Hof Amsterdam, 19-06-2012, nr. 200.015.508
ECLI:NL:GHAMS:2013:1948
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
19-06-2012
- Magistraten
Mrs. E.B. Knottnerus, G.P.M. van den Dungen, W. Duitemeijer
- Zaaknummer
200.015.508
- LJN
BW8595
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Arbeidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2013:1948, Uitspraak, Hof Amsterdam, 25‑06‑2013
ECLI:NL:GHAMS:2012:BW8595, Uitspraak, Hof Amsterdam, 19‑06‑2012; (Hoger beroep)
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2008:BD6001
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2008:BD6001
- Wetingang
- Vindplaatsen
JIN 2012/131 met annotatie van K.P.D. Vermeulen
AR-Updates.nl 2012-0597
VAAN-AR-Updates.nl 2012-0597
Uitspraak 25‑06‑2013
Inhoudsindicatie
Ontslag op staande voet beroepswielrenner. Schadeplichtigheid werkgever wegens een onregelmatige opzegging? Is het ontslag op staande voet onverwijld gegeven?
Mrs. E.B. Knottnerus, G.P.M. van den Dungen, W. Duitemeijer
Partij(en)
arrest van de derde kamer van 25 juni 2013
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats], Italië,
appellant in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. A.W. Brantjes,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Rabo Wielerploegen B.V.,
gevestigd te Utrecht,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellante in het incidenteel hoger beroep,
hierna: Rabo,
advocaat: mr. H.J.A. Knijff.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 19 juni 2012 hier over.
Het verdere verloop blijkt uit:
- —
het proces-verbaal van het getuigenverhoor dat op 12 november 2012 aan de zijde van Rabo heeft plaatsgevonden;
- —
het proces-verbaal van het tegengetuigenverhoor dat op 18 december 2012 aan de zijde van [appellant] heeft plaatsgevonden;
- —
het proces-verbaal van de voortzetting van het tegengetuigenverhoor dat op 7 maart 2013 aan de zijde van [appellant] heeft plaatsgevonden;
- —
de akte overlegging producties aan de zijde van [appellant];
- —
de memorie na gehouden getuigenverhoren, tevens antwoordakte aan de zijde van Rabo;
- —
de memorie van antwoord na enquête aan de zijde van [appellant].
1.2
Het hof had reeds ter zitting van 7 maart 2013 arrest bepaald op heden.
2. De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep
2.1
Het hof heeft in het tussenarrest van 19 juni 2012 Rabo toegelaten te bewijzen dat het ontslag op staande voet van [appellant] op 26 juli 2007 onverwijld is gegeven, in het bijzonder dat zij pas op 25 juli 2007 bekend werd met het feit dat [appellant] onjuiste informatie met betrekking tot zijn verblijfplaats in de maand juni 2007 had verstrekt.
2.2
In het getuigenverhoor aan de zijde van Rabo op 12 november 2012 zijn als getuigen gehoord mr. [getuige 1] (hierna: [getuige 1]), [getuige 2], [getuige 3]. [getuige 4] en [getuige 5] (hierna: [getuige 5]). Alleen [getuige 3] was ten tijde van zijn verhoor als getuige in dienst van Rabo.
2.3
In het tegengetuigenverhoor aan de zijde van [appellant] op 18 december 2012 zijn als getuigen gehoord [appellant] en [getuige 6] (hierna: [getuige 6]). In de voortzetting van het tegengetuigenverhoor aan de zijde van [appellant] op 7 maart 2013 zijn als getuigen gehoord [getuige 7] (hierna: [getuige 7]), [getuige 8] (hierna: [getuige 8]), [getuige 2] en [appellant].
2.4
Het hof heeft in een bijlage, die aan dit arrest zal worden gehecht, per onderwerp de essentie van de relevante getuigenverklaringen weergegeven.
Inleidende opmerkingen
2.5
Na het getuigenverhoor aan de zijde van Rabo op 18 december 2012 hebben verschillende (oud) professionele wielrenners in het openbaar bekend gemaakt dat zij in het verleden voorafgaande en tijdens wielerwedstrijden, zoals bijvoorbeeld de Tour de France, diverse vormen van doping hebben gebruikt. De eerste ‘bekentenis’ op dit punt is gedaan in Amerika door Lance Armstrong op 17 januari 2013 tijdens een televisie interview. In Europa zijn vervolgens bekentenissen gevolgd door (oud) Rabo wielrenners, onder andere [wielrenner 1] op 19 januari 2013, [wielrenner 2] (hierna: [wielrenner 2]) op 23 januari 2013, [appellant] op 31 januari 2013 en [wielrenner 3] (hierna: [wielrenner 3]) op 6 maart 2013. In de loop van het geding in hoger beroep is de aandacht verschoven naar de heimelijke en wijd verbreide cultuur van dopinggebruik in de professionele wielersport. Het feit dat [appellant] opnieuw zichzelf en [getuige 2] — ditmaal echter in het tegengetuigenverhoor aan de zijde van [appellant] op 7 maart 2013 — als getuigen heeft laten horen, ligt in het verlengde daarvan.
Ook mr. Brantjes heeft desgevraagd verklaard dat het opnieuw laten horen van deze getuigen is geschied naar aanleiding van de dopingbekentenis van [appellant].
2.6
Het hof benadrukt echter, dat het in deze zaak gaat om de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet dat Rabo op 26 juli 2007 aan [appellant] heeft verleend. De reden(en) voor dit ontslag op staande voet was/waren — kort gezegd — dat [appellant] volgens Rabo in strijd met de geldende regels (van UCI en zijn arbeidsovereenkomst) belangrijke onjuiste informatie met betrekking tot zijn verblijfplaats in de maand juni 2007 had verstrekt, te weten dat hij, voorafgaande aan de door Rabo (in de periode van 25 tot en met 29 juni 2007) georganiseerde training in de Pyreneeën, in Mexico verbleef om zich op de Tour de France voor te bereiden, terwijl dit ten aanzien van tenminste één dag ( 13 juni 2007) niet het geval was. Het hof verwijst naar rechtsoverweging 5.2 van het tussenarrest van 19 juni 2012.
2.7
[appellant] maakte sedert september 2005 deel uit van de Registered Testing Pool (RTP). Hij was verplicht op grond van de Anti Doping Rules van de UCL Cycling Regulations nauwkeurige informatic omtrent zijn verblijfplaats (‘accurate whereabouts information’) te verstrekken teneinde zogenaamde ‘(Out-of Competition-Testing’ te kunnen laten plaatsvinden, dit om op (verboden) dopinggebruik te controleren en dit tegen te gaan. Hierbij is van belang dat wanneer een wielrenner geen of onjuiste informatie (heeft) verstrekt met betrekking tot zijn verblijfplaats, hij zich op deze wijze aan deze dopingcontroles kan onttrekken, zodat niet kan worden vastgesteld of hij daadwerkelijk doping (heeft) gebruikt.
2.8
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en mede gelet op de reden(en) die Rabo aan het ontslag op staande voet ten grondslag heeft gelegd en op de inhoud van het aan Rabo opgedragen bewijs, zal het hof de aandacht die namens [appellant] is gevraagd voor de recente ontwikkelingen rondom het dopinggebruik en de dopingbekentenis van [appellant] dan ook bij de beoordeling buiten beschouwing laten. De omstandigheid dat [appellant] heeft bekend doping te hebben gebruikt, staat in deze zaak los van de vraag waar precies hij in de maand juni 2007, voorafgaande aan de start van de Tour de France, heeft verbleven.
Heeft Rabo het ontslag onverwijld gegeven? Grief I in het incidenteel hoger beroep
2.9
Na de hiervoor vermelde inleidende opmerkingen zal het hof thans beoordelen of Rabo erin is geslaagd te bewijzen dat het ontslag op staande voet van [appellant] op 26 juli 2007 onverwijld is gegeven, in het bijzonder dat zij pas op 25 juli 2007 bekend werd met het feit dat [appellant] onjuiste informatie met betrekking tot zijn verblijfplaats in de maand juni 2007 had verstrekt. De vraag of Rabo dit bewijs heeft geleverd, dient te geschieden aan de hand van alle bewijsmiddelen die voorhanden zijn, waarbij de ten overstaan van de meervoudige kamer van het hof afgelegde getuigenverklaringen een doorslaggevende rol spelen. Het is niet uitgesloten dat de getuigenverklaringen niet in alle opzichten een getrouw beeld vormen van hetgeen zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. Echter de getuigen hebben — onder ede — verklaard zoals in de processen-verbaal van de verhoren is opgenomen, zodat het hof de inhoud van de verklaringen van de getuigen als uitgangspunt neemt.
2.10
[appellant] voert terecht in zijn memorie na enquête aan dat de bewijslast (en daarmee het bewijsrisico) bij Rabo ligt en dat het niet aan hem is om te bewijzen dat Rabo ervan op de hoogte was dat hij niet in de maand juni 2007 in Mexico zat. Bij de beoordeling van de vraag of Rabo pas op 25 juli 2007 bekend werd met het feit dat [appellant] onjuiste informatie met betrekking tot zijn verblijfplaats in de maand juni heeft verstrekt, ontkomt het hof er niet aan om in die beoordeling te betrekking of Rabo al op (een) eerder(e) tijdstip(pen) wist, althans had kunnen weten, dat [appellant] tot 25 juni 2007 niet in Mexico had verbleven. Het hof verwijst naar de weergave van de kern van het standpunt van Rabo aan het begin van rechtsoverweging 5.21 van het tussenarrest van 19 juni 2012 en naar de conclusie van [appellant] die de kern vormt van zijn verweer, zoals vermeld aan het slot van rechtsoverweging 5.22 van dat arrest.
het reilen en zeilen van de Rabo Wielerploeg (in 2007)
2.11
[appellant] maakte van 1 januari 2003 tot 26 juli 2007 deel uit van de in binnen- en buitenland bekende Rabo wielerploeg. Zijn positie als beroepsmatig topsporter bracht mee dat hij onregelmatige werktijden had en zware arbeidsomstandigheden. Hij had een hoog inkomen uit zijn arbeidsovereenkomst dat werd aangevuld met bonussen, premies, inkomsten uit sponsorcontracten. [appellant] had een hoge publieke status, maar ook een hoog afbreukrisico. Die omstandigheden brengen geen verandering in het feit dat tussen [appellant] en Rabo een arbeidsovereenkomst gold, waarop Nederlands recht van toepassing is verklaard. Dit brengt mee dat op dit geschil het arbeidsrecht van een ‘normale’ werknemer moet worden toegepast. Daarbij zijn de volgende bepalingen in de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst en in het daarvan deel uitmakende UCI Reglement van belang, die het hof reeds als vaststaande feiten in de rechtsoverwegingen 4.4. en 4.6 van het tussenarrest van 19 juni 2007 heeft vermeld en die het hof hier (gedeeltelijk) herhaalt:
- —
artikel 9 lid 3 van de arbeidsovereenkomst:
‘ The cyclist decides on and assumes own responsibility for the formulation and performance of his training & condition programme. The cyclist's training & condition programme is not part of the duties instructed by the employer, as referred to in Article 5. The cyclist can at his own initiative make use of the employer's expertise in various areas.’
- —
hoofdstuk V van de Anti Doping Rules van UCI op grond waarvan [appellant] verplicht was aan de Anti Doping Commission ‘accurate whereabouts information’ te verschaffen, welke informatie uiterlijk twee weken voorafgaande aan ieder kwartaal moest worden verstrekt en diende te behelzen de plaatsen en tijden waar de renner verbleef, trainde en deelnam aan wedstrijden;
- —
artikel 80 van het UCI reglement:
‘Should a Rider's plans change from those originally submitted of the whereabouts information forms, the Rider shall immediately send updates of all information required in the form so that it is current at all times.’
2.12
Met betrekking tot de Rabo wielerploeg en de wijze waarop deze ploeg in de aanloop naar de Tour de France in 2007 heeft gefunctioneerd, hebben zowel de getuigen aan de zijde van Rabo als de getuigen aan de zijde van [appellant] in grote lijnen het volgende beeld geschetst. De Rabo wielerploeg was samengesteld uit wielrenners van verschillende nationaliteiten, die woonachtig waren in verschillende landen en zelfs op verschillende continenten. Omstreeks januari 2007 heeft een trainingsbijeenkomst plaatsgevonden waar de meeste renners en in ieder geval ook de ploegleider [getuige 3] aanwezig waren. Tijdens die bijeenkomst zijn onder andere afspraken gemaakt voor een gemeenschappelijke training die van 25 juni tot en met 29 juni 2007 in de Pyreneeën zou plaatsvinden. Voor het overige stelde het merendeel van de renners een individueel trainingsprogramma vast. Sommige renners hadden meer begeleiding nodig van de ploegleider dan anderen. Met jongere renners had de ploegleider meer contact dan met oudere, dat wil zeggen, ervaren renners. [appellant] was een ervaren renner. Hij was een van de renners van wie het vanaf het begin van 2007 duidelijk was dat hij in dat jaar aan de Tour de France zou deelnemen (naast [wielrenner 4] en [wielrenner 3]).
2.13
[appellant] heeft als getuige verklaard dat hij zijn eigen trainingsprogramma maakte, geheel in lijn met artikel 9.3 van de arbeidsovereenkomst (zie rechtsoverweging 2.11). Dat deed hij in de loop van het jaar, afhankelijk van de wedstrijden die hij reed. In januari 2007 heeft [appellant] aangegeven welke wedstrijden hij wilde gaan rijden (de laatste daarvan was de Giro d'Italia, die van 12 mei 2007 tot en met 3 juni 2007 werd verreden). [appellant] heeft tijdens de bijeenkomst in januari 2007 niet concreet aangegeven waar hij zou gaan trainen. Ook [getuige 3] heeft als getuige bevestigd dat [appellant] iemand was die heel individueel trainde en zijn eigen plan trok. Dit sluit ook aan bij de getuigenverklaring van [getuige 2], die [appellant] als een ervaren renner heeft beschreven.
E-mail van 24 april 2007 van [appellant] aan [getuige 3] en e-mail van 30 april 2007 van [getuige 2] aan [appellant]
2.14
Met betrekking tot de beoordeling van de vraag of het ontslag onverwijld is gegeven, zal het hof diverse aspecten in beschouwing nemen, waaronder als eerste deze e-mails.
2.15
Het hof heeft in rechtsoverweging 4.9 van het tussenarrest van 19 juni 2007 als vaststaand feit vermeld dat Rabo in de periode van 25 tot en met 29 juni 2007 een training heeft georganiseerd in de Pyreneeën, waarbij ook [appellant] aanwezig was. Op 24 april 2007 zijn de e-tickets voor de vlucht op 25 juni 2007 van Verona via München naar Bilbao en de informatie waar de papieren tickets kunnen worden afgehaald per e-mail doorgegeven door de ploegleider/directeur van Rabo, [getuige 3]. [appellant] heeft daarop per e-mail van dezelfde datum geantwoord:
‘Looks good to me. Are you coming as well?
I prefer if we can keep the trip quite, as I am supposed to be in Mexico at the time’.
Bij e-mail van 30 april 2007 heeft [getuige 2], directeur van Rabo in reactie op deze e-mail aan [appellant] laten weten:
‘I want to let you know that as employer I urge you to provide the controlling bodies with the correct whereabouts information! If yon want to go training in Mexico just go ahead, it is out of the question that your employer is going to cooperate in some cover up operation. The responsibility in this matter is completely yours’.
In een daarop volgend telefoongesprek tussen [appellant] en [getuige 2], heeft [appellant] meegedeeld dat het hem erom ging de pers te ontlopen.
2.16
Met betrekking tot hetgeen is verklaard ten aanzien van deze e-mailwisseling verwijst het hof naar de (gedeeltelijke) weergave van de getuigenverklaringen onder I van de bijlage die aan dit arrest is gehecht.
2.17
[getuige 3] heeft de e-mail van 24 april 2007 van [appellant] aan hem als een vreemde mail gekwalificeerd. Hij heeft deze naar [getuige 2] doorgestuurd om af te handelen. Uit de contacten tussen [getuige 3] en [getuige 2] kwam duidelijk naar voren dat [appellant] de voorbereidingen in Mexico zou gaan doen en dat [appellant] zou zorgen voor goede, naar het hof begrijpt, juiste whereabouts. Het trainingskamp in de Pyreneeën moest stilgehouden worden volgens [getuige 2] voor de pers, aldus [getuige 3]. Ook [getuige 2] heeft als getuige verklaard dat [appellant] zijn training in de Pyreneeën voor de pers stil wilde houden en voorts dat uit de contacten over en weer naar voren kwam dat [appellant] eerst zou trainen in Mexico dat hij daarna zou terugkomen voor de training in de Pyreneeën en dat hij zou zorgen voor juiste whereabouts. [getuige 2] heeft in zijn e-mail van 30 april 2007 het woord cover-up genoemd. Met betrekking tot dat woord heeft [getuige 2] als getuige verklaard dat hij, naar het hof begrijpt, [appellant] erop heeft gewezen dat hij, [appellant], moest zijn waar hij zei dat hij was, dat [getuige 2] niet zou meewerken aan een gefingeerde plaats waar [appellant] zou gaan trainen en dat [appellant] hem verzekerde dat dat niet het geval zou zijn. [getuige 2] heeft dit nog eens uitdrukkelijk, bij wijze van waarschuwing, aan [appellant] in zijn e-mail van 30 april 2007 bevestigd. Het hof is van oordeel dat de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 2] op essentiële punten op elkaar aansluiten. Op grond van deze verklaringen oordeelt het hof, dat [getuige 3] en/of [getuige 2] ervan mocht(en) uitgaan dat [appellant] naar Mexico zou gaan voorafgaande aan de training in de Pyreneeën.
2.18
Volgens [appellant] daarentegen was eind april 2007 wel bij Rabo (het begin van) de wetenschap dat hij nooit in Mexico zou gaan trainen aanwezig. Dit moet worden afgeleid uit de bewoordingen ‘as I am supposed to he in Mexico at the time’ in zijn e-mail van 24 april 2007 aan [getuige 3] en uit de bewoordingen ‘it is out of the question dat your employer is going to cooperate in some cover up operation ’ in de e-mail van 30 april 2007 van [getuige 2] aan hem.
2.19
In dit verband heeft [appellant] als getuige verklaard dat zijn eerdergenoemde e-mail aan [getuige 3] een reminder was dat [getuige 3] niet moest vertellen dat hij niet in Mexico was (bedoeld zal zijn: zou gaan). Dit staat naar het oordeel van het hof echter niet in deze e-mail vermeld en kan daaruit ook niet worden afgeleid. Volgens [appellant] heeft hij die reminder aan [getuige 3] gestuurd met het oog op mogelijke vragen aan [getuige 3] over wie er wel of niet mee zou doen aan de Tour de France en hoe de voorbereidingen zouden worden getroffen. Een reminder, zonder enige concrete aanleiding, acht (ook) het hof niet begrijpelijk. De verklaring van [appellant] op dit punt is dan ook weinig geloofwaardig, zodat het hof aan deze verklaring voorbij gaat.
2.20
Uit de getuigenverklaring van [appellant] blijkt voorts niet op grond waarvan [getuige 2] uit de eerdergenoemde e-mail van [appellant] aan [getuige 3] had moeten afleiden dat [appellant] niet naar Mexico zou gaan. [appellant] heeft verklaard dat ‘Mexico’ tijdens het telefoongesprek dat plaatsvond na de ontvangst door [getuige 2] van zijn e-mail aan [getuige 3], aan de orde is geweest en dat [getuige 2] tegen hem heeft gezegd dat hij gewoon naar Mexico kon gaan. [appellant] heeft vervolgens verklaard zich niet meer te kunnen herinneren wat hij toen tegen [getuige 2] heeft gezegd, maar hij heeft [getuige 2] niet uit de droom geholpen, door duidelijk tegen [getuige 2] te zeggen dat hij helemaal niet van plan was om naar Mexico te gaan. Dat had hij, zo blijkt uit het vervolg van zijn verklaring, wel kunnen zeggen, maar dat heeft hij niet gedaan. Zijn daaropvolgende conclusie dat hij zich onmogelijk kon voorstellen dat [getuige 2] dacht dat hij naar Mexico zou gaan, is in strijd met hetgeen [getuige 2] volgens [appellant] zelf heeft verklaard.
2.21
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan aan de inhoud van de hiervoor vermelde e-mail wisseling geen aanwijzing worden ontleend dat Rabo eind april 2007 wist dat [appellant] niet in juni 2007 in Mexico zou verblijven.
Ontmoeting [getuige 3] en [appellant] op 6 juni 2007 in Bergamo
2.22
liet hof heeft in rechtsoverweging 4.10 van het tussenarrest van 19 juni 2012 als vaststaand feit vermeld dat [appellant] op 6 juni 2007 [getuige 3] in Italië (in Bergamo) heeft ontmoet.
2.23
Met betrekking tot hetgeen is verklaard ten aanzien van deze ontmoeting verwijst het hof naar de (gedeeltelijke) weergave van de getuigenverklaringen onder 2 van de bijlage die aan dit arrest is gehecht.
2.24
In de recorded warning van 29 juni 2007 van UCI aan [appellant] staat vermeld dat [appellant] door middel van een brief aan UCI die op 8 juni 2007 vanuit Italië was gepost — en die UCI op 11 juni 2007 had ontvangen — UCI had bericht dat hij van 4 tot 12 juni 2007 in Mexico verbleef. Anders gezegd, ten tijde van de ontmoeting tussen [appellant] en [getuige 3] op 6 juni 2007 had [appellant] nog geen informatie met betrekking tot de precieze data van zijn verblijf in Mexico in de maand juni 2007 aan UCI verstrekt, terwijl [getuige 3] en/of [getuige 2], zo blijkt uit hun getuigenverklaringen, er op dat moment vanuit gingen dat [appellant] in Mexico zou gaan trainen. Ook [getuige 4] heeft als getuige verklaard dat hij er na de begeleidersvergadering, die plaatsvond na afloop van de Giro d'Italia, vanuit ging dat [appellant] naar Mexico zou gaan. Dat er tijdens de ontmoeting tussen [appellant] en [getuige 3] op 6 juni 2007 aanwijzingen waren dat [appellant] helemaal niet naar Mexico zou gaan, kan niet uit de getuigenverklaringen worden afgeleid. Aan Rabo kan in beperkte mate worden tegengeworpen dat zij na ontvangst van de recorded warning van 29 juni 2007 uit het oog heeft verloren dat de vermelding in de recorded warning dat [appellant] van 4 tot 12 juni 2007 in Mexico had verbleven, niet juist kon zijn, gelet op de ontmoeting tussen [getuige 3] en [appellant] op 6 juni 2007 in Bergamo. Daar staat echter tegenover dat, toen [getuige 2] [appellant] onderhield over de inhoud van de recorded warning, het op de weg van [appellant] had gelegen om, zeker gelet op de e-mail van 30 april 2007 van [getuige 2] aan hem, te vertellen hoe het in werkelijkheid zat met zijn verblijfplaatsen in de maand juni 2007. Dat heeft [appellant] nagelaten.
Toezending van de routes van de Alpenetappes op 16 juni 2007
2.25
Het hof heeft in rechtsoverweging 4.10 van het tussenarrest van 19 juni 2012 als vaststaand feit vermeld dat [appellant] op 15 juni 2007 aan [getuige 3] heeft verzocht hem de routes van de Alpenetappes toe te sturen en dat [getuige 2] die routes de dag erna (dus op 16 juni 2007) naar [appellant] in Lazise (Italië) heeft gefaxt.
2.26
Met betrekking tot hetgeen is verklaard ten aanzien van de toezending van de routes van de Alpenetappes op 16 juni 2007 verwijst het hof naar de (gedeeltelijke) weergave van de getuigenverklaringen onder 3 van de bijlage die aan dit arrest is gehecht.
2.27
Het enkele feit dat [getuige 2], naar aanleiding van een verzoek van [appellant] aan [getuige 3], op 16 juni 2007 de routes van de Alpenetappes naar een fax in Lazise heeft gestuurd, betekent niet dat [getuige 2] op dat moment wist, althans kon weten dat [appellant] op dat tijdstip niet in Mexico verbleef. [appellant] zelf heeft als getuige verklaard, dat hij dit faxnummer (van zijn fietsenwinkel in Italië) aan [getuige 3] had opgegeven als adres waar deze routes naar toe moesten worden gestuurd. In die zin acht het hof de verklaring van [getuige 2] dat hij deze routes gedachteloos naar dit faxnummer heeft gezonden, mede gelet op het feit dat er meer renners waren die om deze routes vroegen, geloofwaardig. Voorts is van belang dat gesteld noch gebleken is dat [appellant] aan Rabo heeft meegedeeld op welk moment hij in de Alpen zou gaan trainen en dat ook na afloop van de Pyreneeën training nog voldoende tijd was om de Alpenetappes te gaan trainen.
Sms'je van [getuige 3] aan [appellant] op 24 juni 2007
2.28
Het hof heeft in rechtsoverweging 4.10 van het tussenarrest van 19 juni 2012 als vaststaand feit vermeld dat [getuige 3] aan [appellant] een sms'je met de volgende tekst heeft gestuurd:
‘Training goes well?’
2.29
Met betrekking tot hetgeen is verklaard ten aanzien van dit sms'je verwijst het hof naar de (gedeeltelijke) weergave van de getuigenverklaringen onder 4 van de bijlage die aan dit arrest is gehecht.
2.30
[getuige 3] heeft als getuige verklaard dat dit sms'je betrekking had op training in het algemeen. Volgens [appellant] had dit sms'je betrekking op de training in de Alpen die hij net had volbracht en ten aanzien waarvan [getuige 3] wilde weten hoe deze was gegaan. De verklaringen staan haaks op elkaar. Mede gelet hierop biedt dit sms'je geen aanknopingspunt voor de verblijfplaats van [appellant] in de maand juni 2007.
Contacten Rabo en [appellant] tijdens de Pyreneeën training
2.31
Met betrekking tot hetgeen is verklaard ten aanzien van de contacten tussen Rabo en [appellant] tijdens de Pyreneeën training verwijst het hof naar de (gedeeltelijke) weergave van de getuigenverklaringen onder 5 van de bijlage die aan dit arrest is gehecht. Vast staat dat [appellant] van 25 tot en met 29 juni 2007 in de Pyreneeën zou trainen en ook heeft getraind. Zowel [getuige 2] als [appellant] hebben als getuige verklaard dat zij telefonisch contact met elkaar hebben gehad in deze periode, waarbij aan de orde is geweest of [appellant] zijn verblijfplaats met betrekking tot deze periode had doorgegeven aan UCI.
Zowel [getuige 2] als [appellant] hebben aan UCI doorgegeven dat [appellant] in die periode in de Pyreneeën trainde. Rabo heeft er — voor zover het de Pyreneeën training betrof — dus op toegezien dat de opgegeven verblijfplaats overeenstemde met de feitelijke verblijfplaats. Dit betekent niet dat Rabo wist dat [appellant] niet in Mexico was geweest. Het hof acht in dit verband van belang dat [getuige 2] als getuige heeft verklaard dat [appellant] in genoemd telefonisch contact tegen hem had gezegd dat hij terug was gekomen uit Mexico en was doorgegaan naar de Pyreneeën.
De recorded warning op 29 juni 2007 en de boete op 3 juli 2007
2.32
Met betrekking tot hetgeen is verklaard ten aanzien van de recorded warning verwijst het hof naar de (gedeeltelijke) weergave van de getuigenverklaringen onder 6 van de bijlage die aan dit arrest is gehecht. Met betrekking tot hetgeen is verklaard ten aanzien van de boete verwijst het hof naar de (gedeeltelijke) weergave van de getuigenverklaringen onder 7 van de bijlage die aan dit arrest is gehecht.
2.33
Uit de getuigenverklaringen van [getuige 2] en [appellant] blijkt dat [getuige 2] de recorded warning telefonisch met [appellant] heeft besproken. [getuige 2] heeft verklaard dat [appellant] hem ten aanzien van alle in de recorded warning vermelde punten een (het hof begrijpt) plausibele verklaring heeft verstrekt. De kern daarvan was dat de per post aan UCI verzonden informatie te laat was opgestuurd en/of te laat door UCI was ontvangen. [getuige 2] heeft voorts verklaard dat hij geen reden had om te twijfelen of [appellant] in juni 2007 in Mexico zat, omdat [appellant] dat altijd aan [getuige 2] had aangegeven.
[appellant] heeft als getuige op vragen van het hof regelmatig ontwijkende antwoorden gegeven. Op één belangrijk punt echter sluit de verklaring van [appellant] aan bij die van [getuige 2]. Ook [appellant] spreekt over onjuistheden (het hof begrijpt: administratieve slordigheden), maar niet over onwaarheden, op één uitzondering na, te weten de ontmoeting die [appellant] met [getuige 3] op 6 juni 2007 in Bergamo heeft gehad. Ten aanzien van die ontmoeting verwijst het hof naar hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 2.22 tot en met 2.24 is overwogen.
2.34
Met betrekking tot deze recorded warning is voorts van belang dat deze niet refereert aan het feit dat [appellant] in juni 2007 niet in Mexico is geweest.
2.35
Anders dan [appellant] in zijn memorie van antwoord na enquête heeft aangevoerd, is niet van belang dat in de recorded warning is vermeld dat hij aan UCI had opgegeven dat hij tot 28 juni 2007 in Mexico zou blijven en dat deze informatie niet juist was omdat hij tenminste op 26 juni 2007 in Italië terug was. Uit de recorded warning blijkt dat [appellant] op 12 juni 2007 een brief aan UCI vanuit Mexico heeft gepost om UCI te informeren dat hij tot 28 juni 2007 in Mexico zou verblijven. UCI heeft de brief van [appellant] op 29 juni 2007 ontvangen en op diezelfde datum de recorded warning aan [appellant], met een afschrift aan Rabo, gezonden. Het hof verwijst naar het telefoongesprek dat [getuige 2] en [appellant] hebben gevoerd tijdens de Pyreneeën training (zie rechtsoverweging 2.31). Naar aanleiding van dat telefoongesprek heeft (ook) [appellant] een update van zijn verblijfplaats aan UCI verstrekt. [appellant] heeft als getuige met betrekking tot deze update van zijn whereabouts een gedetailleerde verklaring afgelegd, te weten dat hij deze update op 26 juni 2007 naar zijn huis heeft gestuurd, omdat hij geen faxnummer van UCI had, en dat zijn vrouw deze update de 27e, na middernacht, aan UCI heeft doorgestuurd. Gelet op het voorgaande moet worden aangenomen dat toen [appellant] en Rabo de recorded warning van 29 juni 2007 ontvingen, de vermelding in de recorded warning dat [appellant] tot 28 juni 2007 in Mexico zou verblijven, achterhaald was door de hiervoor vermelde update van de whereabouts door zowel [appellant] als [getuige 2]. Voor [getuige 2] was de onjuiste opgave in de recorded warning van 29 juni 2007 met betrekking tot de periode vanaf 25 juni 2007 geen reden om te twijfelen aan de verblijfplaats van [appellant] in de periode vóór 25 juni 2007, omdat [appellant] in het eerdergenoemde telefoongesprek tijdens de Pyreneeën training tegen hem had gezegd dat hij in Mexico zat en op tijd was teruggekomen voor deze training. Voorts staat vast dat deze training al lang van tevoren was gepland en dat de e-tickets voor deze training in april 2007 aan [appellant] waren gezonden. Het hof verwijst naar rechtsoverweging 4.9 van het tussenarrest van 19 juni 2012.
2.36
Rabo heeft [appellant] een boete opgelegd in verband met de onjuiste opgave van zijn whereabouts aan de UCI, niet vanwege het feit dat de in de whereabouts vermelde verblijfplaats (Mexico) niet juist zou zijn. [appellant] heeft als getuige verklaard dat hij het onzin vond dat de boete zo hoog moest zijn, maar hij heeft niet verklaard dat hij deze niet heeft geaccepteerd. Hij heeft verder nog verklaard dat hij tegenover ploeggenoten voor de start van de Tour de France op 5 juli 2007 in Londen heeft verteld dat hij een boete had gekregen en dat hij op een vraag van zijn ploeggenoten heeft gezegd dat deze was opgelegd voor een gemiste controle in de maand juni 2007. Er is toen niet over Mexico, noch over zijn verblijf waar dan ook gesproken, aldus [appellant]. Het hof leidt hieruit af dat [appellant] op dat moment op geen enkele wijze openheid over zijn verblijf voorafgaande aan de Tour de France heeft verstrekt. Hij heeft alleen, zo heeft hij als getuige verklaard, aan [wielrenner 2], die hem vroeg of hij in Mexico was geweest, verteld dat dit niet het geval was. Ook indien het hof van de juistheid van deze mededeling van [appellant] aan [wielrenner 2] zou uitgaan — [appellant] heeft aangekondigd [wielrenner 2] als getuige te zullen oproepen, maar heeft daarvan afgezien, zodat [wielrenner 2] een en ander niet heeft kunnen bevestigen — kan de eventuele wetenschap van [wielrenner 2] niet aan Rabo worden toegerekend.
De persconferentie op 24 juli 2007
2.37
Met betrekking tot hetgeen is verklaard ten aanzien van deze persconferentie verwijst het hof naar de (gedeeltelijke) weergave van de getuigenverklaringen onder 8 van de bijlage die aan dit arrest is gehecht.
2.38
Uit de hiervoor vermelde getuigenverklaringen blijkt dat de persconferentie op 24 juli 2007 is voorbereid en gegeven door [getuige 2], [appellant] en [getuige 1].
[getuige 2] heeft als getuige verklaard dat [appellant] tijdens de voorbereiding van de persconferentie de uitleg gaf, die [getuige 2] (en anderen) ook daarvoor al had(den) gehoord.
Die uitleg kwam erop neer dat [appellant] in juni 2007 in Mexico was geweest, dat hij vele getuigen had die dat ook konden verklaren, zoals mensen uil het dorp, familie en dat er foto's waren gemaakt waar hij had getraind. Voor zover het de recorded warning betrof, was sprake van administratieve slordigheden. [appellant] gaf voor ‘alles’ een uitleg en (ook) [getuige 2] was ervan overtuigd dat [appellant] in Mexico was geweest. Tijdens de persconferentie is meegedeeld dat [appellant] in juni 2007 in Mexico was geweest, aldus [getuige 2].
[getuige 1] heeft als getuige een gelijkluidende verklaring afgelegd. [getuige 1] heeft verklaard dat hij tijdens de voorbereiding van de persconferentie de recorded warning alinea voor alinea met [appellant] heeft doorgenomen en dat [appellant] een duidelijke uitleg heeft: gegeven met betrekking tot de door hem aan UCI verstrekte informatie ten aanzien van zijn verblijf in Mexico in juni 2007. Er was sprake van administratieve slordigheden (een brief die te laat was gepost, een brief die er te lang over had gedaan). Tijdens de voorbereiding van de persconferentie heeft [appellant] gezegd dat hij in juni 2007 in Mexico was, daarover bestond bij [getuige 1] geen enkele twijfel. [getuige 1] geloofde [appellant] en dat kwam mede omdat hij van [getuige 2] absoluut niet de indruk had dat deze dacht dat [appellant] in die periode niet in Mexico was geweest. [getuige 1] heeft voorts verklaard dat tijdens de persconferentie is meegedeeld dat [appellant] in juni 2007 in Mexico was en dat sprake was van administratieve slordigheden van [appellant] bij het opgeven van zijn whereabouts.
Ook de verklaring van [appellant] zelf sluit geheel aan bij de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1]. Volgens [appellant] heeft [getuige 1] hem tijdens de voorbereiding van de persconferentie gevraagd of hij in juni 2007 in Mexico was geweest en heeft hij deze vraag bevestigend beantwoord. Tijdens de persconferentie is meegedeeld dat [appellant] in juni 2007 in Mexico zat en voorts dat sprake was van administratieve slordigheden met betrekking tot de opgave van zijn whereabouts aan UCI.
2.39
[appellant] heeft als getuige voorts verklaard dat hij een goedkeurend knikje kreeg van [getuige 2], toen hij aan [getuige 1] vertelde dat hij in juni 2007 in Mexico was geweest. Volgens [appellant] betekende dit knikje dat hij een goed. het hof begrijpt, gewenst antwoord aan [getuige 1] had gegeven, maar dat [getuige 2] al de hele tijd had geweten dat hij niet in Mexico was geweest. Waarop deze beweerde wetenschap van [getuige 2] was gebaseerd, heeft [appellant] niet toegelicht. Uit de verklaring van [getuige 2] blijkt niets van een door hem gegeven ‘knik’ van verstandhouding. Op dit punt gaat het hof dan ook aan de getuigenverklaring van [appellant] voorbij.
Het publiekelijk bekend worden op 25 juli 2007 dat [appellant] op 13 juni 2007 door [naam 1] in de Dolomieten was gezien
2.40
Met betrekking tot hetgeen is verklaard ten aanzien van deze gebeurtenis verwijst het hof naar de (gedeeltelijke) weergave van de getuigenverklaringen onder 9 van de bijlage die aan dit arrest is gehecht.
2.41
Ook hier geldt dat de verklaringen van [getuige 2] en [appellant] met betrekking tot het gesprek dat tussen hen op 25 juli 2007 heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de mededeling van [naam 1] aan [getuige 2] op 25 juli 2007 dat [naam 1] [appellant] op 13 juni 2007 in de Dolomieten had gezien, geheel op elkaar aansluiten. Beide getuigen hebben verklaard dat [appellant], na gedraai, hierin bestaande dat [appellant] eerst zei dat hij niet en daarna zei dat hij wel in Mexico was geweest, uiteindelijk aan [getuige 2] heeft bevestigd dat hij in de maand juni 2007 niet in Mexico was geweest. Het hof acht van belang dat [appellant] ook heeft verklaard dat hij de vraag van [getuige 2] of hij in Mexico was geweest ‘heel dom vond’ (immers volgens [appellant] wist [getuige 2] dat hij in juni 2007 niet in Mexico was geweest), dat hij daarop heeft geantwoord, zoals hiervoor vermeld, maar dat hij [getuige 2] er niet mee heeft geconfronteerd dat [getuige 2] dit volgens hem al lang wist. Voorts heeft [getuige 2] als getuige verklaard dat hij op 26 juli 2007, in het bijzijn van [getuige 1], [getuige 5] en [getuige 8], nogmaals [naam 1] heeft gebeld. Dat telefoongesprek vormde voor [getuige 2] de bevestiging van de ontdekking dat [appellant] niet in Mexico was geweest. Ook om die reden acht het hof de verklaring van [getuige 2] dat hij er toen pas achter kwam dat [appellant] niet in Mexico was geweest geloofwaardig. Niet aannemelijk is immers waarom [getuige 2] nog een tweede keer bij [naam 1] navraag zou hebben gedaan, als hij al wist dat [appellant] niet in Mexico was geweest.
Overige getuigenverklaringen
2.42
Het hof verwijst naar de (gedeeltelijke) weergave van de getuigenverklaring van [getuige 5] onder 10.1 van de bijlage die aan dit arrest is gehecht. [getuige 5] heeft als getuige verklaard dat hij in het weekend van 21 en 22 juli 2007 met [getuige 2] heeft gesproken over de onjuiste whereabouts van [appellant] en over de verblijfplaats van [appellant], omdat er naar aanleiding van berichten in de Deense pers twijfels waren of [appellant] wel de waarheid sprak. Volgens [getuige 5] heeft [getuige 2] tegen hem gezegd dat [appellant] ‘met overtuiging’ had verklaard dat hij in Mexico was geweest. Voorts heeft [getuige 5] als getuige verklaard dat hij telefonisch contact heeft gehad met [getuige 2] op 25 juli 2007, toen laatstgenoemde hem vertelde dat [appellant] uit de Tour de France zou worden teruggetrokken omdat hij had gelogen over zijn verblijfplaats, dit naar aanleiding van de mededeling die [naam 1] aan [getuige 2] had gedaan dat hij [appellant] op 13 juni 2007 in de Dolomieten had gezien. [getuige 5] heeft verklaard dat [getuige 2] tijdens hun telefoongesprek strijdbaar en oprecht verontwaardigd was. Het hof ziet geen reden aan de geloofwaardigheid van die verklaring te twijfelen. Ook deze verklaring vormt een bevestiging van het feit dat Rabo pas op 25 juli 2007 bekend werd met het feit dat [appellant] onjuiste informatie met betrekking tot zijn verblijfplaats in de maand juni 2007 had verstrekt.
2.43
Het hof verwijst naar de (gedeeltelijke) weergave van de getuigenverklaring van [getuige 4] onder 6.3 van de bijlage die aan dit arrest is gehecht. [getuige 4] heeft als getuige verklaard dat hij na afloop van de begeleidersvergadering, die plaatsvond na de Giro d'Italia, van mening was dat [appellant] in juni 2007 naar Mexico zou gaan. Mogelijk had [appellant] hem dat tijdens de Ronde van Italië verteld. Ook deze verklaring vormt een bevestiging dat [appellant] in juni 2007 in Mexico zou verblijven.
2.44
Het hof verwijst naar de (gedeeltelijke) weergave van de getuigenverklaring van [getuige 6] onder 10.2 van de bijlage die aan dit arrest is gehecht. [getuige 6] heeft als getuige verklaard dat collega renners niet met elkaar uitwisselden waar zij verbleven en dat hij — naar het hof begrijpt in de periode voorafgaande aan de Tour de France — niet wist waar [appellant] zat. Verder heeft [getuige 6] verklaard dat hij hoorde dat het goed mis was en dat er iets met de whereabouts van [appellant] was. Dit laatste punt van zijn verklaring valt naar het oordeel van het hof onder de categorie geruchten, ook al omdat [getuige 6] met betrekking tot het tijdstip waarop hij over deze geruchten heeft gehoord, wisselende data heeft genoemd. Dit betekent dat deze verklaring het bewijs van Rabo niet kan ontzenuwen.
2.45
Het hof verwijst naar de (gedeeltelijke) weergave van de getuigenverklaring van [getuige 7] onder 10.3 van de bijlage die aan dit arrest is gehecht. [getuige 7] heeft als getuige verklaard dat hij in het geheel niet betrokken was bij de trainingen van de renners voorafgaande aan de start van de Tour de France, dat hij niet wist waar [appellant] in 2007, voorafgaande aan de start van de Tour de France, trainde en dat hij noch tijdens noch buiten de Tour de France met [appellant] heeft gesproken over zijn verblijfplaats in de maand juni 2007. Dit betekent dat deze getuigenverklaring noch kan bijdragen aan het door Rabo te leveren bewijs noch aan het tegenbewijs aan de zijde van [appellant].
2.46
Het hof verwijst naar de (gedeeltelijke) weergave van de getuigenverklaring van [getuige 8] onder 10.4 van de bijlage die aan dit arrest is gehecht. [getuige 8] heeft verklaard dat hij met betrekking tot de persconferentie op 24 juli 2007 adviseerde over de communicatie. Tijdens die persconferentie is gezegd dat [appellant] in Mexico had verbleven. [getuige 8] heeft verklaard dat wat er toen gezegd werd, waar was. Hij heeft voorts verklaard dat hij aan [getuige 2] heeft gevraagd naar de verblijfplaats van [appellant] en dat [getuige 2] hem heeft meegedeeld dat [appellant] in Mexico zat. [getuige 8] heeft desgevraagd verklaard dat hij de absolute overtuiging had dat [getuige 2] de waarheid sprak, toen hij zei dat [appellant] in Mexico zat. Het hof ziet geen reden aan de geloofwaardigheid van die verklaring te twijfelen. Ook deze verklaring draagt bij aan het door Rabo te leveren bewijs.
Conclusie met betrekking tot de onverwijldheid van het ontslag op staande voet
2.47
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en alle hiervoor behandelde getuigenverklaringen in onderling verband beschouwend, is het hof van oordeel dat Rabo heeft bewezen dat het ontslag op staande voet van [appellant] onverwijld is gegeven. Doorslaggevend voor dit oordeel acht het hof hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de recorded warning op 29 juni 2007 en de boete op 3 juli 2007, de persconferentie op 24 juli 2007 en de bekendwording op 25 juli 2007 dat [appellant] op 13 juni 2007 door [naam 1] in de Dolomieten was gezien. [appellant] heeft — kort gezegd — op essentiële momenten gelogen over zijn verblijfplaats in de maand juni 2007 (zie ook rechtsoverweging 5.21 van het tussenarrest van 19 juni 2012) en deze leugens zijn (pas) aan het licht gekomen op 25 juli 2007.
De e-mail wisseling in april 2007 tussen [appellant] en [getuige 3] en tussen [getuige 2] en [appellant] (zie de rechtsoverwegingen 2.15 tot en met 2.21), de toezending van de routes van de Alpenetappes op 16 juni 2007 (zie de rechtsoverwegingen 2.25 tot en met 2.27) en het sms'je van [getuige 3] aan [appellant] op 24 juni 2007 (zie de rechtsoverwegingen 2.28 tot en met 2.30) vormen noch afzonderlijk noch in onderling verband beschouwd een aanwijzing dat Rabo al eerder dan op 25 juli 2007 bekend was met het feit dat [appellant] niet in juni 2007 in Mexico had verbleven. Hooguit kan de ontmoeting tussen [getuige 3] en [appellant] in Bergamo op 6 juni 2007, in het licht van de door Rabo op 29 juni 2007 ontvangen recorded warning (zie de rechtsoverwegingen 2.22 tot en met 2.24), een aanwijzing opleveren dat Rabo al eerder wist dat [appellant] vóór 6 juni 2007 niet in Mexico was geweest, maar deze omstandigheid alléén is van onvoldoende gewicht om te oordelen dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. In zoverre slaagt grief 1 in het incidenteel hoger beroep van Rabo.
Kan/kunnen de door Rabo aangevoerde reden/redenen het ontslag op staande voet rechtvaardigen? Grief I in het incidenteel hoger beroep voor het overige
2.48
Het voorgaande brengt mee dat het hof thans dient te beoordelen of de door Rabo aangevoerde dringende reden(en) het aan [appellant] gegeven ontslag op staande voet kan/kunnen rechtvaardigen. Aan de beoordeling van die vraag is de kantonrechter niet toegekomen, aangezien de kantonrechter van oordeel was dat aan dit ontslag een (wettelijk) gebrek kleefde, te weten dat het ontslag niet onverwijld was gegeven.
2.49
In de ontslagbrief van 26 juli 2007 is onder andere het volgende vermeld (zie rechtsoverweging 4.20 van het tussenarrest van 19 juni 2012):
‘We hereby inform you that for urgent reasons we have immediately terminated the employment contract that exist between you and us. The grounds for this decision can be set out as follows.
It previously came to our attention that you did not fulfill the applicable regulations with regard to stating your whereabouts in due time for purpose of the possible conducting of anti-doping checks, as prescribed by the cycling organization UCI. As a result of this, a proposed test could not take place. By e-mail message of 3 July 2007 we pointed out this attributable shortcoming to you, emphasized the importance of strict compliance with the rules in this matter, and also attached consequences to this. At that time we found no reason to doubt your representation of the facts, that due to certain circumstances the dispatch of your statement of your stay in Mexico was seriously delayed, and we assumed that with this the issue was resolved.
After information from third parties about the period for which you declared that you were in Mexico, it emerged that you were seen in Italy on at least one day. You admitted to us that this assertion was correct.
On the grounds of this, we could come to no other conclusion than that you gave us incorrect information which was of great importance, and that you deliberately did not comply with the applicable rules. You must certainly be aware of the importance of correct en strict compliance with the rules on this point.
With this infringement you have very seriously damaged our interests as an employer, and have deeply betrayed our trust.
With your behaviour, you have acted directly in violation of the provisions of your employment contract, in particular the provisions of Article 9, and the provisions of Chapter 5 of Part 14 of the anti-doping examination regulations of the cycling organization UCI.
On the grounds of the above, you have put us in a position where for urgent reasons we must terminate the employment contract that exists between us and you with immediate effect.
(…)’
2.50
Met betrekking tot de stelling van [appellant] dat Rabo bij het ontslag op staande voet onzorgvuldig te werk is gegaan, verwijst het hof naar hetgeen in de rechtsoverwegingen 5.16 tot en met 5.20 van het tussenarrest van 19 juni 2012 is overwogen. Ook de inhoud van het gesprek dat op 25 juli 2007 tussen [appellant] en [getuige 2] plaatsvond, naar aanleiding van het feit dat [naam 1] [appellant] op 13 juni 2007 in de Dolomieten had gezien, bevestigt dat [getuige 2] [appellant] in de gelegenheid heeft gesteld om zijn visie op de gebeurtenissen te geven en voorts dat het [appellant] van meet af aan duidelijk was zijn handelwijze ernstige gevolgen had (onder andere het terugtrekken van [appellant] uit de Tour de France).
2.51
Het hof stelt voorop dat [appellant] op grond van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst een grote mate van vrijheid had om zijn eigen trainingsprogramma vast te stellen. Op dat punt bestond geen instructiebevoegdheid bij Rabo, met dien verstande dat [appellant] — op eigen initiatief — gebruik kon maken van de kennis en expertise van Rabo (zie artikel 9.3 van de arbeidsovereenkomst). Voorts is van belang dat het tot de verantwoordelijkheid van [appellant], als deelnemer van de Registered Testing Pool (RTP), behoorde om ‘accurate whereabouts information ’ aan UCI te verschaffen (zie hiervoor rechtsoverweging 2.11). De door [appellant] aan UCI verstrekte whereabouts information was ‘strictly confidential’ en werd dus niet met Rabo gedeeld. Wanneer een renner voor een test niet werd aangetroffen op de door hem meest recente opgegeven locatie, ontving de renner van de Anti Doping Commission van UCI een schriftelijke waarschuwing (written warning), die — indien een deugdelijke verklaring van de renner uitbleef — werd omgezet in een geregistreerde waarschuwing (recorded warning). Indien drie geregistreerde waarschuwingen werden gegeven in een periode van 18 maanden, werd dit beschouwd als een schending van de antidoping regelgeving, hetgeen kon leiden tot schorsing van de betrokken renner. Tot omstreeks juni 2007 werden alleen de runners ervan op de hoogte gesteld wanneer zij niet op correcte wijze aan hun verplichtingen voldeden. Vanaf juni 2007 ontving ook de wielerploeg, waar de renner onder contract stond, van UCI een afschrift van een recorded warning.
2.52
Tussen partijen is niet in geschil dat [appellant] onjuiste informatie over zijn verblijfplaats in de maand juni 2007 aan UCI heeft verstrekt. Het hof verwijst naar de recorded warning van 29 juni 2007. Daaruit blijkt:
- 1.
dat UCI pas achteraf, te weten op 11 juni 2007, door middel van een brief die op 8 juni 2007 in Italië was gepost, op de hoogte is gesteld dat [appellant] in Mexico zou zijn van 4 tot 12 juni 2007;
en
- 2.
dat UCI pas achteraf, te weren op 29 juni 2007, door middel van een brief die op 12 juni 2007 in Mexico was gepost, werd geïnformeerd dat [appellant] in Mexico zou verblijven tot 28 juni 2007, terwijl dit niet juist was omdat [appellant] in ieder geval, zoals vermeld in de recorded warning, op 26 juni 2007 in Italië terug was.
Blijkens de tekst van de recorded warning had deze betrekking op het verstrekken van onjuiste informatie met betrekking tot de data van het verblijf van [appellant] in Mexico. In de recorded warning is niet tot uitdrukking gebracht dat de daarin vermelde verblijfplaats van [appellant] (Mexico) onjuist was. Dit betekent en dat is ook de strekking van de recorded warning dat het slechts om administratieve vergissingen/slordigheden ging, waarvoor een verklaring was te vinden in het te laat posten van een brief in Italië en in een vertraagde ontvangst van een brief die in Mexico was gepost. [appellant] werd gewaarschuwd dat hij informatie en wijzigingen met betrekking tot zijn verblijf vóóraf aan UCI diende te verstrekken.
2.53
Het hof heeft hiervoor, bij de beoordeling van de vraag of het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven, geoordeeld dat Rabo ten tijde van de recorded warning niet wist dat [appellant] in juni 2007 niet in Mexico was. Integendeel, Rabo ging ervan uit, omdat [appellant] dat zo had aangegeven, dat dit wel het geval was. Bij die stand van zaken paste het dan ook dat Rabo [appellant] voor zijn administratieve slordigheden op 3 juli 2007 een boete heeft opgelegd van € 10.000,-. [appellant] had een (toen plausibel geoordeelde) verklaring voor zijn slordigheden gegeven. Rabo legde een boete op om de ernst van de naleving van de regels te onderstrepen en Rabo ging ervan uit dat daarmee de kous af was.
Een en ander is ook (in de tweede alinea) van de ontslagbrief van 26 juli 2007 verwoord. [getuige 2] heeft in dit verband als getuige verklaard dat het de eerste keer was dat hij een renner een boete gaf. Dat Rabo [appellant] toen niet op staande voet heeft ontslagen, kan niet aan Rabo worden tegengeworpen, omdat het op dat moment — slechts — om administratieve slordigheden leek te gaan.
2.54
Ook op 24 juli 2007, tijdens de door Rabo gegeven persconferentie in Pau, waarbij ook [appellant] aanwezig was, is de recorded warning aan de orde geweest en is op basis van de herhaalde, achteraf dus onjuist gebleken, mededelingen van [appellant], bekend gemaakt dat [appellant] in juni 2007 in Mexico was geweest en dat met betrekking tot de recorded warning sprake was van administratieve slordigheden. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 2.38 en 2.39 is overwogen.
2.55
Op 25 juli 2007 is de bom gebarsten en kreeg [getuige 2] — kort gezegd — van [naam 1] te horen dat [naam 1] [appellant] op 13 juni 2007 in de Dolomieten had gezien. [appellant] heeft op 25 juli 2007 (uiteindelijk) aan [getuige 2] toegegeven dat de mededelingen van [naam 1] aan [getuige 2] juist waren en dat hij niet in Mexico was geweest. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 2.41 is overwogen. Ook dit is verwoord in de (derde alinea) van de ontslagbrief van 26 juli 2007.
2.56
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat [appellant] op essentiële momenten (ten tijde van de recorded warning op 29 juni 2007 en de boete op 3 juli 2007, de persconferentie op 24 juli 2007 en de bekendwording op 25 juli 2007 dat [appellant] op 13 juni 2007 door [naam 1] in de Dolomieten was gezien) onjuiste informatie heeft verstrekt met betrekking tot zijn verblijfplaats in de maand juni 2007; hij heeft over die verblijfplaats herhaaldelijk gelogen. Uitgekomen is dat hij tenminste op één dag in Italië was gezien. Dat levert naar het oordeel van het hof (objectief gezien) een dringende reden voor ontslag op staande voet op.
2.57
[appellant] wist dat én UCI én Rabo aan het het verstrekken van de juiste whereabouts groot belang hechtten. Voor zover het UCI betreft blijkt dit uit de duidelijke tekst van de recorded warning van 29 juni 2007. Voor zover het Rabo betreft blijkt dit uit de in rechtsoverweging 2.11 vermelde bepalingen uit de arbeidsovereenkomst, uit de e-mail van 30 april 2007 van [getuige 2] aan [appellant] (zie hiervoor rechtsoverweging 2.17) en uit de in rechtsoverweging 4.14 van het tussenarrest van 19 juni 2012 vermelde e-mail van 3 juli 2007 van Rabo aan [appellant], waarin [appellant] de eerdergenoemde boete kreeg opgelegd. [appellant] zelf daarentegen heeft als getuige verklaard dat de recorded warning niets voor hem betekende. Die verklaring bevestigt dat [appellant] op grove wijze de ter zake geldende regels aan zijn laars heeft gelapt en dat hij tevens op ernstige wijze de belangen van Rabo heeft geschaad en het vertrouwen van Rabo diep heeft geschonden (zie de vijfde alinea van de ontslagbrief van 26 juli 2007), dit terwijl het tot zijn verantwoordelijkheid behoorde om accurate whereabouts te verstrekken. Dit betekent dat ook aan het vereiste van de zogenaamde subjectieve dringendheid is voldaan.
2.58
Bij het voorgaande acht het hof van belang dat [appellant] door Rabo is beschouwd als een potentiële winnaar van de Tour de France in 2007. Door zijn handelwijze is het imago van Rabo en van de ploeg(genoten) van [appellant] ernstig geschaad en heeft dit ook financiële consequenties gehad voor Rabo, haar Sponsors en de individuele renners; zij allen zijn door de handelwijze van [appellant] vele inkomsten misgelopen.
2.59
Ook voor [appellant] geldt dat de gevolgen van het ontslag op staande voet zeer ingrijpend zijn, zowel in persoonlijk opzicht (het in rook zien opgaan van een zeer goede kans de hoogst gewaardeerde wielerronde winnend af te sluiten, schending van zijn imago en/of carrièrebreuk en/of psychisch leed) als in financieel opzicht (het mislopen van premies, startgelden en sponsorcontracten). Het is echter [appellant] zelf geweest die door de wijze waarop hij heeft gehandeld deze gevolgen over zich heeft afgeroepen. Deze persoonlijke gevolgen wegen voorts niet op tegen de aard en de ernst van de aan het adres van [appellant] gemaakte verwijten. Ditzelfde geldt ook voor de leeftijd van [appellant] en de duur van het dienstverband ten tijde van het ontslag. Ook deze omstandigheden, afzonderlijk, noch in onderling verband beschouwd, leiden tot een ander oordeel.
Conclusie met betrekking tot de vraag of de door Rabo aangevoerde reden/redenen het ontslag op staande voet kunnen rechtvaardigen
2.60
Op grond van hetgeen hiervoor en in de rechtsoverwegingen 5.16 tot en met 5.20 van het tussenarrest van 19 juni 2012 is overwogen, is het hof van oordeel dat Rabo op 26 juli 2007 — terecht — de arbeidsovereenkomst met [appellant] onverwijld heeft opgezegd wegens (een) dringende reden(en). onder gelijktijdige mededeling van die reden(en) aan [appellant]. Dit betekent dat het aan [appellant] op 26 juli 2007 gegeven ontslag niet onregelmatig is. Ook in zoverre slaagt grief I in het incidenteel hoger beroep van Rabo. De vorderingen van [appellant], die zijn gebaseerd op de door hem gestelde onregelmatigheid van het ontslag, moeten worden afgewezen. De grieven II, III en IV in het principaal hoger beroep en de (voorwaardelijke) grief II in het incidenteel hoger beroep behoeven niet meer te worden behandeld.
Is [appellant] schadeplichtig jegens Rabo? Grief III in het incidenteel hoger beroep
2.61
Op grond van artikel 7:677 lid 3 BW is schadeplichtig de partij die door opzet of schuld aan de wederpartij een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, indien de wederpartij van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.
In artikel 7:677 lid 4 BW is bepaald dat ingeval een der partijen schadeplichtig is, de wederpartij de keus heeft de in artikel 7:680 BW genoemde gefixeerde schadevergoeding of een volledige schadevergoeding te vorderen. De gefixeerde schadevergoeding is gelijk aan het bedrag van het in geld vastgesteld loon voor de tijd, dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren voort te duren (artikel 7:680 lid 1 BW). Daarbij moet zowel met de opzegtermijn als met de dag waartegen opgezegd mag worden (artikel 7:672 BW) rekening worden gehouden. Beslissend is de termijn die geldt voor de schadeplichtige partij.
2.62
Rabo heeft aangevoerd dat [appellant] door opzet of schuld (een) dringende reden(en) aan haar heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst op 26 juli 2007 onverwijld op te zeggen, zodat [appellant] jegens haar schadeplichtig is op grond van artikel 7:677 lid 3 BW. Het hof heeft hiervoor geoordeeld dat Rabo [appellant] op 26 juli 2007 terecht op staande voet heeft ontslagen wegens (een) dringende reden(en). [appellant] heeft de door Rabo gestelde schadeplichtigheid uitsluitend bestreden op de grond dat hij ten onrechte op staande voet is ontslagen (zie punt 44 memorie van antwoord in incidenteel appel) en niet (mede) op de grond dat bij hem geen sprake was van opzet of schuld (Hoge Raad 14 maart 2008, LJN BC6641). Voorts vloeit uit hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 2.56 tot en met 2.58 is overwogen voort, dat [appellant] schuld draagt in de zin van artikel 7:677 lid 3 BW. Dit betekent dat [appellant] schadeplichtig is jegens Rabo.
2.63
Rabo heeft onder punt 47 van haar conclusie van eis in reconventie als gefixeerde schadevergoeding een bedrag gevorderd van € 155.376,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het instellen van deze vordering (23 april 2008). Voor de berekening van dit bedrag heeft Rabo verwezen naar punt 35 van haar conclusie van antwoord in conventie. Het hof overweegt dat de berekening onder punt 35 van de conclusie van antwoord in conventie is geschied in het kader van het verweer van Rabo tegen de vordering (in conventie) van [appellant] op grond van de door [appellant] gestelde schadeplichtigheid van Rabo jegens hem op grond van artikel 7:677 lid 1 BW. De door Rabo in reconventie gevorderde gefixeerde schadevergoeding heeft echter betrekking op het (omgekeerde) geval waarin [appellant] jegens Rabo schadeplichtig is op grond van artikel 7:677 lid 3 BW. Dit betekent dat het hof de eerdergenoemde berekening van Rabo niet zal volgen.
2.64
Op grond van artikel 7:680 lid 1 BW in verbinding met artikel 7:672 lid 1 en lid 3 BW — in zoverre vult het hof ambtshalve de rechtsgronden aan — gold voor [appellant] — de schadeplichtige partij — een opzegtermijn van één maand en diende hij, bij gebreke van een schriftelijke overeenkomst of een gebruik, tegen het einde van de maand op te zeggen. Dit brengt mee dat bij een regelmatige opzegging door [appellant] op 26 juli 2007 het dienstverband zou zijn geëindigd per 1 september 2007. Uitgaande van het salaris van [appellant] van (afgerond) € 70.833,- bruto per maand, bedraagt de gefixeerde schadevergoeding € 84.543,- bruto (€ 13.710,- bruto wegens het resterende loon over de maand juli 2007 en € 70.833,- bruto wegens loon over de maand augustus 2007). Het hof zal de door Rabo gevorderde gefixeerde schadevergoeding tot dit bedrag toewijzen. Met betrekking tot de door Rabo gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 april 2008 verwijst het hof naar hetgeen hierna in rechtsoverweging 2.77 zal worden overwogen. Grief III in het incidenteel hoger beroep slaagt gedeeltelijk.
Is de opzegging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk? Grief V en grief VI in het principaal hoger beroep
2.65
Vervolgens dient het hof te beoordelen of, zoals [appellant] heeft gesteld en Rabo gemotiveerd heeft betwist, de opzegging door Rabo op 26 juli 2007 kennelijk onredelijk is.
2.66
Volgens [appellant] is het ontslag kennelijk onredelijk:
- a.
omdat dit is geschied onder opgave van een voorgewende of een valse reden;
- b.
omdat de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Rabo bij de opzegging.
Rabo heeft gemotiveerd betwist dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst met [appellant] kennelijk onredelijk is op de hiervoor vermelde gronden.
Het hof overweegt het volgende.
2.67
In artikel 7:681 lid 1 BW is bepaald dat indien een van de partijen de arbeidsovereenkomst, al of niet met inachtneming van de voor de opzegging geldende bepalingen, kennelijk onredelijk opzegt, de rechter steeds aan de wederpartij een schadevergoeding kan toekennen.
2.68
Op grond van artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder a BW zal opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever onder andere kennelijk onredelijk geacht kunnen worden wanneer deze geschiedt onder opgave van een voorgewende of valse reden.
2.69
Een voorgewende reden is een bestaande reden die niet de werkelijke ontslaggrond is. Een valse reden is een reden die niet bestaat.
2.70
Op grond van artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder b BW zal opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever kennelijk onredelijk geacht kunnen worden wanneer, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging.
Ontslag onder opgave van (een) voorgewende reden(en)?
2.71
Het hof herhaalt dat Rabo [appellant] op 26 juli 2007 op staande voet heeft ontslagen — kort gezegd — omdat [appellant] volgens Rabo in strijd met de geldende regels (van UCI en zijn arbeidsovereenkomst) belangrijke onjuiste informatie met betrekking tot zijn verblijfplaats in de maand juni 2007 had verstrekt, te weten dat hij, voorafgaande aan de door Rabo (in de periode van 25 tot en met 29 juni 2007) georganiseerde training in de Pyreneeën, in Mexico verbleef om zich op de Tour de France voor te bereiden, terwijl dit ten aanzien van tenminste één dag (13 juni 2007) niet het geval was. Die reden(en) zijn de ‘werkelijke’ grond(en) voor het ontslag geweest en die reden(en) vormden een voldoende rechtvaardiging voor het aan [appellant] gegeven ontslag, zoals het hof hiervoor heeft beslist. De door [appellant] gestelde reputatieschade bij Rabo en haar sponsors en/of haar vrees voor uitsluiting van deelname aan de Tour de France in 2008, zijn (slechts) een gevolg geweest van het aan [appellant] gegeven ontslag. Zonder de gewraakte handelwijze van [appellant] zou geen reputatieschade bij Rabo en haar sponsors zijn opgetreden en had zij niet behoeven te vrezen voor uitsluiting van deelname aan de Tour de France in 2008. Van een kennelijk onredelijk ontslag op deze grond is dan ook geen sprake.
Omslag onder opgave van (een) valse reden(en)?
2.72
Met betrekking tot de aan het ontslag ten grondslag gelegde reden(en) verwijst het hof naar hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 2.71 is overwogen. Uitsluitend de door [appellant] verstrekte onjuiste informatie omtrent zijn verblijfplaats is de (bestaande) reden geweest om hem te ontslaan. Voor zover het precieze tijdstip waarop Rabo op de hoogte was van de door [appellant] verstrekte onjuiste informatie al een rol zou kunnen spelen bij de beoordeling, van de vraag of het ontslag op deze grond kennelijk onredelijk is, geldt dat het hof hiervoor heeft geoordeeld dat Rabo pas op 25 juli 2007 bekend werd met het feit dat [appellant] onjuiste, informatie met betrekking tot zijn verblijfplaats in de maand juni 2007 had verstrekt. Ook op deze grond is het ontslag van [appellant] niet kennelijk onredelijk.
Gevolgen van de beëindiging te ernstig?
2.73
Blijkens artikel 7:677 lid 1 BW is de werkgever niet schadeplichtig indien hij de dienstbetrekking met de werknemer onverwijld opzegt om een dringende reden, onder gelijktijdige mededeling van die reden aan de werknemer. Daarmee laat zich, hoewel de bewoordingen van artikel 7:681 lid 1 en lid 2 aanhef en onder b BW zich daartegen niet verzetten, bezwaarlijk rijmen dat een wegens een dringende reden gegeven ontslag desondanks kennelijk onredelijk kan zijn en de werknemer op die grond aanspraak zou kunnen maken op een schadevergoeding. Voorts behoort de vraag, of de gevolgen van de beëindiging van de dienstbetrekking voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de beëindiging, te worden beantwoord in het kader van de vraag of sprake is van een dringende reden. Is deze laatste vraag bevestigend beantwoord, dan is geen plaats meer voor het oordeel dat het ontslag niettemin kennelijk onredelijk is op de in artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder b BW vermelde grond. Zie Hoge Raad 12 februari 1999, LJN ZC2849,
2.74
Het hof heeft in rechtsoverweging 2.60 geconcludeerd dat Rabo [appellant] op 26 juli 2007 — terecht — wegens (een) dringende, onverwijld medegedeelde reden(en) op staande voet heeft ontslagen, zodat het aan [appellant] gegeven ontslag niet onregelmatig is.
2.75
Bij de beoordeling van de vraag of de door Rabo aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde reden(en) als dringend in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW heeft/hebben te gelden, heeft het hof de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij heeft het hof ook in de beschouwing betrokken de persoonlijke omstandigheden van [appellant], zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Het hof heeft in aanmerking genomen dat de gevolgen van het ontslag voor [appellant] ingrijpend zijn, maar heeft bij afweging van de persoonlijke omstandigheden van [appellant] tegen de aard en de ernst van de dringende reden(en) geconcludeerd dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd was. Het hof verwijst naar hetgeen in de rechtsoverwegingen 2.50 tot en met 2.59 is overwogen. Gelet hierop en op het in rechtsoverweging 2.73 vermelde arrest van de Hoge Raad, dient de vordering van [appellant] wegens kennelijk onredelijk ontslag op de in artikel 7: 681 lid 2 aanhef en onder b BW vermelde grond te worden afgewezen.
2.76
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen falen ook de grieven V en VI in het principaal hoger beroep.
Wettelijke verhoging over achterstallig salaris Grief VII in het principaal hoger beroep
2.77
Evenals in eerste aanleg is ook in hoger beroep niet tussen partijen in geschil dat Rabo een bedrag van € 125.000,- bruto wegens achterstallig salaris aan [appellant] is verschuldigd. Aangezien [appellant] schadeplichtig is jegens Rabo en hij als gefixeerde schadevergoeding een bedrag van € 84.543,- bruto aan Rabo is verschuldigd (zie hiervoor rechtsoverweging 2.64), heeft Rabo — terecht — in haar conclusie van eis in reconventie in eerste aanleg een beroep op verrekening gedaan. Rabo heeft dit verweer in hoger beroep niet prijsgegeven. Op grond van artikel 6:127 lid 1 en 2 BW en artikel 6:129 lid 1 BW gaat het hof ervan uit, gelet op de door [appellant] geformuleerde vorderingen, dat de verbintenis van Rabo tot betaling van het achterstallige salaris ad € 125.000,- bruto en de verbintenis van [appellant] tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding ad € 84.543,- bruto, bij het einde van het dienstverband, althans op 31 augustus 2007, tot hun gemeenschappelijk beloop teniet zijn gegaan. Dit betekent dat Rabo — na verrekening — gehouden is een bedrag van € 40.457,- bruto bij wijze van achterstallig salaris aan [appellant] te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 augustus 2007. Gelet op het hiervoor vermelde tijdstip waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan, dient de door Rabo gevorderde wettelijke rente over de gefixeerde schadevergoeding vanaf 23 april 2008 te worden afgewezen, aangezien vanaf voormeld tijdstip geen verzuim meer kan zijn ingetreden aan de zijde van [appellant]. Het hof zal de door Rabo gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 juli 2008 en verwijst voor de motivering van deze beslissing naar hetgeen hierna in rechtsoverweging 2.87 zal worden overwogen.
2.78
Rabo heeft het achterstallige salaris niet (tijdig) aan [appellant] betaald, zodat [appellant] aanspraak kan maken op de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW.
De wettelijke verhoging is niet zozeer bedoeld als een vorm van schadevergoeding van de door de werknemer geleden schade, maar veeleer als een prikkel tot tijdige betaling. Het feit dat Rabo geen (achterstallig) salaris heeft betaald aan [appellant], is gelegen in het diepgaand verschil van mening tussen partijen omtrent de rechtsgeldigheid van het door Rabo aan [appellant] gegeven (complexe) ontslag op staande voet en de vorderingen die partijen over en weer (in conventie en in reconventie) hebben ingesteld. Gelet hierop en op het feit dat Rabo zich gedeeltelijk op verrekening mocht beroepen, acht het hof het redelijk de door [appellant] gevorderde wettelijke verhoging over het (resterende) achterstallige salaris ad € 40.457,- gedeeltelijk toewijzen en deze vast te stellen op 15%, dat wil zeggen op een bedrag van (afgerond) € 6.069,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 augustus 2007. Rabo heeft tegen deze ingangsdatum geen afzonderlijk verweer gevoerd. Grief VII in het principaal hoger beroep slaagt gedeeltelijk.
Buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente over deze kosten Grief VIII in het principaal hoger beroep
2.79
[appellant] heeft in eerste aanleg een bedrag van € 50.000,- ter zake van buitengerechtelijke kosten gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 december 2007. De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis overwogen dat Rabo op zich niet heeft betwist dat buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt, en dat zij evenmin de hoogte van dit bedrag heeft betwist, en heeft dit bedrag toegewezen ‘nu hem dit met het oog op de specifieke omstandigheden van het geval niet irreëel voorkomt.’ De kantonrechter heeft de door [appellant] gevorderde wettelijke rente over dit bedrag afgewezen met als motivering dat niet is gesteld dat [appellant] dit bedrag ook daadwerkelijk aan zijn gemachtigden heeft voldaan. Grief VIII in het principaal hoger beroep van [appellant] is gericht tegen de afwijzing door de kantonrechter van de door hem gevorderde wettelijke rente over het door de kantonrechter toegewezen bedrag van € 50.000,-.
2.80
Aangezien de kantonrechter in het dictum van het bestreden vonnis de door [appellant] gevorderde buitengerechtelijke kosten ad € 50.000,- heeft toegewezen, had Rabo naar het oordeel van het hof incidenteel hoger beroep moeten instellen indien zij op dit punt wijziging van het dictum van het bestreden vonnis wenste. Dat heeft Rabo niet gedaan. In haar — zeer summiere — verweer onder punt 61 en 62 van haar memorie van antwoord heeft Rabo slechts aangevoerd dat de kantonrechter de vordering (hof: tot betaling van wettelijke rente) op goede gronden heeft afgewezen. Rabo heeft daarbij aangehaakt bij de motivering van de kantonrechter, zoals hiervoor in rechtsoverweging 2.79 weergegeven. Dat verweer kan niet als een voor [appellant] voldoende kenbare grief of bezwaar tegen de door de kantonrechter toegewezen hoofdsom (cursivering door het hof) van € 50.000,- worden beschouwd. Ook elders in de memorie van antwoord ligt geen incidenteel hoger beroep besloten, met name niet onder de punten 89 en 90 van deze memorie. [appellant] heeft dan ook terecht onder 2 van zijn memorie van antwoord in incidenteel appel aangevoerd dat de beslissing van de kantonrechter om een bedrag van € 50.000,- aan hem toe te wijzen, onaantastbaar is geworden. Voor zover de conclusie in de pleitaantekeningen van Rabo ter gelegenheid van de pleidooien bij het hof op 25 mei 2012, dat de vernietiging van het bestreden vonnis ook betrekking heeft op de toegewezen buitengerechtelijke kosten, als een (incidentele) grief van Rabo zou moeten worden beschouwd, betreft het een nieuwe grief, die het hof, gelet op de in artikel 347 Rv besloten twee-conclusie-regel en de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt. als tardief buiten beschouwing zal laten.
2.81
[appellant] heeft onder punt 51 van zijn memorie van grieven aangeboden te bewijzen, door middel van overlegging van declaraties en betalingsbewijzen, dat hij de aan hem toegewezen buitengerechtelijke kosten ad € 50,000,- daadwerkelijk aan zijn gemachtigden heeft voldaan. Het hof gaat voorbij aan dit bewijsaanbod. [appellant] heeft, mede gelet op het verweer van Rabo onder punt 62 van haar memorie van antwoord, tot op heden geen enkel schriftelijk bewijsstuk in de vorm van declaraties en/of betalingsbewijzen overgelegd waaruit blijkt dat hij sinds 31 december 2007 een bedrag van € 50.000,- aan zijn gemachtigden was verschuldigd respectievelijk heeft voldaan. Het hof verwijst in dit verband naar het arrest van de Hoge Raad van 9 maart 2012, LJN BU9204. Uit dit arrest moet worden afgeleid dat van een partij die zich beroept op schriftelijke bewijsstukken mag worden verlangd dat zij die stukken uit zichzelf in het geding brengt.
Grief VIII in het principaal hoger beroep faalt.
Slotsom
2.82
Op grond van hetgeen in het tussenarrest van 19 juni 2012 en hiervoor in dit arrest is overwogen, falen in het principaal hoger beroep de grieven I, V, VI en VIII, slaagt grief VII gedeeltelijk en behoeven de grieven II tot en met IV niet te worden behandeld. In het incidenteel hoger beroep slagen de grieven I en III (deze laatste gedeeltelijk) en behoeft (de voorwaardelijke) grief II niet te worden behandeld. Het bestreden vonnis dient grotendeels te worden vernietigd en gedeeltelijk te worden bekrachtigd.
2.83
[appellant] heeft op grond van de inhoud van dit arrest in het principaal hoger beroep jegens Rabo in conventie aanspraak op de volgende bedragen:
- —
€ 40.457,- bruto wegens achterstallig salaris (na verrekening van het achterstallige salaris ad € 125.O00,- bruto niet de gefixeerde schadevergoeding ad € 84.543,- bruto), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2007;
- —
€ 6.069,- bruto wegens wettelijke verhoging, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2007;
- —
€ 50.000,- exclusief BTW wegens buitengerechtelijke kosten.
2.84
De kantonrechter heeft Rabo in het bestreden vonnis veroordeeld om aan [appellant] te betalen:
- 1.
€ 125.000,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2007, wegens achterstallig salaris;
- 2.
€ 140.000,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2007, wegens onregelmatig ontslag door Rabo van [appellant];
- 3.
€ 400.000,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2007, wegens bonus Tour de France;
- 4.
€ 50.000,- exclusief BTW, zonder wettelijke rente, wegens buitengerechtelijke kosten, in totaal € 715.000,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over de onder 1 tot en met 3 genoemde bedragen van in totaal € 665.000,- vanaf 31 augustus 2007 tot aan de dag van de algehele voldoening.
2.85
[appellant] heeft niet betwist dat Rabo ter uitvoering van het bestreden vonnis op 23 juli 2008 een bedrag van € 715.000,- als hoofdsom alsmede een bedrag van € 34.812.96 wegens wettelijke rente, in totaal € 749.812,96, aan hem heeft betaald.
2.86
Rabo heeft onder punt 90 van haar memorie van antwoord tevens houdende memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep geconcludeerd dat wanneer grief I in het incidenteel appel wordt gevolgd, [appellant] het bedrag van € 749.812,96 dient terug te betalen, onder aftrek van het achterstallige salaris ad € 125.000,- bruto, dus € 624.812.96, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2008 tot de dag van de terugbetaling. Zij heeft in het petitum van haar memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep gevorderd [appellant] (in conventie) te veroordelen dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2008, aan haar terug te betalen. Rabo heeft voorts in het petitum van haar memorie van grieven in het incidenteel hoger beroep gevorderd [appellant] (in reconventie) te veroordelen de gefixeerde schadevergoeding aan haar te betalen.
2.87
Uitgaande van de in rechtsoverweging 2.83 vermelde aanspraken van [appellant] jegens Rabo, van de in rechtsoverweging 2.85 genoemde door Rabo ter uitvoering van het bestreden vonnis op 23 juli 2008 aan [appellant] betaalde bedragen en van de in rechtsoverweging 2.86 vermelde door Rabo gevorderde betalingsveroordelingen van [appellant], zal het hof in het incidenteel hoger beroep [appellant] in conventie veroordelen om aan Rabo een bedrag van € 574.812,96 terug te betalen (€ 624.812,96 − € 50.000,-), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2008 tot aan de dag van de algehele terugbetaling. Het hof overweegt dat bij de vaststelling van het bedrag van € 574.812,96 rekening is gehouden met de aanspraak van [appellant] op een bedrag van € 125.000,- bruto wegens achterstallig salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 augustus 2007 tot 23 juli 2008, terwijl [appellant] (na verrekening) slechts aanspraak heeft op een bedrag van € 40.457,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 augustus 2007 tot 23 juli 2008. Gelet hierop zal het hof [appellant], eveneens in het incidenteel hoger beroep, in reconventie veroordelen aan Rabo de gefixeerde schadevergoeding ad € 84.543,- bruto te betalen. Aangezien de kantonrechter in reconventie de door Rabo gevorderde gefixeerde schadevergoeding had afgewezen, was Rabo genoodzaakt op dit punt incidenteel hoger beroep in te stellen. Het hof heeft pas in hoger beroep beslist dat Rabo zich op verrekening mocht beroepen. Rabo kon dan ook niet genoemd bedrag van € 84.543,- bruto betrekken bij de door haar in het incidenteel hoger beroep in conventie gevorderde terugbetaling van hetgeen zij ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [appellant] had voldaan. Met betrekking tot de door Rabo gevorderde wettelijke rente over de gefixeerde schadevergoeding vanaf 23 april 2008 verwijst het hof naar hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 2.77 is beslist. Het hof zal de door Rabo gevorderde wettelijke rente over het bedrag van € 84.543,- bruto toewijzen met ingang van 23 juli 2008, aangezien Rabo dit bedrag op 23 juli 2008 onverschuldigd aan [appellant] heeft betaald en [appellant] zonder ingebrekestelling in verzuim was en derhalve wettelijke rente was verschuldigd vanaf het tijdstip dat aan hem vrijwillig was betaald (zie Hoge Raad 19 mei 2000, LJN AA5863).
Het voorgaande betekent voorts dat [appellant] de op 23 juli 2008 door Rabo onverschuldigd betaalde wettelijke rente over het bedrag van € 84.543,- bruto met betrekking tot de periode 31 augustus 2007 tot 23 juli 2008 aan Rabo dient terug te betalen. Het hof heeft berekend dat het hierbij gaat om een bedrag van € 4.536,73 (€ 1.709,39 over de periode 31 augustus 2007 tot en met 31 december 2007 (123/365 × 6% × € 84.543,-) + € 2.827,34 over de periode 1 januari 2008 tot 23 juli 2008 (204/366 × 6% × € 84.543,-). In totaal dient [appellant] in het incidenteel hoger beroep in conventie een bedrag van € 579.349,69 aan Rabo terug te betalen. Het hof zal de in conventie toe te wijzen wettelijke verhoging ad € 6.069,- bruto, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 31 augustus 2007, als een afzonderlijke veroordeling in het dictum van het principaal hoger beroep opnemen.
2.88
Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij dient [appellant] in de proceskosten in eerste aanleg (zowel in conventie als in reconventie) en in hoger beroep (zowel in het principaal als in het incidenteel hoger beroep) te worden veroordeeld.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van Rabo zullen worden vastgesteld op:
conventie: | ||||
|---|---|---|---|---|
— | salaris gemachtigde | € | 1.200,- | (1 punt × tarief meer dan € 1.000.000,-). |
reconventie: | ||||
|---|---|---|---|---|
— | salaris gemachtigde | € | 600,- | (0.5 punt × tarief meer dan € 1.000.000,-). |
De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Rabo zullen worden vastgesteld op:
principaal hoger beroep | ||||
|---|---|---|---|---|
— | griffierecht | € | 254,- | |
— | getuigentaxen | € | 289,- | |
subtotaal verschotten | € | 543,- | ||
— | salaris advocaat | € | 9.160,- | (2 punten × tarief VIII) |
Totaal | € | 9.703,-. | ||
incidenteel hoger beroep | ||||
|---|---|---|---|---|
— | salaris advocaat | € | 10.305,- | (4,5 punten × de helft van tarief VIII). |
Met betrekking tot de kosten voor het pleidooi heeft het hof één punt berekend bij het principaal hoger beroep en één punt bij het incidenteel hoger beroep.
2.89
Omwille van de duidelijkheid zal het hof het bestreden vonnis geheel vernietigen en een nieuw dictum formuleren.
3. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
vernietigt het tussen partijen in conventie en in reconventie gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) van 2 juli 2008 en doet opnieuw recht:
in het principaal hoger beroep
in conventie
veroordeelt Rabo om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] een bedrag van € 6.069,- bruto wegens wettelijke verhoging te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 augustus 2007 tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in eerste aanleg, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Rabo vastgesteld op € 1.200,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
in het incidenteel hoger beroep
in conventie
veroordeelt [appellant] tot terugbetaling aan Rabo van een bedrag van € 579.349,69 (€ 574.812,96 hoofdsom en € 4.536,73 rente), te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 juli 2008 tot de dag van de algehele voldoening door [appellant] aan Rabo;
in reconventie
veroordeelt [appellant] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 84.543,- bruto ter zake van gefixeerde schadevergoeding aan Rabo te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 juli 2008 tot aan de dag van de algehele voldoening;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in eerste aanleg, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van Rabo vastgesteld op € 600,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
in het principaal en in het incidenteel hoger beroep
veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Rabo in het principaal hoger beroep vastgesteld op € 9.703,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 543,- voor verschotten en in het in incidenteel hoger beroep vastgesteld op € 10.305,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
verklaart dit arrest, met uitzondering van de in dit arrest uitgesproken proceskostenveroordelingen in eerste aanleg en in hoger beroep, uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.B. Knottnerus, G.P.M. van den Dungen en W. Duitemeijer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2013.
Bijlage met daarin een (gedeeltelijke) weergave van de getuigenverklaringen, die zijn opgenomen in de processen-verbaal van 12 november 2012, 18 december 2012 en 7 maart 2013.
Deze bijlage maakt deel uit van het arrest van 25 juni 2013 in de zaak [appellant]/Rabo Wielerploegen B.V. (zaaknummer gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, 200.015.508).
V= Vraag
A= Antwoord
Uitspraak 19‑06‑2012
Inhoudsindicatie
Ontslag op staande voet beroepswielrenner. Schadeplichtigheid werkgever wegens een onregelmatige opzegging? Is het ontslag op staande voet onverwijld gegeven?
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Nevenzittingsplaats Arnhem
Sector civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.015.508
(zaaknummer rechtbank 557845)
arrest van de derde kamer van 19 juni 2012
in de zaak van
[appellant],
wonende te [woonplaats], Italië,
appellant in het principaal hoger beroep,
geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. A.W. Brantjes,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Rabo Wielerploegen B.V.,
gevestigd te Utrecht,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,
appellante in het incidenteel hoger beroep,
hierna: Rabo,
advocaat: mr. H.J.A. Knijff.
1. Het geding in eerste aanleg
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 7 mei 2008 en 2 juli 2008, die de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) tussen principaal appellant als eiser in conventie, verweerder in reconventie en principaal geïntimeerde als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie heeft gewezen. Van het vonnis van 2 juli 2008 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.
2. Het (verdere) verloop van het geding in hoger beroep
2.1
[appellant] heef bij exploot van 29 september 2008 Rabo aangezegd van het hiervoor genoemde vonnis van 2 juli 2008 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van Rabo voor het gerechtshof te Arnhem.
2.2
Bij memorie van grieven heeft [appellant] acht grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en heeft hij bewijs aangeboden. Hij heeft - kort gezegd - gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw recht doende, voor zover wettelijk toelaatbaar uitvoerbaar bij voorraad:
- A.
voor recht zal verklaren dat het ontslag op staande voet onregelmatig is geschied en Rabo daarom jegens [appellant] schadeplichtig is als bedoeld in artikel 7:677 lid 4 BW en gehouden is tot volledige schadevergoeding;
- B.
voor recht zal verklaren dat het ontslag op staande voet kennelijk onredelijk is als bedoeld in artikel 7:681 BW en Rabo derhalve gehouden is de tengevolge van het kennelijke onredelijke ontslag geleden schade van [appellant] te vergoeden;
- C.
Rabo zal veroordelen tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding ten bedrage van € 354.166,65 wegens derving van salaris, te vermeerderen met wettelijke rente, zoals nader omschreven;
- D.
Rabo zal veroordelen tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding ten bedrage van € 527.777,- wegens derving van premies, te vermeerderen met wettelijke rente, zoals nader omschreven;
- E.
Rabo zal veroordelen tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding ten bedrage van € 300.000,- wegens het mislopen van de criteriums, te vermeerderen met wettelijke rente, zoals nader omschreven;
- F.
Rabo zal veroordelen tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding ten bedrage van € 300.000,- wegens het mislopen van sponsorcontracten, te vermeerderen met wettelijke rente zoals nader omschreven;
- G.
Rabo zal veroordelen tot betaling aan [appellant] van een immateriële schadevergoeding ten bedrage van €1.000.000,-, te vermeerderen met wettelijke rente zoals nader omschreven;
- H.
Rabo zal veroordelen tot betaling aan [appellant] van een schadevergoeding ten bedrage van € 3.000.000,- wegens verlies aan toekomstig salaris, te vermeerderen met wettelijke rente zoals nader omschreven;
- I.
Rabo zal veroordelen tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 100.000,- wegens het twee maal winnen van een etappe tijdens de Tour de France 2007, te vermeerderen met de maximale verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW en wettelijke rente zowel over het bedrag van € 100.000,- als de wettelijke verhoging, zoals nader omschreven;
- J.
Rabo zal veroordelen tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 25.000,- wegens het gedurende negen dagen rijden in de gele leiderstrui tijdens de Tour de France 2007, te vermeerderen met de maximale verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW en wettelijke rente zowel over het bedrag van € 100.000,- als de wettelijke verhoging, zoals nader omschreven;;
- K.
Rabo zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 50.000,- exclusief BTW, te vermeerderen met wettelijke rente, zoals nader omschreven;
- L.
Rabo zal veroordelen in de kosten van het geding.
2.3
Bij memorie van antwoord heeft Rabo verweer gevoerd en heeft zij bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof in conventie alle grieven zal verwerpen en opnieuw recht doende het vonnis van de kantonrechter zal vernietigen en [appellant]
niet-ontvankelijk zal verklaren althans aan hem zijn vorderingen zal ontzeggen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
2.4
Bij dezelfde memorie heeft Rabo incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 2 juli 2008, heeft zij daartegen drie grieven aangevoerd en heeft zij bewijs aangeboden. Zij heeft gevorderd dat het hof:
- i)
het bestreden vonnis, waarvan appel, zal vernietigen en [appellant] alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren, althans aan hem zijn vorderingen zal ontzeggen;
en
- ii)
[appellant] zal veroordelen, zulks uitvoerbaar bij voorraad, aan Rabo te voldoen een bedrag van € 624.812,96, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2008 tot de dag der algehele voldoening;
en
subsidiair
- iii)
die beslissing zal geven die het hof juist en billijk acht;
in reconventie:
[appellant] zal veroordelen, uitvoerbaar bij voorraad, aan Rabo te voldoen de gefixeerde schadevergoeding ad € 155.376,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 april 2008 tot de dag van de algehele voldoening, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het geding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.
2.5
Bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep heeft [appellant]
verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof Rabo niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen in het incidenteel appel, althans deze vorderingen zal afwijzen, met veroordeling van Rabo in de kosten van het incidenteel appel.
2.6
Ter zitting van 25 mei 2012 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. A.W. Brantjes en mr. C.E. Stratenus, beiden advocaat te Amsterdam, en Rabo door
mr. H.J.A. Knijff, advocaat te Amsterdam. Beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Mr. Knijff voornoemd heeft voorafgaand aan de zitting op 11 mei 2012 vier producties (A tot en met D) aan mr. Brantjes en het hof gezonden. Mr. Brantjes voornoemd heeft voorafgaand aan de zitting op 14 mei 2012 aan mr. Knijff voornoemd en het hof een artikel uit de Volkskrant van 5 mei 2012 gezonden. Het hof heeft beide partijen akte verleend van het in het geding brengen van deze producties.
2.7
Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.
2.8
De rolraadsheer heeft hierna ambtshalve arrest bepaald op 19 juni 2012 in verband met de bevoegdheid van het gerechtshof Arnhem. Op 19 juni 2012 is arrest gewezen. In dit arrest heeft het gerechtshof Arnhem zich onbevoegd verklaard om in hoger beroep te oordelen over de hiervoor genoemde vonnissen van 7 mei 2008 en 2 juli 2008 en de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem verwezen en bepaald dat de zaak op de rol van 19 juni 2012 van dat gerechtshof wordt geplaatst voor (verdere) uitspraak.
3. De grieven
3.1
[appellant] heeft in het principaal hoger beroep de volgende grieven aangevoerd. Het hof zal de als grief VIII en grief IX genummerde grieven aanduiden als grief VII en grief VIII.
Grief I
De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 4.5 ten onrechte overwogen dat de reden van het ontslag op staande voet gelijktijdig aan [appellant] is meegedeeld en dat er derhalve in die zin geen formeel gebrek kleeft aan het gegeven ontslag.
Grief II
De kantonrechter heeft ten onrechte overwogen dat, gelet op het bepaalde in artikel 7:668a BW, de tussen partijen geldende opzegtermijn twee maanden bedraagt, zodat de periode waarover de schadevergoeding wegens de onregelmatigheid van het ontslag moet worden berekend, slechts twee maanden zou zijn en af zou lopen op 30 september 2007.
Grief III
De kantonrechter heeft bij de beoordeling van de vorderingen die [appellant] heeft ingesteld in het kader van de schadeplichtigheid ex artikel 7:677 lid 4 BW ten onrechte - naast gederfd salaris over een periode van 2 maanden - uitsluitend de individuele bonus toegekend die [appellant] op grond van zijn arbeidsovereenkomst had kunnen verdienen bij het winnen van de Tour de France.
Grief IV
De kantonrechter heeft bij de vaststelling van de schade als gevolg van de onregelmatigheid van het ontslag ten onrechte buiten beschouwing gelaten verschillende uitkeringen van derden, zijnde de uitkering van tourorganisator ASO bij het winnen van de Tour, het mislopen van inkomsten door het rijden van criteriums en het mislopen van sponsorcontracten.
Grief V
De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 4.21 tot en met 4.23 ten onrechte overwogen dat de door Rabo aangevoerde ontslaggrond niet vals of voorgewend was in de zin van artikel 7:681 lid 2 sub a BW, zodat het ontslag op deze grond niet kennelijk onredelijk is.
Grief VI
De kantonrechter heeft in rechtsoverweging 4.26 en 4.27 ten onrechte overwogen dat de ernstige gevolgen van het ontslag uitsluitend voortvloeien uit het gedrag van [appellant] en daarom voor zijn rekening dienen te blijven, zodat het ontslag ook op deze grond niet kennelijk onredelijk is.
Grief VII
De kantonrechter heeft ten onrechte de gevorderde wettelijke verhoging over het achterstallig salaris gematigd tot nihil.
Grief VIII
De kantonrechter heeft ten onrechte de gevorderde wettelijke rente over de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
3.2
Rabo heeft in het incidenteel hoger beroep de volgende grieven aangevoerd.
Grief I
Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven en daarmee onregelmatig is omdat de opzegtermijn niet in acht is genomen (rechtsoverweging 4.10 tot en met 4.18).
- (Voorwaardelijke)
Grief II
Ten onrechte heeft de kantonrechter overwogen dat aan [appellant] ten titel van schadevergoeding dient te worden toegekend de bonus als winnaar van de Tour de France ad € 400.000 (rechtsoverweging 4.34 tot en met 4.39).
Grief III
Ten onrechte heeft de kantonrechter de reconventionele vordering van Rabo afgewezen.
Grief IV
Ten onrechte heeft de kantonrechter [appellant] in eerste aanleg niet in de proceskosten veroordeeld.
4. De vaststaande feiten
4.1
Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende vaststaande feiten.
4.2
[appellant], geboren op [geboortedatum], is op 1 januari 2003 bij Rabo in dienst getreden als beroepswielrenner tegen een laatstgenoten salaris van € 70.833,33 per maand inclusief vakantietoeslag en exclusief overige emolumenten. [appellant] was telkens op grond van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij Rabo werkzaam. Partijen hebben laatstelijk op 24 november 2005 een (derde) arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten voor de duur van twee jaar, ingaande 1 januari 2006, die zou eindigen per 31 december 2007.
4.3
In de met ingang van 1 januari 2006 geldende arbeidsovereenkomst is onder meer bepaald dat Reglementen van de UCI (Union Cycliste Internationale) en de KNWU (Koninklijke Nederlandsche Wielren Unie) op de overeenkomst van toepassing zijn en daar integraal deel van uitmaken.
4.4
Voorts is in artikel 9 van deze arbeidsovereenkomst onder meer bepaald:
“Article 9 Obligations of the cyclist
- 1.
Irrespective of what is determined elsewhere in this agreement, the cyclist is obliged:
- a.
to abide in general by the orders and instructions of the team management and to give priority to the interest of the team and its sponsors;
(…)
- c.
during the competitions, tours, training activities and other events connected to the sport of cycling in which the cyclist participates, to follow the instructions given by the employer or the team management;
(…)
- 2.
In addition, the cyclist must refrain from behaviour which could injure his name and/or sporting achievements as well as the name of the employer or its sponsors (…).
- 3.
The cyclist decides on and assumes own responsibility for the formulation and performance of his training & condition programme. The cyclist’s training & condition programme is not part of the duties instructed by the employer, as referred to in Article 5. The cyclist can at his own initiative make use of the employer’s expertise in various areas.
- 4.
In case of a breach of the prohibitions formulated in this article, the cyclist forfeits to the employer an immediately payable fine of € 70.000 (…)per breach, increased by an amount of € 1.000 (…) per day that such breach continues. The foregoing is without prejudice to the employer’s right, at its own election, to claim full compensation instead of the fine.”
4.5
Op de arbeidsovereenkomst is Nederlands recht van toepassing verklaard.
4.6
[appellant] maakte sedert september 2005 deel uit van de Registered Testing Pool (RTP). De daarin opgenomen wielrenners waren verplicht, overeenkomstig het bepaalde in Hoofdstuk V van de Anti Doping Rules van de UCI Cycling Regulations, aan de Anti Doping Commission “accurate whereabouts information” te verschaffen, welke informatie uiterlijk twee weken voorafgaande aan ieder kwartaal moest worden verstrekt en diende te behelzen de plaatsen en tijden waar de renner verbleef, trainde en deelnam aan wedstrijden.
In artikel 80 van dit reglement is bepaald:
“Should a Rider’s plans change from those originally submitted of the whereabouts information forms, the Rider shall immediately send updates of all information required in the form so that it is current at all times.”
4.7
Indien een renner voor een test niet werd aangetroffen op de door hem meest recente opgegeven locatie, ontving de renner van de Anti Doping Commission van de UCI een schriftelijke waarschuwing (written warning), die - indien een deugdelijke verklaring van de renner uitblijft - werd omgezet in een geregistreerde waarschuwing (recorded warning). Indien drie geregistreerde waarschuwingen werden gegeven in een periode van 18 maanden, werd dit beschouwd als een schending van de antidoping regelgeving, hetgeen kon leiden tot schorsing van de betrokken renner.
4.8
Vanaf juni 2007 stuurde UCI een afschrift van de recorded warning aan de wielerploeg waar de renner onder contract stond.
4.9
In de periode van 25 tot en met 29 juni 2007 heeft Rabo een training georganiseerd in de Pyreneeën, waarbij ook [appellant] aanwezig was. Op 24 april 2007 zijn de e-tickets voor de vlucht op 25 juni 2007 van Verona via München naar Bilbao en de informatie waar de papieren tickets kunnen worden afgehaald per e-mail doorgegeven door de ploegleider/directeur van Rabo, [B]. [appellant] heeft daarop per e-mail van dezelfde datum geantwoord:
“Looks good to me. Are you coming as well?
- I.
prefer if we can keep the trip quite, as I am supposed to be in Mexico at the time”.
Bij e-mail van 30 april 2007 heeft [R], directeur van Rabo, aan [appellant] laten weten:
“I want to let you know that as employer I urge you to provide the controlling bodies with the correct whereabouts information! If you want to go training in Mexico just go ahead, it is out of the question that your employer is going to cooperate in some cover up operation. The responsibility in this matter is completely yours”.
In een daarop volgend telefoongesprek tussen [appellant] en [R], heeft [appellant] meegedeeld dat het hem erom ging de pers te ontlopen.
4.10
Op 6 juni 2007 heeft [appellant] in Italië [B] ontmoet en is tussen hen de voorbereiding op de Tour de France besproken. Op 15 juni 2007 heeft [appellant] aan [B] verzocht hem de routes van de Alpenetappes toe te sturen, die de dag erna door [R] naar [appellant] in [woonplaats] (Italië) werden gefaxt. Op 24 juni 2007 heeft [B] aan [appellant] een sms met de volgende tekst gestuurd:
“Training goes well?”
Van 25 tot en met 29 juni 2007 heeft [appellant] met (een deel van) de Raboploeg getraind in de Pyreneeën. Tijdens deze periode heeft [R] deze training telefonisch doorgegeven aan de UCI.
4.11
Op 29 juni 2007 heeft [appellant] van de UCI een recorded warning ontvangen, waarin onder meer het volgende is opgenomen:
“(…)
We regret to inform you that the written warning that was sent to you on June 11 th 2007 is not withdrawn. It has been recorded despite the explanations you sent to the UCI by fax on June 27th.
You are responsible for providing accurate information to the UCI and to provide it before any modification in your planning occurs. Concerning your stay in Mexico from June 4th till June 12th, the UCI only knew about it on June 11th. Moreover, the letter providing the UCI the information was posted from Italy on June 8th.
Finally, on June 12th, you posted a letter from Mexico to inform the UCI that you would stay in Mexico till June 28th. The UCI has received the letter today on June 29th and this is not acceptable. Moreover, the information you provided was not correct as you were back in Italy at least on June 26th.
There are many ways to inform UCI concerning modification in your planning. Fax, emails, phones. In the future, we require you to be more cooperative in using mean of communication that will guarantee our knowledge of your change of plans before the change occurs.
The situation is critical for you. I remind you of recent warnings:
The Anti Doping Denmark
• ADD issued a recorded warning on May 8th after your missed test on May 6th.
• ADD issued a written warning on June 28th for another missed test. ADD tried to test you on June 21st. Unfortunately, you were in Mexico and, as explained above, nobody knew about it.
The UCI
• UCI issued a recorded warning on 2006 March 24th for not complying with your obligation to provide your localisation forms on time for the second quarter of the 2006 season.
• UCI has issued a recorded warning today, on June 29th because you dit not meet your obligation to provide your whereabouts information. Your last mail from Mexico received by the UCI two weeks late supported our decision.
(…)
Should the Anti-Doping Denmark, the WADA or the UCI issue another missed test or should the UCI issue another failure to provide whereabouts information, it will lead to an anti-doping rule violation and the UCI will ask your National Federation to initiate disciplinary proceedings. (…)”
4.12
De UCI heeft een afschrift van de in rechtsoverweging 4.11 vermelde recorded warning aan Rabo toegestuurd. Rabo heeft na ontvangst van de recorded warning contact opgenomen met UCI om te vragen of er, gelet op de bestaande anti-doping regelgeving, formele bezwaren waren om [appellant] te laten starten in de Tour de France. De UCI heeft laten weten dat er geen belemmeringen waren om [appellant] te laten deelnemen aan de Tour de France.
4.13
Op 2 juli 2007 heeft [appellant] aan Rabo laten weten dat op 30 juni 2007 de Deense Wielerbond, DCU, aan hem heeft bericht dat hij in verband met een gemiste controle op 21 juni 2007 in Italië uit de nationale wielerploeg is gezet.
4.14
Naar aanleiding van het door Rabo ontvangen afschrift van de recorded warning heeft [R] een tweetal gesprekken met [appellant] gevoerd en hem op 3 juli 2007 een e-mail gestuurd, waarbij aan [appellant] een boete van € 10.000,- is opgelegd, op grond van art. 9.4 van de arbeidsovereenkomst. In deze e-mail is onder meer vermeld:
“(…)
During the last period of June the UCI (and Anti Doping Denmark) has been trying to test you in the framework of these ‘out of competition controls’. As a result of missing or insufficient information from your side these control efforts failed and we were informed by the UCI that as a result of this an official recorded warning was sent to you on June 29. As I already expressed to you on the phone, we are taking this very seriously and we cannot accept any excuse for this.
You conduct is in breach with article 9 of your contract, more specifically terms 9.1 a,c and also term 9.2. We are therefore imposing a fine for the breach of your obligations as stipulated in article 9.4. Because it is the first time such a breach has occurred, we will limit the fine tot € 10.000,--.
(…)”
4.15
Vanaf 7 juli 2007 heeft [appellant] met de Raboploeg deelgenomen aan de Tour de France. Vanaf 15 juli 2007 reed [appellant] in de gele leiderstrui.
4.16
Op 19 juli 2007 werd het bericht dat [appellant] in verband met twee recorded warnings van de DCU uit de Deense nationale selectie was gezet bekend in de pers. Daarbij werden ook vragen gesteld naar de verblijfplaats van [appellant] in de maand juni 2007.
4.17
Op 23 en 24 juli 2007 heeft overleg plaatsgevonden tussen [appellant] en Rabo, in de persoon van de directeur [R], bijgestaan door de gemachtigde van Rabo, mr. H.J.A. Knijff. In een persconferentie van Rabo op 24 juli 2007 (een rustdag in de Tour de France), waarbij ook [appellant] aanwezig was, is verklaard dat [appellant] in juni 2007 in Mexico verbleef en dat terzake van de opgave van zijn “whereabouts” slechts sprake was van administratieve slordigheid.
4.18
Op 25 juli 2007 werd (publiekelijk) bekend dat [appellant] op 13 juni 2007 door de Italiaanse journalist [naam] (verder: [C]) in de Dolomieten was gezien.
4.19
Op 25 juli 2007 heeft [R] Rabo [appellant] geconfronteerd met de uitlatingen van [C] in de pers, dat [appellant] op 13 juni 2007 door hem is gezien in Italië, waarna [appellant] door Rabo is geschorst. Rabo heeft over deze uitlatingen navraag gedaan bij [C].
4.20
Bij - onder andere - brief van 26 juli 2007 heeft Rabo de arbeidsovereenkomst wegens het bestaan van (een) door haar gestelde dringende reden(en) opgezegd.
In deze brief is onder andere het volgende vermeld:
“We hereby inform you that for urgent reasons we have immediately terminated the employment contract that exist between you and us. The grounds for this decision can be set out as follows.
It previously came to our attention that you dit not fulfil the applicable regulations with regard to stating your whereabouts in due time for purpose of the possible conducting of anti-doping checks, as prescriped by the cycling organization UCI. As a result of this, a proposed test could not take place. By e-mail message of 3 July 2007 we pointed out this attributable shortcoming to you, emphasised the importance of strict compliance with the rules in this matter, and also attached consequences to this. At that time we found no reason to doubt your representation of the facts, that due to certain circumstances the dispatch of your statement of your stay in Mexico was seriously delayed, and we assumed that with this the issue was resolved.
After information from third parties about the period for which you declared that you were in Mexico, it emerged that you were seen in Italy on at least one day. You admitted to us that this assertion was correct.
On the grounds of this, we could come to no other conclusion than that you gave us incorrect information which was of great importance, and that you deliberately dit not comply with the applicable rules. You must certainly be aware of the importance of correct en strict compliance with the rules on this point.
With this infringement you have very seriously damaged our interests as an employer, and have deeply betrayed our trust.
With your behaviour, you have acted directly in violation of the provisions of your employment contract, in particular the provisions of Article 9, and the provisions of Chapter 5 of Part 14 of the anti-doping examination regulations of the cycling organization UCI.
On the grounds of the above, you have put us in a position where for urgent reasons we must terminate the employment contract that exists between us and you with immediate effect.
(…)”
4.21
Na zijn ontslag heeft [appellant] publiekelijk nog een aantal maanden volgehouden dat hij in de periode van 4 tot en met 28 juni 2007 in Mexico verbleef. Eerst geruime tijd na het beëindigen van de Tour de France heeft hij (publiekelijk) toegegeven dat deze aan de UCI verstrekte informatie onjuist was.
4.22
Op 2 augustus 2007 heeft Rabobank Nederland een commissie benoemd om de gebeurtenissen rond (het ontslag van) [appellant] te onderzoeken. Deze commissie (de commissie Vogelzang) heeft op 12 november 2007 haar rapport voltooid. [appellant] is bij de verstrekte opdracht, noch bij de samenstelling van de commissie betrokken geweest.
4.23
Tot 3 augustus 2007 bestond de directie van Rabo uit de heer [naam], directeur en ploegleider, (hierna: [B]), de heer [naam], directeur en arts (hierna: [L]) en de heer [naam], algemeen directeur, (hierna: [R]). [R] heeft op 3 augustus 2007 ontslag als directeur bij Rabo genomen.
4.24
[appellant] heeft zich in de jaren vóór 2007 in de Dolomieten, Alpen en Pyreneeën voorbereid op de Tour de France. Voorts trainde [appellant] minimaal één keer per jaar een zekere periode in Mexico. De vrouw van [appellant] is van Mexicaanse afkomst en zijn schoonfamilie was in Mexico woonachtig.
4.25
De Monegaskische Wieler Unie is op 28 mei 2008 een procedure begonnen tot schorsing van [appellant]. De uitkomst daarvan was dat aan [appellant] een schorsing is opgelegd voor de duur van twee jaar wegens schending van de regelgeving omtrent het opgeven van de zogenaamde “whereabouts”. Deze beslissing is, naar aanleiding van het door [appellant] ingestelde hoger beroep bij het Court of Arbitration for Sport (CAS), in hoger beroep bekrachtigd. De schorsing is in overleg met [appellant] ingegaan op 26 juli 2007.
5. De motivering van de beslissing in hoger beroep
Algemeen
5.1.
[appellant], geboren op [geboortedatum], is op 1 januari 2003 bij Rabo in dienst getreden als beroepswielrenner tegen een laatstgenoten salaris van € 70.833,33 per maand inclusief vakantietoeslag en exclusief overige emolumenten. [appellant] was telkens op grond van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij Rabo werkzaam. Partijen hebben laatstelijk op 24 november 2005 een derde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten voor de duur van twee jaar, ingaande 1 januari 2006, die zou eindigen per 31 december 2007.
5.2
Rabo heeft [appellant] op 26 juli 2007 op staande voet ontslagen - kort gezegd - omdat hij in strijd met de geldende regels (van UCI en zijn arbeidsovereenkomst) belangrijke onjuiste informatie met betrekking tot zijn verblijfplaats in de maand juni 2007 heeft verstrekt, te weten dat hij, voorafgaande aan de door Rabo (in de periode van 25 tot en met 29 juni 2007) georganiseerde training in de Pyreneeën, in Mexico verbleef om zich op de Tour de France voor te bereiden, terwijl dit ten aanzien van tenminste één dag (13 juni 2007) niet het geval was. [appellant] heeft dit ontslag in rechte aangevochten en in eerste aanleg in conventie vorderingen ingesteld, zoals hiervoor onder 2.2 omschreven. Rabo heeft in conventie gemotiveerd verweer gevoerd tegen deze vorderingen van [appellant].
5.3
Rabo heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat [appellant] door opzet of schuld aan Rabo een dringende reden heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen, zodat [appellant] jegens Rabo schadeplichtig is. Op die grond heeft Rabo in reconventie de gefixeerde schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:677 lid 4 BW gevorderd tot een bedrag van € 155.376,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 april 2008.
5.4
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis overwogen dat Rabo [appellant] niet onverwijld op staande voet heeft ontslagen en vervolgens:
in conventie:
- -
voor recht verklaard dat de opzegging van 26 juli 2007 onregelmatig is en Rabo jegens [appellant] gehouden is tot volledige schadevergoeding;
- -
Rabo veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen:
- -
ten titel van achterstallig loon een bedrag van € 125.000,-;
- -
ten titel van schadevergoeding wegens onregelmatig ontslag een bedrag van € 540.000,-;
- -
ten titel van buitengerechtelijke kosten een bedrag van € 50.000,-,
te vermeerderen met de wettelijke rente over € 665.000,- (achterstallig loon en schadevergoeding) vanaf 31 augustus 2007 tot aan de dag van de algehele voldoening;
in reconventie:
de vorderingen van Rabo afgewezen;
in conventie en in reconventie:
- -
de proceskosten tussen partijen gecompenseerd aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
- -
de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- -
het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen deze beslissingen zijn de grieven in het principaal en in het incidenteel hoger beroep gericht.
Bevoegdheid (Nederlandse) rechter
5.5
In artikel 15 lid 3 van de arbeidsovereenkomst is het volgende bepaald:
“3. All disputes with regard to the interpretation of this agreement, the joint agreement and the regulations of the UCI and the national associations as referred to in Paragraph 1, even if such dispute is only acknowledged by one party, will with exclusion of the civil courts be submitted to a board of three referees. The three referees will be appointed by the parties in consultation. Arbitration takes place according to the regulations of the Netherlands Arbitration Institute, unless the parties agree otherwise in mutual consultation. If and in as far the KNWU has included an arbitration scheme in its regulations, such shall take place of the aforementioned arbitration scheme.”
5.6
Het hof is, met partijen, van oordeel dat het onderhavige geschil tussen partijen niet beslecht dient te worden door arbiters, maar door de burgerlijke rechter. Het geschil tussen partijen heeft betrekking op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en ziet niet op een geschil omtrent de uitleg van de arbeidsovereenkomst en daarmee verbonden regelingen, zoals omschreven in artikel 15 lid 3 van de arbeidsovereenkomst.
5.7
Op grond van artikel 19 lid 1 van de Verordening van de Raad van de EG nr. 44/2001 van 22 december 2000, betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, PbEG 2001, L12, zoals laatstelijk gewijzigd op 12 mei 2010, PbEU 2010, L119, in verbinding met artikel 60 van de Wet op de rechterlijke organisatie, is dit hof bevoegd kennis te nemen van het geschil tussen partijen, aangezien Rabo woonplaats heeft in Utrecht.
Toepasselijk recht
5.8
Het hof zal, gelet op artikel 3 van het Verdrag van 19 juni 1980 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (EVO) , Trb. 1980, 156 en op de in artikel 15 lid 5 van de arbeidsovereenkomst vermelde rechtskeuze van partijen, Nederlands recht toepassen met betrekking tot het geschil. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] bij toepassing van het recht van deze rechtskeuze de bescherming zou verliezen welke hij geniet op grond van de dwingende bepalingen van het recht dat zonder rechtskeuze toepasselijk zou zijn (artikel 6 lid 1 EVO).
Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 (hierna: BBA)
5.9
Tussen partijen is - naar het oordeel van het hof terecht - niet in geschil dat het BBA niet van toepassing is, aangezien [appellant] geen inwoner is van Nederland, hij niet de Nederlandse nationaliteit bezit en hij na zijn ontslag niet terugvalt op de Nederlandse arbeidsmarkt.
Is Rabo jegens [appellant] schadeplichtig wegens een onregelmatige opzegging op 26 juli 2007?
5.10
Het hof zal allereerst beoordelen of, zoals [appellant] heeft gesteld en Rabo gemotiveerd heeft betwist, Rabo jegens [appellant] schadeplichtig is omdat zij op 26 juli 2007 de arbeidsovereenkomst met [appellant] onregelmatig heeft opgezegd.
5.11
Op grond van artikel 7:677 lid 1 BW is ieder der partijen bevoegd de arbeidsovereenkomst op te zeggen om een dringende reden, onder gelijktijdige mededeling van die reden aan de wederpartij. De partij die opzegt zonder een dringende reden of zonder gelijktijdige mededeling van de dringende reden is schadeplichtig. Artikel 7:677 lid 4 BW bepaalt dat ingeval een van de partijen schadeplichtig is, de wederpartij de keus heeft de in artikel 7:680 BW genoemde gefixeerde schadevergoeding of een volledige schadevergoeding te vorderen.
5.12
Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tengevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan gevergd worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag óf van zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren ook in de beschouwing te worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. Ook indien de gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is.
5.13
Voor het antwoord op de vraag of een ontslag al dan niet onverwijld is geschied, is beslissend het tijdstip waarop de dringende reden tot dat ontslag ter kennis is gekomen van degene die bevoegd was het ontslag te verlenen. Indien bij een werkgever het vermoeden is gerezen dat zich een dringende reden tot ontslag van een werknemer voordoet, en hij zich, alvorens tot ontslagverlening op staande voet over te gaan, van de juistheid van dat vermoeden wil vergewissen, is de daarbij van hem te vergen mate van voortvarendheid afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij onder meer valt te denken aan de aard en omvang van eventueel noodzakelijk onderzoek, de behoedzaamheid die bij het instellen van zulk een onderzoek geboden kan zijn om geen onrust in het bedrijf van de werkgever te wekken, de eventuele noodzaak tot het inwinnen van rechtskundig advies en tot het verzamelen van bewijsmateriaal, en de door de werkgever in acht te nemen zorg om te vermijden dat, bij ongegrondbevinding van het vermoeden, de werknemer in zijn gerechtvaardigde belangen zou worden geschaad. Wel dient steeds met de nodige voortvarendheid te worden gehandeld.
5.14
Het hof is van oordeel dat Rabo jegens [appellant] schadeplichtig is:
- a.
indien Rabo de aan het ontslag ten grondslag liggende dringende reden(en) niet gelijktijdig aan [appellant] heeft meegedeeld;
- b.
indien Rabo het ontslag op staande voet zelf niet onverwijld aan [appellant] heeft gegeven;
- c.
in het geval het ontslag op staande voet wel met inachtneming van onder a en b vermelde vereisten is geschied, de door Rabo aangevoerde reden(en) het aan [appellant] gegeven ontslag op staande voet niet kan/kunnen rechtvaardigen.
5.15
De stelplicht en bewijslast met betrekking tot het bestaan van (een) - objectieve en subjectieve - dringende reden(en) die aan het ontslag op staande voet ten grondslag is/zijn gelegd, de gelijktijdige mededeling van die reden(en) en het onverwijld geven van het ontslag op staande voet zelf rust op Rabo.
Is de ontslagbrief van 26 juli 2007 voldoende duidelijk?
5.16
[appellant] heeft in eerste aanleg bij wijze van verweer aangevoerd dat de ontslagbrief van 26 juli 2007 niet (voldoende) duidelijk voor hem was. De kantonrechter heeft dit verweer in de rechtsoverwegingen 4.6 tot en met 4.9 van het bestreden vonnis verworpen. Ook het hof is van oordeel dat dit verweer niet slaagt. Het hof kan zich geheel verenigen met deze rechtsoverwegingen van de kantonrechter in het bestreden vonnis en maakt die tot de zijne. Rabo heeft in de ontslagbrief van 26 juli 2007 duidelijk uiteengezet wat zij [appellant] verweet. Dat verwijt betrof - kort gezegd - de volgens Rabo onjuiste informatie die [appellant] omtrent zijn verblijfplaats in de maand juni 2007 had verstrekt, zoals hiervoor onder 5.2 - eveneens kort- weergegeven in het licht van de bekendwording - publiekelijk - op 25 juli 2007 dat [appellant] door [C] in de Dolomieten was gezien en de confrontatie door Rabo van [appellant] op 25 juli 2007 met deze bevindingen.
Heeft Rabo de ontslagreden(en) gelijktijdig meegedeeld aan [appellant]?
Grief I in het principaal hoger beroep
5.17
Vast staat dat op 25 juli 2007 (publiekelijk) bekend werd dat [appellant] op 13 juni 2007 door [C] in de Dolomieten was gezien, dat [R] [appellant] op 25 juli 2007 heeft geconfronteerd met de uitlatingen van [C] in de pers, dat [appellant] op 13 juni 2007 door hem is gezien in Italië, waarna [appellant] is geschorst (zie vaststaande feiten rechtsoverweging 4.18 en 4.19). Rabo heeft navraag gedaan bij [C] naar de juistheid van zijn uitlatingen in de pers. [C] heeft dit bevestigd. Dit heeft ertoe geleid dat [appellant] op 26 juli 2007 telefonisch en schriftelijk (per e-mail en per aangetekende brief) op staande voet is ontslagen onder opgave van de reden(en) voor dit ontslag.
5.18
De vraag is of aangenomen moet worden dat Rabo [appellant] al eerder, door middel van een uitlating van [R] tijdens een televisie-interview, heeft ontslagen. Naar het oordeel van het hof is dit niet het geval.
5.19
Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [appellant] niet langer (gemotiveerd) betwist dat het televisie-interview dat [R] heeft gegeven - en waarin hij heeft verklaard “Nu blijkt dat hij 13 juni niet in Mexico was maar in Italië, daar zijn bewijzen voor. Dat is dan ook reden geweest om hem te ontslaan.” - heeft plaatsgevonden (vroeg in de ochtend) op 26 juli 2007 en niet op 25 juli 2007.
5.20
Het hof is van oordeel dat genoemde uitlating allereerst in de context van de situatie op dat moment moet worden bezien, waarin Rabo, zoals ook [appellant] ter gelegenheid van het pleidooi heeft aangevoerd, in dit interview bekend maakte dat [appellant] niet, maar de overige Rabo renners wel in de Touretappe van die dag (26 juli 2007) van start zouden gaan. Voorts is het hof van oordeel dat deze enkele uitlating niet als een ontslagaanzegging door Rabo jegens [appellant] kan worden beschouwd. Voor het overige sluit het hof zich aan bij hetgeen de kantonrechter met betrekking tot dit punt in rechtsoverweging 4.5 van het bestreden vonnis heeft overwogen. Het ontslag op staande voet is dan ook (gelijk)tijdig aan [appellant] meegedeeld. Grief 1 in het principaal hoger beroep faalt.
Heeft Rabo het ontslag onverwijld gegeven? Grief 1 in het incidenteel hoger beroep
5.21
Kern van het standpunt van Rabo dat het ontslag op staande voet onverwijld is gegeven, is dat zij pas op 25 juli 2007 bekend werd met het feit dat [appellant] onjuiste informatie met betrekking tot zijn verblijfplaats in de maand juni 2007 had verstrekt. Volgens Rabo heeft [appellant] op verschillende tijdstippen zowel vóór als na de recorded warning van 29 juni 2007 gelogen over zijn verblijfplaats in de maand juni 2007 en heeft hij uitdrukkelijk aan Rabo ([R], [B] en [L]) en haar advocaat mr. H.J. Knijff meegedeeld dat hij, voorafgaande aan de door Rabo (in de periode van 25 tot en met 29 juni 2007) georganiseerde training in de Pyreneeën, in Mexico verbleef om zich op de Tour de France voor te bereiden (punt 12, 13, 15, 17, 21, 23, 26 pleitnota Rabo). Op 25 juli 2007 bleek dat dit ten aanzien van tenminste één dag niet het geval was.
Rabo heeft in dit verband (voorts) het volgende aangevoerd:
- -
het wielerteam van Rabo is samengesteld uit renners, die woonachtig zijn in verschillende landen en zelfs op diverse continenten. De renners komen individueel vanuit hun woonlanden naar de start van de wedstrijd. Zij trainen deels zelfstandig en nemen ook deel aan door Rabo georganiseerde trainingen. De renners hebben een grote vrijheid om hun eigen trainingsprogramma vast te stellen;
- -
Rabo was bekend met het feit dat [appellant] aanwezig zou zijn bij de door haar georganiseerde training in de Pyreneeën in de periode van 25 tot en met 29 juni 2007. Zij had voor die training ook de vliegtickets verzorgd en betaald;
- -
[appellant] heeft Rabo verschillende keren verteld dat hij voorafgaande aan de training in de Pyreneen in Mexico zou trainen. Rabo was niet op de hoogte van de exacte data van het verblijf van [appellant] in Mexico;
- -
Rabo was er niet van op de hoogte dat [appellant] voor de training in de Pyreneeën in juni 2007 ook in de Dolomieten en de Alpen zou trainen. Zij heeft voor die trainingen geen reis-of verblijfkosten betaald;
- -
[appellant] trainde minimaal één keer per jaar een zekere periode in Mexico. De vrouw van [appellant] is van Mexicaanse herkomst en zijn schoonfamilie was in Mexcio woonachtig;
- -
Rabo heeft niet uit de in de e-mail van 24 april 2007 vermelde bewoordingen “I prefer if we can keep the trip quite, as I am supposed to be in Mexico at the time” afgeleid, noch behoefde zij dit af te leiden, dat [appellant] voorafgaande aan de training in de Pyreneen niet in Mexico zou verblijven. Zij heeft, mede naar aanleiding van een tussen [R] en [appellant] gevoerd telefoongesprek naar aanleiding van deze e-mail en van het antwoord daarop van [R] van 30 april 2007, slechts begrepen dat [appellant] de Pyreneeën training voor de pers stil wilde houden;
- -
[appellant] heeft [B] op 6 juni 2007 in Bergamo (Italië) ontmoet. Tijdens deze ontmoeting hebben [appellant] en [B] met elkaar gesproken over de voorbereiding op de Tour de France. Gelet op de hectiek van de voorbereiding van de Tour de France heeft [B], na kennisneming van de recorded warning van 29 juni 2007, de datum van zijn ontmoeting met [appellant] in Bergamo (Italië) op 6 juni 2007 niet in verband gebracht met de in de recorded warning van 29 juni 2007 vermelde mededeling van [appellant] aan UCI op 11 juni 2007 dat hij in de periode van 4 tot 12 juni 2007 in Mexico verbleef;
- -
de omstandigheid dat [R] de routes voor de Alpenetappes op 16 juni 2007 naar het faxnummer/adres van [appellant] in [woonplaats] (Italië) heeft gezonden zegt niets over de verblijfplaats op dat moment van [appellant], althans vormt geen bevestiging van de stelling van [appellant] dat hij op dat moment niet in Mexico, maar in Italïe verbleef. De desbetreffende etappes zijn al in oktober van het jaar daarvoor bekend. [appellant] had na het einde van de Pyreneeën training nog voldoende tijd om deze etappes te trainen;
- -
de door [B] op 24 juni 2007 aan [appellant] gezonden sms met daarin de tekst: “Training goes well?” biedt evenmin een aanknopingspunt met betrekking tot de verblijfplaats van [appellant] op dat moment;
- -
Rabo heeft de recorded warning van 29 juni 2007 in verschillende gesprekken met [appellant] besproken en hem op 3 juli 2007 een boete opgelegd van € 10.000,- wegens administratieve slordigheid. Tijdens deze gesprekken gaf [appellant] aan dat hij in de maand juni 2007 (met uitzondering van de periode na 25 juni 2007) in Mexico was geweest;
- -
de verklaring tijdens de persconferentie van Rabo op 24 juli 2007, waarbij ook [appellant] aanwezig was, dat [appellant] in juni 2007 in Mexico verbleef en dat terzake van de opgave van zijn “whereabouts” slechts sprake was van administratieve slordigheid, is in gezamenlijk overleg tussen Rabo en [appellant] naar buiten gebracht. [appellant] heeft er voorafgaande aan deze persconferentie jegens Rabo en haar advocaat mr. Knijff geen twijfel over laten bestaan dat hij in juni 2007 in Mexico was geweest (met uitzondering van de training in de Pyreneeën);
- -
pas op 25 juli 2007, toen (publiekelijk) bekend werd dat [appellant] op 13 juni 2007 door [C] in de Dolomieten was gezien, kwam Rabo op de hoogte dat [appellant] over zijn verblijf in Mexico niet de waarheid had gesproken;
- -
[appellant] heeft aanvankelijk jegens Rabo ([R]) erkend dat hij op 13 juni 2007 met [C] had gesproken, maar hij heeft deze bekentenis later ingetrokken.
5.22
[appellant] heeft gemotiveerd betwist dat het aan hem op 26 juli 2007 gegeven ontslag op staande voet onverwijld is geschied en heeft het volgende aangevoerd:
- -
Rabo heeft in de periode van 25 tot en met 29 juni 2007 een training in de Pyreneeën georganiseerd, waarbij ook [appellant] aanwezig zou zijn/is geweest. Namens Rabo heeft de ploegleider [B] op 24 april 2007 de elektronische tickets voor de vlucht op 25 juni 2007 van Verona naar Bilbao en de informatie waar de papieren tickets konden worden afgehaald per e-mail aan [appellant] gezonden. [appellant] heeft op 24 april 2007 per e-mail het volgende geantwoord: “Looks good to me. Are you coming as well?
- I.
prefer if we can keep the trip quite, as I am supposed to be in Mexico at the time”.
Volgens [appellant] had Rabo uit de bewoordingen “as I am supposed to be in Mexico at that time” niet zonder meer mogen afleiden dat hij tot de training in de Pyreneen van 25 tot en met 29 juni 2007 in Mexcio zou zijn;
- -
[appellant] heeft [B] op 6 juni 2007 in Bergamo (Italië) ontmoet. Tijdens deze ontmoeting hebben [appellant] en [B] met elkaar gesproken over de voorbereiding op de Tour de France;
- -
op 15 juni 2007 heeft [appellant] aan [B] verzocht hem de routes van de Alpenetappes tot te sturen. [B] heeft op 15 juni 2007 per sms aan [appellant] laten weten dat [R] hiervoor zou zorg dragen. [R] heeft deze routes op 16 juni 2007 naar het faxnummer/adres van [appellant] in [woonplaats] (Italië) gezonden;
- -
[B] heeft op 24 juni 2007 een sms met de volgende tekst aan [appellant] gestuurd: “Training goes well?”;
- -
de inhoud van de in rechtsoverweging 4.11 vermelde recorded warning van 29 juni 2007. Uit deze recorded warning blijkt volgens [appellant] niet alleen dat er administratieve fouten zijn gemaakt (namelijk het te laat en onjuiste verblijfsinformatie verstrekken) maar ook welke informatie [appellant] wel aan de UCI had verstrekt ten aanzien van zijn verblijfplaats in juni 2007, namelijk dat hij de hele maand juni in Mexico zou zijn. Rabo wist dat deze informatie niet juist kon zijn (pleitnota [appellant] punt 30);
- -
[appellant] heeft op 2 juli 2007 aan Rabo laten weten dat op 30 juni 2007 de Deense Wielerbond, DCU, aan hem heeft bericht dat hij in verband met een gemiste controle op 21 juni 2007 in Italië uit de nationale wielerploeg is gezet;
- -
Rabo heeft [appellant] op 3 juli 2007 naar aanleiding van het door haar ontvangen afschrift van de recorded warning van 29 juni 2007 (met de daarin vermelde opgave met betrekking tot zijn verblijf) een boete opgelegd van € 10.000,- (zie rechtsoverweging 4.14). Daarmee was de kwestie van de whereabouts afgedaan;
- -
de verklaring tijdens de persconferentie van Rabo op 24 juli 2007, waarbij ook [appellant] aanwezig was, dat [appellant] in juni 2007 in Mexico verbleef en dat terzake van de opgave van zijn “whereabouts” slechts sprake was van administratieve slordigheid, is in gezamenlijk overleg tussen Rabo en [appellant] naar buiten gebracht. Rabo wist ten tijde van de persconferentie dat [appellant] voorafgaande aan de training in de Pyreneeën niet in Mexico was geweest;
- -
[appellant] heeft zich in de jaren vóór 2007 in de Dolomieten, Alpen en Pyreneeën voorbereid op de Tour de France.
De conclusie van [appellant] is dat op grond van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden Rabo in ieder geval op 3 juli 2007 wist, althans had kunnen weten, dat de door [appellant] aan UCI verstrekte informatie met betrekking tot zijn verblijfplaats in de maand juni 2007, niet juist was. Gelet hierop was de bekendwording - publiekelijk - op 25 juli 2007 dat [appellant] op 13 juni 2007 door [C] in de Dolomieten was gezien dan ook geen nieuw feit. Indien Rabo [appellant] op staande voet had willen ontslaan, had zij dat op 3 juli 2007 moeten doen en niet pas op 26 juli 2007.
5.23
Uit hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.21 en 5.22 is overwogen blijkt dat de gemotiveerd onderbouwde lezingen van partijen ten aanzien van het tijdstip waarop Rabo bekend was met de onjuiste informatie die [appellant] ten aanzien van zijn verblijf in Mexcico had verstrekt op essentiële punten van elkaar afwijken. Gelet hierop en op hetgeen het hof in rechtsoverweging 5.15 heeft overwogen met betrekking tot de bewijslast van de onverwijldheid van het ontslag op staande voet, zal het hof Rabo, overeenkomstig haar bewijsaanbod, toelaten bewijs te leveren, zoals hierna in het dictum te vermelden.
5.24
De getuigenverhoren zullen ten overstaan van de meervoudige kamer van het hof plaatsvinden. Met het oog op een efficiënt verder verloop van de procedure is het hof voornemens, in overleg met de raadslieden van partijen, in het najaar van 2012 enkele dagen vast te stellen, waarop zowel de getuigenverhoren als de tegengetuigenverhoren zullen plaatsvinden.
5.25
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
6. De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
laat Rabo toe te bewijzen dat het ontslag op staande voet van [appellant] op 26 juli 2007 onverwijld is gegeven, in het bijzonder dat zij pas op 25 juli 2007 bekend werd met het feit [appellant] onjuiste informatie met betrekking tot zijn verblijfplaats in de maand juni 2007 had verstrekt;
bepaalt dat indien Rabo dit bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van de meervoudige kamer van het hof, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze kamer vast te stellen dag en tijdstip;
bepaalt dat partijen ([appellant] in persoon en Rabo vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het beantwoorden van vragen in staat is) bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;
bepaalt - in afwijking van artikel 7.4 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven - dat Rabo het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen in de maanden oktober en november 2012 zal opgeven op de roldatum 17 juli 2012, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de meervoudige kamer van het hof zal worden vastgesteld;
bepaalt dat Rabo overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;
bepaalt dat, in het geval er getuigen worden voorgebracht, partijen ([appellant] in persoon en Rabo vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is en bevoegd is tot het aangaan van een schikking) samen met hun advocaten bij het verhoor van de getuigen aanwezig zullen zijn om partijen zelf zo nodig nadere inlichtingen te laten geven over de punten waarover de getuigen zullen worden gehoord en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;
bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.B. Knottnerus, G.P.M. van den Dungen en W. Duitemeijer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2012.