Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.6.6:3.6.6 Het “impliciete” afscheidingsrecht van de eigenaar
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.6.6
3.6.6 Het “impliciete” afscheidingsrecht van de eigenaar
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644879:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Beekhuis, Opstall-bundel (1972), p. 11 e.v.
Beekhuis, Opstall-bundel (1972), p. 11.
Uit zijn overwegingen blijkt ook niet dat hij wilde aangeven dat een oorspronkelijke eigenaar een revindicatie/afscheidingsrecht heeft als zijn zaak een bestanddeel is geworden. Ook al spreekt Beekhuis over een zaak die met een hoofdzaak wordt verbonden, hij heeft een situatie voor ogen waarin de verbinding geen zakenrechtelijke gevolgen had.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wel in systeem van de wet paste de revindicatie, waarmee de eigenaar in bepaalde gevallen afscheiding kon vorderen. Beekhuis schetst twee gevallen waarin een revindicatie wordt ingesteld: in het ene geval wordt een zaak opgeëist die niet verenigd is met een andere zaak en in het andere geval wordt een zaak opgeëist die dat wel is.1 In de eerste situatie kan de bezitter volstaan met de zaak terug te geven aan de eigenaar. In het tweede geval zou de bezitter “om de afgifte te kunnen bewerkstelligen eerst het nodige moeten doen om de zaak van de hoofdzaak [cursivering, JCTF] los te maken (…).” Beekhuis spreekt over een verbinding tussen een zaak en een hoofdzaak, wat impliceert dat sprake is van bestanddeelvorming en natrekking. Hij vervolgt:
“Dit afscheidingsrecht van de eigenaar is nergens duidelijk geregeld; men zou zelfs de vraag kunnen stellen, of dit recht wel een zuiver zakelijk karakter heeft. Zelf zou ik dit zeker willen aannemen: het afscheidingsrecht is te beschouwen als een onderdeel van het recht tot revindicatie. Dit brengt dus mee dat het afscheidingsrecht ook kan worden uitgeoefend, wanneer een schuldeiser van de eigenaar van de hoofdzaak hierop beslag heeft gelegd, en eveneens in geval van faillissement.”2
Het afscheidingsrecht is volgens hem impliciet verdisconteerd in de revindicatie. Waarom Beekhuis een onderscheid maakt tussen het opeisen van een zaak die niet en die wel verbonden is met een andere zaak, is onduidelijk. Als de revindicatie ingesteld kan worden, dan bestaat immers het eigendomsrecht nog. Zonder eigendomsrecht geen revindicatie. Deze revindicatie is een zakelijke actie, ongeacht of een zaak verbonden is met een andere zaak of niet. Met de revindicatie wordt de zaak opgeëist, wat in bepaalde gevallen betekent dat de zaak moet worden afgescheiden van een andere zaak. Hetzelfde geldt voor alle zakelijke rechten waarmee een zaak kan worden opgeëist. Ook in een pandrecht zit een afscheidingsrecht verdisconteerd. Een verschil tussen de door Beekhuis geschetste gevallen is zakenrechtelijk toch niet aanwezig? In beide gevallen is immers sprake van een eigendomsrecht met de daarbij behorende actie: de revindicatie.3 Het impliciet in de revindicatie verdisconteerde afscheidingsrecht heeft dus betrekking op het afscheiden van een zelfstandige zaak.