Einde inhoudsopgave
Het dwangakkoord buiten surseance en faillissement (O&R nr. 118) 2020/5.8.5.1
5.8.5.1 Inleiding
mr. A.M. Mennens, datum 01-01-2020
- Datum
01-01-2020
- Auteur
mr. A.M. Mennens
- JCDI
JCDI:ADS192518:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Op grond van art. 3 lid 4 Voorontwerp WCO II kon de rechtbank bij de beslissing om de behandeling van een faillissementsaanvraag te schorsen hoogstens ‘voorzieningen treffen’ ter beveiliging van de belangen van de schuldenaar of de schuldeisers. Volgens pagina 26 van MvT Voorontwerp WCO II geldt het adagium “een broedende kip moet niet gestoord worden”. Zie over de vraag of deze bepaling de grondslag zou kunnen vormen voor een afkoelingsperiode: NOvA, Consultatiereactie WCO II, p. 3; Lennarts 2015, p. 275-276; Tollenaar 2016, §10.3; Mennens & Veder 2015, p. 13; Verstijlen 2017, p. 103.
De waarborgen zijn ook ten opzichte van het Voorontwerp WHOA aanzienlijk aangepast en uitgebreid.
Art. 376 lid 8 Fw verklaart de artikelen 241a, tweede en derde lid, 241c en 241d Fw “omwille van de consistentie en praktische uitvoerbaarheid” van overeenkomstige toepassing. Vgl. Kamerstukken II 2018/19, 35 249, nr. 3, p. 54. Art. 241a Fw is in 1992 ingevoerd, ten tijde van de invoering van de boeken 3, 5 en 6 van het Burgerlijk Wetboek. De wet van 24 november 2004 tot wijziging van de Faillissementswet in verband met het bevorderen van de effectiviteit van surséance van betaling en faillissement heeft deze artikelen gewijzigd. De duur van de afkoelingsperiode werd hiermee verlengd van één naar twee maanden. Bovendien werden de artikelen 241b en 241c Fw ingevoerd om de in de insolventiepraktijk levende onduidelijkheid omtrent de positie van de stille pandhouder en de fiscus weg te nemen. Art. 241d Fw vormt implementatiewetgeving van de Richtlijn Financiëlezekerheidsovereenkomsten en is sinds 20 januari 2006 van kracht.
273. De WHOA voorziet – anders dan het Voorontwerp WCO II1 – in een afkoelingsperiode. Met deze afkoelingsperiode beoogt de wetgever te verhinderen dat vermogensverschaffers die niet mee willen werken aan het akkoord een faillissementsverzoek indien of overgaan tot het nemen van verhaal op het vermogen van de schuldenaar. Op die manier zouden zij immers het herstructureringsproces kunnen dwarsbomen of vertragen.2 Een afkoelingsperiode geeft de schuldenaar of de herstructureringsdeskundige enige ademruimte om het akkoord tot stand te brengen.3 De wetgever heeft zich gerealiseerd dat een schuldenaar misbruik van de afkoelingsperiode kan maken. Daarom is voorzien in de nodige waarborgen.4 De regeling sluit aan bij die van de afkoelingsperiode in surseance en faillissement,5 maar is voorzien van enkele extra waarborgen. Een deel van deze bepalingen houdt verband met de vrij gedetailleerde Europeesrechtelijke regels over de afkoelingsperiode die in de vorige paragraaf aan bod kwamen. In §5.8.5.2 bespreek ik enkele processuele aspecten van de afkoelingsperiode, zoals de grond voor toewijzing, de duur en de verlengingsmogelijkheden. Ook de mogelijkheid om met machtiging van de rechter over te kunnen gaan tot verhaal en gronden voor opheffing van de afkoelingsperiode komen aan bod. In §5.8.5.3 bevat een bespreking van de rechtsgevolgen van de afkoelingsperiode.