type: MS (4185)coll:
Rb. Midden-Nederland, 09-12-2020, nr. C/16/436705 / HA ZA 17-323
ECLI:NL:RBMNE:2020:5335
- Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
- Datum
09-12-2020
- Zaaknummer
C/16/436705 / HA ZA 17-323
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBMNE:2020:5335, Uitspraak, Rechtbank Midden-Nederland, 09‑12‑2020; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2018:3614
ECLI:NL:RBMNE:2018:3614, Uitspraak, Rechtbank Midden-Nederland, 27‑06‑2018; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBMNE:2020:5335
- Vindplaatsen
ERF-Updates.nl 2020-0302
JERF Actueel 2020/384
Jurisprudentie Erfrecht 2021/63 met annotatie van Jonge, H.J. de
JERF 2021/63 met annotatie van Jonge, H.J. de
Jurisprudentie Erfrecht 2021/58 met annotatie van Jonge, H.J. de
JERF 2021/58 met annotatie van mr. H.J. de Jonge
Uitspraak 09‑12‑2020
Inhoudsindicatie
Eindvonnis na deskundigenbericht. Afwijzing vordering tot nietigverklaring/vernietiging van een testament. Niet is komen vast te staan dat erflater ten tijde van het opmaken van het testament wilsonbekwaam was.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/436705 / HA ZA 17-323
Vonnis van 9 december 2020
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. A.C. de Bakker te Hendrik-Ido-Ambacht,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. J.H.J. Rijntjes te Rotterdam,
Partijen zullen hierna neef [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure na het tussenvonnis van 27 juni 2018 blijkt uit:
- het deskundigenrapport van dr. C.M.A.A. Roks (hierna: Roks) van 10 mei 2019, dat op 14 mei 2019 bij de griffie van deze rechtbank is gedeponeerd;
- -
de conclusie na deskundigenbericht van neef [eiser] ;
- -
de conclusie van antwoord na deskundigenbericht van [gedaagde] met producties, waaronder het tegenrapport van drs. E.J. Delwel (hierna: Delwel) van 27 september 2019;
- -
het voornemen van de rechtbank om deze zaak naar de meervoudige kamer te verwijzen;
- -
het verzoek van [gedaagde] van 2 oktober 2019 tot het houden van een meervoudig pleidooi;
- -
het bezwaar van neef [eiser] tegen het houden van een meervoudig pleidooi;
- -
de brief van de rechtbank van 29 november 2019 waarbij het meervoudig pleidooi wordt toegestaan en wordt aangekondigd dat de zaak naar de meervoudig kamer wordt verwezen;
- -
het verzoek van de rechtbank van 29 november 2019 aan Roks om schriftelijk op het rapport van Delwel te reageren;
- -
de brief van [gedaagde] aan de rechtbank van 13 december 2019 met bijlagen;
- -
het aanvullende rapport van Roks van 14 februari 2020;
- -
de akte uitlaten van neef [eiser] ;
- -
de akte van [gedaagde] met het rapport van prof. dr. W.P. Achterberg (hierna: Achterberg) van 23 april 2020;
- -
de mededeling van de rechtbank aan partijen dat het geplande pleidooi op 28 mei 2020 geen doorgang kan vinden, met het verzoek verhinderdata op te geven voor het vaststellen van een nieuwe datum voor het pleidooi;
- -
het gezamenlijk verzoek van partijen van 3 juni 2020 om een schriftelijk pleidooi;
- -
het schriftelijk pleidooi van neef [eiser] van 2 september 2020;
- -
het schriftelijk pleidooi van [gedaagde] van 2 september 2020.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
in conventie
2.1.
De rechtbank heeft in de voorgaande tussenvonnissen al een oordeel gegeven over het merendeel van de geschilpunten dat partijen verdeeld hield. In dit vonnis zal een oordeel worden gegeven over het nog overgebleven en voornaamste geschilpunt, namelijk of de heer [erflater] (hierna: erflater) - kort gezegd - ten tijde van het opmaken van het testament wilsbekwaam was. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat op neef [eiser] , die de nietigheid/vernietigbaarheid van het testament inroept, de bewijslast rust van zijn stelling dat erflater destijds niet wilsbekwaam was. Dit betekent dat het testament niet voor nietigverklaring/vernietiging in aanmerking kan komen als de wilsonbekwaamheid niet komt vast te staan.
de vraagstelling van de rechtbank en de conclusies van Roks
2.2.
De rechtbank heeft ter beantwoording van de vraag of erflater ten tijde van het opmaken van het testament wilsbekwaam was de neuroloog Roks als deskundige benoemd en heeft hem onder meer de volgende vragen voorgelegd:
a. was bij erflater sprake van een stoornis van de geestvermogens?
b. zo ja, was op 10 maart 2016 sprake van deze stoornis en heeft deze stoornis een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsverklaring betrokken belangen belet ofwel is de wilsverklaring op 10 maart 2016 onder invloed van een stoornis gedaan?
2.3.
Roks beantwoordt in zijn rapportage de vraag of bij erflater sprake was van een stoornis van de geestvermogens bevestigend. Hij neemt daarbij in aanmerking dat op 16 december 2014 door een geriater de diagnose ‘dementie, meest waarschijnlijk gemengd type, MMSE 7/30’ is gesteld. Dit wil volgens Roks zeggen dat de dementie meest waarschijnlijk werd veroorzaakt door een combinatie van de ziekte van Alzheimer en vasculaire afwijkingen. Ten aanzien van de score MMSE 7/30 licht Roks toe dat de MMSE een screenende test is voor de cognitieve functies die met name is bedoeld voor het stellen van de diagnose dementie en niet voor het bepalen van de ernst daarvan. Een MMSE‑score van 7 uit 30 duidt volgens Roks echter wel op een ernstige dementie. Het bepalen van de ernst van dementie gaat vaak aan de hand van een CDR-score. Roks haalt in zijn rapport wetenschappelijke literatuur aan waarin een grote correlatie tussen de MMSE- en CDR-score wordt beschreven en waarbij een MMSE-score van 7 past bij een CDR-score van 2, dat wil zeggen ernstige dementie.
2.4.
De vraag of op 10 maart 2016 sprake was van deze stoornis en of deze stoornis een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsverklaring betrokken belangen heeft belet, beantwoordt Roks ook bevestigend. Volgens Roks bestond de gestelde diagnose op 10 maart 2016 nog en is het antwoord op de vraag of deze stoornis van invloed is geweest vooral afhankelijk van de ernst van de dementie. Bij toenemende ernst zal ook het oordeelsvermogen gestoord raken. Roks leidt uit het medisch dossier af dat sprake was van een man die met ernstige dementie is opgenomen en van vrijwel het begin van de opname als niet wilsbekwaam werd beoordeeld op alle onderwerpen. Roks doelt daarbij op de omstandigheid dat erflater na aankomst op 26 januari 2015 in verpleeghuis [verpleeghuis] op 16 maart 2015 is gezien door een specialist ouderengeneeskunde, die over erflater onder meer in het medisch dossier heeft geschreven: “Gezien zijn diagnose dementie en mijn bevindingen bij onderzoek verklaring afgegeven dat dhr niet in staat is zijn materiële en immateriële zaken te behartigen.” Volgens Roks was hiermee sprake van een algemene beoordeling van wilsonbekwaamheid, die er uiteindelijk toe heeft geleid dat erflater bij beschikking van deze rechtbank van 19 mei 2015 onder bewind is gesteld.
2.5.
Volgens Roks bevat het medisch dossier geen enkel teken van verbetering of fluctuatie en komt uit het dossier een beeld van gestage algehele achteruitgang naar voren. Gezien de ernst van de dementie en de progressie van het ziektebeeld, acht Roks erflater op 10 maart 2016 niet in staat tot een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsverklaring betrokken belangen.
de tegenrapporten
2.6.
[gedaagde] is het niet eens met deze conclusies van Roks. Zij heeft een tegenrapport van de neurochirurg Delwel van 27 september 2019 en een tegenrapport van de verpleeghuisarts/specialist ouderengeneeskunde Achterberg van 23 april 2020 in het geding gebracht. Delwel en Achterberg maken in hun rapporten kanttekeningen bij de conclusies van Roks en de wijze waarop Roks zijn conclusies heeft onderbouwd.
2.7.
Neef [eiser] stelt zich op het standpunt dat Delwel als neurochirurg de deskundigheid mist om in deze zaak als deskundige te kunnen optreden en wijst erop dat hij niet is betrokken bij de totstandkoming van het rapport van Delwel. Volgens neef [eiser] dient er daarom weinig tot geen waarde aan dit rapport te worden gehecht. Ten aanzien van het rapport van Achterberg stelt neef [eiser] dat ook dit rapport eenzijdig tot stand is gekomen en dat Achterberg bovendien geen kennis heeft genomen van het gehele procesdossier. Zijn rapport is daarom volgens neef [eiser] evenmin bruikbaar.
2.8.
De rechtbank ziet in de bezwaren van neef [eiser] tegen de rapporten van Delwel en Achterberg geen aanleiding om deze rapporten buiten beschouwing te laten of er minder waarde aan te hechten dan aan het rapport van Roks. De rechtbank acht deze rapporten gelet op hun inhoudelijke kwaliteit en de professionele achtergrond van Delwel en Achterberg voldoende bruikbaar. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat Delwel en Achterberg over dezelfde medische stukken beschikten als Roks en dat Roks op de bevindingen van Delwel heeft kunnen reageren. De kanttekeningen van Delwel en Achterberg bij het rapport van Roks zullen - voor zover voor de beoordeling nodig - hieronder worden besproken.
het tegenrapport van Delwel
2.9.
Delwel stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat terughoudend moet worden omgegaan met de diagnose die op 16 december 2014 is gesteld. Hij wijst er op dat de MMSE‑test bij erflater is afgenomen tijdens of vlak na een delier. Een delier heeft een tijdelijke invloed op de cognitieve vaardigheden en dit kan de MMSE-score hebben beïnvloed. Er zijn nadien geen nadere onderzoeken gedaan. Uit een brief van 29 december 2014 van de geriater aan de huisarts blijkt dat sprake is van dementie van het gemengde type (corticaal/subcorticaal). Bij subcorticale dementie zijn er afwijkingen op het gebied van het tempo van denken en handelen waarbij de denkvermogens inhoudelijk intact zijn. Volgens Delwel bevat het medisch dossier verschillende aanwijzingen dat bij erflater eind 2014/begin 2015 inderdaad (ook) sprake was van subcorticale dementie. Delwel stelt dat Roks hier in zijn beoordeling ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden.
2.10.
Delwel stelt daarnaast dat geen sprake is geweest van een algemene beoordeling van wilsonbekwaamheid. De verklaring van de specialist ouderengeneeskunde op 16 maart 2015 dat erflater niet in staat was zijn materiële en immateriële zaken te behartigen en de daarop volgende onderbewindstelling kunnen niet als zodanig worden aangemerkt. Ook heeft Roks volgens Delwel ten onrechte geen aandacht besteed aan de uiterste wilsverklaring en de daarbij betrokken belangen. De inhoud en strekking van het testament was eenvoudig en notaris mr. [notaris] (hierna: de notaris) was blijkens haar verklaring en waarnemingen van 11 oktober 2017 van oordeel dat erflater in staat was een keuze kenbaar te maken, aldus Delwel.
de reactie van Roks op het tegenrapport van Delwel
2.11.
Roks heeft in reactie op het rapport van Delwel gesteld dat in het medisch dossier alleen op 16 december 2014 melding wordt gemaakt van een mogelijke invloed van een delier, maar dat in de ziekenhuisopname kort daarna op de afdeling interne geneeskunde niet van een delier wordt gesproken en ook niet over een aandoening die een delier zou kunnen veroorzaken. Een delier kenmerkt zich door een fluctuerend beloop. In het medisch dossier is echter geen fluctuatie beschreven en zeker ook geen verbetering. Er is ook geen lichamelijk oorzaak voor de verwardheid gevonden.
2.12.
Roks stelt verder dat de term subcorticale dementie tegenwoordig niet meer wordt gebruikt en dat hem de relevantie van het benoemen van een eventuele subcorticale dementie niet duidelijk is. Volgens Roks is met name de diagnose dementie van belang en niet de exact onderliggende oorzaak. Het vaststellen van de oorzaak van de dementie is iets wat bij voorkeur gedaan wordt, maar bij gevorderde dementie is dit minder van belang en ook minder zinvol.
2.13.
Roks handhaaft zijn standpunt dat de verklaring van de specialist ouderengeneeskundige kan worden beschouwd als een beoordeling van een algemene wilsonbekwaamheid.
het tegenrapport van Achterberg
2.14.
Achterberg is het met Delwel eens dat de beantwoording van de eerste vraag van de rechtbank door Roks onvolledig is. Volgens Achterberg wordt er in het verslag van Roks selectief gebruik gemaakt van zowel wetenschappelijke literatuur (relatie MMSE en CDR wel gebruikt, onbruikbaarheid MMSE rondom delier niet gebruikt), als van elementen uit het medisch dossier. Achterberg ondersteunt de conclusie van Delwel dat terughoudend moet worden omgegaan met oordeelsvorming over cognitieve vaardigheden gezien de onvolledige diagnostiek en de aanwijzingen voor een belangrijke subcorticale component. Volgens Achterberg is sprake van een onduidelijke diagnose en beloop en biedt het medisch dossier geen aanknopingspunten voor een algemene wilsonbekwaamheid. De beoordeling van wils(on)bekwaamheid, in een bepaalde situatie, voor een bepaalde taak, is niet te bepalen door de precieze aard van het ziektebeeld, en hoewel wilsbekwaamheid zeker sterke cognitieve aspecten heeft, is deze ook niet met een simpele cognitieve screeningstest uit te drukken. Wel zijn er ziektebeelden (vooral subcorticale beelden, zoals vasculaire of mengbeeld dementie), waarbij er vaker een schommeling van het cognitief functioneren is, en is hierbij ook vaker sprake van wisselende wilsbekwaamheid. Achterberg stelt dat hij geen aanleiding heeft om gezien het testament, het verslag van de notaris en het (medisch) dossier, maar ook gezien de invoelbaarheid van de inhoud van het testament, te twijfelen over de conclusie van de notaris dat erflater ten tijde van het opmaken van het testament ter zake wilsbekwaam was.
de beoordeling door de rechtbank
2.15.
De rechtbank is van oordeel dat op basis van de diagnose die op 16 december 2014 door de geriater is gesteld en de rapporten van Roks, Delwel en Achterberg voldoende vaststaat dat erflater leed aan dementie en dat als gevolg hiervan sprake was van een stoornis in zijn geestvermogens. Het staat ook voldoende vast dat deze stoornis op 10 maart 2016 bij het opmaken van het testament nog aanwezig was. De diagnose dementie betekent echter niet zonder meer dat erflater wilsonbekwaam was om een testament op te maken. Dit is afhankelijk van de ernst van de dementie en van de vraag of erflater ondanks zijn dementie heldere momenten had waarop hij zijn wil goed kon bepalen. Verder is van belang of het opmaken van het testament voor hem een complexe handeling was en of de gevolgen daarvan makkelijk te overzien waren. Achterberg stelt terecht dat de wilsbekwaamheid per situatie en per taak moet worden beoordeeld. Algemene wilsonbekwaamheid wordt slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aangenomen.
2.16.
Naar het oordeel van de rechtbank is echter onvoldoende komen vast te staan dat erflater zo ernstig dement was dat hij in het geheel geen heldere momenten meer had waarop hij zijn wil kon bepalen. Delwel en Achterberg wijzen er op dat het medisch dossier aanwijzingen bevat dat ten tijde van de diagnosestelling bij erflater sprake was van een delier en dat het mogelijk is dat dit delier de diagnose, en met name de MMSE-score, heeft beïnvloed. Roks erkent in zijn reactie op het rapport van Delwel dat op 16 december 2014 mogelijk sprake is geweest van een delier, maar stelt - kort samengevat - dat uit het medisch dossier niet blijkt dat het cognitief functioneren van erflater na het verdwijnen van het delier is verbeterd. De rechtbank stelt echter vast dat er na 16 december 2014 geen specifieke onderzoeken zijn gedaan naar het cognitief functioneren van erflater en geen nieuwe MMSE- of CDR-test is afgenomen. Daarom kan niet zonder meer worden aangenomen dat het delier ten tijde van de diagnosestelling geen invloed heeft gehad op het cognitief functioneren van erflater en dat er nadien geen periodes zijn geweest waarin zijn cognitief functioneren beter was.
2.17.
Delwel en Achterberg hebben daarnaast gewezen op het feit dat bij erflater volgens de gestelde diagnose sprake was van dementie met een gemengd beeld, waaronder subcorticale dementie waarbij het denkvermogen ongestoord is. Dit is door Roks niet als zodanig betwist. Gezien deze diagnose kan geen algemene uitspraak worden gedaan over het cognitief functioneren en in het verlengde daarvan de wilsbekwaamheid van erflater, omdat mogelijk sprake was van een wisselend beeld. Delwel citeert in zijn rapport ook uit de brief van 29 december 2014 van de geriater aan de huisarts, waarin bij ‘oriënterend psychiatrisch onderzoek’ wordt vermeld: “Vriendelijke man…er vallen woordvindproblemen op… Slecht georiënteerd in tijd, matig in plaats. Denken wat traag van tempo, inhoud imponeert ongestoord. … Het kortetermijngeheugen imponeert gestoord.” Roks heeft niet betwist dat dit citaat afkomstig is uit de brief van de geriater. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een aanwijzing dat erflater heldere momenten had waarop hij zijn wil kon bepalen.
2.18.
De rechtbank deelt voorts niet het standpunt van Roks dat de omstandigheid dat de specialist ouderengeneeskunde op 16 maart 2015 in verband met een beoogde onderbewindstelling heeft geoordeeld dat erflater zijn materiële en immateriële zaken niet kon behartigen en erflater vervolgens onder bewind is gesteld, betekent dat hij volledig wilsonbekwaam was en over geen enkel onderwerp - dus ook niet op 10 maart 2016 ten aanzien van zijn testament - zijn wil kon bepalen. Zoals hierboven al is aangegeven, moet immers van geval tot geval worden beoordeeld of erflater daartoe in staat was.
2.19.
Gezien het voorgaande biedt het rapport van Roks naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond voor de conclusie dat erflater ten tijde van het opmaken van zijn testament op 10 maart 2016 als gevolg van dementie volledig wilsonbekwaam was en terzake zijn wil niet kon bepalen. Een aanwijzing dat erflater hiertoe wél in staat was, kan worden gevonden in de verklaring die de notaris op 11 oktober 2017 heeft afgelegd en die in het tussenvonnis van 27 juni 2018 onder 2.16 is geciteerd. De notaris was ervan overtuigd dat erflater haar volkomen begreep toen zij hem uitlegde dat zijn familie volgens het wettelijk erfrecht zijn erfgenaam zou zijn. Zij verklaart dat erflater haar ook na controlevragen verschillende keren duidelijk heeft gemaakt dat hij [gedaagde] als zijn enige erfgename in zijn testament wilde hebben.
2.20.
Neef [eiser] heeft gesteld dat het testament op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat er verschillende omstandigheden waren, waaronder de betrokkenheid van [gedaagde] bij het laten opmaken van het testament, die de notaris aanleiding hadden moeten geven het stappenplan ‘Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening’ van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie te volgen om de wilsbekwaamheid van erflater te beoordelen. De notaris had daarnaast een VIA (Vereniging van Indicerende en Adviserende Artsen)-arts moeten raadplegen voor het verkrijgen van een VIA-verklaring van wils(on)bekwaamheid.
2.21.
Deze door neef [eiser] genoemde omstandigheden doen echter niet af aan de geloofwaardigheid van de beschrijving van de notaris van de toestand waarin erflater volgens haar bij het opmaken van het testament verkeerde en van haar overtuiging dat hij de gevolgen van het testament goed begreep. Deze overtuiging van de notaris kan voor de beoordeling van de wilsbekwaamheid van erflater niet van doorslaggevende betekenis zijn omdat de notaris geen medische achtergrond heeft om wilsbekwaamheid te kunnen vaststellen, niet het stappenplan heeft doorlopen en geen medisch advies over het cognitief functioneren van erflater heeft ingewonnen, maar is wel een aspect dat bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid wordt meegewogen.
2.22.
Daarnaast acht de rechtbank van belang dat de beslissing van erflater om een testament op te stellen en [gedaagde] daarin als zijn enig erfgenaam aan te wijzen, niet complex was en ook begrijpelijk. Erflater had immers geen naaste familie en had de rest van zijn familie, onder wie neef [eiser] , al tientallen jaren niet gezien. [gedaagde] stelt daarentegen dat zij hem de laatste jaren liefdevol heeft verzorgd en de rechtbank heeft in hetgeen in deze procedure op basis van de gedingstukken (onder andere de schriftelijke verklaring van de notaris) naar voren is gekomen de indruk gekregen dat dit ook inderdaad het geval is geweest, en dat [gedaagde] de persoon was die erflater in de laatste jaren van zijn leven het meest nabij stond. Het is dus goed voorstelbaar dat erflater wilde dat [gedaagde] degene zou zijn die van hem zou erven.
conclusie
2.23.
De conclusie luidt daarom dat onvoldoende is komen vast te staan dat op 10 maart 2016 bij erflater sprake was van een stoornis van zijn geestvermogens die zodanig was dat deze een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsverklaring betrokken belangen heeft belet. Het is dus - anders gezegd - niet komen vast te staan dat erflater wilsonbekwaam was om op die datum een testament op te maken. Dit betekent dat neef [eiser] niet aan zijn bewijslast heeft voldaan, en dat zijn vorderingen tot nietigverklaring dan wel vernietiging van het testament worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de vordering tot afdracht van de nalatenschap en de gevorderde verklaring voor recht omtrent vergoeding door [gedaagde] aan de nalatenschap.
2.24.
Neef [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht € 287,00
- salaris advocaat € 2.172,00 (4 punten × tarief € 543,00)
Totaal € 2.459,00.
2.25.
Nu neef [eiser] in het ongelijk is gesteld, komen ook de kosten van de deskundige Roks voor zijn rekening. Hij heeft de voorschotten die de rechtbank bij hem in rekening heeft gebracht inmiddels betaald en heeft hiermee de kosten van de deskundige voldaan.
in reconventie
2.26.
[gedaagde] vordert in reconventie opheffing van de beslagen die ten laste van haar zijn gelegd, althans neef [eiser] te veroordelen deze beslagen binnen drie dagen na de datum van dit vonnis op te heffen. Het gaat daarbij om het conservatoire beslag dat op 21 februari 2017 is gelegd op haar woonhuis aan de [adres] in [woonplaats] , de conservatoire beslagen die op 21 februari 2017 op haar bankrekeningen bij de Rabobank en de ING Bank zijn gelegd en het herhaalde conservatoire beslag dat op 30 mei 2017 onder de ING Bank is gelegd.
2.27.
Neef [eiser] heeft aan zijn verzoek aan de rechtbank om ten laste van [gedaagde] beslag te mogen leggen ten grondslag gelegd dat het testament van erflater nietig dan wel vernietigbaar is, dat hijzelf erfgenaam bij versterf is en dat hij gegronde vrees heeft dat [gedaagde] vermogensbestanddelen aan verhaal zal onttrekken. Nu in deze procedure niet is komen vast te staan dat het testament nietig dan wel vernietigbaar is, zal de rechtbank de gelegde beslagen opheffen zoals [gedaagde] heeft gevorderd.
2.28.
[gedaagde] vordert daarnaast in reconventie voorwaardelijk een verklaring voor recht, voor zover de vordering van neef [eiser] tot nietigverklaring dan wel vernietiging van het testament toewijsbaar zou zijn. Nu dit laatste niet het geval is, is de voorwaarde waaronder deze reconventionele vordering is ingesteld niet vervuld en kan deze vordering verder buiten bespreking blijven.
2.29.
Neef [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 543,00 voor salaris advocaat (2 punten × factor 0,5 × tarief € 543,00).
3. De beslissing
De rechtbank
in conventie
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
veroordeelt neef [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.459,00;
3.3.
verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in reconventie
3.4.
heft op het conservatoire beslag dat op 21 februari 2017 ten laste van [gedaagde] is gelegd op haar woonhuis aan de [adres] te [woonplaats] ;
3.5.
heft op het conservatoire beslag dat op 21 februari 2017 ten laste van [gedaagde] op haar bankrekening bij de Rabobank is gelegd;
3.6.
heft op het conservatoire beslag dat op 21 februari 2017 en 30 mei 2017 ten laste van [gedaagde] op haar bankrekening bij de ING Bank is gelegd;
3.7.
veroordeelt neef [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 543,00;
3.8.
verklaart dit vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad;
3.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel, mr. A.S. Penders en mr. A. Wilken en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2020 door mr. J.P. Killian.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 09‑12‑2020
Uitspraak 27‑06‑2018
Inhoudsindicatie
Vordering tot nietigverklaring/vernietiging van het testament wegens wilsonbekwaamheid van erflater. Rechtbank gelast deskundigenbericht.
Partij(en)
vonnis
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
handelskamer
locatie Utrecht
zaaknummer / rolnummer: C/16/436705 / HA ZA 17-323
Vonnis van 27 juni 2018
in de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. A.C. de Bakker te Hendrik-Ido-Ambacht,
tegen
[gedaagde] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. J.H.J. Rijntjes te Rotterdam.
Partijen zullen hierna neef [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenvonnis van 27 december 2017,
- -
het proces-verbaal van comparitie van 12 april 2018,
- -
de correspondentie van partijen (brief van mr. Rijntjes van 26 april 2018, brief van mr. De Bakker van 26 april 2018, brief van mr. Rijntjes van 30 april 2018, brief van mr. Rijntjes van 22 mei 2018, brief van mr. De Bakker van 22 mei 2018).
1.2.
Ter zitting van 12 april 2018 is vonnis bepaald op 30 mei 2018, nader bepaald op heden.
2. De verdere beoordeling
Ten aanzien van de correspondentie van partijen
2.1.
Omdat het proces-verbaal buiten aanwezigheid van partijen is opgemaakt, zijn partijen in de gelegenheid gesteld feitelijke onjuistheden in het proces-verbaal aan de rechtbank en de wederpartij mee te delen. De advocaat van [gedaagde] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt maar heeft ook andere opmerkingen gemaakt. De advocaat van neef [eiser] heeft tegen deze andere opmerkingen bezwaar gemaakt. Voor zover de inhoud van de brieven van de advocaat van [gedaagde] ziet op feitelijke onjuistheden in het proces-verbaal, zal daar acht op worden geslagen en zal daar zo nodig op in worden gegaan. Andere opmerkingen zullen buiten beschouwing blijven.
Achtergrond van het geschil
2.2.
Zoals ook in het vorig tussenvonnis al kort is weergegeven gaat het in deze zaak om het volgende.
2.3.
[2016] , geboren op [1932] , (hierna: erflater) is op [2016] overleden.
2.4.
In zijn testament van 10 maart 2016, verleden voor notaris [notaris] , heeft erflater [gedaagde] , op dat moment zijn bewindvoerder, tot zijn enige erfgenaam benoemd. Het testament beslaat één A-4tje en is aan het proces-verbaal van 8 augustus 2017 gehecht.
2.5.
Erflater was vermogend. Hij was eigenaar van een aantal landerijen in de gemeente [woonplaats] en van een groot aantal garageboxen in [woonplaats] .
2.6.
Erflater was niet gehuwd of gehuwd geweest en had geen kinderen. Hij had ook geen broers of zusters. De erfgenamen bij versterf zijn in opgaande lijn de kinderen van de vooroverleden broers en zusters van de ouders van erflater. Uit een door neef [eiser] ingebracht erfgenamenonderzoek blijkt het te gaan om in totaal elf (achter)neven en (achter)nichten, waaronder neef [eiser] (eiser in deze procedure).
2.7.
In deze procedure vordert neef [eiser] nietigverklaring/vernietiging van het testament wegens wilsonbekwaamheid van erflater, en afdracht van de nalatenschap aan hem en de andere erfgenamen.
2.8.
Uit het beeld dat partijen van erflater schetsen volgt dat erflater weinig contacten had. Tot medio 1952 heeft hij met zijn moeder in [2016] gewoond (zijn vader is in 1936 overleden). In 1952 is hij samen met zijn moeder naar [woonplaats] verhuisd. Zijn moeder is in 1972 overleden. Erflater heeft een HTS-opleiding genoten. Een zevental jaren is hij werkzaam geweest bij een onderdeel van het elektronicaconcern Philips. Tot medio januari 2015 heeft erflater zelfstandig gewoond in [woonplaats] . In de periode vanaf 1980 tot medio 2014 had hij contacten met zijn naaste buren (vader en zoon [naam] ).
2.9.
Eind 2012/begin 2013 is [gedaagde] als vrijwilligster (via een organisatie die hulp biedt aan vereenzaamde personen) in contact gekomen met erflater.
2.10.
In januari 2015 is erflater opgenomen in het verzorgingstehuis [verzorgingstehuis] te [woonplaats] . Op verzoek van [verzorgingstehuis] is [gedaagde] bij beschikking van de kantonrechter van 19 mei 2015 als bewindvoerder en mentor benoemd.
2.11.
Tussen juli 2015 en februari 2016 heeft [gedaagde] als bewindvoerder van erflater zijn garageboxen en landerijen via een door haar ingeschakeld makelaarskantoor verkocht.
2.12.
[gedaagde] is tegen het hiervoor genoemde makelaarskantoor (en de door dit makelaarskantoor ingeschakelde andere makelaars(s)) bij deze rechtbank een procedure gestart (bekend onder rolnummer 416087). Deze procedure is op de rol gevoegd met de onderhavige procedure. In de procedure tegen de makelaars vordert [gedaagde] van de makelaars schadevergoeding. Volgens [gedaagde] hebben de makelaars haar met betrekking tot de waarde van de onroerende zaken van erflater bewust verkeerd voorgelicht.
2.13.
Uit de stellingen en stukken van partijen volgt dat makelaar [makelaar] (een van de makelaars tegen wie [gedaagde] de op de rol gevoegde procedure is gestart) aanvankelijk de financiering voor deze procedure van neef [eiser] tegen [gedaagde] op zich nam. Uit de door [gedaagde] overgelegde brief van de notaris van 11 oktober 2017 volgt dat het contact tussen de notaris en erflater door tussenkomst van het makelaarskantoor van [makelaar] tot stand is gekomen.
Het tussenvonnis van 27 december 2017
2.14.
In het tussenvonnis van 27 december 2017 heeft de rechtbank een comparitie bepaald voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling. In het tussenvonnis is overwogen dat de centrale vraag in deze procedure is of erflater ten tijde van het opmaken van het testament wilsbekwaam was of niet. In het tussenvonnis is aangekondigd dat ter zitting de mogelijkheid van een deskundigenbericht zal worden besproken en is aangekondigd dat ook de vraagstelling aan een eventueel te benoemen deskundige aan de orde kan komen. De rechtbank heeft in het tussenvonnis de door haar voorgestelde vraagstelling aan een eventueel te benoemen deskundige vermeld en partijen bericht dat zij suggesties kunnen doen met betrekking tot het specialisme van de deskundige en (indien zij daarover overeenstemming hebben bereikt) over de persoon van de deskundige. De rechtbank heeft met het oog op een efficiënte procesgang neef [eiser] verzocht een schriftelijke verklaring van [verzorgingstehuis] over te leggen dat zij (nog steeds) bereid is het medisch dossier aan de eventueel te benoemen medisch deskundige ter beschikking te stellen. De rechtbank heeft neef [eiser] verzocht een schriftelijke verklaring van notaris [notaris] over te leggen ter beantwoording van de in het vonnis geformuleerde vragen. In het tussenvonnis is verder bepaald dat partijen eventuele stukken waarop zij zich ter comparitie willen beroepen, uiterlijk twee weken voor de zittingsdatum aan de rechtbank en de wederpartij moeten doen toekomen.
Het procesverloop na het tussenvonnis van 27 december 2017
2.15.
Ter zitting is de benoeming van de deskundige aan de orde gekomen. Volgens neef [eiser] kan op grond van de medische aspecten van erflater, genoemd in de dagvaarding, en de handelwijze van de notaris de wilsonbekwaamheid ook zonder deskundigenbericht worden vastgesteld. Voor het geval een deskundigenbericht wordt gelast, heeft hij twee te benoemen deskundigen voorgesteld. Hij heeft ingestemd met de door de rechtbank voorgestelde vraagstelling. Op het punt van het ter beschikking stellen van het medisch dossier heeft neef [eiser] ter zitting (en niet zoals in het vonnis bepaald twee weken daarvoor) een e-mail van [verzorgingstehuis] van 27 maart 2018 overgelegd. [verzorgingstehuis] geeft in die e-mail onder meer aan dat zij aan een rechtmatige erfgenaam medische gegevens kan verstrekken.
2.16.
Bij akte van 3 januari 2018 heeft [gedaagde] een brief van notaris [notaris] van 11 oktober 2017 in het geding gebracht. In die brief zet de notaris uiteen hoe het contact met erflater is gelegd en de wijze waarop zij de wilsbekwaamheid van erflater heeft onderzocht. In die brief schrijft de notaris dat het contact met erflater is gelegd via een voormalige stagiaire van haar kantoor die na haar stage in dienst was gekomen van makelaar [makelaar] . In deze brief schrijft de notaris onder meer:
‘Op 10 maart 2016 ben ik naar [woonplaats] gereisd. Ik heb bij de receptie gevraagd naar de heer [erflater] . De heer [erflater] bleek in de zaal te zitten met mevrouw [gedaagde] . Ik heb hen eerst geobserveerd voordat ik naar hen toe ben gegaan. Wat mij als eerste opviel was de overduidelijke genegenheid over en weer. Na kennis gemaakt te hebben heb ik mevrouw [gedaagde] verzocht weg te gaan omdat ik alleen met de heer [erflater] wenste te spreken. In eerste instantie verliep dat gesprek moeizaam omdat de heer [erflater] moeite heeft met spreken en liever ja en nee knikte dan iets te zeggen. Op enig moment heb ik dan ook tegen hem gezegd dat als hij niet met mij zou praten, ik niets voor hem zou kunnen doen. Ik heb uitgelegd dat dan het wettelijk erfrecht van toepassing is en dat zijn familie dan erfgenaam zou zijn. De heer [erflater] begreep deze mededeling volkomen en heeft vervolgens zijn uiterste best gedaan om zijn wil duidelijk te maken. Die wil is in zijn testament vastgelegd. Ik heb controlevragen gesteld, maar de conclusie was telkens weer dat de heer [erflater] mevrouw [gedaagde] als enige erfgename in zijn testament wilde hebben.
Ik ben uiteraard alert geweest vanwege de aanwezige indicatoren (verzorgingshuis, fragiele lichamelijke toestand, mantelzorgster erfgenaam), maar ik ben in het gesprek met de heer [erflater] tot de volle overtuiging gekomen dat de heer [erflater] wilsbekwaam was een testament te maken en dat de inhoud van het gepasseerde testament zijn uiterste wil volkomen weergeeft. Omdat ik deze volle overtuiging heb, is er geen reden geweest om het stappenplan verder te volgen. Ik heb op de terugweg naar huis overwogen of ik, gezien voornoemde omstandigheden, het stappenplan alsnog zou volgen, maar ik heb daar bewust van afgezien, juist omdat de heer [erflater] tijdens ons gesprek elke twijfel die er bij mij op voorhand bestond heeft weggenomen. Ik heb mij gerealiseerd dat het voor mijn eigen positie mogelijk prettiger zou zijn om het stappenplan wel alsnog te volgen, maar dat zou afbreuk doen aan de stellige overtuiging die ik had (en heb) met betrekking tot de wilsbekwaamheid van de heer [erflater] ten aanzien van het maken van het onderhavige testament.’
2.17.
Ter zitting heeft [gedaagde] met verwijzing naar deze brief gesteld dat de stap naar een deskundigenbericht niet te snel moet worden genomen. Als eventuele deskundige heeft zij een specialist ouderengeneeskunde voorgesteld. Met betrekking tot de vraagstelling stelt zij dat in de dagvaarding onvoldoende is uitgewerkt om welke belangen het gaat. Ook heeft zij verzocht aan de laatste zin van de tweede vraag de datum 10 maart 2016 toe te voegen.
2.18.
[gedaagde] heeft ter zitting geen te benoemen deskundige(n) voorgesteld. Zij heeft toegelicht dat zij het zoeken naar de te benoemen deskundigen niet heeft afgerond omdat voorafgaand aan de zitting de verklaring van [verzorgingstehuis] over het medisch dossier ontbrak. Zij heeft ter zitting verzocht om bij akte dit alsnog te mogen doen met het verzoek om dan gelijk in te mogen gaan op het ter zitting door neef [eiser] ingediende e-mailbericht van 27 maart 2017. De rechter heeft hierop bepaald dat in het te wijzen vonnis zal worden beslist op haar akteverzoek.
2.19.
Op dit punt overweegt de rechtbank thans als volgt.
2.20.
Aan [gedaagde] zal geen gelegenheid worden geboden om een akte te mogen nemen naar aanleiding van de ter comparitie overgelegde e-mail van [verzorgingstehuis] . Het verzoek om bevestiging van de toestemming om het medisch dossier te mogen inzien is gedaan uit praktische overwegingen en speelt geen rol bij de afweging of wel of geen deskundigenbericht zal worden gelast. Aan [gedaagde] zal ook geen gelegenheid worden gegeven om een akte te mogen nemen om zich uit te laten over de te benoemen deskundige. Partijen zijn er in het tussenvonnis duidelijk op gewezen dat zij ter zitting suggesties kunnen doen over het specialisme van de deskundige en (indien zij daarover overeenstemming hebben bereikt) over de persoon van de deskundige. Deze mogelijkheid was niet afhankelijk gesteld van het (tijdig) overleggen van een verklaring van [verzorgingstehuis] door de wederpartij. [gedaagde] had ter zitting suggesties kunnen doen maar heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Voor een nadere akte op dit punt is daarom geen aanleiding.
De (meer) subsidiaire grondslagen
2.21.
Ter zitting van 12 april 2018 heeft neef [eiser] verzocht in ieder geval te beslissen op zijn subsidiaire stellingen dat de erfstelling niet was toegestaan. Hetgeen hij (meer) subsidiair heeft aangevoerd, waartegen verweer is gevoerd, zal hierna worden besproken.
Machtiging van de kantonrechter ontbreekt
2.22.
Ter zitting van 12 april 2018 heeft neef [eiser] zijn stelling gehandhaafd dat voor het benaderen van de notaris machtiging van de kantonrechter nodig was.
2.23.
De rechtbank volgt neef [eiser] daarin niet. Erflater was testeerbevoegd (artikel 4:55 BW). Onderbewindstelling brengt immers geen wilsonbekwaamheid met zich. Een onderbewindgestelde heeft dus geen toestemming van de kantonrechter nodig voor het maken van een testament. Dus ook voor het benaderen van de notaris voor het maken van een testament is geen toestemming van de kantonrechter vereist.
Ondertekening testament in bijzijn [gedaagde]
2.24.
Neef [eiser] heeft aangevoerd dat het testament nietig is omdat het testament samen met althans in het bijzijn van [gedaagde] is ondertekend (4:93 BW j° artikel 4:42 lid 3 BW).
2.25.
Het beroep op deze nietigheid slaagt niet. Uit de verklaring van de notaris volgt dat erflater het testament heeft ondertekend buiten aanwezigheid van [gedaagde] . Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die maken dat niet van de juistheid van de verklaring van de notaris hierover kan worden uitgegaan.
Professioneel bewindvoerder mag geen voordeel uit de uiterste wil genieten
2.26.
Neef [eiser] voert meer subsidiair aan dat het testament dient te worden vernietigd omdat een (professioneel) bewindvoerder/mentor geen voordeel kan en mag genieten uit de uiterste wilsbeschikking die erflater tijdens zijn onderbewindstelling heeft gemaakt. Hij wijst daarbij op het Besluit kwaliteitseisen curatoren, bewindvoerders en mentoren (hierna: het Besluit kwaliteitseisen). Ter comparitie van 8 augustus 2017 heeft hij op dit punt toegelicht dat het testament op grond van het bepaalde in artikel 9 van het Besluit kwaliteitseisen in verbinding met artikel 4:44 BW nietig is. Het overtreden van het bepaalde in artikel 9 van het Besluit kwaliteitseisen is volgens hem in strijd met de goede zeden of openbare orde. Het maakt daarbij niet uit of de bewindvoerder drie of meer personen onder bewind heeft of niet. Het gaat erom dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie en die kan er ook zijn als er maar één persoon onder bewind is, aldus neef [eiser] .
2.27.
Ook het beroep op artikel 9 Besluit kwaliteitseisen gaat niet op. De wetgever heeft een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de professionele bewindvoerder en de niet-professionele bewindvoerder en kwaliteitseisen gesteld aan de bewindvoerder die niet behoort tot de groep van personen als vermeld in het vierde lid van artikel 1:435 BW (echtgenoot/levensgezel/nauwe bloedverwanten) wanneer het gaat om drie of meer betrokkenen van wie een of meer goederen die onder bewind zijn gesteld. Het Besluit kwaliteitseisen strekt ertoe de toezicht op de kwaliteit van curatoren, bewindvoerders en mentoren die drie of meer personen onder hun hoede hebben te bewerkstelligen. In artikel 9 lid 1 onder c van het Besluit kwaliteitseisen is bepaald dat de curator geen voordeel mag trekken uit de uiterste wilsbeschikking die de onder curatele gestelde gedurende zijn curatele heeft gemaakt. Het derde lid van artikel 9 verklaart de vorige leden van toepassing op bewindvoerders en mentoren. [gedaagde] wijst er terecht op dat het besluit ziet op kwaliteitseisen en op de controle van curatoren, bewindvoerder en mentoren die op meer dan incidentele basis deze rol vervullen. [gedaagde] is niet als een professionele bewindvoerder aan te merken als bedoeld in artikel 1:435 lid 7 BW. Zij was enkel bewindvoerder en mentor van erflater. Zij was geen bloedverwant maar stond erflater het meest nabij. Voor analoge toepassing van het Besluit ziet de rechtbank in de gegeven omstandigheden geen grond.
[gedaagde] als geestelijke verzorger
2.28.
Neef [eiser] heeft ter zitting van 8 augustus 2017 toegelicht dat naar zijn mening het testament op grond van artikel 4:59 lid 1 en 2 BW vernietigbaar is. Volgens neef [eiser] kan [gedaagde] worden aangemerkt als een geestelijke verzorger als in dit artikel bedoeld. Volgens hem is het begrip geestelijke verzorger een breed begrip. Niet alleen de bedienaar van een godsdienst valt daaronder. Wat [gedaagde] heeft gedaan, stervensbegeleiding, is heel intiem, zowel lichamelijk als geestelijk. Er is volgens neef [eiser] sprake van een stukje geestelijke verzorging.
2.29.
Artikel 4:59 BW bepaalt dat BIG-personen en geestelijke verzorgers die iemand gedurende de ziekte waaraan hij is overleden bijstand hebben verleend, geen voordeel uit de uiterste wilsbeschikking van degene aan wie ze deze bijstand hebben verleend genieten, wanneer deze gedurende deze bijstand is gemaakt. Het overlijden dient het gevolg te zijn van de ziekte waarvoor hij door de betreffende BIG-persoon bijstand werd verleend, dus behandeld werd. Aan neef [eiser] kan worden toegegeven dat de term geestelijke verzorger ruimer is dan de term bedienaar van de godsdienst. Ook personen die van geestelijke verzorging hun beroep hebben gemaakt, vallen hieronder. Dat [gedaagde] beroepsmatig als geestelijke verzorger kan worden aangemerkt, blijkt echter nergens uit.
Wilsbekwaam of niet, primaire grondslag neef [eiser]
2.30.
Anders dan neef [eiser] meent, is naar het oordeel van de rechtbank op grond van de processtukken niet vast te stellen dat het testament nietig is omdat erflater op het moment dat hij zijn testament opmaakte niet wilsbekwaam was. De rechtbank acht op dit punt een deskundigenbericht aangewezen.
2.31.
Het door neef [eiser] aangeboden getuigenbewijs zal zo nodig in een later stadium van de procedure aan de orde komen. Neef [eiser] heeft ter staving van zijn stelling dat de notaris bij het tot stand komen van het testament geen althans onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de wilsbekwaamheid van erflater bewijs aangeboden door het horen van de notaris (punt 44 en 45 in de dagvaarding). Ook heeft hij bewijs aangeboden door het horen van onder andere de huisarts van erflater, mevrouw [A] , en de behandelend arts geriater werkzaam bij [verzorgingstehuis] , althans medewerkers van [verzorgingstehuis] ter staving van zijn stelling dat erflater vanaf het moment dat hij in januari 2015 werd opgenomen in [verzorgingstehuis] , althans op 10 maart 2016 niet meer in staat was om vrijelijk zijn wil te bepalen. Ter zitting van 12 april 2018 heeft neef [eiser] toegelicht dat het aangeboden getuigenbewijs niet ziet op de wilsbekwaamheid van erflater maar ziet op de omstandigheden rond de totstandkoming van het contact tussen [gedaagde] en erflater en vader en zoon [naam] . Voor zover nodig zal neef [eiser] zich bij akte na deskundigenbericht uit mogen laten over de aangeboden bewijslevering.
Primaire verweer [gedaagde]
2.32.
Volgens [gedaagde] dient primair direct niet-ontvankelijkverklaring of afwijzing van de vordering te volgen. Volgens haar hebben de makelaars erflater opgelicht, hebben zij de privacy van erflater geschonden door kennis te nemen van zijn medisch dossier, is de notaris voor het opmaken van het testament door een makelaar ingeschakeld, is neef [eiser] onwaardig tot erven, heeft hij zijn rechten verwerkt, maakt hij misbruik van recht, en is sprake van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
2.33.
Naar het oordeel van de rechtbank dient in deze procedure eerst komen vast te staan of erflater op 10 maart 2016 wilsbekwaam was of niet. Daarna zal zo nodig onder meer de vraag nog aan de orde komen of neef [eiser] misbruik van recht of misbruik van bevoegdheid maakt.
Het deskundigenbericht
2.34.
Het eerder aangekondigde deskundigenbericht zal nu worden bevolen. De rechtbank heeft kennis genomen van hetgeen partijen hebben aangevoerd over het specialisme van de deskundige en de aan de deskundige voor te leggen vragen. Over de persoon van de deskundige hebben partijen geen overeenstemming bereikt. De rechtbank zal daarom zelf een deskundige uitkiezen. De hierna te benoemen deskundige heeft verklaard dat hij in deze zaak vrij staat en dat hij bereid is om als deskundige op te treden.
2.35.
Met betrekking tot de vraagstelling volgt de rechtbank [gedaagde] niet in haar betoog dat hieraan niet kan worden toegekomen omdat in de dagvaarding niets over de belangen is gesteld. Uit de eis en de gronden in de dagvaarding volgt dat kern van het geschil is of erflater ten tijde van het opmaken van het testament wilsbekwaam was of niet. Dat impliceert dat neef [eiser] zich beroept op een stoornis die erflater heeft belet in een redelijke waardering van de betrokken belangen.
2.36.
Aan de deskundige worden de volgende vragen voorgelegd.
I. Persoonlijke gegevens (“disclosure statement”)
a. Waar bent u werkzaam? (indien u bij meerdere organisaties werkzaam bent gaarne alle noemen)
b. Heeft u aan uw beroep gerelateerde nevenfuncties en zo ja, welke?
c. Wat kwalificeert u voor het uitbrengen van een expertiserapport in de onderhavige zaak? (te noemen zijn met name opleiding en professionele ervaring)
d. Heeft u in het verleden reeds als deskundige opgetreden en zo ja, hoe vaak en in wiens opdracht? (Met “in wiens opdracht” wordt bedoeld: in opdracht van de eisende partij, van de aangesproken partij of van de rechter; het is uiteraard niet nodig namen te noemen)
II. Onderzoek
a. Was bij erflater sprake van een stoornis van de geestvermogens?
b. Zo ja, was op 10 maart 2016 sprake van deze stoornis en heeft deze stoornis een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsverklaring betrokken belangen belet ofwel is de wilsverklaring op 10 maart 2016 onder invloed van de geestelijke stoornis gedaan?
c. Beschikte u bij uw onderzoek over voldoende gegevens om in deze zaak te kunnen rapporteren? Zo neen, wilt u aangeven welk aanvullend onderzoek u heeft verricht en/of welke gegevens u heeft opgevraagd en ontvangen?
d. Zijn er nog andere punten die u naar voren wilt brengen waarvan de rechter volgens u kennis dient te nemen bij de verdere beoordeling?
2.37.
De rechtbank zal bepalen dat de deskundige voor zijn onderzoek zo nodig de huisarts van erflater, dr. [A] , en de behandelend arts geriater en andere zorgverleners van [verzorgingstehuis] kan raadplegen.
2.38.
Uit de stellingen van partijen blijkt dat [verzorgingstehuis] over het patiëntendossier van erflater beschikt. Voor het deskundigenonderzoek is nodig dat inzage wordt gegeven in de medische gegevens, waarvoor erflater zelf geen toestemming meer kan geven. Zonder kennis van het medisch dossier is het voor de deskundige niet mogelijk zijn onderzoek te doen. [verzorgingstehuis] heeft een geheimhoudingsplicht (artikel 7:457 BW). Dit beroepsgeheim geldt ook na het overlijden van de patiënt. Op grond van heersende rechtspraak (HR 20 april 2001, ECLI:HR:2001:AB1210) kan voor de doorbreking van het beroepsgeheim plaats zijn indien voldoende concrete aanwijzingen bestaan dat een ander zwaarwegend belang zou kunnen worden geschaad indien het beroepsgeheim onverkort wordt gehandhaafd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft neef [eiser] een rechtens te respecteren belang dat het dossier beschikbaar wordt gesteld maar kan dit belang in voldoende mate worden gediend indien de te benoemen deskundige inzage krijgt in het medisch dossier van erflater, zonder dat aan partijen zelf inzage in het dossier wordt gegeven. De rechtbank gaat ervan uit dat [verzorgingstehuis] onder deze condities bereid zal om de deskundige inzage te verschaffen respectievelijk vragen zal beantwoorden.
2.39.
De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige in beginsel door de neef [eiser] moet worden gedeponeerd. Ter zitting van 8 augustus 2017 heeft neef [eiser] verklaard een toevoeging te hebben aangevraagd en verkregen. Deze toevoeging is niet in het administratieve systeem van de rechtbank geregistreerd. Indien deze toevoeging alsnog aan de griffier wordt overgelegd, zal aan neef [eiser] geen voorschot worden opgelegd. In het geval neef [eiser] geen toevoeging indient dan zal het voorschot door hem moeten worden betaald.
2.40.
De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan één of meer van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
2.41.
Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.
2.42.
De rechtbank ziet geen aanleiding om tussentijds hoger beroep van deze tussenbeslissing toe te staan. Zij zal de beslissing over het voorschot ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
in reconventie
2.43.
De beslissing in reconventie zal worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank
in conventie
3.1.
beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de vragen vermeld onder 2.36. van dit vonnis,
3.2.
benoemt tot deskundige:
Dr. C.M.A.A. Roks, neuroloog,
telefoon: (013) 539 2552
e-mail: g.roks@etz.nl
St. Elisabeth Ziekenhuis
Postbus 90151
5000 LC Tilburg
het voorschot
3.3.
bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige het volgende:
- -
de deskundige dient binnen drie weken na de datum van deze beslissing een begroting van de kosten op te geven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten, en daarbij te begroten de extra (reis)kosten voor een toelichting ter zitting te Utrecht (zittingsduur geschat op 1,5 uur), dit voor het geval de rechtbank na kennisneming van het deskundigenbericht aanleiding ziet voor het houden van een nadere mondelinge behandeling in aanwezigheid van de deskundige,
- -
de griffie zal de opgave van de deskundige vervolgens toezenden aan partijen
- -
partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dagtekening van de brief van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting
- -
indien niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag
- -
indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing,
3.4.
legt aan neef [eiser] geen voorschot op in het geval hij binnen 2 weken na heden aan de griffier een toevoeging ingevolge de Wet op de rechtsbijstand (art. 34 Wet op de rechtsbijstand) doet toekomen,
3.5.
bepaalt dat [eiser] , indien hij geen toevoeging aan de griffier doet toekomen, het voorschot dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,
3.6.
draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,
het onderzoek
3.7.
bepaalt dat neef [eiser] zijn procesdossier in afschrift aan de deskundige dient te doen toekomen,
3.8.
bepaalt dat de deskundige voor zijn onderzoek zo nodig de huisarts van erflater, dr. [A] , en de behandelend arts geriater en andere zorgverleners van [verzorgingstehuis] kan raadplegen,
3.9.
bepaalt dat het medisch dossier enkel aan de deskundige ter inzage wordt verstrekt,
3.10.
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen,
3.11.
wijst de deskundige er op dat:
- -
de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie),
- -
de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,
3.12.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,
het schriftelijk rapport
3.13.
draagt de deskundige op om uiterlijk vijf maanden na deze beslissing een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,
3.14.
wijst de deskundige er op dat:
- -
uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,
- -
de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,
3.15.
bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,
overige bepalingen
3.16.
bepaalt dat de zaak op de parkeerrol zal komen van 3 oktober 2018,
3.17.
draagt de griffier op de zaak op een eerdere rol te plaatsen:
- -
indien geen toevoeging is overgelegd of indien het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen aan beide zijden op een termijn van twee weken of
- -
na ontvangst ter griffie van het deskundigenbericht: voor conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van neef [eiser] op een termijn van vier weken,
3.18.
verklaart de beslissing over het voorschot uitvoerbaar bij voorraad,
3.19.
houdt iedere verdere beslissing aan,
in reconventie
3.20.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Krepel en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2018.1.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑06‑2018
type: PvT (4189)coll: PK (4082)