Einde inhoudsopgave
Rechtsgevolgen van stille cessie (O&R nr. 65) 2011/7.2.1
7.2.1 Afbakening / Verband
J.W.A. Biemans, datum 01-07-2011
- Datum
01-07-2011
- Auteur
J.W.A. Biemans
- JCDI
JCDI:ADS585939:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Deze overeenkomsten zijn bijvoorbeeld niet de overeenkomsten die geen betrekking hebben op goederen, zoals een arbeidsovereenkomst of een reisovereenkomst. Zij zijn evenmin de overeenkomsten die alleen betrekking hebben op zaken, zoals bewaarneming, aanneming, koop en verkoop op afbetaling, goederenvervoerovereenkomsten, huurkoop en bruikleen. Aan een aantal van deze overeenkomsten zou, vergelijkbaar met art. 7:47 BW en art. 7:201 lid 2 BW, een ruimer toepassingsbereik kunnen worden toegekend. Dit blijft verder buiten beschouwing. Huur heeft ondanks de schakelbepaling van art. 7:201 lid 2 BW geen betrekking op vorderingen; zie hierna nr. 443. Het is verdedigbaar dat borgtocht (zie hiervóór nr. 300 e. v.) wel onder deze categorie valt. Borgtocht vertoont verwantschap met de verzekering van een vordering.
Zie o.a. Snijders & Rank-Berenschot 2007, nr. 360-361; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2006, nr. 135, 139, 142. Zie voor de verschillende begrippen o.a. art. 3:212 lid 1 en lid 3 BW, art. 3:215 BW, vgl. art. 3:223 BW en art. 3:226 lid 4 BW; vgl. art. 6:252 lid 5 BW; art. 101 Fw; art. 475h Rv (vervreemding); art. 3:84 lid 1 jo art. 3:94 BW; vgl. art. 16, 17, 24, 40 en 41 Wge (levering); en art. 3:84 lid 1 BW; art. 3:98 BW; art. 3:223 BW; art. 41 lid 2 Wge (overdracht).
Zie Groefsema 1993, p. 12e.v. Vgl. Tjittes 1992b, p. 25. Dit geldt ook voor andere goederen. Het Burgerlijk Wetboek kent ten aanzien van deze beschikkingshandelingen geen algemene regeling. Vgl. voor afstand bijvoorbeeld art. 5:18 BW (eigendomsrechten), art. 6:160 BW (vorderingen) en art. 3:84 lid 1 jo 3:98 BW (beperkte rechten) en art. 3:224 BW (vruchtgebruik) en art. 3:258 lid 2 BW (pand). Onder het begrip beschikkingsbevoegdheid valt niet de inningsbevoegdheid. Zie hiervóór nr. 65. Dit is mogelijk anders voor het opnemen van gelden. Vgl. art. 3.6.1.5 lid 3 O.M., Parl. Gesch. Boek 3, p. 509; en art. 1:441 BW.
Wordt gesproken over 'de' beschikkingsbevoegdheid, dan dient door uitleg te worden vastgesteld om welke bevoegdheid het in het bijzonder gaat. Dit geldt ten eerste voor het vereiste van 'beschikkingsbevoegdheid' in art. 3:84 lid 1 BW (vgl. ook art. 3:96, 3:98 en 3:186 BW). De vervreemder behoeft niet in alle opzichten beschikkingsbevoegd te zijn. Bijvoorbeeld, de executerende pandhouder behoeft in het kader van art. 3:248 e.v. BW alleen tot overdracht bevoegd te zijn, niet (ook) bijvoorbeeld tot het vestigen van een beperkt recht. Het geldt voorts voor de bepalingen inzake de bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid (zie o.a. art. 1:439 lid 2, 3:86, 3:88 lid 1 (jo 3:94 lid 3 of 3:239 lid 4) en 4:168 BW). Het geldt ten slotte voor de toekenning van 'de' beschikkingsbevoegdheid aan een derde. De 'beschikkingsbevoegde' derde hoeft niet zonder meer tot iedere beschikkingshandeling bevoegd te zijn; de toekenning kan bijvoorbeeld impliceren dat hij tot overdracht en bezwaring bevoegd is, maar niet tot het doen van afstand (zie bijvoorbeeld art. 3:212 lid 2 BW). De beschikkingsbevoegdheid kan ook geclausuleerd zijn, bijvoorbeeld dat de derde krachtens lastgeving alleen bevoegd is tot overdracht voor een bepaalde prijs en na overleg met de rechthebbende. Een dergelijke clausulering heeft in beginsel absolute werking: een overschrijding van die grenzen heeft niet alleen een tekortkoming, maar ook de beschikkingsonbevoegdheid tot gevolg. Zie HR 14 januari 2011, JIN 2011/241 (Mesdag), m.nt. J.W.A. Biemans.
Het is ook mogelijk dat alleen een overeenkomst wordt aangegaan met betrekking tot het goed, zonder daarover vervolgens wordt beschikt. Denk aan verzekering.
Zie voor voorbeelden: 'vereffenen' (art. 4:211 lid 1 BW, vgl. art. 4:213 e.v. BW; art. 68 lid 1 Fw), 'uitwinnen' (art. 3:175/176 lid3 BW), 'te gelde maken' (art. 3:174 lid 1 BW, art. 4:147 lid 1 BW, art. 4:215 lid 1 BW, art. 137c Fw), 'executeren' (art. 477 lid5 Rv) en 'verkopen' (art. 3:248-252, 3:268 BW) en beleggen (art. 1:350 BW).
Vgl. M.v.A. II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 511.
Omgekeerd geldt overigens niet dat iedere beschikkingshandeling jegens de schuldenaar ook een overeenkomst zou zijn. Denk bijvoorbeeld aan het verlenen van toestemming aan schuldoverneming. Zie hierna nr. 462 en 468.
412. Eerst dient te worden vastgesteld welke overeenkomsten kunnen worden aangegaan en welke beschikkingshandelingen kunnen worden verricht ten aanzien van een vordering.
De (bijzondere) overeenkomsten die de rechthebbende met een derde kan aangaan met betrekking tot zijn vordering, zijn beperkt in aantal.1 Zij zijn koop, schenking, een overeenkomst tot vestiging van een beperkt recht op de vordering, lastgeving en verzekering. Deze overeenkomsten moeten worden onderscheiden van de overeenkomst die ten grondslag ligt aan de hoofdvordering (de 'onderliggende' overeenkomst) alsmede van eventuele andere, nadien gesloten overeenkomsten die de inhoud van de vordering nader bepalen, zoals een bewijsovereenkomst, een arbitrageovereenkomst en de overeenkomst waarbij afstand wordt gedaan van de vordering. Deze overeenkomsten worden aangegaan met de schuldenaar en komen in hoofdstuk 8 ter sprake.
De beschikkingsbevoegdheid die wordt uitgeoefend jegens derden bestaat uit de bevoegdheid om door levering de overdracht van de vordering te bewerkstelligen ('vervreemding') en de bevoegdheid om op het goed een beperkt recht te vestigen ('bezwaring').2 Deze beschikkingshandelingen dienen te worden onderscheiden van de beschikkingshandelingen die jegens de schuldenaar worden verrichten, zoals een inhoudelijke wijziging van de vordering of het doen van afstand van de vordering.3 Het begrip beschikkingsbevoegdheid heeft een ruimere strekking dan alleen het overdragen of het bezwaren van goederen.4
Zowel bij het aangaan van overeenkomsten als bij het verrichten van beschikkingshandelingen met betrekking tot vorderingen kan derhalve worden onderscheiden tussen handelingen die worden verricht jegens derden en handelingen die worden verricht jegens de schuldenaar. Het aangaan van overeenkomsten en het verrichten van beschikkingshandelingen met derden komen in dit hoofdstuk aan bod. Het aangaan van overeenkomsten en het verrichten van beschikkingshandelingen jegens de schuldenaar komen in hoofdstuk 8 ter sprake.
413. Tussen het aangaan van overeenkomsten en het beschikken bestaan verbanden die rechtvaardigen dat zij in één hoofdstuk worden behandeld. Uit een overeenkomst met een derde kan ten eerste de verplichting voortvloeien om over een goed te beschikken of dat goed ter beschikking te stellen. De overeenkomst kan als titel voor de beschikkingshandeling dienen. Denk bijvoorbeeld aan koop, die verplicht tot overdracht (art. 7:9 BW) en die dient als de titel van overdracht (art. 3:84 lid 1 jo 7:1 BW).5 Tussen het aangaan van een overeenkomst en de overdracht van een goed bestaan voorts begripsmatige verbanden. De begrippen 'vereffening', 'tegeldemaking', '(parate) executie', '(executoriale) verkoop', 'uitwinning'6 en '(her)beleggen'7 zien zowel op het aangaan van een koopovereenkomst als de daaropvolgende overdracht van het goed. Worden dergelijke bevoegdheden toegekend aan een persoon, dan is hij niet alleen bevoegd tot het aangaan van een koopovereenkomst met betrekking tot dat goed, maar ook tot de overdracht van dat goed. Bij het aangaan van overeenkomsten en het beschikken met de schuldenaar ten slotte kunnen beide handelingen samenvallen. Het aangaan van de overeenkomst is de beschikkingshandeling. Denk bijvoorbeeld aan het doen van afstand (art. 6:160 lid 1 BW) en het wijzigen van de vordering zonder dat daardoor schuldvernieuwing plaatsvindt.8