verbeterd (arrest van 1 juli 2015, Bund für Umwelt und Naturschutz Deutschland, C-461/13, EU:C:2015:433, punt 36).
37
De uiteindelijke doelstelling van richtlijn 2000/60 is dus om door een gecoördineerd optreden een ‘goede toestand’ van alle wateren in de Unie, inclusief grondwater, te bereiken.
38
De milieudoelstellingen die de lidstaten voor grondwater moeten bereiken, worden gepreciseerd in artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2000/60.
39
In deze bepaling zijn twee afzonderlijke maar intrinsiek met elkaar verbonden verplichtingen neergelegd. Ten eerste moeten de lidstaten op grond van punt i) van deze bepaling de nodige maatregelen ten uitvoer leggen met de bedoeling de inbreng van verontreinigende stoffen in het grondwater te voorkomen of te beperken en de achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen te voorkomen. Ten tweede moeten zij op grond van de punten ii) en iii) van deze bepaling alle grondwaterlichamen beschermen, verbeteren en herstellen met de bedoeling uiterlijk eind 2015 een goede toestand te bereiken. Bijgevolg vormt de eerste verplichting — in artikel 4, lid 1, onder b), i), van richtlijn 2000/60 — een verplichting om de achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen te voorkomen, en de tweede verplichting — in artikel 4, lid 1, onder b), ii) en iii) — van deze richtlijn, een verplichting om die toestand te verbeteren (zie in die zin arrest van 28 mei 2020, Land Nordrhein-Westfalen, C-535/18, EU:C:2020:391, punt 69).
40
Bovendien koppelt artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2000/60 de door de lidstaten krachtens deze bepaling te nemen beschermingsmaatregelen om de achteruitgang van de toestand van grondwaterlichamen te voorkomen, aan een voorafgaand beheerplan voor het betrokken stroomgebiedsdistrict (zie in die zin arrest van 11 september 2012, Nomarchiaki Aftodioikisi Aitoloakarnanias e.a., C-43/10, EU:C:2012:560, punt 52).
41
Voorts zij eraan herinnerd dat richtlijn 2000/60, om te waarborgen dat de lidstaten de door de Uniewetgever nagestreefde kwaliteitsdoelstellingen verwezenlijken, namelijk het behoud of herstel van een goede kwantitatieve en chemische toestand van het grondwater, een reeks bepalingen bevat — waaronder de artikelen 5 en 11 alsook de bepalingen van bijlage V — waarbij een ingewikkelde procedure is ingevoerd die bestaat uit meerdere, in detail geregelde fasen, teneinde de lidstaten in staat te stellen de nodige maatregelen ten uitvoer te leggen op basis van de bijzonderheden en kenmerken van de waterlichamen op hun grondgebied (zie in die zin arrest van 1 juli 2015, Bund für Umwelt und Naturschutz Deutschland, C-461/13, EU:C:2015:433, punten 41 en 42).
42
Tot slot volgt uit de bewoordingen, de systematiek en het doel van artikel 4 van richtlijn 2000/60 dat de verplichtingen van artikel 4, lid 1, onder a) en b), van deze richtlijn voor oppervlaktewateren en voor grondwater een dwingend karakter hebben (zie in die zin arrest van 28 mei 2020, Land Nordrhein-Westfalen, C-535/18, EU:C:2020:391, punt 72).
43
Hieruit volgt dat artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2000/60, zoals de Commissie betoogt, niet slechts in programmatische bewoordingen eenvoudige doelstellingen van beheerplanning formuleert, maar, zodra de ecologische toestand van het betrokken waterlichaam is bepaald, dwingende gevolgen sorteert in elke fase van de procedure die door die richtlijn wordt voorgeschreven (arrest van 28 mei 2020, Land Nordrhein-Westfalen, C-535/18, EU:C:2020:391, punt 73).
44
In het kader van deze grief verwijt de Commissie het Koninkrijk Spanje enkel niet te hebben voldaan aan de verplichting van artikel 4, lid 1, onder b), i), van richtlijn 2000/60 om de achteruitgang van de toestand van de grondwaterlichamen te voorkomen.
45
Bijgevolg moet nu al het argument van het Koninkrijk Spanje worden afgewezen dat artikel 4, lid 4, van richtlijn 2000/60 deze lidstaat de mogelijkheid bood om ermee te wachten de verplichtingen uit artikel 4, lid 1, onder b), van deze richtlijn na te komen voor met name de drie waterlichamen in het beschermde natuurgebied Doñana. Zoals de advocaat-generaal in punt 153 van haar conclusie heeft opgemerkt, geldt deze uitzondering op de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2000/60 immers enkel voor de verplichting tot verbetering in punt ii) van die bepaling, en niet voor de verplichting tot voorkoming van achteruitgang in punt i) ervan, die volgens de Commissie in casu niet is nagekomen.
46
Wat betreft de vraag of het Koninkrijk Spanje in strijd met artikel 4, lid 1, onder b), i), van richtlijn 2000/60 niet heeft voldaan aan de verplichting om de achteruitgang van de toestand van de grondwaterlichamen van het beschermde natuurgebied Doñana te voorkomen, moet om te beginnen worden herinnerd aan de vaste rechtspraak dat de Commissie in een niet-nakomingsprocedure de gestelde niet-nakoming moet aantonen en de gegevens moet aandragen die het Hof nodig heeft om uit te maken of er sprake is van niet-nakoming, en dat zij zich daarbij niet kan baseren op een of ander vermoeden [zie in die zin arrest van 5 maart 2020, Commissie/Cyprus (Opvang en zuivering van stedelijk afvalwater), C-248/19, niet gepubliceerd, EU:C:2020:171, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
47
Vervolgens moet de lidstaat alleen wanneer de Commissie voldoende bewijs heeft aangevoerd om het bestaan van de gestelde niet-nakoming aan te tonen, het aldus overgelegde bewijs en de daaruit voortvloeiende gevolgen inhoudelijk en gedetailleerd betwisten [zie naar analogie arrest van 28 maart 2019, Commissie/Ierland (Systeem voor opvang en behandeling van afvalwater), C-427/17, niet gepubliceerd, EU:C:2019:269, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
48
Tot slot blijkt volgens de rechtspraak uit de opzet van artikel 4 van richtlijn 2000/60 dat verslechteringen, ook al zijn ze tijdelijk, slechts onder strenge voorwaarden zijn toegestaan en dat de drempel waarboven er sprake is van niet-nakoming van de verplichting om achteruitgang van de toestand van een waterlichaam te voorkomen, laag moet zijn (zie in die zin arrest van 1 juli 2015, Bund für Umwelt und Naturschutz Deutschland, C-461/13, EU:C:2015:433, punt 67).
49
Zoals de advocaat-generaal in de punten 123 tot en met 134 van haar conclusie heeft aangegeven, veronderstelt het in die bepaling gehanteerde begrip ‘achteruitgang’ in de context van grondwater dat al in slechte staat verkeert, dat het reeds bestaande tekort nóg toeneemt en dat er dus méér overexploitatie is dan voordien. Dat er geen evenwicht tussen onttrekking en aanvulling van het grondwater is, betekent daarbij dat een grondwaterlichaam niet in een goede kwantitatieve toestand verkeert als gedefinieerd in punt 2.1.2 van bijlage V bij richtlijn 2000/60, maar vormt op zich niet een achteruitgang in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), i), van deze richtlijn. De vaststelling van de noodzakelijke maatregelen om dat evenwicht en dus een goede grondwatertoestand te bereiken, zoals het stopzetten van bovenmatige wateronttrekking, behoort tot de verbeteringsverplichting van artikel 4, lid 1, onder b), ii). Zolang de overexploitatie van een in slechte kwantitatieve toestand verkerend grondwaterlichaam niet toeneemt, gaat die toestand er dus niet op achteruit op een manier die in strijd is met de verplichting van artikel 4, lid 1, onder b), i), van de richtlijn.
50
De Commissie meent dat er sprake is van een achteruitgang van de toestand van de grondwaterlichamen van het beschermde natuurgebied Doñana in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), i), van richtlijn 2000/60, ten eerste omdat de kwantitatieve toestand van de watervoerende laag Almonte-Marismas fout zou zijn omschreven in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015, ten tweede omdat in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 zou staan aangegeven dat de drie waterlichamen in ‘slechte kwantitatieve toestand’ verkeren, en ten derde omdat de toestand van de drie waterlichamen achteruit zou zijn gegaan doordat het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 onvoldoende maatregelen zou bevatten.
1) Foute beschrijving van de kwantitatieve toestand van de watervoerende laag Almonte-Marismas in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015
51
De Commissie verwijt het Koninkrijk Spanje ten eerste in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015 ten onrechte te hebben aangegeven dat de watervoerende laag Almonte-Marismas in een ‘goede kwantitatieve toestand’ verkeerde in de zin van punt 2.1.2 van bijlage V bij richtlijn 2000/60, en bijgevolg onterecht te hebben vastgesteld dat de grondwaterstand van deze watervoerende laag niet zodanig door menselijke activiteit was gewijzigd dat daardoor de milieudoelstellingen van deze richtlijn niet zouden worden behaald, of geen milieuschade kon berokkenen aan de ecosystemen die rechtstreeks afhankelijk daarvan zijn. Volgens de Commissie vormt deze verkeerde kwalificatie het bewijs dat het Koninkrijk Spanje niet heeft aangetoond de noodzakelijke maatregelen te hebben genomen om de achteruitgang van de toestand van de grondwaterlichamen in de regio Doñana te voorkomen en met name de bovenmatige wateronttrekking te verminderen.
52
Zoals blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt, bestonden er op het moment van goedkeuring van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015 — te weten op 17 mei 2013 — voldoende aanwijzingen dat de watervoerende laag Almonte-Marismas niet voldeed aan de voorwaarden om te worden aangemerkt als een waterlichaam in ‘goede kwantitatieve toestand’ in de zin van punt 2.1.2 van bijlage V bij richtlijn 2000/60.
53
De Commissie heeft als bijlage bij haar verzoekschrift namelijk een aantal documenten van verschillende wetenschappelijke en officiële bronnen overgelegd die aantonen dat het risico bestond dat de watervoerende laag Almonte-Marismas ten tijde van de goedkeuring van dat plan de doelstellingen van richtlijn 2000/60 niet zou bereiken vanwege antropogene veranderingen en meer bepaald de bovenmatige wateronttrekking voor irrigeerbare gronden in de regio Doñana.
54
Bovendien was het Spaanse waterbestuur, zoals de Commissie betoogt, in het ruimtelijkeordeningsplan voor de regio Doñana — goedgekeurd bij Decreto 341/2003 del Gobierno de la Comunidad Autónoma de Andalucía por el que se aprueba el Plan de Ordenación del Territorio del ámbito de Doñana y se crea su Comisión de Seguimiento (koninklijk besluit nr. 341/2003 van de regering van de autonome gemeenschap Andalusië tot goedkeuring van het ruimtelijkeordeningsplan voor de regio Doñana en tot oprichting van een toezichtscommissie) van 9 december 2003 (BOJA nr. 22 van 3 januari 2004, blz. 2866) — reeds aangeraden om de gehele watervoerende laag Almonte-Marismas als overgeëxploiteerd of potentieel overgeëxploiteerd aan te merken, om zo het gevaar voor overexploitatie en verslechtering van de waterkwaliteit van die watervoerende laag te verkleinen.
55
Niettegenstaande het feit dat de in de punten 53 en 54 van dit arrest genoemde elementen, die dateren van 2003, 2008, 2009 en 2012, kunnen aantonen dat de watervoerende laag Almonte-Marismas ten tijde van de goedkeuring van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015 niet in een ‘goede kwantitatieve toestand’ in de zin van punt 2.1.2 van bijlage V bij richtlijn 2000/60 verkeerde, kan uit die elementen niet worden afgeleid dat de verkeerde beschrijving van de kwantitatieve toestand van die watervoerende laag in dat plan tot gevolg heeft gehad dat de grondwaterlichamen van het beschermde natuurgebied Doñana erop zijn achteruitgegaan, zoals gedefinieerd in punt 48 van dit arrest.
56
Uit het voorgaande volgt dat de Commissie niet heeft aangetoond dat het Koninkrijk Spanje de krachtens artikel 4, lid 1, onder b), i), van richtlijn 2000/60 op deze lidstaat rustende verplichtingen niet is nagekomen door in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015 de kwantitatieve toestand van de grondwaterlichamen van het beschermde natuurgebied Doñana verkeerd te hebben beschreven.
2) Kwalificatie ‘slechte kwantitatieve toestand’ van de drie waterlichamen in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021
57
De Commissie betoogt dat het bewijs van de verslechtering van de kwantitatieve toestand van de watervoerende laag Almonte-Marismas zit in het feit dat deze watervoerende laag bij de goedkeuring van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021, in januari 2016, is onderverdeeld in vijf waterlichamen, waarbij de kwantitatieve toestand van de drie waterlichamen is aangemerkt als ‘slecht’ in de zin van punt 2.1.2 van bijlage V bij richtlijn 2000/60. Volgens de Commissie wijst de aanpassing van dit plan er impliciet op dat de toestand van de grondwaterlichamen van het beschermde natuurgebied Doñana erop was achtergegaan in vergelijking met de toestand die was beschreven in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015.
58
Dit betoog kan echter niet worden aanvaard.
59
Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt namelijk dat de nieuwe omschrijving van de kwantitatieve toestand van de grondwaterlichamen van het beschermde natuurgebied Doñana louter het gevolg is van het feit dat de gehele watervoerende laag Almonte-Marismas voor de beoordeling ervan is opgedeeld in vijf aparte waterlichamen. Hierdoor is de slechte kwantitatieve toestand van de drie waterlichamen immers duidelijk geworden, terwijl de watervoerende laag Almonte-Marismas in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015 in haar geheel was beoordeeld en de kwantitatieve toestand daarvan als goed werd beschouwd.
60
Zoals het Koninkrijk Spanje heeft vastgesteld, is na de goedkeuring van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015 uit de geleidelijk verzamelde informatie gebleken dat dit plan technisch onnauwkeurig was wat de eerste maatregelen ter uitvoering van richtlijn 2000/60 betrof. Daarom is de watervoerende laag Almonte-Marismas in het kader van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 opgedeeld in vijf aparte waterlichamen, om de territoriale problemen gemakkelijker te kunnen lokaliseren, om nauwkeuriger te kunnen aanduiden voor welke zones het risico bestaat dat de doelstellingen van die richtlijn niet worden bereikt en om op die manier een efficiëntere en geschiktere oplossing uit te werken, die er in essentie in bestaat grondwateronttrekking terug te dringen.
61
Bovendien tonen de door de Commissie verstrekte bewijzen niet aan dat de drie waterlichamen die worden geacht in ‘slechte kwantitatieve toestand’ te verkeren, vóór de opdeling van de watervoerende laag Almonte-Marismas in betere staat waren. Uit punt 52 van dit arrest blijkt juist dat de door de Commissie overgelegde documenten bewijzen dat er vóór de goedkeuring van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015 genoeg aanwijzingen bestonden dat deze watervoerende laag niet in goede kwantitatieve toestand verkeerde. Derhalve kan uit het feit dat de kwantitatieve toestand van de drie waterlichamen in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 als slecht wordt omschreven, niet worden afgeleid dat deze toestand nog slechter is geworden dan de toestand die werd beschreven in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015.
62
Hieruit volgt dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de wijziging van de kwalificatie ‘goede kwantitatieve toestand’ van de watervoerende laag Almonte-Marismas zoals die in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015 was opgenomen, in de vermelding in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 dat de drie waterlichamen in ‘slechte kwantitatieve toestand’ verkeerden, het gevolg is geweest van een achteruitgang van de toestand van die watervoerende laag, zoals gedefinieerd in punt 48 van dit arrest.
3) Achteruitgang van de waterlichamen van het beschermde natuurgebied Doñana doordat in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021ontoereikende maatregelen zouden zijn opgenomen
63
De Commissie betoogt dat doordat bij het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 ontoereikende maatregelen zijn genomen, de ‘achteruitgang’ in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), i), van richtlijn 2000/60 nog steeds voortduurt en er nog geen inhaalbeweging is ingezet, met het risico dat de goede kwantitatieve toestand van de drie waterlichamen niet wordt bereikt binnen de in die richtlijn gestelde termijnen.
64
Om te beginnen zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak het bestaan van niet-nakoming moet worden beoordeeld aan de hand van de situatie waarin de betrokken lidstaat zich bevond aan het eind van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, en dat het Hof geen rekening kan houden met daarna opgetreden wijzigingen [zie arrest van 28 maart 2019, Commissie/Ierland (Systeem voor opvang en behandeling van afvalwater), C-427/17, niet gepubliceerd, EU:C:2019:269, punt 140 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
65
In casu is de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn vastgesteld op 29 juni 2016 en kan er dus geen rekening worden gehouden met een deel van de gegevens die de Commissie heeft overgelegd om de continue achteruitgang van de kwantitatieve toestand van de grondwaterlichamen van het beschermde natuurgebied Doñana aan te tonen, in het bijzonder niet met de meeste Spaanstalige persartikelen en rapporten van de niet-gouvernementele organisatie World Wildlife Fund (WWF), die informatie over 2017, 2018 en 2019 bevatten.
66
Aangaande de vraag of het Koninkrijk Spanje zijn verplichting tot voorkoming van achteruitgang van de toestand van die waterlichamen niet is nagekomen vóór 29 juni 2016, is de Commissie in wezen van mening dat de actuele, aanhoudende achteruitgang van de kwantitatieve toestand van deze waterlichamen wordt aangetoond door de voortdurende overonttrekking van grondwater in de regio Doñana en door de verslechtering van de oppervlaktewateren en ecosystemen.
67
Wat de aanhoudende overonttrekking van grondwater in de regio Doñana betreft, betoogt de Commissie dat verschillende bewijselementen afkomstig van wetenschappelijke studies, rapporten van de Spaanse autoriteiten en persartikels waarvan de kopieën als bijlage bij het verzoekschrift zijn gevoegd, bevestigen dat de geïrrigeerde oppervlakte in de regio Doñana sinds 2000 langzaam maar zeker toeneemt.
68
Hoewel dergelijke elementen inderdaad aanwijzingen kunnen vormen voor een aanhoudende overexploitatie van de watervoerende laag Almonte-Marismas, wordt daarmee niet aangetoond dat die overexploitatie nog verder is toegenomen en dat dit sinds de goedkeuring op 8 januari 2016 van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 een achteruitgang van die watervoerende laag heeft veroorzaakt.
69
In de documenten die de Commissie heeft overgelegd, met name in het in april 2017 opgestelde rapport van het openbaar lichaam dat met het waterbeheer in het stroomgebied van de Guadalquivir-rivier is belast over de toestand van de watervoerende laag Almonte-Marismas in het hydrologische jaar 2015–2016 en in het rapport van de Defensor del Pueblo (ombudsman van Spanje) van 10 augustus 2018, die als bijlage bij het verzoekschrift zijn gevoegd, wordt immers slechts gewaarschuwd dat het constante gebruik van de grondwatervoorraden een bedreiging vormt voor de goede toestand van deze watervoerende laag en van de terrestrische ecosystemen die ervan afhankelijk zijn, met het risico dat de drie waterlichamen die worden geacht in een slechte kwantitatieve toestand te zijn, niet terug in goede kwantitatieve toestand kunnen worden gebracht. Het feit dat grondwaterlichamen in een slechte kwantitatieve toestand blijven, betekent evenwel op zich niet, zoals in punt 49 van dit arrest is opgemerkt, dat die toestand verder is achteruitgegaan sinds de goedkeuring van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021.
70
Bovendien is het zo dat, zoals de advocaat-generaal in punt 130 van haar conclusie heeft opgemerkt, wanneer de kwantitatieve toestand van het grondwater slecht is, de in artikel 4, lid 1, onder b), i), van richtlijn 2000/60 bedoelde verplichting tot voorkoming van achteruitgang van deze toestand niet kan betekenen dat de overonttrekking van het grondwater zodanig moet worden teruggedrongen dat het evenwicht tussen de onttrekking en de aanvulling van het grondwater wordt bereikt. Dit evenwicht beantwoordt aan de definitie van een goede kwantitatieve toestand in de zin van punt 2.1.2, eerste volzin, van bijlage V bij deze richtlijn, die moet worden bereikt in het kader van de in artikel 4, lid 1, onder b), ii) en iii), ervan bedoelde verbeteringsverplichting, waarvan de naleving niet wordt betwist in deze grief.
71
Derhalve volgt uit het voorgaande dat wanneer grondwaterlichamen in slechte kwantitatieve toestand verkeren, hetgeen ook is vastgesteld in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021, de in artikel 4, lid 1, onder b), i), van richtlijn 2000/60 neergelegde verplichting tot voorkoming van achteruitgang van de kwantitatieve toestand van die waterlichamen enkel impliceert dat er niet nog meer grondwater wordt onttrokken, zodat de oorzaken van de vastgestelde slechte kwantitatieve toestand niet nog erger worden. De Commissie heeft echter niet bewezen dat de grondwateronttrekking is toegenomen na de goedkeuring van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 of dat de oorzaken van de slechte kwantitatieve toestand van de watervoerende laag Almonte-Marismas zijn verergerd.
72
Het Koninkrijk Spanje heeft daarentegen controlegegevens van het met het waterbeheer in het stroomgebied van de Guadalquivir belast openbaar lichaam verstrekt waaruit blijkt dat, althans sinds 2015, de indicator van de toestand van de grondwaterlichamen van de watervoerende laag Almonte-Marismas weer in de richting van zijn vroegere niveaus gaat, een tendens die waarneembaar is voor zowel alle grondwaterlichamen van de watervoerende laag Almonte-Marismas samen als de drie waterlichamen, in het bijzonder La Rocina. Derhalve moet worden vastgesteld dat volgens de beschikbare officiële registers de grondwaterlichamen van het beschermde natuurgebied Doñana sinds ongeveer 2015 zeer lichtjes in positieve zin evolueren dankzij de concrete maatregelen die zijn uitgevoerd om de grondwateronttrekking in de regio Doñana te verminderen.
73
Gelet op de voorgaande overwegingen moet worden geoordeeld dat de Commissie niet heeft aangetoond dat de slechte kwantitatieve toestand van de grondwaterlichamen van het beschermde natuurgebied Doñana, in strijd met de in artikel 4, lid 1, onder b), i), van richtlijn 2000/60 neergelegde verplichting tot voorkoming van achteruitgang van het grondwater, door toegenomen onttrekking verder is verergerd.
74
Wat de achteruitgang van het oppervlaktewater en van de ecosystemen betreft, moet samen met de advocaat-generaal in punt 149 van haar conclusie worden opgemerkt dat deze verslechteringen aanwijzingen kunnen vormen voor een slechte kwantitatieve toestand van het betrokken grondwaterlichaam, maar niet voor verdere verslechteringen van die toestand. De Commissie heeft trouwens evenmin aangetoond dat deze aanwijzingen bewijzen dat de slechte kwantitatieve toestand van alle grondwaterlichamen van het beschermde natuurgebied Doñana is verergerd.
75
Bijgevolg heeft de Commissie niet aangetoond dat de drie waterlichamen er naar aanleiding van de in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 vastgestelde maatregelen op zijn achteruit gegaan.
76
Uit al het voorgaande volgt dat de Commissie niet heeft aangetoond dat het Koninkrijk Spanje niet heeft voldaan aan zijn verplichting om de achteruitgang van de toestand van de grondwaterlichamen van het beschermde natuurgebied Doñana te voorkomen in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), i), van richtlijn 2000/60.
2. Tweede grief
a) Argumenten van partijen
77
Volgens de Commissie heeft het Koninkrijk Spanje artikel 5, lid 1, van richtlijn 2000/60 juncto punt 2.2 van bijlage II bij deze richtlijn onjuist toegepast door geen nadere karakterisering te hebben uitgevoerd van de grondwaterlichamen van de regio Doñana waarvoor het gevaar bestond dat de doelstellingen van deze richtlijn niet zouden worden behaald, en bijgevolg niet de maatregelen te hebben vastgesteld die nodig zijn om de doelstellingen van deze richtlijn te behalen.
78
Zij verwijt het Koninkrijk Spanje in wezen dat het de gevolgen van de wateronttrekking voor de grondwaterlichamen van de regio Doñana in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015 heeft onderschat, en dat het niet heeft aangegeven voor welke grondwaterlichamen het risico bestond dat die doelstellingen niet zouden worden behaald. Volgens de Commissie heeft deze eerste, ontoereikende karakterisering tot gevolg gehad dat het Koninkrijk Spanje geen nadere karakterisering heeft uitgevoerd, zoals punt 2.2 van bijlage II bij richtlijn 2000/60 nochtans vereist, wat er op zijn beurt toe heeft geleid dat niet de nodige maatregelen zijn genomen om voornoemde doelstellingen te bereiken.
79
Bovendien biedt de karakterisering die in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 is uitgevoerd, geen oplossing voor de schending van de bepalingen van richtlijn 2000/60, aangezien deze nieuwe karakterisering onvolledig blijft en niet aan alle vereisten van deze richtlijn voldoet, bijvoorbeeld in verband met de correcte bepaling van de kwantitatieve toestand van de betrokken grondwaterlichamen. De Commissie merkt in dit verband ten eerste op dat bij de opdeling van de watervoerende laag Almonte-Marismas in vijf aparte grondwaterlichamen geen voldoende nauwkeurige omschrijving is gegeven van de chemische en de kwantitatieve toestand van deze waterlichamen, waardoor de doelstellingen van richtlijn 2000/60 dus niet kunnen worden bereikt, ten tweede dat de op het moment van de karakterisering van die waterlichamen beschikbare wetenschappelijke informatie ontoereikend was, en ten derde dat de analyse van de druk en de effecten van de onttrekkingen op de grondwaterlichamen van het beschermde natuurgebied Doñana ernstige tekortkomingen vertoont.
80
De Commissie maakt daaruit op dat de Spaanse autoriteiten de kwantitatieve toestand van die waterlichamen onjuist hebben geëvalueerd, aangezien een geschikte evaluatie duidelijk zou hebben gemaakt dat voor alle betrokken waterlichamen het risico bestond dat de milieudoelstellingen van richtlijn 2000/60 niet zouden worden behaald.
81
Het Koninkrijk Spanje betwist deze argumenten en voert aan dat het wel degelijk heeft voldaan aan de verplichting van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2000/60 om een eerste karakteriseringsstudie van de betrokken grondwaterlichamen te verrichten overeenkomstig de technische specificaties van de bijlagen II en III bij deze richtlijn. Deze studie is aanvankelijk uitgevoerd in 2013, in het kader van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015, en vervolgens in 2016, in het kader van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021.
82
Het heeft met name een passende eerste karakterisering uitgevoerd van de grondwaterlichamen van het stroomgebiedsdistrict Doñana. In het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015 werd de watervoerende laag Almonte-Marismas in haar geheel aangemerkt als verkerende in een ‘goede kwantitatieve toestand’, waardoor de lidstaat geen nadere karakteriseringsstudie overeenkomstig artikel 5 van richtlijn 2000/60 hoefde te verrichten. Bovendien werd die watervoerende laag in artikel 4, lid 3, van dat stroomgebiedsbeheerplan gerekend tot de strategische grondwaterlichamen die in essentie zijn voorbehouden voor menselijke consumptie.
83
Voorts betoogt het Koninkrijk Spanje dat bij de herziening in het kader van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 de karakterisering van de watervoerende laag Almonte-Marismas is gewijzigd en deze watervoerende laag is opgesplitst, en wel om hydrogeologische redenen en om redenen van milieubescherming en grondgebruik en -beheer. Deze opsplitsing in vijf afzonderlijke grondwaterlichamen heeft het mogelijk gemaakt de toestand van elk van deze waterlichamen nauwkeuriger en representatiever te beoordelen en het in dat stroomgebiedsbeheerplan vastgestelde maatregelenprogramma doeltreffender toe te passen. Volgens het Koninkrijk Spanje is deze karakterisering van de watervoerende laag Almonte-Marismas niet alleen volledig in overeenstemming met de bepalingen van richtlijn 2000/60, maar ook passend en toereikend om te beoordelen in welke mate die voldoet aan de doelstellingen van deze richtlijn.
84
Ten slotte betoogt het Koninkrijk Spanje, dat stelt dat de in artikel 5 van de richtlijn bedoelde karakterisering is verricht aan de hand van talrijke hydrologische studies met gegevens en informatie die qua omvang en kwaliteit moeilijk te vergelijken zijn met die van andere hydrologische plannen in Spanje, dat deze studies in het kader van de onderhavige procedure als een geldige bron van informatie moeten worden beschouwd.
b) Beoordeling door het Hof
85
Om aan de milieudoelstellingen van artikel 4 van richtlijn 2000/60 te voldoen moeten de lidstaten een totaaloverzicht hebben van de kenmerken van de betrokken waterlichamen.
86
Daartoe bepalen de lidstaten om te beginnen overeenkomstig artikel 3 van richtlijn 2000/60 de afzonderlijke stroomgebieden, wijzen ze die aan afzonderlijke districten toe en wijzen ze de bevoegde autoriteiten aan.
87
Vervolgens stellen ze een karakterisering van de waterlichamen op, als bedoeld in artikel 5, lid 1, van richtlijn 2000/60 en de bijlagen II en III daarbij. Volgens deze bepaling moet elke lidstaat er zorg voor dragen dat voor elk stroomgebiedsdistrict op zijn grondgebied een analyse van de kenmerken ervan, een beoordeling van de effecten van menselijke activiteiten op de toestand van het grondwater en een economische analyse van het watergebruik worden uitgevoerd overeenkomstig met name de technische specificaties in die bijlagen II en III.
88
Volgens lid 2 van artikel 5 van die richtlijn worden de in lid 1 van dat artikel bedoelde analyses en beoordelingen uiterlijk 13 jaar na de datum van inwerkingtreding van de richtlijn en vervolgens om de zes jaar getoetst en zo nodig bijgewerkt.
89
Wat die technische specificaties betreft, moet worden opgemerkt dat in punt 2 van bijlage II bij richtlijn 2000/60 uitvoerig wordt beschreven welke voorschriften de lidstaten bij de eerste en, zo nodig, de nadere karakterisering van de grondwaterlichamen moeten naleven.
90
Zo geeft punt 2.1 van bijlage II bij die richtlijn details over de eerste karakterisering van alle grondwaterlichamen, die ertoe strekt te beoordelen voor welke doeleinden zij worden gebruikt en hoe groot het gevaar is dat zij niet voldoen aan de doelstellingen voor ieder grondwaterlichaam van artikel 4 van die richtlijn.
91
Volgens punt 2.2 van bijlage II bij richtlijn 2000/60 moeten de lidstaten, na die eerste karakterisering van alle grondwaterlichamen, een nadere karakterisering maken van de grondwaterlichamen waarvoor het gevaar bestaat dat zij niet voldoen aan de voormelde doelstellingen, om nauwkeuriger te kunnen beoordelen hoe groot het gevaar hiervoor is en welke maatregelen er krachtens artikel 11 van deze richtlijn moeten worden genomen. De nadere karakterisering moet relevante gegevens bevatten over de effecten van menselijke activiteiten op de toestand van die waterlichamen en, voor zover dienstig, over andere kenmerken van de betrokken grondwaterlichamen.
92
Met deze grief verwijt de Commissie het Koninkrijk Spanje ten eerste geen nadere karakterisering te hebben verricht in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015, en ten tweede een onvolledige karakterisering te hebben verricht in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021.
93
Om te beginnen zij er samen met de advocaat-generaal in punt 80 van haar conclusie aan herinnerd dat uit artikel 5, lid 1, en artikel 13, lid 6, van richtlijn 2000/60 alsook uit bijlage VII daarbij blijkt dat de karakterisering van de grondwaterlichamen moet gebeuren vóórdat het beheerplan wordt opgesteld en dus als uitgangspunt dient voor de inhoud van dit plan.
94
Zoals in punt 52 van dit arrest is vermeld, blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier bovendien dat er op het moment van de opstelling van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015 voldoende aanwijzingen bestonden dat de watervoerende laag Almonte-Marismas, zoals omschreven in dit plan, overgeëxploiteerd werd en dat het gevaar bestond dat de doelstellingen van richtlijn 2000/60 niet zouden worden bereikt. Dienaangaande moet worden geconstateerd dat in het ruimtelijkeordeningsplan voor de regio Doñana, dat in punt 54 van dit arrest wordt genoemd, werd voorgesteld om deze watervoerende laag (potentieel) overgeëxploiteerd te verklaren. Voorts citeert de Commissie in haar repliek twee rapporten van het Instituto Geológico y Minero de España (instituut voor geologie en mijnkunde, Spanje) en de Consejo Superior de Investigaciones Científicas (hoge raad voor wetenschappelijk onderzoek, Spanje) van respectievelijk 2009 en 2017, die zij als bijlage bij het verzoekschrift heeft gevoegd, waarin reeds was vastgesteld dat er aan die watervoerende laag te veel grondwater werd onttrokken.
95
Het Koninkrijk Spanje geeft in dit verband toe dat het risico op het niet bereiken van de doelstellingen van richtlijn 2000/60 reeds ter sprake kwam in een eerste in 2004 en 2005 gepubliceerd rapport dat was opgesteld in het kader van de in artikel 5, lid 1, van deze richtlijn bedoelde karakterisering van de grondwaterlichamen. Toch was die lidstaat, na een globale beoordeling van de watervoerende laag Almonte-Marismas, in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015 van oordeel dat deze in haar geheel in een ‘goede kwantitatieve toestand’ verkeerde, waardoor hij geen nadere karakteriseringsstudie hoefde te maken overeenkomstig artikel 5 van die richtlijn. Voorts stelt het Koninkrijk Spanje dat deze beoordeling is gecorrigeerd en verbeterd zodra het nauwkeurigere informatie heeft gekregen, en dat het de publicatie van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 overeenkomstig het tijdschema van richtlijn 2000/60 heeft moeten afwachten om de vastgestelde verbeteringen te melden.
96
Zoals uit de punten 84 tot en met 87 van de conclusie van de advocaat-generaal blijkt, kon het Koninkrijk Spanje met de in het vorige punt genoemde ‘globale beoordeling’ echter niet het risico uitsluiten dat de watervoerende laag Almonte-Marismas of delen daarvan mogelijk niet voldeden aan de doelstellingen van artikel 4 van die richtlijn. Dit risico had volgens punt 2.1 van bijlage II daarbij dan ook moeten worden vastgesteld bij de eerste karakterisering van alle grondwaterlichamen die richtlijn 2000/60 eist.
97
Voorts dient er, zoals ook de advocaat-generaal in punt 87 van haar conclusie heeft opgemerkt, volgens punt 2.2 van bijlage II bij richtlijn 2000/60 een nadere karakterisering te worden gemaakt wanneer er voor de betrokken grondwaterlichamen een risico op een slechte kwantitatieve toestand bestaat, dat wil zeggen wanneer het risico bestaat dat een waterlichaam de doelstellingen van artikel 4 van deze richtlijn niet behaalt. Bijgevolg kan het Koninkrijk Spanje niet aanvoeren dat een dergelijke nadere karakterisering van de betrokken grondwaterlichamen noodzakelijk, passend noch opeisbaar was in het kader van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015; voormeld gevaar was duidelijk aanwezig en kon niet worden genegeerd.
98
Uit deze overwegingen blijkt dat het Koninkrijk Spanje niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 5 van richtlijn 2000/60 door in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015 niet overeenkomstig punt 2.1 van bijlage II bij deze richtlijn te hebben vastgesteld dat er gevaar bestond dat voor de watervoerende laag Almonte-Marismas de doelstellingen van deze richtlijn niet zouden worden bereikt, en door vervolgens geen nadere karakterisering als bedoeld in punt 2.2 van die bijlage II te hebben ingediend.
99
In dit verband zij eraan herinnerd dat, zoals uit de punten 64 en 65 van dit arrest blijkt, het bestaan van niet-nakoming in casu moet worden beoordeeld aan de hand van de situatie waarin de watervoerende laag Doñana zich bevond aan het eind van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn, te weten 29 juni 2016. Op die datum was het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021, dat op 8 januari 2016 was goedgekeurd, al van kracht.
100
In dit stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 heeft het Koninkrijk Spanje een nadere karakterisering verricht overeenkomstig punt 2.2 van bijlage II bij richtlijn 2000/60. De Commissie betoogt echter dat de daarbij gebruikte wetenschappelijke informatie ontoereikend was. Volgens haar heeft het Koninkrijk Spanje zich bij de bepaling van de kwantitatieve toestand van de grondwaterlichamen van het beschermde natuurgebied Doñana enkel gebaseerd op de evolutie van de waterstand van de watervoerende laag Doñana, en met name op de gegevens van het piëzometrisch netwerk van Doñana, zodat de conclusies die het daaruit heeft getrokken niet voldoen aan de vereisten die voortvloeien uit artikel 5 van richtlijn 2000/60 juncto punt 2.2 van bijlage II daarbij.
101
Ten eerste waren de beschikbare wetenschappelijke gegevens voor de karakterisering van de betrokken grondwaterlichamen in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 volgens de Commissie ontoereikend. Zij bekritiseert vooral het feit dat dit plan gebaseerd is op een rapport over de toestand van de watervoerende laag Almonte-Marismas voor het hydrologische jaar 2012–2013, dat is opgesteld door het openbaar lichaam belast met het waterbeheer in het stroomgebied van de Guadalquivir en dat voor de grondwaterlichamen La Rocina en Marismas de Doñana geen meetpunt voor de grondwaterstand vermeldt. Opgemerkt moet echter worden dat de Commissie noch preciseert, noch aantoont dat die gegevens essentieel waren voor het uitvoeren van die karakterisering. Zij verwijst bovendien slechts naar een internetportaal van de Spaanse regering met geografische informatie, zonder uit te leggen hoe de informatie waarop zij zich beroept, kan worden teruggevonden.
102
Ten tweede verwijt de Commissie de Spaanse autoriteiten schattingen te hebben verricht op basis van het piëzometrische niveau van de grondwaterlichamen van de watervoerende laag Doñana. Volgens haar houden deze schattingen enkel rekening met de evolutie van de waterstand van deze watervoerende laag en volstaan zij dus niet om de kwantitatieve toestand van de grondwaterlichamen van het beschermde natuurgebied Doñana te bepalen. De algemene tendens van alle piëzometers is trouwens negatief.
103
Dienaangaande moet om te beginnen worden geconstateerd dat punt 2.1.2 van bijlage V bij richtlijn 2000/60 in een ‘regeling voor de grondwaterstand’ voorziet als parameter voor de indeling naar kwantitatieve toestand van het grondwater, maar niet aangeeft op welke manier die stand moet worden bepaald.
104
Vervolgens blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier dat de Commissie geen enkel gegeven aandraagt om te bewijzen, in de zin van de in punt 46 van dit arrest aangehaalde rechtspraak, dat de door het Koninkrijk Spanje gehanteerde methode niet volstaat om de in artikel 5 van richtlijn 2000/60 bedoelde karakterisering uit te voeren. Dat de watervoerende laag Doñana wordt overgeëxploiteerd en de grondwaterlichamen van deze watervoerende laag niet vóór 2027 in goede kwantitatieve toestand zullen verkeren, bewijst niet dat de stand van deze waterlichamen irrelevant is om de kwantitatieve toestand van deze watervoerende laag te bepalen overeenkomstig de voorwaarden van bijlage V bij die richtlijn.
105
Tot slot toont het Koninkrijk Spanje aan dat het in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 andere parameters in aanmerking heeft genomen om de kwantitatieve toestand van de watervoerende laag Doñana te evalueren, zoals het evenwicht tussen de wateronttrekking en de beschikbare watervoorraad.
106
In die omstandigheden moet worden geoordeeld dat de Commissie niet heeft aangetoond dat het Koninkrijk Spanje zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 5 van richtlijn 2000/60 en punt 2.2 van bijlage II daarbij niet is nagekomen door piëzometrische gegevens te hebben gebruikt om de kwantitatieve toestand te bepalen van de grondwaterlichamen van het beschermde natuurgebied Doñana.
107
Ten derde betoogt de Commissie dat de analyse van de door de onttrekking veroorzaakte belasting voor de grondwaterlichamen van het beschermde natuurgebied Doñana aanzienlijke leemten vertoont. Zij bekritiseert met name het feit dat in bijlage 3 bij het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021, die gebaseerd is op een inventaris uit 2008, slechts wordt berekend hoeveel water nodig is voor de verschillende gebruikstoepassingen in de regio en onvoldoende rekening wordt gehouden met de zware belasting die de illegale wateronttrekking veroorzaakt voor de geïrrigeerde gewassen. Bovendien is er geen beoordeling verricht van de gevolgen van de wateronttrekking die voor de stedelijke bevoorrading van met name het toeristische kustgebied Matalascañas (Spanje) bestemd is.
108
In casu moet worden vastgesteld dat het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021, wat betreft de karakterisering die verricht werd krachtens artikel 5 van richtlijn 2000/60, geen rekening houdt met de belasting als gevolg van de illegale onttrekking en de onttrekking voor de stedelijke bevoorrading van met name dat toeristisch gebied. Zo bevat punt 5.2 van bijlage 2 bij dat plan, dat over ‘de karakterisering van de grondwaterlichamen’ gaat, slechts een algemene omschrijving van de bronnen en methoden die gebruikt werden om de totale onttrekking van de grondwaterlichamen te bepalen, en wordt in punt 5.2 van bijlage 3 bij dat plan, betreffende ‘de belasting van grondwaterlichamen’, niet vermeld dat de illegale wateronttrekking in aanmerking is genomen bij de bepaling van de belasting van de irrigeerbare oppervlakken. Bovendien worden de gevolgen van de stedelijke belasting wel vermeld in deze bijlage, maar zijn zij moeilijk te beoordelen.
109
Blijkens punt 2.2 van bijlage II bij richtlijn 2000/60 moet echter een nauwkeuriger beoordeling van de omvang van het betrokken gevaar — met name illegale onttrekkingen en onttrekkingen voor drinkwaterproductie — worden gemaakt om uit te maken welke maatregelen er krachtens artikel 11 van deze richtlijn moeten worden genomen. Zoals de advocaat-generaal in punt 108 van haar conclusie heeft opgemerkt, kan de toestand van het grondwaterlichaam zonder een dergelijke beoordeling niet juist worden ingeschat, en kan dus moeilijk worden uitgemaakt of de maatregelen die zijn vastgesteld om een goede kwantitatieve toestand van het betrokken grondwater tot stand te brengen, en in het bijzonder om illegale wateronttrekking te bestrijden, volstaan.
110
Derhalve moet worden geoordeeld dat het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 niet alle nodige informatie bevat om de effecten van menselijke activiteit op de grondwaterlichamen van de regio Doñana te kunnen bepalen in de zin van artikel 5 van de richtlijn juncto punt 2.2 van bijlage II daarbij.
111
Uit deze overwegingen blijkt dat het Koninkrijk Spanje de krachtens artikel 5, lid 1, van richtlijn 2000/60 juncto punt 2.2 van bijlage II daarbij op deze lidstaat rustende verplichtingen niet is nagekomen door bij de schatting van de grondwateronttrekking in de regio Doñana in het kader van de nadere karakterisering van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 geen rekening te hebben gehouden met de illegale wateronttrekking en de wateronttrekking die met het oog op de stedelijke bevoorrading plaatsvindt.
3. Derde grief
a) Argumenten van partijen
112
Volgens de Commissie is het Koninkrijk Spanje de krachtens artikel 11, lid 1, lid 3, onder a), c) en e), en lid 4, van richtlijn 2000/60 op deze lidstaat rustende verplichtingen niet nagekomen door geen passende basis- en aanvullende maatregelen op te nemen in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015 en het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021. Bovendien is een groot deel van de door die lidstaat aangekondigde maatregelen nog steeds niet ten uitvoer gelegd, zonder dat daarvoor redenen zijn gegeven.
113
De Commissie betoogt meer bepaald ten eerste dat de maatregelen in die plannen voornamelijk dienen om het probleem van de illegale wateronttrekking op te lossen, niet om de belasting voor de watervoerende lagen van het beschermde natuurgebied Doñana of de huidige vraag naar water te verminderen. Zij heeft ook kritiek op het feit dat in het bijzondere irrigatieplan voor Doñana van 2014 grond waarvoor nooit enig recht is verleend maar die minstens sinds 2014 wordt geïrrigeerd — het jaar van inwerkingtreding van het in punt 54 van dit arrest vermelde ruimtelijkeordeningsplan voor de regio Doñana — wordt aangemerkt als ‘irrigeerbare landbouwgrond’.
114
Ten tweede wordt in het bijzondere irrigatieplan voor Doñana van 2014 overmatig belang gehecht aan wateroverdracht maar geen oplossing gegeven voor de problemen rond de kwalitatieve toestand, en dan vooral de goede chemische toestand, van de wateren. Dit plan garandeert evenmin de instandhouding van de van het grondwater afhankelijke ecosystemen. Bovendien wordt de door wateroverdracht gerealiseerde vermindering van de grondwateronttrekking soms tenietgedaan door de toename van het aantal door de Spaanse autoriteiten toegekende irrigatierechten.
115
Ten derde erkent de Commissie weliswaar dat bepaalde van de door het Koninkrijk Spanje meegedeelde maatregelen de achteruitgang van het grondwater van het beschermde natuurgebied Doñana kunnen verhelpen en er op die manier voor kunnen zorgen dat de verplichtingen van richtlijn 2000/60 worden nageleefd, maar blijft zij erbij dat voor die maatregelen te weinig financiële middelen worden uitgetrokken, wat hun doeltreffendheid vermindert. Zij heeft het onder meer over de maatregelen om het watergebruik te controleren, zoals het inspecteren en opsporen van illegale waterputten, en de maatregelen om illegale wateronttrekking te beboeten en te beëindigen.
116
Ten vierde betoogt de Commissie dat uit het jaarlijks rapport van de ombudsman van Spanje over het jaar 2018 duidelijk blijkt dat die problemen te wijten zijn aan het feit dat het openbaar lichaam dat met het waterbeheer in het stroomgebied van de Guadalquivir is belast, onvoldoende gebruikmaakt van zijn wettelijke bevoegdheden op het gebied van water. Daarom heeft de ombudsman dit openbaar lichaam aanbevolen de drie waterlichamen uit te roepen tot overgeëxploiteerde watervoerende lagen en een actieprogramma goed te keuren om de wateronttrekking te reguleren en om de maatregelen te coördineren die zijn genomen in de verschillende instrumenten voor de planning van de watervoorraden, de landbouw en de bescherming van natuurgebieden, teneinde een duurzaam watergebruik te waarborgen. De conclusies van die ombudsman krijgen bijval uit non-gouvernementele hoek.
117
Ten vijfde bieden de door het Koninkrijk Spanje aangekondigde maatregelen volgens de Commissie geen oplossing voor de problematiek van het excessieve watergebruik voor toerisme, vooral in het kustdorp Matalascañas, dat in verschillende studies wordt aangeduid als de hoofdoorzaak van de overexploitatie van bepaalde grondwaterlichamen in het beschermde natuurgebied Doñana.
118
De Commissie komt tot de slotsom dat het Koninkrijk Spanje heeft nagelaten de nodige controle-, inspectie- en sanctiemaatregelen toe te passen en ten uitvoer te leggen om personen die niet-toegestane wateronttrekkingen verrichten en illegale installaties installeren, daadwerkelijk te ontmoedigen. Volgens haar heeft het Koninkrijk Spanje ook nagelaten passende maatregelen te nemen om de hoeveelheid wateronttrekking af te stemmen op een duurzaam niveau waarbij met zekerheid een goede kwantitatieve en chemische toestand van het grondwater van het beschermde natuurgebied Doñana en een gunstige staat van instandhouding van de bijbehorende habitats kan worden bereikt. Bovendien verwijt de Commissie het Koninkrijk Spanje dat het geen maatregelen heeft genomen om de hoeveelheid water waarover de landbouwsector in de regio kan beschikken, aan te passen, het waterverbruik te verminderen of een redelijker watergebruik te bevorderen.
119
Het Koninkrijk Spanje betwist deze stellingen op grond dat ze onduidelijk en ongegrond zijn.
120
Om te beginnen betoogt het Koninkrijk Spanje dat het de verplichtingen uit artikel 11, lid 2, lid 3, onder a) en c), en lid 4, van richtlijn 2000/60 is nagekomen omdat het in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 maatregelen heeft genomen om de goede toestand van de grondwaterlichamen van het beschermde natuurgebied Doñana te herstellen en om een duurzaam gebruik van watervoorraden te garanderen, namelijk door de wateronttrekking te beheren en de verschillende planningsinstrumenten met betrekking tot de watervoorraden, de landbouwactiviteit en de bescherming van de natuurgebieden te coördineren. Het merkt in dit verband op dat de doeltreffendheid van deze maatregelen is vastgesteld in de laatste jaarrapporten over de toestand van de watervoerende lagen van het beschermde natuurgebied Doñana.
121
Vervolgens benadrukt het Koninkrijk Spanje dat het sinds de opstelling van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 nieuwe maatregelen heeft genomen om de milieudoelstellingen van richtlijn 2000/60 te bereiken. Zo heeft het een regulariseringsproces voor wateronttrekkingen ontwikkeld, het rapport over de toestand van de watervoerende laag Doñana voor de jaren 2017 en 2018 uitgewerkt, een document voor de opstart van een openbare raadplegingsprocedure opgesteld, aangeplante oppervlakten gemonitord via teledetectie, onderzoekswerkzaamheden in grondwateren gecoördineerd, inspecties verricht, sanctie- en handhavingsdossiers geopend in verband met ongeoorloofde wateronttrekking, illegale waterputten gesloten, dossiers over toegekende rechten voor wateronttrekking in het waterlichaam La Rocina herzien en dossiers over beëindiging wegens niet-gebruik of niet-naleving van de onttrekkingsvoorwaarden geïnspecteerd.
122
Ook wijst het Koninkrijk Spanje op het belang van de procedure waarbij de drie waterlichamen zijn uitgeroepen tot waterlichamen ‘die het risico lopen geen goede kwantitatieve toestand te bereiken’. Die procedure is het krachtigste administratief instrument dat in de Spaanse rechtsorde op het gebied van grondwater beschikbaar is, aangezien daarmee grondwateronttrekking aan banden kan worden gelegd, de oprichting van gemeenschappen van watergebruikers kan worden afgedwongen en specifieke actieprogramma's kunnen worden opgesteld om de gedetecteerde problemen aan te pakken.
123
Bovendien wijst het Koninkrijk Spanje op het feit dat de landbouw in bepaalde gebieden dicht bij het beschermde natuurgebied Doñana, in het bijzonder de teelt van rood fruit, de voornaamste economische motor van de regio vormt. Het gaat om een geconsolideerde sector die voldoet aan de geldende waterwetgeving en die niet kan worden opgeheven, gezien het fundamentele karakter ervan voor het economisch voortbestaan van de regio. Het is de bedoeling deze sector aan te passen aan de mogelijkheden die de watervoorraden van de regio bieden, doch zonder voorbij te gaan aan de gebruikers die wettelijke rechten op watergebruik hebben.
124
Tot slot betwist het Koninkrijk Spanje de stellingen van de Commissie over de ondoeltreffendheid van de door deze lidstaat toegepaste waterafvoermaatregelen, op grond dat zij haar verwijten baseert op onbestaande of ongecontroleerde informatie.
b) Beoordeling door het Hof
125
Er zij aan herinnerd dat de lidstaten, na overeenkomstig bijlage V bij richtlijn 2000/60 een klasse-indeling te hebben gemaakt van de kwantitatieve toestand van het grondwater, overeenkomstig artikel 4 van deze richtlijn moeten uitmaken hoe de betrokken waterlichamen een goede kwantitatieve toestand of op zijn minst een goed ecologisch potentieel zullen bereiken en moeten voorkomen dat de toestand van deze waterlichamen achteruitgaat.
126
Daartoe moet elke lidstaat volgens artikel 11, lid 1, van richtlijn 2000/60 voor elk stroomgebiedsdistrict of voor het op zijn grondgebied gelegen deel van een internationaal stroomgebiedsdistrict een maatregelenprogramma opstellen. Deze maatregelenprogramma's zijn basisplanningsinstrumenten om de belasting voor de betrokken waterlichamen te verlichten en een goede watertoestand in de stroomgebieden of waterlichamen te bereiken. De programma's moeten rekening houden met de resultaten van de krachtens artikel 5 van deze richtlijn voorgeschreven analyses, teneinde de doelstellingen van artikel 4 ervan te verwezenlijken, en kunnen voorts verwijzen naar maatregelen die voortvloeien uit de nationale wetgeving en op geheel het grondgebied van een lidstaat betrekking hebben.
127
Diezelfde maatregelenprogramma's moeten de in lid 3 van artikel 11 van richtlijn 2000/60 genoemde ‘basismaatregelen’ omvatten, te weten de minimumvereisten waaraan moet worden voldaan, alsook, indien nodig, de in lid 4 van dit artikel en bijlage VI, deel B, bij deze richtlijn beschreven ‘aanvullende maatregelen’.
128
In casu betwist de Commissie in de eerste plaats een reeks individuele maatregelen die het Koninkrijk Spanje heeft genomen en die in de punten 110 tot en met 112 van dit arrest zijn uiteengezet. Zij voert evenwel geen enkel bewijselement aan waarmee zou kunnen worden aangetoond dat die maatregelen ongeschikt zijn om de betrokken grondwaterlichamen in een ‘goede kwantitatieve toestand’ te brengen in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), van richtlijn 2000/60.
129
De Commissie legt evenmin uit in welke zin het Koninkrijk Spanje artikel 11, lid 3, onder a), c), en e), en lid 4, van richtlijn 2000/60 heeft geschonden door de betwiste maatregelen vast te stellen, of waarom die maatregelen ontoereikend zouden zijn voor deze bepalingen. Zij betwist immers slechts dat die maatregelen hoofdzakelijk het probleem van de illegale wateronttrekking willen aanpakken, en stelt dat het bijzondere irrigatieplan voor Doñana van 2014 overmatig belang hecht aan de wateroverdracht, dat er onvoldoende financiële middelen worden uitgetrokken en dat de Spaanse autoriteiten niet transparant zijn over de inspecties en sluitingen van illegale waterputten of over het probleem van excessief watergebruik door toerisme. Zij legt niet uit of toont niet aan waarom deze maatregelen in strijd zijn met of onvoldoende zijn voor artikel 11, lid 3, onder a), c), en e), en lid 4, van richtlijn 2000/60.
130
Tot slot voert de Commissie aan dat het Koninkrijk Spanje heeft nagelaten een reeks maatregelen te nemen en uit te voeren. Deze lidstaat heeft echter zowel schriftelijk als ter terechtzitting aangetoond dat er maatregelen zijn vastgesteld en uitgevoerd, met name controles en inspecties. Uit het aan het Hof overgelegde dossier en meer bepaald de bijlagen bij het verweerschrift en de memorie van dupliek blijkt dat deze lidstaat een reeks controles en inspecties — inclusief sancties — heeft ingevoerd om een einde te maken aan illegale wateronttrekking.
131
In de tweede plaats betoogt de Commissie dat de maatregelen die het Koninkrijk Spanje in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 heeft aangekondigd, geen oplossing bieden voor het probleem van het excessieve watergebruik dat het toerisme veroorzaakt, met name in het kustdorp Matalascañas. Ook hebben verschillende wetenschappelijke studies aangetoond dat de wateronttrekking die voor stedelijke bevoorrading gebeurt, nefast is voor de instandhouding van de habitats, vanwege hun geografische nabijheid. De door het Koninkrijk Spanje genomen maatregelen, en met name die in het bijzondere irrigatieplan voor Doñana van 2014 en het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021, zijn niet geschikt om de achteruitgang van de natuurlijke habitats en de beschermde habitats van soorten te vermijden.
132
Dienaangaande moet in navolging van de advocaat-generaal in de punten 162, 180 en 181 van haar conclusie worden opgemerkt dat met name uit artikel 4, lid 1, onder c), en artikel 6 van richtlijn 2000/60 alsook uit bijlage IV daarbij blijkt dat de lidstaten, door maatregelenprogramma's vast te stellen overeenkomstig artikel 11 van deze richtlijn, niet alleen de in die richtlijn neergelegde milieudoelstellingen voor water moesten bereiken maar ook moesten garanderen dat de Europese wetgeving over de betrokken beschermingszones werd nageleefd vóór 2015. Het Koninkrijk Spanje moest dus tevens de mechanismen van richtlijn 2000/60 ten uitvoer leggen om de doelstellingen van richtlijn 92/43 voor de habitats van het beschermde natuurgebied Doñana te behalen vóór 2015.
133
Zoals ook uit de punten 152 en 153 van dit arrest blijkt, legt met name artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43 de lidstaten een algemene verplichting op om passende maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de habitats in de speciale beschermingszones niet verslechteren en dat er geen storende factoren van betekenis optreden voor de soorten waarvoor die zones zijn aangewezen (arrest van 16 juli 2020, WWF Italia Onlus e.a., C-411/19, EU:C:2020:580, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
134
Bijgevolg moet het doel van het maatregelenprogramma van artikel 11 van richtlijn 2000/60 ook inhouden dat de nodige maatregelen worden genomen om elke verslechtering van de in richtlijn 92/43 bedoelde beschermde gebieden te voorkomen.
135
Zoals uit punt 155 van het onderhavige arrest blijkt, volstaat het om schending van artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43 vast te stellen bovendien dat de Commissie aantoont dat het waarschijnlijk is of dat het risico bestaat dat een handelen of nalaten een significante verslechtering of verstoring voor de betrokken habitats of soorten veroorzaakt. Zoals de advocaat-generaal in punt 185 van haar conclusie in essentie heeft opgemerkt, volgt daaruit dat er voor de vraag of er maatregelen moeten worden genomen krachtens artikel 11 van richtlijn 2000/60 om aan de verplichting van artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43 te voldoen, geen hogere bewijsstandaard kan worden verlangd.
136
Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de excessieve wateronttrekking om het toeristisch gebied Matalascañas te bevoorraden, nefast is geweest voor de instandhouding van de prioritaire habitats met code 3170*, zoals de niet-permanente poelen in het Middellandse-Zeegebied van het beschermde gebied Doñana (ZEPA/LIC ES0000024) die vlakbij deze stadskern liggen, en dat het Koninkrijk Spanje niet de nodige maatregelen heeft genomen op basis van artikel 11 van richtlijn 2000/60 om een eventuele verslechtering van de beschermde gebieden vlak bij de toeristische zone Matalascañas te voorkomen, wat artikel 4, lid 1, onder c), van deze richtlijn nochtans eist.
137
Verschillende van de studies die de Commissie ter ondersteuning van die stellingen heeft aangevoerd en overgelegd en die als bijlagen bij het verzoekschrift en verweerschrift zijn gevoegd, getuigen immers van de weerslag die de wateronttrekking voor de stedelijke bevoorrading van de toeristische zone Matalascañas heeft op de ecosystemen van de beschermingszone Doñana (ZEPA/LIC ES0000024) en met name op de prioritaire habitats met code 3170*, te weten de niet-permanente poelen in het Middellandse-Zeegebied. Zo is er de onrustwekkende tendens van de inkrimping van de tijdelijke lagunes in het Doñanareservaat en de uitdroging van de Charco del Toro en het meer van El Brezo, samen met de schadelijke effecten van de wateronttrekking die bestemd is om het toeristenoord Matalascañas te voorzien van drinkwater en water voor recreatieve doeleinden of om golfterreinen te besproeien. Uit die studies blijkt dat de plaatselijke, intensieve grondwateronttrekkingen om het gehele toeristisch gebied Matalascañas te bevoorraden, ook duidelijk schadelijk zijn voor het peil van de grondwaterspiegel en dus voor de waterbehoeften van de omgeving, zoals de vegetatie of de overstroming van wetlands.
138
Bijgevolg heeft de Commissie afdoende aangetoond dat de excessieve wateronttrekking om het stedelijk gebied Matalascañas te bevoorraden, waarschijnlijk aanzienlijke verstoringen heeft veroorzaakt in de beschermde habitats van het beschermde gebied Doñana (ZEPA/LIC ES0000024), dat vlak bij het toeristisch centrum van Matalascañas ligt. Zoals uit de punten 132 tot en met 134 van dit arrest blijkt, had daarmee dus rekening moeten worden gehouden in het maatregelenprogramma dat het Koninkrijk Spanje krachtens artikel 11 van richtlijn 2000/60 heeft uitgewerkt in het kader van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 om krachtens artikel 4, lid 1, onder c), van deze richtlijn een einde te maken aan de verslechtering die reeds was geconstateerd in beschermde habitattypen zoals de niet-permanente poelen in het Middellandse-Zeegebied.
139
Uit het aan het Hof overgelegde dossier blijkt dat het maatregelenprogramma waarop het Koninkrijk Spanje zich beroept, zoals dat in bijlage 12 bij het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 wordt omschreven, geen maatregelen bevat om een einde te maken aan de reeds geconstateerde achteruitgang van de beschermde habitattypen in het beschermde gebied vlak bij Matalascañas.
140
Ook zij eraan herinnerd dat uit de schending van artikel 5 van richtlijn 2000/60, die in de punten 108 tot en met 110 van dit arrest reeds is vastgesteld, kan worden afgeleid dat het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 onvoldoende informatie over de wateronttrekking ten behoeve van de stedelijke zone van Matalascañas bevat om passende maatregelen te kunnen nemen om een einde te maken aan de reeds geconstateerde achteruitgang van beschermde habitattypen in de zin van artikel 4, lid 1, onder c), van die richtlijn. Zonder een nauwkeuriger, geschikter beoordeling van de omvang van de risico's van de drinkwateronttrekking ten behoeve van het toeristenoord Matalascaña, kon het Koninkrijk Spanje immers hoe dan ook niet de noodzakelijke, doeltreffende maatregelen nemen die in artikel 11 van de richtlijn worden bedoeld, om verstoringen van de beschermde gebieden vlakbij Matalascañas in verband met grondwateronttrekking te voorkomen.
141
Gelet op deze overwegingen is het Koninkrijk Spanje de verplichtingen niet nagekomen die op deze lidstaat rusten krachtens artikel 11 juncto artikel 4, lid 1, onder c), van richtlijn 2000/60 door in het maatregelenprogramma dat is opgesteld in het kader van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 geen enkele maatregel te hebben opgenomen om een verstoring te voorkomen van de beschermde habitattypen in het beschermde gebied Doñana (ZEPA/LIC ES0000024) als gevolg van de grondwateronttrekking ten behoeve van het toeristenoord Matalascañas.
B. Niet-nakoming van de uit richtlijn 92/43 voortvloeiende verplichtingen
1. Argumenten van partijen
142
De Commissie betoogt dat het Koninkrijk Spanje niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit artikel 6, lid 2, juncto artikel 7 van richtlijn 92/43. Volgens haar hebben de Spaanse autoriteiten niet de passende maatregelen genomen om de achteruitgang te voorkomen van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de beschermde gebieden van de regio Doñana, inzonderheid de gebieden Doñana (ZEPA/LIC ES6150000024), Doñana Norte y Oeste (ZEPA/LIC ES6150009) en Dehesa del Estero y Montes de Moguer (ZEC ES6150012). Zij preciseert dat de overexploitatie van de watervoerende laag Almonte-Marismas heeft geleid tot de uitdroging van de lagunes in het nationale park van Doñana en bijgevolg tot de achteruitgang van de beschermde natuurgebieden die afhankelijk zijn van deze watervoerende laag, met name verschillende natuurlijke habitats en habitats van soorten die door richtlijn 92/43 worden beschermd.
143
In dit verband betoogt de Commissie ten eerste dat de achteruitgang van de beschermde habitats van het beschermde natuurgebied Doñana, als gevolg van de overexploitatie van de watervoerende laag ervan, is aangetoond door talrijke wetenschappelijke bewijzen en verschillende officiële rapporten. De beschermde habitattypen die het gevoeligst waren voor uitdroging — door daling van de grondwaterspiegel — waren de niet-permanente poelen in het Middellandse-Zeegebied, die worden aangeduid met code 3170*, alsook de oppervlaktewaterlopen (beken, kanalen en benedenlopen) en oeverhabitats (kleine bossen en galerijbossen). Hier leven allerlei planten- en diersoorten die in kleine aantallen voorkomen en door die uitdroging worden bedreigd.
144
Ten tweede betwist de Commissie niet dat de klimaatverandering een rol kan hebben gespeeld bij de progressieve achteruitgang van dit soort habitats, zoals het Koninkrijk Spanje aanvoert. Zij meent niettemin dat de ‘passende maatregelen’ die deze lidstaat volgens artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43 moet treffen, gericht moeten zijn tegen de hoofdreden van de achteruitgang van de beschermde habitats in het beschermde natuurgebied Doñana, namelijk grondwateronttrekking, ook al wordt daarbij rekening gehouden met het feit dat de gevolgen van klimaatverandering de achteruitgang van de habitats parallel en secundair verergeren.
145
Ten derde stelt de Commissie dat de door het Koninkrijk Spanje genomen maatregelen, en met name die in het bijzondere irrigatieplan voor Doñana van 2014 en het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021, niet passend zijn om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de beschermde natuurlijke habitats en habitats van soorten niet verslechtert in de zin van artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43. Zij erkent weliswaar dat bepaalde maatregelen die deze lidstaat heeft genomen om de getroffen habitats te herstellen, zoals het geleidelijk afschaffen van eucalyptusplantages in het beschermde natuurgebied Doñana, het verwerven van eigendommen en de bijbehorende watertoegangsrechten en het overbrengen van water uit andere bassins, mogelijk positieve effecten hebben, maar meent dat deze maatregelen niet altijd volstaan om de verplichtingen uit artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43 na te komen.
146
Het Koninkrijk Spanje weerlegt de argumenten van de Commissie en meent de verplichtingen uit deze richtlijn wel te zijn nagekomen.
147
Ten eerste betwist het de stelling van de Commissie dat alle natuurgebieden in de regio Doñana verbonden zijn met de watervoerende laag Almonte-Marismas. Alleen de beschermingszones Doñana (ZEPA/LIC ES6150000024) en Doñana Norte y Oeste (ZEPA/LIC ES6150009) staan in verbinding met die watervoerende laag, zoals die wordt omschreven in het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009–2015.
148
Ook betreft het met redenen omkleed advies uitsluitend de watervoerende laag Almonte-Marismas en kan de draagwijdte van het beroep wegens niet-nakoming niet worden uitgebreid ten opzichte van het voorwerp van dit met redenen omkleed advies. Bijgevolg zijn de overwegingen betreffende het verband en de gevolgen voor deze drie beschermde gebieden wegens de daling van de grondwaterniveaus van die watervoerende laag niet-ontvankelijk wat het beschermde gebied Dehesa del Estero y Montes de Moguer (ZEC ES6150012) betreft.
149
Ten tweede betoogt het Koninkrijk Spanje dat de veranderingen in en de verslechtering van het beschermde gebied Doñana (ZEPA/LIC ES0000024) te wijten zijn aan de schade die de moerasgebieden waaruit het bestaat, in de loop van de vorige eeuw hebben geleden, en dat die derhalve niet kunnen worden gezien als de oorzaak van de inbreuken op richtlijn 92/43. Voorts verklaart deze lidstaat dat grote moerasgebieden en wetlandsystemen thans ecologisch zijn hersteld dankzij de verschillende actieprogramma's.
150
Ten derde stelt het passende, doeltreffende maatregelen te hebben getroffen om de verslechtering van de beschermde natuurlijke habitats en de habitats van soorten te voorkomen overeenkomstig artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43. Om te beginnen hebben deze maatregelen bijgedragen tot de oplossing van de problemen in de regio Doñana die zich hebben voorgedaan voordat de Commissie deze regio als gebied van communautair belang heeft aangewezen. Voorts bepaalt artikel 2, lid 3, van richtlijn 92/43 dat de op grond van deze richtlijn genomen maatregelen rekening moeten houden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en met de regionale en lokale bijzonderheden.
151
Ten vierde betoogt het Koninkrijk Spanje dat de Commissie de beweerde verslechtering van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten niet afdoende heeft aangetoond.
2. Beoordeling door het Hof
152
Volgens artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43 moeten de lidstaten passende maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn, een significant effect zouden kunnen hebben.
153
Deze bepaling verplicht de lidstaten ertoe passende maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de habitats in de speciale beschermingszones niet verslechteren en dat er geen storende factoren van betekenis optreden voor de soorten waarvoor die zones zijn aangewezen (arrest van 16 juli 2020, WWF Italia Onlus e.a., C-411/19, EU:C:2020:580, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
154
Deze algemene verplichting beantwoordt aan de doelstelling die overeenkomstig artikel 191, lid 1, eerste streepje, VWEU in het Uniemilieubeleid wordt nagestreefd om de kwaliteit van het milieu te behouden, beschermen en verbeteren, alsook aan het in artikel 191, lid 2, VWEU neergelegde beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden.
155
Volgens vaste rechtspraak staat het voor de vaststelling van een schending van artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43 evenwel niet aan de Commissie om een oorzakelijk verband vast te stellen tussen het handelen of nalaten van de betrokken lidstaat en een achteruitgang of significante verstoring van de betrokken habitats of soorten. Het volstaat immers dat deze instelling aantoont dat het waarschijnlijk is of dat het risico bestaat dat door dit handelen of nalaten een achteruitgang of significante verstoring van deze habitats of soorten optreedt (zie in die zin arrest van 14 januari 2016, Commissie/Bulgarije, C-141/14, EU:C:2016:8, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
156
Aangezien de leden 2 en 3 van artikel 6 van richtlijn 92/43 hetzelfde beschermingsniveau waarborgen, is het toepasselijke criterium een onderzoek naar de verenigbaarheid als bedoeld in lid 3 van dit artikel. Volgens deze bepaling kan voor een plan of project slechts toestemming worden verleend indien de bevoegde instanties de zekerheid hebben verkregen dat het plan of project geen blijvende schadelijke gevolgen heeft voor het betrokken gebied of wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel meer bestaat over het feit dat dergelijke gevolgen ontbreken [zie in die zin arrest van 17 april 2018, Commissie/Polen (Oerbos van BiałowieŻa), C-441/17, EU:C:2018:255, punt 117 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
157
Derhalve moet worden onderzocht of de Commissie heeft aangetoond dat het waarschijnlijk is dat de grondwateronttrekking in de regio Doñana de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in de drie in punt 12 van het onderhavige arrest genoemde beschermde gebieden significant verstoort en, in voorkomend geval, of het Koninkrijk Spanje die waarschijnlijkheid via wetenschappelijk weg heeft weerlegd.
158
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat deze lidstaat aanvoert dat de grieven die de Commissie in het kader van deze niet-nakoming aanvoert, niet-ontvankelijk zijn voor zover zij betrekking hebben op het beschermde gebied Dehesa del Estero y Montes de Moguer (ZEC ES6150012), en wel om de in de punten 148 en 149 van het onderhavige arrest genoemde redenen. Volgens deze lidstaat betreft het met redenen omkleed advies enkel de niet-nakoming van de verplichtingen uit richtlijn 92/43 voor de watervoerende laag Almonte-Marismas, en staan enkel de beschermde gebieden Doñana (ZEPA/LIC ES0000024) en Doñana Norte y Oeste (ZEPA/LIC ES6150009) in verbinding met die watervoerende laag.
159
De Commissie weerlegt deze argumenten en benadrukt dat het beschermde gebied Dehesa del Estero y Montes de Moguer (ZEC ES6150012) vanaf het begin van de precontentieuze procedure is opgenomen in de gebieden waarop de onderhavige niet-nakoming betrekking heeft.
160
Volgens vaste rechtspraak van het Hof wordt het voorwerp van een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU afgebakend door het met redenen omkleed advies van de Commissie, zodat het beroep op dezelfde overwegingen en middelen dient te berusten als dat advies (arresten van 8 juli 2010, Commissie/Portugal, C-171/08, EU:C:2010:412, punt 25, en 5 april 2017, Commissie/Bulgarije, C-488/15, EU:C:2017:267, punt 37).
161
In casu kan worden volstaan met de vaststelling dat zowel in de door de Commissie aan het Koninkrijk Spanje gerichte uitnodiging om opmerkingen in te dienen als in het met redenen omkleed advies uitdrukkelijk staat aangegeven dat deze niet-nakomingsprocedure ziet op de overexploitatie van het grondwater in de regio Doñana en de daaropvolgende achteruitgang van de habitats en ecosystemen in verschillende door het Unierecht beschermde gebieden, met name de beschermde gebieden Doñana (ZEPA/LIC ES0000024), Doñana Norte y Oeste (ZEPA/LIC ES6150009) en Dehesa del Estero y Montes de Moguer (ZEC ES6150012). Ook al staat het beschermde gebied Dehesa del Estero y Montes de Moguer (ZEC ES6150012) niet in verbinding met de watervoerende laag Almonte-Marismas maar met het grondwaterlichaam Condado, dat onder een ander beheerplan valt dan die welke in punt 13 van het onderhavige arrest worden genoemd, vastgesteld moet dus worden, zoals de advocaat-generaal in punt 38 van haar conclusie heeft gedaan, dat dit feit niet relevant is in het onderhavige beroep, aangezien dat beschermd gebied sinds het begin van de precontentieuze procedure voorwerp is van de onderhavige niet-nakomingsprocedure.
162
Gelet op het voorgaande moet de door het Koninkrijk Spanje opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen en moeten de grieven in verband met de niet-nakoming van de uit richtlijn 92/43 voortvloeiende verplichtingen bijgevolg eveneens ontvankelijk worden geacht voor zover zij betrekking hebben op het beschermde gebied Dehesa del Estero y Montes de Moguer (ZEC ES6150012).
163
Ten gronde betoogt het Koninkrijk Spanje dat de veranderingen en de achteruitgang van de beschermde zones in het beschermde natuurgebied Doñana te wijten zijn aan de schade die de moerasgebieden waaruit het bestaat, in de loop van de vorige eeuw hebben geleden, en dat zij dus niet kunnen worden geacht aan de basis te liggen van de niet-nakoming van richtlijn 92/43.
164
Het is juist dat deze eerdere veranderingen en verslechtering geen niet-nakoming van artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43 kunnen opleveren, zoals de advocaat-generaal in punt 60 van haar conclusie heeft opgemerkt.
165
Er zij evenwel aan herinnerd dat de lidstaten met betrekking tot gebieden die kunnen worden aangewezen als gebieden van communautair belang (GCB), die voorkomen op de door de Commissie overeenkomstig artikel 4, lid 2, van richtlijn 92/43 opgestelde lijsten, en in het bijzonder met betrekking tot gebieden met prioritaire typen natuurlijke habitats, op grond van deze richtlijn en het daarbij nagestreefde doel van instandhouding verplicht zijn om beschermingsmaatregelen vast te stellen die het relevante ecologische belang kunnen waarborgen dat deze gebieden op nationaal niveau toekomt (zie in die zin arrest van 13 januari 2005, Dragaggi e.a., C-117/03, EU:C:2005:16, punt 30).
166
In dit verband heeft het Hof tevens geoordeeld dat van aantasting van de natuurlijke kenmerken van een gebied als natuurlijke habitat in de zin van artikel 6, lid 3, tweede volzin, van richtlijn 92/43 geen sprake is indien dat gebied in een gunstige staat van instandhouding wordt behouden, hetgeen het duurzame behoud impliceert van de bepalende kenmerken van het betrokken gebied die verband houden met de aanwezigheid van een type natuurlijke habitat waarvan de instandhoudingsdoelstelling rechtvaardigde dat dit gebied op de lijst van GCB's in de zin van die richtlijn werd opgenomen (arrest van 7 november 2018, Holohan e.a., C-461/17, EU:C:2018:883, punt 35).
167
In casu zij er ten eerste aan herinnerd dat de Commissie de beschermde gebieden Doñana (ZEPA/LIC ES0000024), Doñana Norte y Oeste (ZEPA/LIC ES6150009) en Dehesa del Estero y Montes de Monguer (ZEC ES6150012) op 19 juli 2006 op de lijst van GCB's heeft gezet en dat artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43 bijgevolg op grond van artikel 4, lid 5, van deze richtlijn sinds die datum van toepassing is. De bewijzen die de Commissie met betrekking tot een eerdere fase heeft overgelegd, kunnen dus niet in aanmerking worden genomen om een schending van deze richtlijn vast te stellen.
168
Ten tweede zij eraan herinnerd dat artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43 een algemene verplichting oplegt om passende beschermingsmaatregelen te nemen om te voorkomen dat in speciale beschermingszones — zoals in casu het geval is — de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten verslechtert en er storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn, een significant effect zouden kunnen hebben.
169
Uit verschillende in het dossier opgenomen wetenschappelijke gegevens blijkt dat de overexploitatie van de watervoerende laag Doñana heeft geleid tot een daling van het grondwaterpeil, waardoor de beschermde gebieden van het beschermde natuurgebied Doñana voortdurend worden verstoord. Zoals in punt 137 van het onderhavige arrest is opgemerkt, getuigen met name verschillende wetenschappelijke studies van de effecten van de wateronttrekking bestemd voor de stadsvoorziening van het toeristenoord Matalascañas op de ecosystemen van het beschermde gebied Doñana (ZEPA/LIC ES0000024), met name op de prioritaire habitattypen met code 3170*, te weten de niet-permanente poelen in het Middellandse-Zeegebied. Deze gegevens bevestigen dat de toestand van deze habitats nog steeds verslechtert en zal blijven verslechteren als gevolg van de daling van de grondwaterstand van deze watervoerende laag, en dat het Koninkrijk Spanje niet de nodige maatregelen heeft getroffen om aan deze verslechtering een einde te maken.
170
Zoals de advocaat-generaal in de punten 70 en 73 van haar conclusie heeft aangegeven, had het Koninkrijk Spanje, om deze vaststellingen te ontkrachten, elementen moeten aandragen waarmee elke redelijke twijfel kon worden weggenomen dat de handhaving van de huidige grondwateronttrekkingspraktijk wetenschappelijk gezien geen schadelijke gevolgen heeft voor voornoemde beschermde habitats. Daartoe vereist richtlijn 92/43, zoals in punt 156 van dit arrest is opgemerkt, dat een onderzoek naar de verenigbaarheid wordt gedaan als bedoeld in artikel 6, lid 3, van deze richtlijn.
171
Blijkens het aan het Hof overgelegde dossier heeft het Koninkrijk Spanje geen studie verricht waarmee aan de vereisten van deze bepaling kan worden voldaan, en heeft het dus evenmin aangetoond dat de handhaving van de huidige wateronttrekkingspraktijk in het beschermde natuurgebied Doñana geen gevolgen heeft voor de habitats van de betrokken beschermde gebieden.
172
Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat de Commissie afdoende heeft aangetoond, in de zin van de in punt 155 van dit arrest aangehaalde rechtspraak, dat het waarschijnlijk is dat de grondwateronttrekking in het beschermde natuurgebied Doñana sinds 19 juli 2006 heeft geleid tot een achteruitgang van de beschermde habitats in de beschermde gebieden Doñana (ZEPA/LIC ES0000024), Doñana Norte y Oeste (ZEPA/LIC ES6150009) en Dehesa del Estero y Montes de Moguer (ZEC ES6150012), en dat het Koninkrijk Spanje niet de passende maatregelen heeft genomen om deze achteruitgang te voorkomen.
173
Vastgesteld zij dus dat het Koninkrijk Spanje de krachtens artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43 op deze lidstaat rustende verplichtingen niet is nagekomen door niet de passende maatregelen te hebben genomen om te voorkomen dat de grondwateronttrekking in het beschermde natuurgebied Doñana sinds 19 juli 2006 aanzienlijke verstoringen veroorzaakt van de beschermde habitattypen in de beschermde gebieden Doñana (ZEPA/LIC ES0000024), Doñana Norte y Oeste (ZEPA/LIC ES6150009) en Dehesa del Estero y Montes de Moguer (ZEC ES6150012).
174
Gelet op alle voorgaande overwegingen moeten worden vastgesteld dat het Koninkrijk Spanje niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op deze lidstaat rusten krachtens:
- —
artikel 5, lid 1, van richtlijn 2000/60 juncto punt 2.2 van bijlage II bij deze richtlijn, door bij de schatting van de grondwateronttrekking in de regio Doñana in het kader van de nadere karakterisering van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 geen rekening te hebben gehouden met de illegale wateronttrekking en de wateronttrekking die met het oog op de stedelijke bevoorrading plaatsvindt;
- —
artikel 11 juncto artikel 4, lid 1, onder c), van richtlijn 2000/60, door in het maatregelenprogramma dat is opgesteld in het kader van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 geen enkele maatregel te hebben opgenomen om een verstoring te voorkomen van de beschermde habitattypen in het beschermde gebied Doñana (ZEPA/LIC ES0000024) als gevolg van de grondwateronttrekking ten behoeve van het toeristenoord Matalascañas, en
- —
artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43, door niet de passende maatregelen te hebben genomen om te voorkomen dat de grondwateronttrekking in het beschermde natuurgebied Doñana sinds 19 juli 2006 aanzienlijke verstoringen veroorzaakt van de beschermde habitattypen in de beschermde gebieden Doñana (ZEPA/LIC ES0000024), Doñana Norte y Oeste (ZEPA/LIC ES6150009) en Dehesa del Estero y Montes de Moguer (ZEC ES6150012).
Kosten
175
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd.
176
Volgens artikel 138, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering draagt elke partij haar eigen kosten indien partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld.
177
In casu zijn de Commissie en het Koninkrijk Spanje elk op bepaalde punten in het ongelijk gesteld, en zullen zij dus hun eigen kosten dragen.
Het Hof (Eerste kamer) verklaart:
- 1)
Het Koninkrijk Spanje heeft niet voldaan aan de verplichtingen die op deze lidstaat rusten krachtens:
- —
artikel 5, lid 1, van richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/64/EU van de Raad van 17 december 2013, juncto punt 2.2 van bijlage II bij die richtlijn, door bij de schatting van de grondwateronttrekking in de regio Doñana (Spanje) in het kader van de nadere karakterisering van het Plan Hidrológico del Guadalquivir 2015–2021 (stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021), goedgekeurd bij Real Decreto 1/2016 por el que se aprueba la revisión de los Planes Hidrológicos de las demarcaciones hidrográficas del Cantábrico Occidental, Guadalquivir, Ceuta, Melilla, Segura y Júcar, y de la parte española de las demarcaciones hidrográficas del Cantábrico Oriental, Miño-Sil, Duero, Tajo, Guadiana y Ebro (koninklijk besluit nr. 1/2016 tot goedkeuring van de herziening van de stroomgebiedsbeheerplannen voor Cantábrico Occidental, Guadalquivir, Ceuta, Melilla, Segura en Júcar alsook voor het Spaanse gedeelte van Cantábrico Oriental, Miño-Sil, Duero, Tajo, Guadiana en Ebro) van 8 januari 2016, geen rekening te hebben gehouden met de illegale wateronttrekking en de wateronttrekking die met het oog op de stedelijke bevoorrading plaatsvindt;
- —
artikel 11 juncto artikel 4, lid 1, onder c), van richtlijn 2000/60, door in het maatregelenprogramma dat is opgesteld in het kader van het stroomgebiedsbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2015–2021 geen enkele maatregel te hebben opgenomen om een verstoring te voorkomen van de beschermde habitattypen in het beschermde gebied ‘Doñana’ (code ZEPA/LIC ES0000024) als gevolg van de grondwateronttrekking ten behoeve van het toeristenoord Matalascañas (Spanje), en
- —
artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, door niet de passende maatregelen te hebben genomen om te voorkomen dat de grondwateronttrekking in het beschermde natuurgebied Doñana sinds 19 juli 2006 aanzienlijke verstoringen veroorzaakt van de beschermde habitattypen in de beschermde gebieden ‘Doñana’ (code ZEPA/LIC ES0000024), ‘Doñana Norte y Oeste’ (code ZEPA/LIC ES6150009) en ‘Dehesa del Estero y Montes de Moguer’ (code ZEC ES6150012).
- 2)
Het beroep wordt verworpen voor het overige.
- 3)
De Europese Commissie en het Koninkrijk Spanje dragen hun eigen kosten.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 24‑06‑2021
Conclusie 03‑12‑2020
Inhoudsindicatie
‘Milieu — Richtlijn 2000/60/EG — Kader voor maatregelen van de Unie betreffende het waterbeleid — Richtlijn 92/43/EEG — Instandhouding van natuurlijke habitats en wilde flora en fauna — Achteruitgang van de toestand van grondwaterlichamen in het natuurgebied Doñana — Geen nadere karakterisering van de grondwaterlichamen of groepen waterlichamen in het natuurgebied Doñana waarvoor een risico is vastgesteld dat de milieudoelstellingen niet worden bereikt — Adequate basis- en aanvullende maatregelen in het stroomgebiedbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier — Verslechtering van de kwaliteit van verschillende natuurlijke habitats’
J. kokott
Partij(en)
Zaak C-559/191.
Europese Commissie
tegen
Koninkrijk Spanje
(verslechtering van het natuurgebied Doñana)
Inhoud
- I.
Inleiding
II. Toepasselijke bepalingen
- A.
B. Habitatrichtlijn
III. Feiten en precontentieuze procedure
IV. Conclusies
V. Juridische beoordeling
- A.
Door Spanje aangevoerde conclusies
B. Verbod op verslechtering overeenkomstig artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn
- 1.
Voorwerp en ontvankelijkheid van het middel
- 2.
Maatstaf van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn
- 3.
Toepassing
- a)
Aantasting van beschermde habitats
- b)
Toepasselijkheid ratione temporis van het verbod op verslechtering
- c)
Geen weerlegging door Spanje
- 4.
Voorlopige conclusie
C. Verplichting tot nadere karakterisering van grondwaterlichamen ingevolge artikel 5 van de kaderrichtlijn water, gelezen in samenhang met punt 2.2 van bijlage II erbij
- 1.
Karakterisering in de stroomgebiedbeheerplannen
- 2.
Onjuiste risicobeoordeling in het eerste stroomgebiedbeheerplan 20092015
- 3.
Tweede stroomgebiedbeheerplan
- a)
Erkenning van de schending door Spanje
- b)
Ruimtelijke indeling van de grondwaterlichamen
- c)
Aantal meetpunten
- d)
Tekortkomingen in de onttrekkingsschattingen
- 4.
Voorlopige conclusie
D. Verbod op achteruitgang van artikel 4, lid 1, onder b), punt i), van de kaderrichtlijn water
- 1.
Voorwerp van het middel
- 2.
Achteruitgang
- a)
Overgang van een goede naar een slechte toestand
- b)
Achteruitgang van een slechte toestand
- i)
Begrip ‘achteruitgang’
- ii)
Betoog met betrekking tot de onttrekkingsbalans
- iii)
Betoog met betrekking tot oppervlaktewateren en terrestrische ecosystemen
c) Rechtvaardiging van de achteruitgang
- 3.
Voorlopige conclusie
E. Maatregelenprogramma's overeenkomstig artikel 11 van de kaderrichtlijn water
- 1.
Individuele maatregelen ter nakoming van het verbeteringsvereiste en het verbod op achteruitgang van de kaderrichtlijn water
- a)
Regularisatie
- b)
Toewijzing van financiële middelen
- c)
Aanvoer van oppervlaktewater voor irrigatiedoeleinden
- 2.
Voorkoming van aantasting van een beschermingszone — grondwateronttrekking in de omgeving van Matalascañas
- 3.
Voorlopige conclusie
VI. Kosten
VII. Conclusie
I. Inleiding
1.
In het zuidwesten van Spanje ligt het natuurgebied Doñana waar op grond van de habitatrichtlijn2. en de vogelrichtlijn3. speciale beschermingszones zijn aangewezen. In dezelfde regio, maar dan meestal buiten deze beschermingszones, bevinden zich echter ook de grootste Europese teeltgebieden voor ‘rood fruit’, met name aardbeien. Ten behoeve van deze fruitteelt worden aanzienlijke hoeveelheden grondwater onttrokken voor irrigatiedoeleinden. Zeker in sommige gebieden wordt er meer grondwater onttrokken dan er wordt aangevuld, met als gevolg dat de grondwaterstand daar al jarenlang daalt.
2.
De Commissie beschouwt dit als schendingen van het verbod op achteruitgang van de kaderrichtlijn water4. en van het verbod op verslechtering van de habitatrichtlijn, en heeft daarom de onderhavige procedure ingeleid tegen Spanje.
3.
Wat de kaderrichtlijn water betreft, gaat het om de achteruitgang van de kwantitatieve toestand van het grondwater in het gehele gebied Doñana. Hoe moet in deze context echter het begrip ‘achteruitgang’ worden begrepen? Wordt daarmee gedoeld op het slinken van de grondwatervoorraden? Of moet een ongewijzigde exploitatie van grondwater, bijvoorbeeld voor het irrigeren van landbouwgrond, hooguit worden bestempeld als een voortzetting van de bestaande toestand, zonder dat sprake is van verdere achteruitgang? Deze vraag staat centraal in de onderhavige procedure.
4.
Voorts moet worden uitgemaakt hoe de referentietoestand van het grondwater volgens de kaderrichtlijn water moet worden beoordeeld en welke maatregelen een lidstaat moet vaststellen ter verbetering van een kwantitatief slechte toestand van het grondwater.
5.
De gestelde schending van de habitatrichtlijn houdt daarentegen geen verband met het niet rechtstreeks door deze richtlijn beschermde grondwater, maar betreft de verandering van beschermde habitats in de genoemde beschermingszones. Daarbij is met name in geding of de dalende grondwaterstand tot gevolg heeft dat deze habitats uitdrogen.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Kaderrichtlijn water
6.
In artikel 1 van de kaderrichtlijn water wordt het doel van deze richtlijn omschreven als volgt:
‘Het doel van deze richtlijn is de vaststelling van een kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwateren en grondwater, waarmee:
- a)
aquatische ecosystemen en, wat de waterbehoeften ervan betreft, terrestrische ecosystemen en waterrijke gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van aquatische ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed en worden beschermd en verbeterd;
[…]
en dat zodoende bijdraagt tot
- —
de beschikbaarheid van voldoende oppervlaktewater en grondwater van goede kwaliteit voor een duurzaam, evenwichtig en billijk gebruik van water;
- —
[…]’
7.
Artikel 2 van de kaderrichtlijn water bevat onder meer de volgende definities:
‘[…]
- 11.
‘watervoerende laag’: één of meer ondergrondse rotslagen of andere geologische lagen die voldoende poreus en doorlatend zijn voor een belangrijke grondwaterstroming of de onttrekking van aanzienlijke hoeveelheden grondwater;
- 12.
‘grondwaterlichaam’: een afzonderlijke grondwatermassa in één of meer watervoerende lagen;
[…]
- 26.
‘kwantitatieve toestand’: een aanduiding van de mate waarin een grondwaterlichaam door directe en indirecte wateronttrekking wordt beïnvloed;
- 27.
‘beschikbare grondwatervoorraad’: het jaargemiddelde op lange termijn van de totale aanvulling van het grondwaterlichaam, verminderd met het jaargemiddelde op lange termijn van het debiet dat nodig is om voor bijbehorende oppervlaktewateren de doelstellingen van ecologische kwaliteit van artikel 4 te bereiken, teneinde een significante verslechtering van de ecologische toestand van die wateren alsmede significante schade aan de bijbehorende terrestrische ecosystemen te voorkomen;
- 28.
‘goede kwantitatieve toestand’: de in de tabel in punt 2.1.2 van bijlage V gedefinieerde toestand;
[…]’
8.
In punt 2.1.2. van bijlage V bij de kaderrichtlijn water wordt de goede kwantitatieve toestand van grondwater als volgt gedefinieerd:
‘De grondwaterstand in het grondwaterlichaam is van dien aard dat de gemiddelde jaarlijkse onttrekking op lange termijn de beschikbare grondwatervoorraad niet overschrijdt.
Dienovereenkomstig ondergaat de grondwaterstand geen zodanige antropogene veranderingen dat:
- —
de milieudoelstellingen volgens artikel 4 voor bijbehorende oppervlaktewateren niet worden bereikt,
- —
de toestand van die wateren significant achteruitgaat,
- —
significante schade wordt toegebracht aan de terrestrische ecosystemen die rechtstreeks van het grondwaterlichaam afhankelijk zijn,
en er kunnen zich tijdelijk, of in een ruimtelijk beperkt gebied voortdurend, veranderingen voordoen in de stroomrichting ten gevolge van veranderingen in de grondwaterstand, maar zulke omkeringen veroorzaken geen intrusies van zout water of stoffen van andere aard en wijzen niet op een aanhoudende, duidelijk te constateren antropogene tendens in de stroomrichting die vermoedelijk tot zulke intrusies zal leiden.’
9.
In artikel 4, lid 1, onder b), van de kaderrichtlijn water zijn het verbod op achteruitgang en het verbeteringsvereiste met betrekking tot grondwater neergelegd:
- ‘i)
[De lidstaten] leggen […] de nodige maatregelen ten uitvoer met de bedoeling de inbreng van verontreinigende stoffen in het grondwater te voorkomen of te beperken en de achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen te voorkomen onder voorbehoud van de toepassing van de leden 6 en 7 en onverminderd lid 8 van dit artikel, en onder voorbehoud van de toepassing van artikel 11, lid 3, onder j);
- ii)
[De lidstaten] beschermen, verbeteren en herstellen […] alle grondwaterlichamen en zorgen voor een evenwicht tussen onttrekking en aanvulling van grondwater, met de bedoeling uiterlijk 15 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn een goede grondwatertoestand overeenkomstig de bepalingen van bijlage V te bereiken, onder voorbehoud van verlengingen overeenkomstig lid 4 en toepassing van de leden 5, 6 en 7 en onverminderd lid 8 van dit artikel en onder voorbehoud van toepassing van artikel 11, lid 3, onder j);
- iii)
[…]’
10.
Op grond van artikel 4, lid 1, onder c), van de kaderrichtlijn water gelden de milieukwaliteitsdoelstellingen ook voor beschermde gebieden:
‘[De lidstaten voldoen] uiterlijk 15 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn […] aan alle normen en doelstellingen, voor zover niet anders bepaald in de communautaire wetgeving waaronder het betrokken beschermde gebied is ingesteld.’
11.
Ingevolge artikel 6 en bijlage IV van de kaderrichtlijn water vallen onder meer beschermingszones als bedoeld in de habitatrichtlijn en de vogelrichtlijn onder deze bepaling.
12.
Artikel 4, lid 4, van de kaderrichtlijn water voorziet in de mogelijkheid om de streefdatum voor een goede watertoestand uit te stellen:
‘De in lid 1 gestelde termijnen kunnen met het oog op het gefaseerde bereiken van de doelstellingen voor waterlichamen worden verlengd, mits de toestand van het aangetaste waterlichaam niet verder verslechtert, wanneer aan alle navolgende voorwaarden wordt voldaan:
[…]’
13.
Artikel 4, lid 7, van de kaderrichtlijn water staat onder bepaalde voorwaarden toe dat van de milieudoelstellingen wordt afgeweken, ongeacht de termijnen van het verbeteringsvereiste.
14.
Artikel 5 van de kaderrichtlijn water regelt de beoordeling van de watertoestand:
- ‘1.
Elke lidstaat draagt er zorg voor dat voor elk stroomgebiedsdistrict of op zijn grondgebied gelegen deel van een internationaal stroomgebiedsdistrict
- —
een analyse van de kenmerken ervan,
- —
een beoordeling van de effecten van menselijke activiteiten op de toestand van het oppervlaktewater en op het grondwater, en
- —
een economische analyse van het watergebruik
worden uitgevoerd overeenkomstig de technische specificaties van de bijlagen II en III en dat zij uiterlijk vier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn voltooid zijn.
- 2.
De in lid 1 bedoelde analyses en beoordelingen worden uiterlijk 13 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn en vervolgens om de zes jaar getoetst en zo nodig bijgewerkt.’
15.
Punt 2.1. van bijlage II bij de kaderrichtlijn water regelt de eerste karakterisering van de grondwaterlichamen, waarbij met name moet worden beoordeeld ‘in hoeverre zij gevaar lopen niet te voldoen aan de doelstellingen voor ieder grondwaterlichaam van artikel 4’. Punt 2.2. voorziet in bepaalde gevallen in een nadere karakterisering:
‘Na deze eerste karakterisering maken de lidstaten van de grondwaterlichamen of groepen waterlichamen waarvan is vastgesteld dat zij gevaar lopen, een nadere karakterisering om nauwkeuriger te kunnen beoordelen hoe groot het gevaar is hiervoor en welke maatregelen er krachtens artikel 11 moeten worden genomen. Deze karakterisering moet daartoe relevante gegevens omvatten over de effecten van menselijke activiteiten en, voor zover dienstig, gegevens over:
- —
[…]
- —
een inventarisatie van de bijbehorende oppervlaktesystemen, met inbegrip van terrestrische ecosystemen en oppervlaktewaterlichamen waarmee het grondwaterlichaam dynamisch verbonden is;
- —
schattingen van richtingen en mate van de uitwisseling van water tussen het grondwaterlichaam en bijbehorende oppervlaktesystemen;
- —
voldoende gegevens om het jaarlijkse gemiddelde van de totale aanvulling op lange termijn te berekenen;
- —
[…]’
16.
Artikel 11, lid 1, van de kaderrichtlijn water ziet op de maatregelen die de lidstaten nemen teneinde de doelstellingen van de richtlijn te bereiken:
- ‘1.
Elke lidstaat draagt er zorg voor dat voor elk stroomgebiedsdistrict of voor het op zijn grondgebied gelegen deel van een internationaal stroomgebiedsdistrict, een maatregelenprogramma wordt opgesteld waarin rekening is gehouden met de resultaten van de krachtens artikel 5 voorgeschreven analyses, teneinde de doelstellingen van artikel 4 te verwezenlijken. […]
- 2.
Elk maatregelenprogramma omvat de in lid 3 genoemde ‘basismaatregelen’ en, waar nodig, ‘aanvullende maatregelen’.
- 3.
‘Basismaatregelen’ zijn de minimumvereisten waaraan moet worden voldaan en omvatten:
- a)
de maatregelen die voor de toepassing van de communautaire wetgeving voor de waterbescherming nodig zijn, met inbegrip van maatregelen die krachtens de in artikel 10 en deel A van bijlage VI genoemde wetgeving vereist zijn;
[…]
- c)
maatregelen om duurzaam en efficiënt watergebruik te bevorderen teneinde te voorkomen dat de in artikel 4 genoemde doelstellingen niet worden bereikt;
[…]
- e)
beheersingsmaatregelen van de onttrekking van zoet oppervlaktewater en grondwater en de opstuwing van zoet oppervlaktewater, met inbegrip van een register of registers van wateronttrekkingen en het vereiste van voorafgaande toestemming voor wateronttrekking en opstuwing. Deze beheersingsmaatregelen worden geregeld getoetst en zo nodig bijgesteld. De lidstaten kunnen onttrekkingen en opstuwingen die geen significant effect hebben op de watertoestand, van deze beheersingsmaatregelen vrijstellen;
[…]
- 4.
‘Aanvullende maatregelen’ zijn de maatregelen die worden ontworpen en uitgevoerd in aanvulling op de basismaatregelen, teneinde de krachtens artikel 4 vastgestelde doelstellingen te bereiken. Bijlage VI, deel B, bevat een niet-limitatieve lijst van dergelijke maatregelen.
[…]’
B. Habitatrichtlijn
17.
Artikel 1, onder e), van de habitatrichtlijn omschrijft de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats als volgt:
‘De ‘staat van instandhouding’ van een natuurlijke habitat wordt als ‘gunstig’ beschouwd wanneer:
- —
het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, en
- —
de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en
- —
de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is als bedoeld in letter i);’
18.
In artikel 6, leden 2, 3 en 4, van de habitatrichtlijn zijn de kernbepalingen vastgesteld met betrekking tot gebiedsbescherming:
- ‘2.
De lidstaten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.
- 3.
Voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo een gebied, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.
- 4.
Indien een plan of project, ondanks negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, bij ontstentenis van alternatieve oplossingen, om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd, neemt de lidstaat alle nodige compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. De lidstaat stelt de Commissie op de hoogte van de genomen compenserende maatregelen.
[…]’
III. Feiten en precontentieuze procedure
19.
Het natuurgebied Doñana bevindt zich in het zuidwesten van het Iberische schiereiland, op het grondgebied van de Spaanse autonome gemeenschap Andalusië. Het omvat onder meer het nationale park Doñana (dat in 1969 is opgericht) en het natuurpark Doñana (ook milieupark Doñana of natuurpark Preparque genoemd, dat is opgericht in 1989 en uitgebreid in 1997). In 2006 heeft de Commissie drie belangrijke beschermingszones, met name SBZ/GCB ES0000024 Doñana5., SBZ/GCB ES6150009 Doñana Norte y Oeste6. en SBZ ES6150012 Dehesa del Estero y Montes de Moguer7., geplaatst op de voorlopige lijst van gebieden van communautair belang voor de mediterrane biogeografische regio.8. Het eerstgenoemde gebied is sinds 1987 een speciale beschermingszone volgens de vogelrichtlijn.9.
20.
Volgens de standaardgegevensformulieren zijn in deze gebieden het prioritaire habitattype 3170*, niet-permanente poelen in het Middellandse-Zeegebied, en de habitattypen 92A0, galerijbossen met Salix alba en Populus alba, en 92D0, zuidelijke galerijbossen en stroombegeleidende struikvegetaties (Nerio-Tamariceteae en Securinegion tinctoriae) te vinden. De habitattypen 91B0, warmteminnende essenbossen met Fraxinus angustofolia, en 9330, bossen met Quercus suber, zijn daarentegen slechts te vinden in twee gebieden en komen niet voor in het gebied SBZ ES6150012 ‘Dehesa del Estero y Montes de Moguer’.
21.
Deze beschermingszones beslaan slechts delen van het natuurgebied Doñana, dat in de onderhavige procedure aan de orde is. Voor de toepassing van de kaderrichtlijn water was dit natuurgebied in het eerste beheerplan overeenkomstig artikel 13 ervan — het Plan Hidrológico del Guadalquivir 2009---8211---2015 (stroomgebiedbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2009---8211---2015)10. — vrijwel volledig in één grondwaterlichaam ondergebracht, met name Almonte-Marismas.11. Deze administratieve indeling komt grotendeels overeen met de gelijknamige geologische watervoerende laag die echter, zoals Spanje aanvoert, nog een aangrenzend grondwaterlichaam omvat. In artikel 41 van dit plan was het grondwaterlichaam Almonte-Marismas niet vermeld als een van de grondwaterlichamen die gevaar liepen niet te voldoen aan de doelstelling van een goede kwantitatieve toestand. Integendeel, het bereiken van een algemeen goede toestand van dit grondwaterlichaam was gepland voor 2015.12.
22.
In het tweede beheerplan, het Plan Hidrológico del Guadalquivir 2016---8211---2021 (stroomgebiedbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2016---8211---2021)13., is het grondwaterlichaam Almonte-Marismas opgedeeld. Voor drie van de vijf nieuwe grondwaterlichamen, Almonte (ES050MSBT000055101), Marismas (ES050MSBT000055102) en La Rocina (ES050MSBT000055105), is vastgesteld dat ze in een slechte kwantitatieve toestand verkeren.14. Alle drie grondwaterlichamen hebben een lage grondwaterstand15. en aan de twee laatstgenoemde grondwaterlichamen wordt er bovendien meer grondwater onttrokken dan er wordt aangevuld.16.
23.
Naar aanleiding van verschillende klachten en een vraag in het Europees Parlement heeft de Commissie een onderzoek ingesteld op grond waarvan zij Spanje op 17 oktober 2014 krachtens artikel 258 VWEU heeft verzocht opmerkingen te maken over mogelijke inbreuken op de kaderrichtlijn water en de habitatrichtlijn met betrekking tot het grondwater in het Doñanagebied. Nadat Spanje had geantwoord, heeft de Commissie op 29 april 2016 op grond van dezelfde bezwaren een met redenen omkleed advies tot deze lidstaat gericht met het verzoek om uiterlijk op 29 juni 2016 aan haar bezwaren tegemoet te komen. Ondanks aanvullende antwoorden van Spanje heeft de Commissie uiteindelijk op 22 juli 2019 besloten om het onderhavige beroep in te stellen.
IV. Conclusies
24.
De Europese Commissie verzoekt het Hof
vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje, door niet de maatregelen te hebben getroffen die nodig zijn om te voorkomen dat de toestand van grondwaterlichamen in de regio Doñana achteruitgaat, door geen nadere karakterisering te hebben gemaakt van de grondwaterlichamen waarvan is vastgesteld dat zij gevaar lopen en ook niet de benodigde maatregelen in kaart te hebben gebracht, en door in het maatregelenprogramma van het stroomgebiedbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier geen adequate basis- en aanvullende maatregelen te hebben opgenomen, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op deze lidstaat rusten krachtens artikel 4, lid 1, onder b), gelezen in samenhang met artikel 1, onder a), en punt 2.1.2 van bijlage V, artikel 5, gelezen in samenhang met punt 2.2 van bijlage II, en artikel 11, lid 1, lid 3, onder a), c) en e), en lid 4, van de kaderrichtlijn water;
vast te stellen dat het Koninkrijk Spanje, door niet de passende maatregelen te hebben genomen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten die ten grondslag lagen aan de aanwijzing van de aan de orde zijnde gebieden (SBZ/GCB ES0000024 Doñana, SBZ/GCB ES6150009 Doñana Norte y Oeste en SBZ ES6150012 Dehesa del Estero y Montes de Moguer) niet verslechtert, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op deze lidstaat rusten krachtens artikel 6, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 7, van de habitatrichtlijn;
het Koninkrijk Spanje te verwijzen in de kosten.
25.
Het Koninkrijk Spanje besluit zijn verweerschrift met het betoog dat de door de Commissie in onderhavige procedure gelaakte schendingen van de kaderrichtlijn water en van de habitatrichtlijn geenszins zijn aangetoond. Integendeel, het Koninkrijk Spanje heeft bewijzen aangedragen voor de voortdurende inspanningen die het zich in de voorbije jaren heeft getroost in de vorm van plannen en beheersmaatregelen teneinde de negatieve gevolgen ongedaan te maken die in het natuurgebied Doñana zijn ontstaan door activiteiten die tientallen jaren vóór de goedkeuring van de wetgevingsinstrumenten van de Unie werden ondersteund.
26.
Pas in dupliek verzoekt het Koninkrijk Spanje uitdrukkelijk
het beroep niet-ontvankelijk te verklaren of minstens af te wijzen, alsook
de verzoekende instelling te verwijzen in de kosten.
27.
Partijen hebben schriftelijke opmerkingen ingediend en zijn ter terechtzitting van 17 september 2020 gehoord in hun pleidooien.
V. Juridische beoordeling
28.
Volgens de Commissie heeft Spanje met betrekking tot het grondwater in de Doñana-gebied het verbod op achteruitgang van de kaderrichtlijn water geschonden en, daarmee samenhangend, ook het verbod op verslechtering van de habitatrichtlijn met betrekking tot verschillende habitats in de beschermingszones van het Doñana-gebied. Bovendien heeft Spanje niet voldaan aan zijn beoordelingsverplichtingen krachtens de kaderrichtlijn water en heeft het evenmin de volgens deze richtlijn noodzakelijke maatregelen vastgesteld teneinde een goede toestand van het grondwater te bereiken.
29.
Hoewel de Commissie zich in haar beroep hoofdzakelijk toespitst op de kaderrichtlijn water, zal ik om te beginnen ingaan op de habitatrichtlijn (B), aangezien over deze richtlijn en het daarin neergelegde verbod op verslechtering reeds vaste rechtspraak bestaat. Weliswaar kan deze rechtspraak niet rechtstreeks worden toegepast op de uitlegging van het verbod op achteruitgang van de kaderrichtlijn water (D), maar hij maakt in ieder geval een vergelijking mogelijk. Alvorens in te gaan op dit tweede verbod op achteruitgang, zal ik me echter buigen over het middel inzake de krachtens de waterwetgeving op Spanje rustende beoordelingsverplichtingen (C), aangezien deze beoordeling ten grondslag ligt aan de verdere uitvoering van de kaderrichtlijn water, daaronder begrepen het verbod op achteruitgang. Tot slot zal ik ingaan op de bezwaren die zijn geformuleerd met betrekking tot de maatregelen waarin Spanje heeft voorzien met betrekking tot het natuurgebied Doñana (E). Vooraf moet echter worden nagegaan of de door Spanje aangevoerde conclusies überhaupt ontvankelijk zijn (A).
A. Door spanje aangevoerde conclusies
30.
Spanje heeft in zijn verweerschrift geen formele conclusies aangevoerd, hoewel deze memorie overeenkomstig artikel 124, lid 1, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie (hierna: ‘Reglement’) de conclusies van de verweerder moet bevatten. De omstandigheid dat Spanje in dupliek formele conclusies aanvoert, doet niet af aan een eventuele schending van artikel 124, lid 1, onder c), van het Reglement, aangezien de dupliek volgens artikel 126, lid 1, ervan het verweerschrift hooguit kan aanvullen. Dienovereenkomstig mogen volgens artikel 127, lid 1, van het Reglement geen nieuwe middelen in de loop van het geding worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Dit moet a fortiori gelden voor conclusies.
31.
Wel moet worden erkend dat het Reglement geen concrete vormvereisten stelt aan conclusies. Hieruit volgt dat conclusies niet alleen uitdrukkelijk maar ook impliciet kunnen worden aangevoerd. Derhalve kan ook de gevolgtrekking waarmee het verweerschrift wordt afgesloten, worden begrepen als een impliciete conclusie. Voor zover Spanje daarbij vaststelt dat de door de Commissie gestelde schendingen van de kaderrichtlijn water en van de habitatrichtlijn niet zijn aangetoond, concludeert deze lidstaat impliciet om het beroep ongegrond te verklaren.
32.
Voor de in dupliek geformuleerde conclusie tot verwijzing in de kosten is in het verweerschrift daarentegen geen aanknopingspunt te vinden. Derhalve is deze conclusie te laat voorgedragen en dus niet-ontvankelijk.
B. Verbod op verslechtering overeenkomstig Artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn
33.
De Commissie voert aan dat Spanje niet de passende maatregelen heeft genomen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten waarvoor de gebieden SBZ/GCB ES0000024 Doñana, SBZ/GCB ES6150009 Doñana Norte y Oeste en SBZ ES6150012 Dehesa del Estero y Montes de Moguer zijn aangewezen niet verslechtert, en dat Spanje daardoor niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op deze lidstaat rusten krachtens artikel 6, lid 2, gelezen in samenhang met artikel 7, van de habitatrichtlijn.
34.
Dienaangaande moeten eerst het voorwerp van het middel en vervolgens de bewijsvereisten met betrekking tot een schending van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn worden gepreciseerd. Pas daarna kunnen de argumenten van partijen in het licht daarvan worden beoordeeld.
1. Voorwerp en ontvankelijkheid van het middel
35.
Met dit middel voert de Commissie aan dat ingevolge de gedaalde grondwaterstand een verslechtering is opgetreden in bepaalde habitats die deel uitmaken van de drie overeenkomstig de habitatrichtlijn aangewezen beschermingszones. De Commissie heeft deze gebieden op 19 juli 2006 opgenomen in de lijst van gebieden van communautair belang en derhalve vallen deze overeenkomstig artikel 4, lid 5, van de habitatrichtlijn sindsdien onder de werkingssfeer van artikel 6, lid 2, ervan.
36.
Het is juist dat een van deze beschermingszones reeds in 1987 op grond van de vogelrichtlijn werd aangewezen en dientengevolge eerst de bescherming genoot van artikel 4 van deze richtlijn. Sinds 1994 valt zij overeenkomstig artikel 7 van de habitatrichtlijn onder de bescherming van artikel 6, lid 2, van deze laatste richtlijn. De Commissie voert echter geen directe of indirecte verstoringen van beschermde vogelsoorten aan, zodat deze bescherming in de onderhavige procedure niet aan de orde is.
37.
Spanje acht dit middel niet-ontvankelijk, voor zover het betrekking heeft op het gebied ES6150012 ‘Dehesa del Estero y Montes de Moguer’, aangezien dit neerkomt op een uitbreiding van het voorwerp van het procedure. Dit gebied ligt niet in de zone van het vroegere grondwaterlichaam Almonte-Marismas, maar is ingedeeld bij een aangrenzend grondwaterlichaam. In haar met redenen omkleed advies heeft de Commissie het voorwerp van de procedure echter beperkt tot het eerstgenoemde grondwaterlichaam.
38.
Dit argument moet worden afgewezen. De Commissie heeft dit gebied immers van meet af aan uitdrukkelijk meegenomen in de precontentieuze procedure.17. Voor de vaststelling van een schending van de habitatrichtlijn maakt het bovendien niet uit of een beschermingszone toe te wijzen is aan een grondwaterlichaam dat in het kader van de tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn water is afgebakend. Derhalve was en is de betrokken beschermingszone voorwerp van de procedure.
39.
Voorts geeft Spanje in dupliek toe dat ook het aangrenzende grondwaterlichaam deel uitmaakt van dezelfde geologische formatie, met name de watervoerende laag Almonte-Marismas. Louter voor de toepassing van de kaderrichtlijn water wordt dit grondwaterlichaam gescheiden beheerd en is het niet opgenomen in de administratieve indeling van het grondwaterlichaam Almonte-Marismas. Mocht deze toewijzing aanleiding geven tot misverstanden over de reikwijdte van dit middel, dan zouden die derhalve te wijten zijn aan Spanje. Er zijn echter geen aanwijzingen dat er aan Spaanse zijde sprake is van misverstanden.
2. Maatstaf van Artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn
40.
De Commissie verwijt Spanje dat het artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn heeft geschonden door het gedogen van grondwateronttrekkingen in het natuurgebied Doñana. Volgens deze bepaling treffen de lidstaten passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.
41.
Om in dit verband te bewijzen dat artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn is geschonden, hoeft de Commissie geen oorzakelijk verband aan te tonen tussen de activiteit en een verslechtering van deze beschermingszones.
42.
Bij de uitlegging van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn moet daarentegen voor ogen worden gehouden dat deze bepaling hetzelfde beschermingsniveau beoogt te garanderen als lid 3 van dit artikel.18. Bijgevolg moet voor beide bepalingen dezelfde beoordelingsmaatstaf worden gehanteerd.19.
43.
Volgens artikel 6, lid 3, kan slechts toestemming worden gegeven voor een plan of project wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel over bestaat dat de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken gebied niet in gevaar worden gebracht.20. Om daarvoor te zorgen, moet ingevolge artikel 6, lid 3, eerste volzin, in de eerste fase een passende ex-antebeoordeling worden verricht van de gevolgen van een plan of project voor een beschermd gebied wanneer het plan of project waarschijnlijk significante gevolgen voor dit gebied heeft.21. In dat geval kan slechts toestemming worden verleend wanneer die beoordeling elke redelijke wetenschappelijke twijfel wegneemt over een aantasting van de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied.22.
44.
Bij gebreke van een passende beoordeling met een dergelijke uitkomst hoeft voor de vaststelling van een schending van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn derhalve alleen te worden aangetoond dat het waarschijnlijk is dat een activiteit dergelijke significante gevolgen heeft.23.
45.
Dat een schending van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn eenvoudiger kan worden aangetoond, heeft tot gevolg dat de vaststelling van een schending niet noodzakelijkerwijs betekent dat de betrokken activiteit definitief onverenigbaar is met artikel 6. Integendeel, de lidstaat kan aan de hand van een passende beoordeling die aan de vereisten van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn voldoet, elke redelijke wetenschappelijke twijfel wegnemen over nadelige gevolgen van de activiteit voor beschermde gebieden. Alternatief kan de lidstaat ervoor kiezen om de activiteit te rechtvaardigen op grond van artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn.24.
46.
Het is juist dat deze uitlegging van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn resulteert in beoordelingsverplichtingen voor activiteiten waarvoor uiteindelijk kan blijken dat ze beschermde gebieden niet aantasten. Dit is echter een noodzakelijk gevolg van het beschermingsniveau dat artikel 6, leden 2 en 3, in gelijke mate beogen te garanderen. Ook bij de toepassing van artikel 6, lid 3, bestaat de mogelijkheid dat de beoordeelde maatregel de instandhoudingsdoelstellingen van het gebied uiteindelijk niet in gevaar brengt.
47.
Dit beschermingsniveau is echter als uitdrukking van het voorzorgsbeginsel gerechtvaardigd l, want alleen op deze wijze kunnen plannen, projecten en andere activiteiten die beschermde gebieden aantasten, worden geïdentificeerd en voorkomen.25.
3. Toepassing
48.
Derhalve is het onderhavige middel gegrond indien de Commissie kan aantonen dat het waarschijnlijk is dat de onttrekking van grondwater significante gevolgen heeft voor beschermde habitats en soorten in de drie voornoemde beschermingszones.
49.
Bijgevolg zal ik hierna ingaan op de aantasting van beschermde habitats (a), de toepasselijkheid ratione temporis van het verbod op verslechtering sinds 19 juli 2006 (b) en de poging van Spanje om de argumenten van de Commissie te weerleggen (c).
a) Aantasting van beschermde habitats
50.
Aangezien de habitatrichtlijn grondwater als zodanig niet beschermt, levert onttrekking van grondwater geen rechtstreekse schending op van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn.
51.
De Commissie verwijt Spanje veeleer dat de onttrekking van grondwater resulteert in een daling van de grondwaterstand, hetgeen op haar beurt leidt tot een verslechtering van met name het prioritaire habitattype 3170*, niet-permanente poelen in het Middellandse-Zeegebied, maar ook van andere habitattypen die met oppervlaktewateren zijn geassocieerd. Het gaat daarbij concreet om de habitattypen 92A0, galerijbossen met Salix alba en Populus alba, 92D0, zuidelijke galerijbossen en stroombegeleidende struikvegetaties (Nerio-Tamariceteae en Securinegion tinctoriae) en 91B0, warmteminnende essenbossen met Fraxinus angustofolia. Bovendien verwijst de Commissie naar habitattype 9330, bossen met Quercus suber. Met uitzondering van de twee laatstgenoemde habitattypen die niet voorkomen in het gebied ES6150012 ‘Dehesa del Estero y Montes de Moguer’, worden deze habitattypen aangetroffen in alle gebieden die in het onderhavige beroep aan de orde zijn.26.
52.
Spanje voert daartegen aan dat de duinwateren in vele gevallen niet beantwoorden aan het habitattype van niet-permanente poelen. Bijgevolg kan feitelijk geen sprake zijn van een verslechtering van dit habitattype. Dit argument berust echter louter op beweringen die in tegenspraak zijn met de door de Commissie overgelegde wetenschappelijke werken en de Spaanse gegevens in de standaardgegevensformulieren, maar die zelf niet gebaseerd zijn op bewijzen. Derhalve moet ervan worden uitgegaan dat dit habitattype aanwezig is.
53.
In twee van de door de Commissie overgelegde onderzoeken27. en ook in andere door haar aangehaalde onderzoeken28. wordt de stelling verdedigd dat ondiepe waterlichamen als gevolg van de door overonttrekking gedaalde grondwaterstand steeds minder vaak met water zijn gevuld en thans vooral afhankelijk zijn van regenval. Bijgevolg worden ze ernstiger aangetast door perioden van droogte. Dit wordt bevestigd in een mededeling van de Consejo Superior de Investigaciones Científicas (hoge raad voor wetenschappelijk onderzoek, Spanje) aan de ombudsman van Andalusië.29. Ook in een door Spanje overgelegde studie wordt het voor mogelijk gehouden dat de gedaalde waterstand in een permanent waterlichaam en een niet-permanent ondiep waterlichaam in de buurt van het toeristenoord Matalascañas toe te schrijven is aan grondwateronttrekking die aldaar plaatsvindt.30.
54.
Daarnaast voert de Commissie aan dat grondwateronttrekking leidt tot aantasting van de overige genoemde habitats die in de beschermingszones voorkomen en afhankelijk zijn van oppervlaktewateren. Zij beroept zich daarbij op verschillende onderzoeken waaruit blijkt dat deze habitats ongunstige veranderingen ondergaan als gevolg van de door overonttrekking gedaalde grondwaterstand, bijvoorbeeld door het verdwijnen van vochtafhankelijke vegetatie.31.
55.
Tot slot maakt de Commissie melding van aanwijzingen van aantasting van het habitattype 9330, bossen met Quercus suber.32.
56.
De Commissie heeft bijgevolg wetenschappelijk gefundeerde aanwijzingen aangedragen die erop duiden dat de grondwaterstand is gedaald als gevolg van grondwateronttrekking en dat het ten gevolge hiervan waarschijnlijk is dat de voornoemde in de beschermingszones voorkomende habitats worden aangetast.
57.
Spanje voert daartegen aan dat grondwater met name voor de instandhouding van niet-permanente poelen van minder groot belang is, aangezien deze waterlichamen hoofdzakelijk door hemelwater worden aangevuld. Zelfs indien dit argument juist is, dan volgt daaruit niet dat de grondwaterstand geen belang heeft. Het belang ervan is des te groter in perioden met weinig regenval, aangezien de waterstand van deze waterlichamen dan alleen nog met grondwater kan worden aangevuld.
58.
Derhalve is Spanje er niet in geslaagd om het door de Commissie aangevoerde argument te ontkrachten dat het waarschijnlijk is dat bestaande grondwateronttrekkingen in het natuurgebied Doñana tot gevolg hebben dat de voornoemde beschermde habitats in de beschermingszones worden aangetast.
b) Toepasselijkheid ratione temporis van het verbod op verslechtering
59.
Tegen het betoog van de Commissie brengt Spanje echter ook in dat de problemen met het grondwater in het natuurgebied Doñana hun oorsprong vinden in de periode vóór de inwerkingtreding van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn.
60.
Met dit argument brengt Spanje een zeer ernstig bezwaar te berde: het in artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn neergelegde verbod op verslechtering kan alleen toepassing vinden op aantastingen die hebben plaatsgevonden na het tijdstip waarop deze bepaling in werking is getreden, in het onderhavige geval dus na 19 juli 2006. De vraag of habitats in de beschermingszones vóór dit tijdstip zijn vernietigd of aangetast, doet voor deze regeling daarentegen niet onmiddellijk ter zake. Dit geldt in het bijzonder voor de — in casu onbetwiste — daling van de grondwaterstand ingevolge grondwateronttrekkingen voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van het verbod op verslechtering.
61.
Uit het verbod op verslechtering vloeit ook niet zonder meer de verplichting voort om eerdere praktijken op het gebied van grondwateronttrekking te beperken of stop te zetten. Het is juist dat de grondwaterstand dankzij een dergelijke maatregel zou stijgen en dat de toestand bijgevolg zou verbeteren. Het verbod op verslechtering is echter geen verbeteringsvereiste. Het legt bijgevolg niet de verplichting op om de toestand van beschermde habitats te verbeteren.
62.
Derhalve moeten de argumenten van de Commissie worden afgewezen voor zover daarmee wordt verlangd dat maatregelen worden genomen voor het herstel of de verbetering van habitats die — zoals Spanje herhaaldelijk opmerkt — reeds lang vóór de inwerkingtreding van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn waren aangetast.
63.
Wanneer een aanhoudende praktijk zoals grondwateronttrekking ertoe bijdraagt dat de toestand van beschermde habitats en soorten verder verslechtert, is artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn echter wel van toepassing. De beschermingszone is weliswaar reeds in zekere zin aangetast door deze activiteit, maar die eerdere aantasting is beperkt tot de verstoringen die vóór de instelling van de beschermingszone zijn ontstaan. Nieuwe aantastingen van de beschermingszones leveren daarentegen schending op van het verbod op verslechtering.
64.
Overwegingen aangaande de rechtszekerheid en het vertrouwen dat een bepaalde praktijk kan worden voortgezet, doen daar niet aan af. Onder bepaalde omstandigheden kunnen zij rechtvaardigen dat van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn wordt afgeweken op grond van artikel 6, lid 4, ervan33., maar aan de uitlegging van het begrip ‘verslechtering’ veranderen zij niets.34.
65.
De meeste onderzoeken die door de Commissie zijn overgelegd of aangehaald, hebben betrekking op het tijdvak vóór 19 juli 2006, dat wil zeggen vóór de inwerkingtreding van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn, of bevatten geen precieze gegevens over wanneer de aantastingen zich telkens hebben voorgedaan. Aan de hand van deze onderzoeken kan bijgevolg niet worden aangetoond dat de erin vastgestelde aantastingen moeten worden aangemerkt als een schending van deze bepaling.
66.
Een artikel uit 2016, waarin wordt gesteld dat grondwateronttrekkingen gedurende meer dan twee decennia hebben geleid tot een gestage daling van de grondwaterstand, biedt echter concrete aanwijzingen voor verslechteringen sinds 19 juli 2006.35. In dezelfde richting wijst de mededeling aan de ombudsman van Andalusië volgens welke de watervoerende laag in het Doñana natuurgebied en de omgeving ervan tussen 1994 en 2015 een negatieve trend hebben laten optekenen met een aanzienlijke achteruitgang van 1,13 % per jaar, hetgeen ruim meer bedraagt dan kan worden toegeschreven aan de in deze regio geregistreerde schommelingen in regenval.36. Gedurende ten minste de laatste negen jaar van deze trend was artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn van toepassing op de drie beschermingszones.
67.
Bovendien kwalificeert het door de Spaanse autoriteiten ontwikkelde beheerplan voor de beschermingszone Doñana Norte y Oeste, dat de Commissie in dupliek beoordeelt, de staat van instandhouding van de oeverhabitats als gevolg van de gedaalde grondwaterstand als ‘ongunstig tot slecht’.37. Volgens de definitie van ‘gunstige’ staat van instandhouding in artikel 1, onder e), van de habitatrichtlijn komt dit erop neer dat de oppervlakte van de habitat binnen het gebied afneemt en dat het voortbestaan ervan op lange termijn twijfelachtig is. Bijgevolg gaan de Spaanse autoriteiten er zelf van uit dat de toestand van deze habitats als gevolg van de grondwaterevolutie verder zal verslechteren.
68.
Derhalve heeft de Commissie genoegzaam aangetoond dat het waarschijnlijk is dat de grondwateronttrekkingen die momenteel in het natuurgebied Doñana plaatsvinden, sinds 19 juli 2006 hebben geleid tot verslechteringen van beschermde habitats in de drie beschermingszones.
c) Geen weerlegging door spanje
69.
Thans staat het in beginsel aan Spanje om de waarschijnlijkheid van die aanwijzingen te weerleggen. Aangezien de leden 2 en 3 van artikel 6 van de habitatrichtlijn hetzelfde beschermingsniveau beogen te garanderen, moet bij de passende beoordeling van de milieugevolgen de maatstaf van artikel 6, lid 3, worden gehanteerd.38. Op grond daarvan geven de bevoegde autoriteiten alleen toestemming voor een activiteit indien zij de zekerheid hebben verkregen dat het plan of project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet duurzaam zal aantasten. Dit is het geval wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel over bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn.39.
70.
Derhalve moet Spanje kunnen aantonen dat er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel over bestaat dat de voortzetting van de huidige praktijken op het gebied van grondwateronttrekking geen schadelijke gevolgen heeft voor beschermde habitats in de beschermingszones.
71.
Hiertoe steunt Spanje met name op twee andere onderzoeken waarvan het echter slechts één aan het Hof heeft overgelegd. Bovendien bevestigt dit onderzoek juist dat vele ondiepe waterlichamen in verbinding staan met het grondwater en door de dalende grondwaterstand worden aangetast.40.
72.
Het andere onderzoek41. is jammer genoeg niet overgelegd, maar volgens door Spanje in de precontentieuze procedure verstrekte informatie toont dit onderzoek slechts aan dat in het duingebied van Doñana al verschillende eeuwen sprake is van een natuurlijke ontwikkeling op lange termijn die gepaard gaat met het uitdrogen en verdwijnen van lagunes. Een dergelijke ontwikkeling sluit echter niet uit dat de aanhoudende praktijk van wateronttrekking de voornoemde habitats extra aantast.
73.
Derhalve is Spanje er niet in geslaagd om het betoog van de Commissie te weerleggen. Daartoe zou veeleer een omvattende wetenschappelijke beoordeling nodig zijn waarin wordt vastgesteld waar de door de Commissie genoemde habitattypen sinds 19 juli 2006 in de drie beschermingszones zijn voorgekomen en die uitsluit dat deze habitats — tegen de aanwijzingen van de Commissie in — door grondwateronttrekking zijn aangetast.42.
74.
Tot slot beroept Spanje zich op de sociaal-economische belangen die aan een voortzetting van de grondwateronttrekking zijn verbonden. Dergelijke belangen kunnen op grond van artikel 6, lid 4, van de habitatrichtlijn inderdaad worden aangevoerd ter rechtvaardiging van een aantasting van beschermingszones.43. Voor een dergelijke rechtvaardiging is echter vereist dat eerst een passende beoordeling wordt gemaakt van de gevolgen van de grondwateronttrekking voor de betrokken gebieden en dat ook aan de overige voorwaarden van deze bepaling is voldaan.44. Van die passende beoordeling is momenteel reeds geen sprake, zodat ook dit argument van Spanje geen doel treft. Bovendien had Spanje bij een aantasting van het prioritaire habitattype 3170*, niet-permanente poelen in het Middellandse-Zeegebied, overeenkomstig artikel 6, lid 4, tweede alinea, van de habitatrichtlijn ook advies van de Commissie moeten inwinnen.
4. Voorlopige conclusie
75.
Derhalve moet worden vastgesteld dat Spanje artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn heeft geschonden, aangezien de Commissie heeft aangetoond dat het waarschijnlijk is dat de onttrekking van grondwater sinds 19 juli 2006 significante gevolgen heeft voor beschermde habitattypen in de beschermingszones SBZ/GCB ES0000024 Doñana, SBZ/GCB ES6150009 Doñana Norte y Oeste en SBZ ES6150012 Dehesa del Estero y Montes de Moguer.
C. Verplichting tot nadere karakterisering van grondwaterlichamen ingevolge Artikel 5 van de kaderrichtlijn water, gelezen in samenhang met punt 2.2 van bijlage ii erbij
76.
Met haar tweede middel verwijt de Commissie Spanje dat het artikel 5, lid 1, van de kaderrichtlijn water, gelezen in samenhang met punt 2.2 van bijlage II erbij, niet juist heeft toegepast door geen nadere karakterisering te hebben gemaakt van de grondwaterlichamen in het gebied Doñana waarvoor is vastgesteld dat zij gevaar lopen om de milieukwaliteitsdoelstellingen van artikel 4 niet te bereiken.
77.
Volgens artikel 5, lid 1, van de kaderrichtlijn water draagt elke lidstaat er zorg voor dat voor elk stroomgebiedsdistrict met name een beoordeling wordt uitgevoerd van de effecten van menselijke activiteiten op de toestand van het grondwater overeenkomstig de technische specificaties van de bijlagen II en III en dat deze uiterlijk vier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn is voltooid, dat wil zeggen op 22 december 2004. Artikel 5, lid 2, bepaalt dat de in lid 1 bedoelde analyses en beoordelingen uiterlijk 13 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn, dat wil zeggen op 22 december 2013, en vervolgens om de zes jaar worden getoetst en zo nodig bijgewerkt.
78.
In punt 2.1 van bijlage II bij de kaderrichtlijn water worden de nadere bijzonderheden met betrekking tot deze eerste karakterisering vastgesteld. Punt 2.2 bepaalt dat de lidstaten aansluitend op deze eerste karakterisering een nadere karakterisering maken van de groepen waterlichamen waarvan is vastgesteld dat zij gevaar lopen teneinde nauwkeuriger te kunnen beoordelen hoe groot het gevaar is hiervoor en welke maatregelen er krachtens artikel 11 moeten worden genomen.
1. Karakterisering in de stroomgebiedbeheerplannen
79.
In haar tweede middel voert de Commissie om te beginnen aan dat Spanje in het kader van het stroomgebiedbeheerplan 2009---8211---2015 een onjuiste inschatting heeft gemaakt van het risico op schending van artikel 4 van de kaderrichtlijn water, aangezien de toestand van het grondwaterlichaam Almonte-Marismas in dit document als gunstig is gekwalificeerd. Deze tekortkoming is niet verholpen in het stroomgebiedbeheerplan 2016---8211---2021. De Commissie erkent dat de opdeling in vijf grondwaterlichamen, waarvan er drie in een slechte kwantitatieve toestand verkeren, een betere beoordeling van de toestand mogelijk maakt. Dit neemt echter niet weg dat er nog altijd tekortkomingen bestaan.
80.
Het wekt verbazing dat de Commissie in haar kritiek op de karakterisering van de grondwaterlichamen verwijst naar de inhoud van de stroomgebiedbeheerplannen. Bij de karakterisering en het stroomgebiedbeheerplan gaat het immers om twee verschillende documenten die door verschillende bepalingen, met name artikel 5 en artikel 13 van de kaderrichtlijn water, worden geregeld en aan andere voorwaarden zijn onderworpen. Met name moet de karakterisering enkele jaren vóór het stroomgebiedbeheerplan worden uitgevoerd en dient zij vervolgens als uitgangspunt voor de inhoud ervan. Het stroomgebiedbeheerplan 2009---8211---2015 verwijst dan ook naar vroegere documenten waarin een eerste diagnose van de toestand van de waterlichamen is gesteld45., en Spanje verwijst in dupliek naar een eerste beoordeling overeenkomstig artikel 5 van de kaderrichtlijn water die in 2004 en 2005 is gepubliceerd.
81.
Spanje voert echter niet aan dat de Commissie de verkeerde documenten bekritiseert, maar zet uiteen dat het heeft voldaan aan artikel 5 van de kaderrichtlijn in beide door de Commissie gelaakte stroomgebiedbeheerplannen.
82.
Deze werkwijze valt moeilijk te rijmen met artikel 5 van de kaderrichtlijn water, aangezien de karakteriseringen telkens meerdere jaren vóór de openbaarmaking van de stroomgebiedbeheerplannen moeten worden uitgevoerd. De Commissie van haar kant ziet echter geen graten in deze termijnschending.
83.
Derhalve moet afzonderlijk worden ingegaan op de grieven van de Commissie teneinde na te gaan of zij eventueel worden weerlegd door de stroomgebiedbeheerplannen.
2. Onjuiste risicobeoordeling in het eerste stroomgebiedbeheerplan 2009-2015
84.
Uit de onbetwiste feiten blijkt dat Spanje in het kader van het stroomgebiedbeheerplan 2009---8211---2015 een verkeerde inschatting heeft gemaakt van het risico dat de milieudoelstellingen van artikel 4 van de kaderrichtlijn water niet worden bereikt.
85.
Volgens het tweede stroomgebiedbeheerplan verkeren drie grondwaterlichamen immers in een slechte kwantitatieve toestand, ofschoon het grondwaterlichaam Almonte-Marismas volgens het eerste stroomgebiedbeheerplan in 2015 in zijn geheel in een goede toestand zou hebben verkeerd.
86.
Spanje was zich ook niet onbewust van het risico op deze uitkomst, want reeds in 2004 was in het Plan de Ordenación del Territorio del ámbito de Doñana (ruimtelijke-ordeningsplan voor het gebied Doñana) de aanbeveling geformuleerd om de overonttrekking van grondwater aan de watervoerende laag vast te stellen. Ten bewijze daarvan citeert de Commissie in repliek uit twee Spaanse onderzoeken uit 2008 en 2009.46. Ook geeft Spanje zelf aan dat het risico dat de milieudoelstellingen niet worden bereikt, ter sprake is gekomen in de door artikel 5 van de kaderrichtlijn voorgeschreven eerste beoordeling uit 2004 en 2005.47. Tot slot komt dit risico ook overeen met het bij herhaling door Spanje aangevoerde argument dat deze toestand toe te schrijven is aan de reeds geruime tijd aanhoudende praktijk van grondwateronttrekking in het gebied Doñana.
87.
Spanje betoogt dat de opstellers van het eerste stroomgebiedbeheerplan op basis van algemene criteria en een vergelijking met de toestand in andere Spaanse gebieden tot de slotsom waren gekomen dat van een risico geen sprake kon zijn. In het licht van onweersproken vroegere verklaringen schiet dit argument echter tekort als bewijs dat Spanje in het eerste stroomgebiedbeheerplan er terecht van mocht uitgaan dat het risico op het niet bereiken van de milieudoelstellingen onbestaande was. Met name de vaststelling daarin dat het grondwaterlichaam Almonte-Marismas in zijn geheel in een goede kwantitatieve toestand verkeert, volstaat in dat verband niet. Zoals de Commissie in repliek terecht beklemtoont, is een nadere karakterisering veeleer reeds nodig wanneer een slechte kwantitatieve toestand dreigt te ontstaan. Het bestaan van een dergelijk risico bleek echter reeds uit de kennis betreffende de delen van het grondwaterlichaam waarvan de kwantitatieve toestand op een later tijdstip als slecht werd aangemerkt.
88.
Bijgevolg moet worden geconcludeerd dat Spanje in het kader van het eerste stroomgebiedbeheerplan artikel 5 van de kaderrichtlijn water heeft geschonden, aangezien deze lidstaat niet overeenkomstig punt 2.1 van bijlage II bij de richtlijn heeft vastgesteld in hoeverre het risico bestaat dat de milieudoelstellingen niet worden bereikt en geen nadere karakterisering in de zin van punt 2.2 van bijlage II heeft overgelegd.
3. Tweede stroomgebiedbeheerplan
89.
Bij het verstrijken van de termijn van het met redenen omkleed advies op 26 juni 2016 was echter reeds het stroomgebiedbeheerplan 2016---8211---2021 van 8 januari 2016 in werking getreden.
90.
Krachtens artikel 258, tweede alinea, VWEU kan de Commissie bij het Hof alleen een beroep wegens niet-nakoming instellen indien de betrokken lidstaat het met redenen omkleed advies niet binnen de hem door de Commissie gestelde termijn heeft opgevolgd.48. Ook moet het bestaan van een niet-nakoming worden beoordeeld op basis van de situatie waarin de lidstaat zich bevond aan het einde van de in het met redenen omkleed advies gestelde termijn.49.
91.
In uitzonderlijke omstandigheden is het mogelijk dat een niet-nakomingsprocedure wordt ingesteld wegens zwaarwegende inbreuken die geen effect meer sorteren.50. In het onderhavige geval blijft de schending van artikel 5 van de kaderrichtlijn water als zodanig echter alleen zolang in de tijd doorwerken totdat Spanje de noodzakelijke maatregelen heeft getroffen.
92.
Bijgevolg kan het Hof alleen dan schending van artikel 5 van de kaderrichtlijn water vaststellen wanneer ook het tweede stroomgebiedbeheerplan in strijd is met deze bepaling.
93.
In dit verband voert de Commissie aan dat Spanje heeft toegegeven dat het tweede stroomgebiedbeheerplan tekortkomingen vertoont, dat de ruimtelijke indeling van de grondwaterlichamen gebrekkig is, dat er te weinig meetpunten zijn en dat de schatting van de grondwateronttrekkingen onvolledig is. Nu is het echter zo dat alleen de laatstgenoemde grief gegrond is.
a) Erkenning van de schending door spanje
94.
In repliek neemt de Commissie het standpunt in dat Spanje de schending heeft erkend. Hiertoe verwijst zij naar het feit dat de Confederación Hidrográfica del Guadalquivir (openbaar lichaam dat met het waterbeheer in het stroomgebied van de Guadalquivir is belast, Spanje) een procedure heeft ingeleid tot verkrijging van de verklaring dat de drie betrokken grondwaterlichamen die in een slechte kwantitatieve toestand verkeren, ‘het risico lopen geen goede kwantitatieve toestand te bereiken’. Het is evenwel niet duidelijk of deze verklaring naar nationaal recht kan worden gelijkgesteld met de nadere karakterisering in de zin van punt 2.2 van bijlage II bij de kaderrichtlijn water, of dat zonder deze verklaring geen sprake zou zijn van een dergelijke karakterisering.
b) Ruimtelijke indeling van de grondwaterlichamen
95.
Ten gronde kritiseert de Commissie om te beginnen de ruimtelijke indeling van de grondwaterlichamen. De Commissie toont echter niet aan in hoeverre deze indeling schending zou opleveren van de kaderrichtlijn water of waarom zij in de weg zou hebben gestaan aan een passende beoordeling van de grondwatertoestand. Dit argument is derhalve niet overtuigend.
c) Aantal meetpunten
96.
Voorts stelt de Commissie zich op het standpunt dat de karakterisering van de grondwaterlichamen op ontoereikende wetenschappelijke informatie berust, net name op een te gering aantal meetpunten.
97.
De Commissie laat evenwel aan te geven aan welke vereisten van artikel 5 en bijlage II van de kaderrichtlijn water de monitoringmaatregelen van Spanje niet hebben voldaan. De bijzondere voorschriften inzake de monitoring van de watertoestand, als vervat in artikel 8 en punt 2.2 van bijlage V van de kaderrichtlijn water, worden in het geheel niet genoemd.
98.
Daarbij komt dat ook de aangedragen bewijzen voor de gestelde schending niet overtuigen.
99.
De Commissie steunt in dit verband op vermeende verklaringen in het tweede stroomgebiedbeheerplan en op een onderzoek dat het tijdvak 2012---8211---2013 omspant. Hieruit blijkt volgens haar met name dat voor de grondwaterlichamen La Rocina en Marismas de Doñana in geen enkel meetpunt voor de grondwaterstand is voorzien en dat voor alle vijf grondwaterlichamen tezamen slechts in ongeveer twintig meetpunten is voorzien, waarvan er amper vier van vóór 2015 dateren.
100.
In strijd met het bepaalde in artikel 57, lid 4, van het Reglement overlegt de Commissie deze documenten echter niet en geeft zij evenmin aan waar deze verklaringen daarin worden gedaan. Bovendien verwijst zij op abstracte wijze naar een internetportaal van de Spaanse regering dat toegang verleent tot geografische informatie, zonder te verduidelijken hoe deze informatie via dit portaal kan worden opgevraagd.
101.
Derhalve heeft de Commissie niet voldaan aan de bewijslast die in het kader van een beroep krachtens artikel 258 VWEU op haar rust.51.
102.
Voorts is deze grief ook in tegenspraak met het door de Commissie aangehaalde onderzoek dat Spanje in repliek heeft overgelegd. Daarin staat te lezen dat het destijds bestaande gehele grondwaterlichaam Almonte-Marismas op 174 meetpunten werd gemonitord. Dit is een aanzienlijk groter aantal meetpunten dan in andere Spaanse regio's.52.
103.
Spanje betwist deze grief overigens en merkt op dat de grondwaterstand in het gehele gebied Doñana zelfs op 290 meetpunten wordt gemonitord, dit is aanzienlijk meer dan in de rest van het stroomgebiedsdistrict van de Guadalquivir. Van deze 290 meetpunten zouden er 170 tijdreeksen hebben geregistreerd die teruggaan tot in 1994.
104.
De Commissie gaat niet in op dit argument.
105.
Derhalve moeten de grieven van de Commissie met betrekking tot de meetpunten in hun geheel worden afgewezen.
d) Tekortkomingen in de onttrekkingsschattingen
106.
Tot slot laakt de Commissie het feit dat de opgegeven grondwateronttrekkingen gebaseerd zijn op schattingen van een studie uit 2008 die geen rekening houdt met illegale onttrekkingen en onttrekkingen voor drinkwaterproductie, met name voor toeristische doeleinden in het kustgebied.
107.
Spanje benadrukt daarentegen de kwaliteit van deze studie en voert in dupliek aan dat de onttrekkingen voor drinkwaterproductie in volume (5 hm3/jaar) gering zijn in vergelijking met de onttrekkingen voor landbouwdoeleinden (107 hm3/jaar). Spanje gaat echter niet in op de concrete grieven van de Commissie aangaande de schatting van illegale onttrekkingen, maar beperkt zich — in samenhang met het derde middel — tot het overleggen van een stuk aan het Hof waarin het de oppervlakte van illegaal geïrrigeerde landbouwgronden op 1100 hectare raamt en, op basis daarvan, het aantal illegale putten op 500.
108.
Dit betoog van Spanje volstaat niet om de grieven van de Commissie te weerleggen. Een volledige en juiste schatting van de grondwateronttrekkingen is een voorafgaand vereiste voor de karakterisering van een grondwaterlichaam, de beoordeling van het risico dat de kwantitatieve toestand ervan slecht zal zijn, en de ontwikkeling van maatregelen teneinde een goede toestand te bereiken. Bijgevolg moet ook rekening worden gehouden met de onttrekkingen voor drinkwaterproductie die toch nog altijd overeenstemmen met 4 tot 5 % van de legale onttrekkingen voor landbouwdoeleinden. In de eerste plaats moeten echter de illegale onttrekkingen op zijn minst geschat en naar behoren in aanmerking worden genomen. Zonder deze factoren kan de toestand van het grondwaterlichaam niet juist worden beoordeeld en valt evenmin te overzien of de maatregelen om een goede kwantitatieve toestand van het grondwater tot stand te brengen en in het bijzonder om illegale onttrekkingen te bestrijden, volstaan.
4. Voorlopige conclusie
109.
Derhalve heeft Spanje, door bij de schatting van de grondwateronttrekkingen geen rekening te houden met onttrekkingen voor drinkwaterproductie en illegale onttrekkingen, artikel 5, lid 1, van de kaderrichtlijn water, gelezen in samenhang met punt 2.2 van bijlage II erbij, geschonden.
D. Verbod op achteruitgang van Artikel 4, lid 1, onder b), punt i), van de kaderrichtlijn water
110.
Met haar eerste middel verwijt de Commissie Spanje dat het niet de noodzakelijke maatregelen heeft getroffen ter voorkoming van achteruitgang van de toestand van de grondwaterlichamen in het natuurgebied Doñana.
1. Voorwerp van het middel
111.
Voor grondwater leggen de lidstaten overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder b), punt i), van de kaderrichtlijn water de nodige maatregelen ten uitvoer om de achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen te voorkomen (verbod op achteruitgang). Daarnaast beschermen, verbeteren en herstellen de lidstaten overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder b), punt ii), alle grondwaterlichamen met de bedoeling uiterlijk eind 2015 een ‘goede grondwatertoestand’ te bereiken (verbeteringsvereiste).
112.
Het onderhavige middel heeft uitsluitend betrekking op het verbod op achteruitgang. Dit verbod heeft een dwingend karakter in elke fase van de procedure die door de kaderrichtlijn water wordt voorgeschreven53., maar was — anders dan de Commissie meent — nog niet van toepassing bij afloop van de omzettingstermijn van de kaderrichtlijn water op 22 december 2003. Het verbod op achteruitgang is daarentegen pas bindend voor de lidstaten sinds 22 december 2009, de datum waarop de termijn is verstreken waarbinnen de lidstaten de stroomgebiedbeheerplannen in de zin van de richtlijn dienden op te stellen en toe te passen.54.
113.
Voorts moet worden gepreciseerd dat de grief van de Commissie alleen is gericht tegen de achteruitgang van de kwantitatieve toestand van de betrokken grondwaterlichamen, die volgens de Commissie te wijten is aan grondwateronttrekkingen. Volgens de overgelegde stukken zijn er weliswaar ook problemen met de chemische toestand van het grondwater, met name als gevolg van verontreiniging door nitraten, maar dienaangaande heeft de Commissie geen bezwaren geformuleerd.
114.
Tot slot moet worden opgemerkt dat op grond van de vastgestelde tekortkomingen in de karakterisering van de grondwatertoestand in het natuurgebied Doñana kan worden betwijfeld of Spanje de noodzakelijke maatregelen heeft genomen ter voorkoming van achteruitgang. Zowel de globaal onjuiste beoordeling in het eerste stroomgebiedbeheerplan alsook het buiten beschouwing laten van illegale grondwateronttrekkingen lijken in dat verband van belang. Met name deze laatste tekortkoming maakt het bovendien moeilijker om de ontwikkeling van de grondwatertoestand in haar geheel te beoordelen. De Commissie laat echter na om dit verband aan te tonen voor de door haar gelaakte achteruitgang, zodat deze grief niet het voorwerp uitmaakt van de onderhavige procedure.
2. Achteruitgang
115.
Ten bewijze van een achteruitgang voert de Commissie ten eerste aan dat de kwantitatieve toestand van het grondwater in de eerste twee stroomgebiedbeheerplannen verschillend is beoordeeld. Ten tweede voert zij argumenten aan in verband met grondwateronttrekkingen.
a) Overgang van een goede naar een slechte toestand
116.
De eerste redeneerlijn van de Commissie komt erop neer dat Spanje met het stroomgebiedbeheerplan voor 2016---8211---2021 heeft erkend dat de kwantitatieve toestand van drie grondwaterlichamen is verslechterd ten opzichte van het plan voor de voorgaande jaren 2009---8211---2015. In het plan voor de eerste periode werd de kwantitatieve toestand van het grondwater in het gebied Doñana immers als goed gekwalificeerd, terwijl in het plan voor de tweede periode de toestand van drie betrokken grondwaterlichamen in dit gebied als slecht is aangemerkt.
117.
Dit betoog is in die zin juist dat de overgang van een goede naar een slechte toestand neerkomt op een achteruitgang.
118.
De bovengenoemde ontwikkeling toont echter niet aan dat de toestand van het grondwaterlichaam is achteruitgegaan. Dat de kwantitatieve toestand verschillend werd beoordeeld, heeft met name te maken met het feit dat het grondwaterlichaam Almonte-Marismas voor het eerste tijdvak in zijn geheel werd beoordeeld, maar voor het tweede tijdvak werd opgedeeld in vijf afzonderlijke grondwaterlichamen waarvan er drie in een slechte toestand verkeren.
119.
Niets wijst erop dat de toestand van deze grondwaterlichamen vóór de opdeling beter was. Uit de door beide procespartijen aangevoerde feiten kan veeleer worden opgemaakt dat deze slechte toestand reeds in het eerste tijdvak en ook daarvoor bestond, maar dat deze door de samenvoeging met twee andere grondwaterlichamen tot één groot grondwaterlichaam55. werd gemaskeerd, en dus werd ‘verwaterd’.
120.
Zo voert de Commissie in repliek aan dat reeds vóór de goedkeuring van het eerste stroomgebiedbeheerplan werd overwogen om de toestand van het gehele grondwaterlichaam Almonte-Marismas als slecht aan te merken. Dit strookt met het argument van Spanje volgens hetwelk de toestand van dit grondwaterlichaam toe te schrijven is aan landgebruik dat reeds bestond voordat de kaderrichtlijn water van kracht werd.
121.
Derhalve kan de Commissie met dit betoog niet aantonen dat de toestand van het grondwaterlichaam is achteruitgegaan.
b) Achteruitgang van een slechte toestand
122.
Bijgevolg moet worden nagegaan of de Commissie heeft aangetoond dat de slechte toestand van de drie grondwaterlichamen nog verder is achteruitgegaan.
i) Begrip ‘achteruitgang’
123.
Hiertoe moet eerst worden uitgemaakt onder welke omstandigheden sprake is van een achteruitgang van de slechte kwantitatieve toestand van een grondwaterlichaam in de zin van artikel 4, lid 1, onder b), i), van de kaderrichtlijn water.
124.
Tot dusver heeft het Hof alleen geoordeeld dat ook grondwaterlichamen in een slechte toestand verder kunnen achteruitgaan56. en dat de drempel waarboven sprake is van niet-nakoming van de verplichting om achteruitgang van de toestand van een waterlichaam te voorkomen, zo laag mogelijk moet zijn.57.
125.
Voorts moet eraan worden herinnerd dat dit verbod op achteruitgang een ander beschermingsdoel heeft dan het verbod op verslechtering van de habitatrichtlijn. Artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn beschermt bepaalde habitats en soorten, terwijl het hier aan de orde zijnde verbod op achteruitgang van artikel 4, lid 1, onder b), i), van de kaderrichtlijn water de kwantitatieve toestand van een grondwaterlichaam beschermt. Derhalve volgt uit de reeds vastgestelde schending van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn niet noodzakelijkerwijs een schending van artikel 4, lid 1, onder b), i), van de kaderrichtlijn water.
126.
In navolging van de Commissie zou een achteruitgang van de kwantitatieve toestand van een grondwaterlichaam intuïtief afhankelijk kunnen worden gemaakt van de evolutie van de hoeveelheid grondwater, dat wil zeggen van de ondergrondse grondwaterspiegel. Volgens die redenering zou een daling van die grondwaterspiegel, dat wil zeggen een vermindering van de hoeveelheid grondwater, duiden op een achteruitgang van de kwantitatieve toestand. Aldus begrepen zou het verbod op achteruitgang het verbod inhouden om meer grondwater te onttrekken dan er wordt aangevuld. Volgens het stroomgebiedbeheerplan 2016---8211---2021 is dit het geval in ten minste twee van de betrokken grondwaterlichamen.58.
127.
Het stopzetten van bovenmatige grondwateronttrekking wordt echter reeds beoogd met het verbeteringsvereiste als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder b), ii), van de kaderrichtlijn water. Volgens dit vereiste — waarvan de schending niet door de Commissie wordt aangevoerd — moet worden gezorgd voor een evenwicht tussen onttrekking en aanvulling van grondwater. Dit evenwicht beantwoordt overigens aan de definitie van een goede kwantitatieve toestand in punt 2.1.2, eerste volzin, van bijlage V die volgens het verbeteringsvereiste moet worden bereikt.
128.
Het zou vanwege de wetgever echter van inconsistentie getuigen om met het verbod op achteruitgang en het verbeteringsvereiste twee verplichtingen in het leven te roepen die elk het verbod inhouden om meer grondwater te onttrekken dan er wordt aangevuld.
129.
De termijnen voor omzetting van beide verplichtingen verduidelijken deze tegenstelling. In tegenstelling tot het verbod op achteruitgang, dat reeds sinds eind 2009 moest worden nagekomen, is het verbeteringsvereiste pas in 2015 van kracht geworden. Bovendien voorziet artikel 4, lid 4, van de kaderrichtlijn water onder bepaalde voorwaarden in de mogelijkheid om deze overgangsperiode te verlengen tot 2027, hetgeen Spanje ook heeft gedaan.
130.
Hieruit volgt dat bij een slechte kwantitatieve toestand van het grondwater op grond van het verbod op achteruitgang niet kan worden verlangd dat zoveel minder grondwater wordt onttrokken tot een evenwicht wordt bereikt tussen onttrekking en aanvulling van grondwater, dus dat er minder grondwater wordt onttrokken dan er wordt aangevuld. Op grond van dit verbod kan alleen worden verlangd dat er niet meer grondwater dan voorheen wordt onttrokken teneinde de oorzaken van de slechte toestand niet nog verder te verergeren.
131.
De enkele daling van de grondwaterstand, dat wil zeggen de vermindering van de grondwaterreserves, is daarentegen nog niet te beschouwen als achteruitgang. Een dergelijke daling dan wel vermindering is namelijk het onvermijdelijke gevolg van het feit dat er meer grondwater wordt onttrokken dan er wordt aangevuld.
132.
Wanneer — bij wijze van controle — wordt onderzocht hoe een aanhoudend slechte toestand kan worden verbeterd, is de uitkomst niet anders: het is niet zo dat alleen sprake kan zijn van een verbetering wanneer er hooguit net zo veel grondwater wordt onttrokken als er wordt aangevuld, want in dat geval zou de goede kwantitatieve toestand reeds zijn bereikt. Elke vermindering van de grondwateronttrekking moet daarentegen als een verbetering worden beschouwd, ook wanneer er nog altijd meer grondwater wordt onttrokken dan er wordt aangevuld. Toch zou ook in dat geval de grondwaterstand zeer waarschijnlijk blijven dalen. Spanje voert overigens aan dat dergelijke verbeteringen reeds zijn gerealiseerd door de sluiting van een groot landbouwbedrijf.
133.
Derhalve leveren zowel de definitie van een goede kwantitatieve toestand alsook de verhouding tussen het verbod op achteruitgang en het verbeteringsvereiste de niet bepaald intuïtieve uitkomst op dat noch de daling van de grondwaterstand, noch een bovenmatige onttrekking van grondwater aan een grondwaterlichaam dat niet in een goede kwantitatieve toestand verkeert, op zichzelf volstaat om te kunnen gewagen van achteruitgang van het grondwaterlichaam.
134.
Voor een verdere achteruitgang van een reeds slechte toestand is daarentegen een toename van het lopende tekort vereist, dus een toenemende overexploitatie.
135.
Uit het onderhavige geval blijkt dat deze restrictieve invulling van het verbod op achteruitgang hoogstwaarschijnlijk is ingegeven door economische overwegingen van de wetgever. Zoals Spanje vreest, had een onmiddellijke stopzetting van de overonttrekking in 2009 met name aan de landbouw aanzienlijke schade berokkend. De overgangsperioden bieden daarentegen de mogelijkheid om naar oplossingen te zoeken die rekening houden met de belangen van de landbouw, zoals bijvoorbeeld de aanvoer van oppervlaktewater uit andere regio's of waterbesparende maatregelen van technische aard. In deze context strekt het verbod op achteruitgang ertoe te voorkomen dat schadelijke praktijken, zoals bijvoorbeeld een verhoogde grondwateronttrekking voor het irrigeren van extra landbouwgronden, zich verder uitbreiden.
136.
De aanvulling van de definitie van een goede kwantitatieve toestand in punt 2.1.2., tweede volzin, van bijlage V bij de kaderrichtlijn water doet niet af aan deze restrictieve uitlegging van het verbod op achteruitgang. Volgens deze bepaling ondergaat een grondwaterlichaam in goede toestand geen zodanige antropogene, dat wil zeggen door de mens veroorzaakte, veranderingen dat (met name)
- —
de milieudoelstellingen volgens artikel 4 voor bijbehorende oppervlaktewateren niet worden bereikt,
- —
de toestand van die wateren significant achteruitgaat,
- —
significante schade wordt toegebracht aan de terrestrische ecosystemen die rechtstreeks van het grondwaterlichaam afhankelijk zijn.
137.
Voorts is in dit deel van de definitie nog sprake van veranderingen in de stroomrichting van het grondwater, maar dergelijke veranderingen zijn niet aan de orde in de onderhavige zaak.
138.
Voornoemde kenmerken zijn van kwalitatieve aard en vormen in die zin een aanvulling op de kwantitatieve benadering overeenkomstig punt 2.1.2., tweede volzin, van bijlage V bij de kaderrichtlijn water. Een grondwaterlichaam dat schending van een van deze criteria teweegbrengt, verkeert in een slechte toestand, onafhankelijk van een kwantitatieve benadering.
139.
De achteruitgang van oppervlaktewateren en terrestrische ecosystemen waarnaar wordt verwezen in het tweede en derde streepje van punt 2.1.2., tweede volzin, van bijlage V bij de kaderrichtlijn water mag echter niet worden gelijkgesteld met een achteruitgang van de kwantitatieve toestand van het betrokken grondwaterlichaam. In dergelijke gevallen kan inderdaad sprake zijn van schending van andere Unierechtelijke verboden op achteruitgang, zoals bijvoorbeeld het verbod op achteruitgang van oppervlaktewateren overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), i), van de kaderrichtlijn water of het verbod op verslechtering van beschermingszones in de zin van artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn. In samenhang met de toestand van grondwaterlichamen zijn dergelijke aantastingen echter slechts aanwijzingen dat het grondwaterlichaam in een slechte toestand verkeert.
140.
Uit dergelijke aanwijzingen kan daarenboven in bepaalde gevallen worden afgeleid dat de kwantitatieve toestand van een grondwaterlichaam achteruitgaat en daarbij van een goede naar een slechte toestand evolueert. Ook valt niet uit te sluiten dat deze aanwijzingen in bepaalde gevallen kunnen duiden op een verdere achteruitgang van een grondwaterlichaam dat reeds in een slechte kwantitatieve toestand verkeert. Louter op grond van een achteruitgang van oppervlaktewateren en terrestrische ecosystemen kan dit echter niet worden aangenomen, want die achteruitgang valt te verwachten wanneer de grondwaterstand blijft dalen. Dit geldt niet alleen bij een ongewijzigde onttrekking maar zelfs ook wanneer de grondwaterstand langzamer daalt omdat er reeds minder grondwater wordt onttrokken. Een achteruitgang van oppervlaktewateren en terrestrische ecosystemen duidt daarentegen pas dan op een achteruitgang van de kwantitatieve toestand van het grondwater wanneer eerstbedoelde achteruitgang zo snel verloopt dat van een toenemende overonttrekking moet worden uitgegaan.
ii) betoog met betrekking tot de onttrekkingsbalans
141.
In verband met de overonttrekking van grondwater zijn er aanwijzingen voor een voortdurende overexploitatie. Wat echter niet is bewezen, is dat de overexploitatie toeneemt. Alleen een dergelijke toename zou echter schending opleveren van het verbod op achteruitgang.59.
142.
De Commissie beroept zich op verschillende documenten van Spaanse instanties, waaronder een rapport van de Confederación Hidrográfica del Guadalquivir over de toestand van de watervoerende laag van het Doñana gebied in het hydrologische jaar 2015---8211---2016. In de conclusies van dat rapport waarschuwde de Confederación ervoor dat ‘het voortbestaan van de huidige niveaus en de wijze waarop de grondwatervoorraden worden geëxploiteerd […] een gevaar kunnen vormen voor de goede toestand van deze watervoerende laag en van de terrestrische ecosystemen die ervan afhankelijk zijn, zoals blijkt uit het feit dat drie van de vijf grondwaterlichamen waaruit het systeem bestaat, geen goede kwalitatieve toestand bereiken’.60. Ook beval de Defensor del Pueblo Andaluz (ombudsman van de autonome gemeenschap Andalusië, Spanje) de Confederación bij besluit van 10 augustus 2018 aan om te verklaren dat de grondwaterlichamen van Almonte, Marismas en Rocina een overgeëxploiteerde watervoerende laag waren en om de stroomgebieden, de verschillende planningsinstrumenten voor de watervoorraden, de landbouwactiviteiten en de bescherming van de natuurgebieden te coördineren binnen een actieprogramma teneinde te zorgen voor een duurzame exploitatie van de hulpbron.61. Volgens beide procespartijen heeft de Confederación in reactie op deze aanbeveling de procedure ingeleid om te verklaren dat drie van de vijf vermelde grondwaterlichamen ‘het risico lopen geen goede kwantitatieve toestand te bereiken’.
143.
In repliek betwist Spanje dit specifieke argument van de Commissie niet, maar benadrukt het uitvoerig dat de oorzaken van bestaande problemen teruggaan tot de tijd voordat de kaderrichtlijn water in werking is getreden en dat de bevoegde instanties zich reeds aanzienlijke inspanningen hebben getroost om de situatie te verbeteren.
144.
Tenminste voor de grondwaterlichamen Rocina en Marismas geeft Spanje echter aan dat de grondwateronttrekking de beschikbare watervoorraden overschrijdt, meer bepaald met respectievelijk 34 % en 7 %. In repliek beklemtoont de Commissie dat de door Spanje in verweer overgelegde rapporten over de toestand van de watervoerende laag in het tijdvak 2013---8211---2017 aantonen dat sprake is van overexploitatie ervan. In dupliek erkent Spanje dat het grondwater in de drie grondwaterlichamen die in slechte toestand verkeren, sneller daalt dan alleen op grond van minder regenval valt te verwachten.
145.
Net als een groot aantal aanwijzingen in verband met het verbod op verslechtering volgens de habitatrichtlijn62. komen ook deze argumenten erop neer dat minstens drie grondwaterlichamen in een slechte toestand verkeren. Net als bij het verbod op verslechtering volgens de habitatrichtlijn, betekent deze slechte toestand nog niet dat de toestand tijdens het relevante tijdvak is achteruitgegaan.63. Integendeel, Spanje stelt zich op het standpunt dat reeds op vele punten vooruitgang is geboekt.
146.
Derhalve heeft de Commissie niet aangetoond dat de overonttrekking van grondwater in omvang toeneemt.
iii) betoog met betrekking tot oppervlaktewateren en terrestrische ecosystemen
147.
Bovendien is de Commissie van mening dat sprake is van een verslechtering van oppervlaktewateren en terrestrische ecosystemen die bewees dat er sprake was van een achteruitgang van de kwantitatieve toestand van het grondwaterlichaam.
148.
Daartoe verwijst zij met name naar de verslechtering van habitattypen die schending oplevert van het verbod op verslechtering volgens artikel 6, lid 2, van de habitatrichtlijn.64.
149.
Hiermee toont de Commissie echter enkel aan dat er aanwijzingen zijn voor een slechte toestand van het betrokken grondwaterlichaam, maar niet dat deze toestand verder achteruitgaat.
150.
Derhalve moet ook deze redeneerlijn van de Commissie worden afgewezen, zodat de door haar aangevoerde grief inzake achteruitgang in haar geheel dient te worden verworpen.
c) Rechtvaardiging van de achteruitgang
151.
Voor het geval dat het Hof toch zou vaststellen dat sprake is van een achteruitgang van de kwantitatieve toestand van het hier aan de orde zijnde grondwaterlichaam, moet nader worden ingegaan op de rechtvaardiging daarvan.
152.
Spanje betoogt dat het in het stroomgebiedbeheerplan 2016---8211---2021 gebruik heeft gemaakt van de uitzonderingsbepaling van artikel 4, lid 4, van de kaderrichtlijn water en op grond daarvan het bereiken van de milieudoelstellingen van artikel 4, lid 1, onder b), heeft uitgesteld tot respectievelijk 2022 en 2027. Dit is noodzakelijk, aangezien de nitraatrichtlijn niet voldoende werd nageleefd en de oppervlakte cultuurgrond niet kon worden ingeperkt.65.
153.
Zoals de Commissie ter terechtzitting terecht heeft uiteengezet, is dit argument niet relevant in het kader van het onderhavige middel, aangezien een achteruitgang van grondwater niet kan worden gerechtvaardigd op grond van artikel 4, lid 4, van de kaderrichtlijn water. Dit volgt reeds uit het verbod op achteruitgang als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder b), i), ervan. Daarin wordt bepaald dat dit verbod geldt onder voorbehoud van de toepassing van de leden 6 en 7 en onverminderd lid 8 van dit artikel, en onder voorbehoud van de toepassing van artikel 11, lid 3, onder j). Anders dan bij het verbeteringsvereiste van artikel 4, lid 1, onder b), ii), wordt artikel 4, lid 4, daar echter niet genoemd. Bovendien bepaalt ook artikel 4, lid 4, dat de overgangsperiode alleen kan worden verlengd voor zover de toestand van het aangetaste waterlichaam niet verder verslechtert.
154.
Bijgevolg kan een achteruitgang alleen worden gerechtvaardigd op grond van artikel 4, lid 7, van de kaderrichtlijn water.66. In zijn pleidooi ter terechtzitting heeft Spanje er echter uitdrukkelijk van afgezien zich te beroepen op deze rechtvaardigingsgrond. Derhalve kan een nader onderzoek van de voorwaarden ervan achterwege blijven.
155.
Zou het Hof vaststellen dat sprake is van een achteruitgang van het grondwater, dan zou deze achteruitgang bijgevolg elke rechtvaardiging ontberen.
3. Voorlopige conclusie
156.
Op grond van de overwegingen over de toepassing van het verbod op achteruitgang moet de grief aangaande de schending ervan echter worden afgewezen.
E. Maatregelenprogramma's overeenkomstig Artikel 11 van de kaderrichtlijn water
157.
Met haar derde middel stelt de Commissie zich tot slot op het standpunt dat Spanje geen adequate basis- en aanvullende maatregelen heeft opgenomen in het beheerplan voor het stroomgebiedsdistrict Guadalquivir en dat het om die reden niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 11, lid 1, lid 3, onder a), c) en e), en lid 4, van de kaderrichtlijn water.
158.
Overeenkomstig artikel 11, lid 1, van de kaderrichtlijn water draagt elke lidstaat er zorg voor dat voor elk stroomgebiedsdistrict of voor het op zijn grondgebied gelegen deel van een internationaal stroomgebiedsdistrict, een maatregelenprogramma wordt opgesteld waarin rekening is gehouden met de resultaten van de krachtens artikel 5 voorgeschreven analyses, teneinde de doelstellingen van artikel 4 te verwezenlijken.
159.
In artikel 11, lid 3, onder a), c) en e), van de kaderrichtlijn water staan enkele basismaatregelen opgesomd die dit maatregelenprogramma moet omvatten. Lid 4 ervan heeft betrekking op aanvullende maatregelen die in aanvulling op de basismaatregelen worden ontworpen en uitgevoerd.
160.
Net als de doelstellingen van artikel 4 van de kaderrichtlijn water hebben de in dit middel aangevoerde punten van kritiek betrekking op uiteenlopende vraagstukken.
161.
De kritiek van de Commissie treft vooral individuele maatregelen die erop zijn gericht een goede kwantitatieve toestand van het betrokken grondwaterlichaam te bereiken, dus op de nakoming van het verbeteringsvereiste als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder b), ii), van de kaderrichtlijn water. Deze kritiek is echter niet overtuigend (1).
162.
Artikel 4, lid 1, onder c), van de kaderrichtlijn water legt bovendien verplichtingen met betrekking tot de betrokken beschermingszones als bedoeld in de habitatrichtlijn op, die ook in het kader van artikel 11 van de kaderrichtlijn water moeten worden nagekomen. Eén punt van kritiek van de Commissie heeft hierop betrekking en is gegrond (2).
1. Individuele maatregelen ter nakoming van het verbeteringsvereiste en het verbod op achteruitgang van de kaderrichtlijn water
163.
Partijen zijn het oneens over verschillende maatregelen waarin is voorzien met het oog op de verbetering van de kwantitatieve toestand van het grondwater, maar deze discussie is niet relevant. Het maatregelenprogramma moet geschikt zijn om binnen de voorgeschreven termijnen een goede toestand te bereiken. Hoe de lidstaat dit resultaat bereikt, staat hem vrij, voor zover daarbij geen specifieke verplichtingen van Unierecht worden geschonden.
164.
Wanneer de Commissie een programma als zodanig ontoereikend acht, moet zij bijgevolg aantonen dat de maatregelen in hun geheel niet voldoen. Voor een dergelijk bezwaar zou zij bijvoorbeeld kunnen aanknopen bij de reeds vastgestelde schending van artikel 5 van de kaderrichtlijn water, want op basis van onvolledige informatie over het grondwaterlichaam is het nauwelijks mogelijk om gepaste maatregelen te ontwikkelen. De bezwaren van de Commissie gaan hier echter aan voorbij.
165.
De Commissie richt haar kritiek daarentegen op individuele maatregelen, zonder aan te tonen dat deze tekortkomingen in hun geheel genomen beletten dat de doelstellingen van artikel 4 van de kaderrichtlijn water worden bereikt. In beginsel kan de Commissie individuele maatregelen echter alleen afzonderlijk bekritiseren op grond van schending van andere bepalingen. De bezwaren van de Commissie gaan echter niet in die richting, en ook steunt zij haar betoog niet op specifieke vereisten die zouden kunnen voortvloeien uit artikel 11, lid 3, onder a), c) en e), en lid 4, van de kaderrichtlijn water.
166.
Alleen daarom al is dit middel ongegrond.
167.
Alleen voor het geval dat het Hof deze opvatting niet deelt en alsnog ingaat op de bezwaren tegen de individuele maatregelen die losstaan van de beschermingszone, zal ik hierna nader ingaan op die bezwaren. Aangevoerde argumenten die betrekking hebben op het tijdvak na het verstrijken van de termijn van het met redenen omkleed advies op 26 juni 2016, zijn in dezen echter niet relevant.67.
a) Regularisatie
168.
De Commissie maakt bezwaar dat Spanje voor het eerst een vergunning afgeeft voor de irrigatie van landbouwgronden terwijl deze gronden al in 2004 werden geïrrigeerd. Ook toen al werd te veel grondwater onttrokken, en dit mag nu niet officieel worden bekrachtigd.
169.
Daarmee verwart de Commissie echter de vraag in hoeverre het nationaal recht een legitiem belang bij de principiële voortzetting van de irrigatie erkent met de vraag of en hoe de irrigatie in haar geheel moet worden verminderd. Het feit dat Spanje bestaande praktijken regulariseert met de voornoemde eerste vergunning, betekent nog niet dat de noodzakelijke vermindering achterwege blijft. Zo kan Spanje de grondwateronttrekking alsnog verminderen door bijvoorbeeld — zoals in minstens één geval is gebeurd — landbouwgronden te verwerven en braak te laten liggen. Het lijkt daarentegen niet dwingend geboden om de noodzakelijke vermindering te realiseren ten koste van uitgerekend die landbouwers die nog geen formele vergunning hebben, maar op grond van het nationaal recht een gewettigd vertrouwen in de voortzetting van de irrigatie kunnen inroepen.
b) Toewijzing van financiële middelen
170.
De Commissie hekelt ook de toewijzing van financiële middelen. Van het beschikbare budget wordt 50 % besteed aan de verbetering en consolidatie van irrigatieplannen, terwijl amper 0,34 % voor de sluiting van illegale putten en 1,12 % voor monitoring zijn bestemd. De Commissie preciseert echter niet welke criteria voor een passende toewijzing van financiële middelen moeten worden gehanteerd, laat staan dat zij aantoont dat dergelijke criteria zijn geschonden.
171.
Uit het betoog van Spanje met betrekking tot de genomen controle- en sanctiemaatregelen na het verstrijken van de termijn van het met redenen omkleed advies, blijkt overigens dat uitgebreide controles werden uitgevoerd en dat inbreuken werden bestraft.
c) Aanvoer van oppervlaktewater voor irrigatiedoeleinden
172.
Voorts laakt de Commissie het feit dat Spanje voorziet in de aanvoer van oppervlaktewater uit omliggende regio's teneinde de grondwateronttrekking te verminderen. De verschillende bezwaren die de Commissie tegen deze maatregel aanvoert, zijn alles bij elkaar genomen echter niet gegrond.
173.
Voor zover de Commissie zich op het standpunt stelt dat een dergelijke maatregel de belasting louter naar elders verschuift, valt weliswaar niet uit te sluiten dat deze kritiek juist is. De Commissie voert echter geen achteruitgang van de betrokken oppervlaktewateren aan, laat staan dat zij daarvoor bewijzen aandraagt.
174.
De Commissie voert ook aan dat deze maatregel er niet toe bijdraagt dat de chemische toestand van het grondwater verbetert. Niets wijst er echter op dat een schending in verband met de chemische toestand voorwerp van de onderhavige procedure is. Bovendien zou dit argument de mogelijkheid niet uitsluiten dat Spanje andere gepaste maatregelen neemt om de chemische toestand van het grondwater te verbeteren.
175.
Het argument van de Commissie dat de toestand van grondwaterafhankelijke ecosystemen niet verbetert door de aanvoer van water, kan niet overtuigen. Indien het aangevoerde oppervlaktewater ervoor zorgt dat er minder grondwater wordt onttrokken en misschien via doorsijpelen zelfs ertoe bijdraagt dat het grondwater wordt aangevuld, komt dit immers ten goede aan deze ecosystemen.
176.
Bovendien beweert de Commissie dat in afwachting van wateraanvoer nog meer grondwater werd onttrokken. In dat verband verwijst zij naar de tijdelijke irrigatievergunning voor 504 hectare landbouwgrond. Volgens de onweersproken verklaringen van Spanje gaat het daarbij echter om reeds eerder geïrrigeerde landbouwgronden die slechts werden geregulariseerd.
177.
Tot slot voert de Commissie aan dat de voor de aanvoer van water benodigde infrastructuur nog niet ter beschikking staat. Het is echter inherent aan een maatregelenprogramma dat het stapsgewijs moet worden uitgevoerd om het beoogde resultaat op een gegeven tijdstip te bereiken.
2. Voorkoming van aantasting van een beschermingszone — grondwateronttrekking in de omgeving van matalascañas
178.
De Commissie laakt bovendien het uitblijven van maatregelen voor het oplossen van problemen die toe te schrijven zijn aan grondwateronttrekkingen ten behoeve van de watervoorziening van Matalascañas.
179.
Dit kustdorp ligt in de onmiddellijke omgeving van de beschermingszone SBZ/GCB ES0000024 Doñana en heeft een uitgesproken toeristisch karakter. Het grondwatervolume dat er wordt onttrokken — 2,5 hm3 op jaarbasis — is weliswaar niet bijzonder groot in vergelijking met de totale grondwateronttrekking, maar wordt in verschillende wetenschappelijke publicaties68. toch genoemd als mogelijke oorzaak van de verslechtering van het prioritaire habitattype 3170*, niet-permanente poelen in het Middellandse-Zeegebied, dat in dit gebied wordt aangetroffen.
180.
Een dergelijke aantasting van door de habitatrichtlijn beschermde habitattypen is van belang voor het maatregelenprogramma in de zin van artikel 11 van de kaderrichtlijn water, aangezien de lidstaten overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder c), en artikel 6 van de kaderrichtlijn water, alsook overeenkomstig bijlage IV ervan, tegen 2015 niet alleen in het algemeen een goede watertoestand moeten bereiken, maar ook aan de normen en doelstellingen van de betrokken beschermde gebieden moeten voldoen. Bijgevolg moet het maatregelenplan ook beogen om de reeds vastgestelde verslechtering van beschermde habitattypen zoals niet-permanente poelen69. ongedaan te maken.
181.
Deze specifieke verplichting staat los van de verplichting tot het nemen van maatregelen om in het algemeen een goede watertoestand te bereiken, want zij vereist dat bepaalde habitats binnen aangewezen beschermingszones worden beschermd. Het verzuim van de Commissie om aan te tonen waarom de maatregelen in hun geheel niet volstaan voor het bereiken van een goede kwantitatieve toestand van het grondwater in het natuurgebied Doñana, doet derhalve niet af aan deze specifieke verplichting.
182.
In dit verband volstaat het daarentegen dat de Commissie reeds heeft aangetoond dat het waarschijnlijk is dat beschermde habitats in beschermingszones in de zin van de habitatrichtlijn significant worden aangetast. Deze waarschijnlijke aantasting treft in het bijzonder het prioritaire habitattype 3170* —niet-permanente poelen in het Middellandse Zeegebied — in de onmiddellijke omgeving van Matalascañas.
183.
Spanje bestrijdt dit argument met een onderzoek dat heeft aangetoond dat de grondwateronttrekking in de omgeving van Matalascañas niet heeft geleid tot achteruitgang van één concreet ondiep waterlichaam, met name de Laguna Santa Olalla. Deze vaststelling sluit evenwel niet uit dat andere niet-permanente ondiepe waterlichamen die dichter bij het dorp liggen of van andere grondwaterstromingen afhankelijk zijn, wel achteruitgaan.
184.
Bijgevolg had Spanje gepaste maatregelen moeten opnemen in het programma teneinde te voorkomen dat beschermde habitattypen door grondwateronttrekkingen worden aangetast.
185.
Het feit dat er twijfels bestaan over een achteruitgang, kan daarentegen niet rechtvaardigen dat van elke maatregel wordt afgezien. Integendeel, de hierboven — in verband met de schending van het verbod op verslechtering van de habitatrichtlijn — aangehaalde beoordeling of beschermde habitattypen worden aangetast70., zou op zijn minst al een eerste gepaste maatregel zijn geweest. Daaruit had kunnen blijken of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.
3. Voorlopige conclusie
186.
Derhalve heeft Spanje artikel 11, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, onder c), van de kaderrichtlijn water geschonden, aangezien het maatregelenprogramma van het stroomgebiedbeheerplan 2016---8211---2021 niet voorziet in maatregelen ter voorkoming van aantasting van beschermde habitattypen in de beschermingszone SBZ/GCB ES0000024 Doñana door grondwateronttrekkingen ten behoeve van de watervoorziening van Matalascañas.
VI. Kosten
187.
De kostenvordering van de Commissie en het feit dat Spanje geen kostenvordering heeft ingediend, hebben geen praktische gevolgen. Volgens artikel 138, lid 3, van het Reglement draagt immers elke partij haar eigen kosten indien zij — zoals in casu — gedeeltelijk in het gelijk en gedeeltelijk in het ongelijk wordt gesteld.
VII. Conclusie
188.
Derhalve geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
- ‘1)
Het Koninkrijk Spanje heeft artikel 6, lid 2, van richtlijn 92/43/EEG inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna geschonden, aangezien de Europese Commissie heeft aangetoond dat het waarschijnlijk is dat de onttrekking van grondwater sinds 19 juli 2006 significante gevolgen heeft voor beschermde habitattypen in de beschermingszones SBZ/GCB ES0000024 Doñana, SBZ/GCB ES6150009 Doñana Norte y Oeste en SBZ ES6150012 Dehesa del Estero y Montes de Moguer.
- 2)
Het Koninkrijk Spanje heeft artikel 5, lid 1, gelezen in samenhang met punt 2.2 van bijlage II van richtlijn 2000/60/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid, geschonden aangezien het bij de schatting van de grondwateronttrekkingen geen rekening heeft gehouden met onttrekkingen voor drinkwaterproductie en illegale onttrekkingen.
- 3)
Het Koninkrijk Spanje heeft artikel 11, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, onder c), van richtlijn 2000/60, geschonden aangezien het maatregelenprogramma van het Plan Hidrológico del Guadalquivir 2016---8211---2021 (stroomgebiedbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier 2016---8211---2021) niet voorziet in maatregelen ter voorkoming van aantasting van beschermde habitattypen in de beschermingszone SBZ/GCB ES0000024 Doñana door grondwateronttrekkingen ten behoeve van de watervoorziening van Matalascañas.
- 4)
Het beroep wordt verworpen voor het overige.
- 5)
De Europese Commissie en het Koninkrijk Spanje worden verwezen in hun eigen kosten.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑12‑2020
Oorspronkelijke taal: Duits.
Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992, L 206, blz. 7), zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/17/EU van de Raad van 13 mei 2013 (PB 2013, L 158, blz. 193).
Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB 2010, L 20, blz. 7), zoals gewijzigd bij richtlijn 2013/17/EU van de Raad van 13 mei 2013 (PB 2013, L 158, blz. 193).
Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB 2000, L 327, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2014/101/EU van de Commissie van 30 oktober 2014 (PB 2014, L 311, blz. 32).
Beschikking 2006/613/EG van de Commissie van 19 juli 2006 tot vaststelling, op grond van richtlijn 92/43/EEG van de Raad, van de lijst van gebieden van communautair belang voor de mediterrane biogeografische regio [Kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 3261] (PB 2009, L 259, blz. 1).
Https://natura2000.eea.europa.eu/Natura2000/SDF.aspx?site=ES0000024&release=10, punt 1.7.
Real Decreto 355/2013, de 17 de mayo, por el que se aprueba el Plan Hidrológico de la Demarcación Hidrográfica del Guadalquivir (koninklijk besluit nr. 355/2013 van 17 mei 2013 tot goedkeuring van het stroomgebiedbeheerplan voor de Guadalquivir-rivier; Boletín Oficial del Estado nr. 121 van 21 mei 2013, Sec. I, blz. 38 229).
TABLA T.II.1. — punt 0551.
TABLA T.VI.5.
Real Decreto 1/2016, de 8 de enero, por el que se aprueba la revisión de los Planes Hidrológicos de las demarcaciones hidrográficas del Cantábrico Occidental, Guadalquivir, Ceuta, Melilla, Segura y Júcar, y de la parte española de las demarcaciones hidrográficas del Cantábrico Oriental, Miño-Sil, Duero, Tajo, Guadiana y Ebro (koninklijk besluit nr. 1/2016 van 8 januari 2016 tot goedkeuring van de herziening van de stroomgebiedsbeheersplannen voor Cantábrico Oriental, Miño-Sil, Duero, Tajo, Guadiana en Ebro; Boletín Oficial del Estado nr. 16 van 19 januari 2016, Sec. I, blz. 2 972).
Bijlage VII bij het tweede stroomgebiedsbeheersplan, blz. 68 en bijlage 3.
Bijlage VII bij het tweede stroomgebiedsbeheersplan, blz. 60 (La Rocina ontbreekt in deze tabel, maar de lage waterstand aldaar blijkt ook uit de tabel op blz. 68 en uit bijlage 3).
Bijlage VII bij het tweede stroomgebiedbeheerplan, blz. 56.
Zie bijvoorbeeld de punten 79 en 83 van de uitnodiging om opmerkingen te maken [bijlage A.1 (blz. 72 en 73) bij het beroepschrift], alsook de punten 58 en 62 van het met redenen omkleed advies [bijlage A.3 (blz. 187 en 188) bij het beroepschrift].
Arresten van 4 maart 2010, Commissie/Frankrijk (C-241/08, EU:C:2010:114, punt 30), en 24 november 2011, Commissie/Spanje (Alto Sil) (C-404/09, EU:C:2011:768, punt 142).
Zie mijn conclusie in de zaken Commissie/Bulgarije (Kaliakra) (C-141/14, EU:C:2015:528, punt 86), en Commissie/Griekenland (Kyparissia) (C-504/14, EU:C:2016:105, punt 40).
Arresten van 7 september 2004, Waddenvereniging en Vogelbeschermingsvereniging (C-127/02, EU:C:2004:482, punt 59); 8 november 2016, Lesoochranárske zoskupenie VLK (C-243/15, EU:C:2016:838, punt 42), en 29 juli 2019, Inter-Environnement Wallonie en Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen (C-411/17, EU:C:2019:622, punt 120).
Arresten van 7 september 2004, Waddenvereniging en Vogelbeschermingsvereniging (C-127/02, EU:C:2004:482, punt 43); 17 april 2018, Commissie/Polen (Oerbos van Białowieża) (C-441/17, EU:C:2018:255, punt 111), en 29 juli 2019, Inter-Environnement Wallonie en Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen (C-411/17, EU:C:2019:622, punt 134).
Arresten van 17 april 2018, Commissie/Polen (Oerbos van Białowieża) (C-441/17, EU:C:2018:255, punt 114), en 29 juli 2019, Inter-Environnement Wallonie en Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen (C-411/17, EU:C:2019:622, punt 120).
Arresten van 24 november 2011, Commissie/Spanje (Alto Sil) (C-404/09, EU:C:2011:768, punt 142); 14 januari 2016, Commissie/Bulgarije (Kaliakra) (C-141/14, EU:C:2016:8, punt 58), en 10 november 2016, Commissie/Griekenland (Kyparissia) (C-504/14, EU:C:2016:847, punt 29). Zie ook arresten van 14 januari 2016, Grüne Liga Sachsen e.a. (C-399/14, EU:C:2016:10, punt 42), en 7 november 2018, Coöperatie Mobilisation for the Environment e.a. (C-293/17 en C-294/17, EU:C:2018:882, punt 85).
Zie mijn conclusie in de zaken Commissie/Bulgarije (Kaliakra) (C-141/14, EU:C:2015:528, punt 86), en Commissie/Griekenland (Kyparissia) (C-504/14, EU:C:2016:105, punt 40); met betrekking tot artikel 6, lid 4, zie arresten van 24 november 2011, Commissie/Spanje (Alto Sil) (C-404/09, EU:C:2011:768, punten 156 en 192), en 10 november 2016, Commissie/Griekenland (Kyparissia) (C-504/14, EU:C:2016:847, punt 30).
Zie arresten van 7 september 2004, Waddenvereniging en Vogelbeschermingsvereniging (C-127/02, EU:C:2004:482, punt 58), en 17 april 2018, Commissie/Polen (Oerbos van Białowieża) (C-441/17, EU:C:2018:255, punt 118).
Zie punt 20 hierboven.
Díaz Paniagua, C., ‘Funcionalidad de los sistemas acuáticos temporales de Doñana en la conservación de flora y fauna’, in Oficina de Coordinación de la Investigación, Estación Biológica de Doñana, Consejo Superior de Investigaciones Científicas, Resultados de la Investigación en el Espacio Natural De Doñana, 2009, blz. 42---8211---48 [bijlage A.14 (blz. 528) bij het beroepschrift], alsook Manzano, M., en Custodio, E., ‘El acuífero de Doñana y su relación con el medio natural’, in García-Novo, F., en Marín, C. (uitg.), Doñana, Agua y Biosfera, Confederación hidrográfica del Guadalquivir, Ministerio de Medio Ambiente, Madrid, 2016, blz. 133---8211---142 [bijlage A.21 (blz. 932) bij het beroepschrift].
Díaz-Paniagua, C., en Aragonés, D., ‘Permanent and temporary ponds in Doñana National Park (SW Spain) are threatened by desiccation’, Limnetica, 34 (2), blz. 407---8211---424 (2015), en Bustamante, J., Aragonés D., en Afán, I., ‘Effect of Protection Level in the Hydroperiod of Water Bodies on Doñana's Aeolian Sands’, Remote Sensing 8, 867 (2016).
Bijlage A.26 (blz. 1259) bij het beroepschrift.
Tragsatec, Seguimiento por teledetección de la superficie inundada de las lagunas de los mantos eólicos de Doñana y de la masa vegetal de su entorno (mei 2016), blz. 53 [bijlage B.9 (blz. 1195 (1247)) bij het verweerschrift].
Trick, Th., en Custodio, E., ‘Hydrodynamic characteristics of the western Doñana Region (area of El Abalario)’, Huelva, Spain, Hydrogeology Journal 2004, 12, blz. 321-335; Custodio, E., Manzano, M., en Montes, C., ‘Perspectiva general del papel y gestión de las aguas subterráneas en el Área de Doñana, Sudoeste de España’, Boletín Geológico y Minero 2008, 119(1), blz. 81---8211---92 [bijlage A.22 (blz. 943) bij het beroepschrift], en Custodio, E., Manzano, M., en Montes, C., ‘Las aguas subterráneas en Doñana: Aspectos ecológicos y sociales, Agencia Andaluza del Agua’, Consejería de Medio Ambiente. (2009) [bijlage A.23 (blz. 956) bij het beroepschrift].
Custodio e.a. (2009) [op. cit., aangehaald in voetnoot 31, blz. 192 (op blz. 1147)].
Zie punt 45 hierboven en mijn conclusie in de zaak Commissie/Bulgarije (Kaliakra) (C-141/14, EU:C:2015:528, punt 134).
Zie arrest van 9 juli 2020, Naturschutzbund Deutschland — Landesverband Schleswig-Holstein (C-297/19, EU:C:2020:533, punt 48), en de conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak Stadt Papenburg (C-226/08, EU:C:2009:440, punten 59 e.v., met name punt 65).
Op. cit., aangehaald in voetnoot 27, blz. 142 (blz. 943 van de bijlagen bij het beroepschrift).
Op. cit., aangehaald in voetnoot 29, blz. 1261 van de bijlagen bij het beroepschrift.
Plan de Gestión de la Zona Especial de Conservación Doñana Norte y Oeste (beheerplan voor de speciale beschermingszone Doñana Norte y Oeste (ES6150009) [Boletín Oficial de la Junta de Andalucía nr. 103 van 31 mei 2019, blz. 85 (op blz. 219)].
Zie de punten 42 en 44 hierboven.
Arresten van 7 september 2004, Waddenvereniging en Vogelbeschermingsvereniging (C-127/02, EU:C:2004:482, punt 59); 8 november 2016, Lesoochranárske zoskupenie VLK (C-243/15, EU:C:2016:838, punt 42), en 17 april 2018, Commissie/Polen (Oerbos van Białowieża) (C-441/17, EU:C:2018:255, punt 117).
Op. cit., aangehaald in voetnoot 30, blz. 7, 13.
Sousa Martín, A., en García Murillo, P., Historia ecológica y evolución de las lagunas peridunales del Parque Nacional de Doñana. Serie Técnica ‘Naturaleza y Parques Nacionales’, Editada por el Organismo Autónomo Parques Nacionales, Ministerio de Medio Ambiente.
In verband met de vereisten waaraan een dergelijke beoordeling moet voldoen, zie arrest van 7 november 2018, Holohan e.a. (C-461/17, EU:C:2018:883, punten 37---8211---40).
Zie arresten van 24 november 2011, Commissie/Spanje (Alto Sil) (C-404/09, EU:C:2011:768, punten 156 en 192), en 10 november 2016, Commissie/Griekenland (Kyparissia) (C-504/14, EU:C:2016:847, punt 30), alsook mijn conclusie in de zaken Commissie/Bulgarije (Kaliakra) (C-141/14, EU:C:2015:528, punt 134) en Commissie/Griekenland (Kyparissia) (C-504/14, EU:C:2016:105, punt 58).
Arresten van 20 september 2007, Commissie/Italië (Santa Caterina) (C-304/05, EU:C:2007:532, punt 83); 17 april 2018, Commissie/Polen (Oerbos van Białowieża) (C-441/17, EU:C:2018:255, punt 191), en 29 juli 2019, Inter-Environnement Wallonie en Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen (C-411/17, EU:C:2019:622, punt 150).
Memoria van mei 2013, sectie 1.2.4.1 (blz. 3).
Instituto Geológico y Minero de España, Evaluación de impactos de las extracciones en el acuífero de Almonte Marismas en la zona del Plan Especial de ordenación de los regadíos de la Corona Forestal de Doñana (2009) (bijlage A.5 bij het beroepschrift), en mededeling van de Consejo Superior de Investigaciones Científicas aan de ombudsman van Andalusië (bijlage A.26).
Punt 70 van de dupliek.
Arresten van 31 maart 1992, Commissie/Italië (C-362/90, EU:C:1992:158, punt 9); 27 oktober 2005, Commissie/Italië (C-525/03, EU:C:2005:648, punt 13), en 18 mei 2006, Commissie/Spanje (Otter) (C-221/04, EU:C:2006:329, punten 22 en 23).
Arresten van 16 december 1997, Commissie/Italië (C-316/96, EU:C:1997:614, punt 14); 6 december 2007, Commissie/Duitsland (C-456/05, EU:C:2007:755), en 29 juli 2019, Commissie/Oostenrijk (Civiel ingenieurs, octrooigemachtigden en dierenartsen) (C-209/18, EU:C:2019:632, punt 48).
Arrest van 27 maart 2019, Commissie/Duitsland (OTIF) (C-620/16, EU:C:2019:256, punten 43---8211---52).
Zie arrest van 10 november 2016, Commissie/Griekenland (Kyparissia) (C-504/14, EU:C:2016:847, punt 112).
Confederación Hidrográfica del Guadalquivir, Informe del estado de la Masa de agua subterránea Almonte-Marismas — Año hidrológico 2012---8211---2013, maart 2014, blz. 5 [bijlage B.2 bij het verweerschrift (blz. 89)].
Arrest van 28 mei 2020, Land Nordrhein-Westfalen (C-535/18, EU:C:2020:391, punten 72 en 73).
Arresten van 11 september 2012, Nomarchiaki Aftodioikisi Aitoloakarnanias e.a. (C-43/10, EU:C:2012:560, punten 53 en 56), en 4 mei 2016, Commissie/Oostenrijk (Schwarze Sulm) (C-346/14, EU:C:2016:322, punt 49).
Zie daarover de punten 21 en 22 hierboven.
Arresten van 1 juli 2015, Bund für Umwelt und Naturschutz Deutschland (C-461/13, EU:C:2015:433, punt 69), en 28 mei 2020, Land Nordrhein-Westfalen (C-535/18, EU:C:2020:391, punten 97, 98 en 110).
Arresten van 1 juli 2015, Bund für Umwelt und Naturschutz Deutschland (C-461/13, EU:C:2015:433, punt 67), en 28 mei 2020, Land Nordrhein-Westfalen (C-535/18, EU:C:2020:391, punt 101).
Zie punt 22 hierboven.
Zie punt 134 hierboven.
Confederación Hidrográfica del Guadalquivir, Informe de estado de los acuíferos del entorno de Doñana — Año hidrológico 2015---8211---2016, april 2017 [bijlage A.15 bij het beroepschrift (blz. 674 van de bijlagen)].
Sugerencia del Defensor del Pueblo Andaluz: Protección del agua subterránea de Almonte, Marismas y Rocina, en Doñana. Declaración de acuífero sobre explotado y aprobar un programa de actuación que garantice su uso sostenible, queja número 17012981, 10 augustus 2018 [bijlage A.16 bij het beroepschrift (blz. 870 van de bijlagen)].
Zie de punten 50---8211---57 hierboven.
Zie de punten 59---8211---62 hierboven.
Zie de punten 50---8211---57 hierboven.
Blz. 19 van bijlage VIII bij het tweede stroomgebiedbeheerplan.
Arresten van 1 juli 2015, Bund für Umwelt und Naturschutz Deutschland (C-461/13, EU:C:2015:433, punt 50); 4 mei 2016, Commissie/Oostenrijk (Schwarze Sulm) (C-346/14, EU:C:2016:322, punt 64), en 28 mei 2020, Land Nordrhein-Westfalen (C-535/18, EU:C:2020:391, punt 75).
Zie punt 90 hierboven.
Manzano, M., en Custodio, E., ‘El acuífero de Doñana y su relación con el medio natural’, in García-Novo F en Marín C. (uitg.) Doñana, Agua y Biosfera, Confederación hidrográfica del Guadalquivir, Ministerio de Medio Ambiente, Madrid, 2016, blz. 133 (137) [bijlage A.21 (blz. 932) bij het beroepschrift]; mededeling van de Consejo Superior de Investigaciones Científicas aan de ombudsman van Andalusië [bijlage A.26 (blz. 1 259 (1 262) bij het beroepschrift), en Tragsatec, Seguimiento por teledetección de la superficie inundada de las lagunas de los mantos eólicos de Doñana y de la masa vegetal de su entorno (mei 2016), blz. 53 [bijlage B.9 (blz. 1195 (1247)) bij het verweerschrift].
Zie de punten 48 e.v. hierboven.
Zie de punten 73 en 74 hierboven.