Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/6.3.1.0
6.3.1.0 Inleiding
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630523:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook S.A. Stevens 2003, pagina 341.
Artikel 17, lid 2 Wet Waardering Onroerende Zaken bepaalt: De waarde wordt bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.
Bruijsten merkt op dat voor overheidsondernemingen die met ingang van 1 januari 2016 belastingplichtig zijn, het waarderingsvoorschrift van art. 33 Wet VPB 1969 (goodwillverbod) een knelpunt is. Doel en strekking van die bepaling lijken eraan in de weg te staan om bij de waardering van een onroerende zaak op de openingsbalans rekening te houden met een eventuele overrentabiliteit van de onderneming waarin die onroerende zaak worden aangewend. Het is zijns inziens dan ook de vraag of een waardering op basis van de nettoinkomsten zoals bij andere dan zelfstandige opbrengstdrager wel houdbaar is. Bruijsten 2016-2.
Uit de jurisprudentie blijkt dat bij de waardering op de fiscale openingsbalans rekening moet worden gehouden met alle specifieke omstandigheden. Zo blijkt uit HR 18 november 2011, nr. 10/04352, BNB 2012/6 dat bij de waardering op de fiscale openingsbalans bij een terbeschikkingstelling ex artikel 3.92 Wet IB 2001 rekening moet worden gehouden met de invloed van het bestaan van een gebruiksrecht dat werking zou hebben voor (markt)gegadigden voor die onroerende zaak. Bij een ongunstig huurrecht is hierdoor sprake van een lagere waardering en bij een gunstig huurrecht is sprake van een hogere waardering op de openingsbalans. Zie paragraaf 4.4.3.
De afschrijving heeft wel invloed op de jaarwinst. Voor een nadere uiteenzetting omtrent deze problematiek verwijs ik naar S.A. Stevens 2016, Compartimentering bij overheidsondernemingen.
Uitgaande van een rendement van 4% en ontvangst gedurende het jaar.
Omwille van de leesbaarheid heb ik ervoor gekozen om het huurrecht separaat op te nemen. Op de fiscale openingsbalans is echter geen sprake van een aparte waardering, maar komt de waardedrukkende factor in mindering op het vastgoed.
In dit kader merk ik nog op dat in de literatuur – mijns inziens terecht – wordt geopperd dat als de vermogensstijging het heffingsmoment aanwijst als extra eis dient te gelden dat realisatie mogelijk zou moeten zijn. Van den Dool 2009, pagina 298. Ook Bruijsten 2016-2, oppert om bij een sfeerovergang alleen winsten in aanmerking te nemen als ze zouden kunnen worden gerealiseerd.
Zie bijvoorbeeld HR 27 maart 1968, nr. 15 859, BNB 1968/112.
Eén van de belangrijkste activa van veel ondernemingen is het vastgoed. In deze paragaaf wordt daarom de winsttoerekening bij (verhuurd) vastgoed aan de orde gesteld. In deze paragraaf wordt niet op het specifieke probleem ingegaan dat in het vastgoed een onrendabele top aanwezig is (zie daarover in paragraaf 6.3.2).
Ook vastgoed dient te worden gewaardeerd op de openingsbalans tegen de waarde in het economische verkeer. Voor de waardering op de fiscale openingsbalans moet bij courant vastgoed in beginsel worden uitgegaan van de directe opbrengstwaarde.1 Door waardering tegen de waarde in het economische verkeer komt de marktstijging of -daling die is ontstaan in de onbelaste periode in die periode tot uitdrukking. Waardeveranderingen die nadien optreden, worden toegerekend aan de belaste periode. In eerste instantie lijkt eenvoudig te kunnen worden bepaald wat de waarde in het economische verkeer is. Immers, er wordt geregeld handelgedreven in vastgoed en ook gemeenten kunnen de waarde van vastgoed eenvoudig bepalen getuige de WOZ-beschikkingen. Bij het vaststellen van de WOZ-waarde wordt echter uitgegaan van ficties, zodat deze niet altijd overeenkomt met de waarde in het economische verkeer.2 De praktijk leert ook dat het niet altijd eenvoudig is om de waarde in het economische verkeer te bepalen.34
De praktische uitwerking zal ik illustreren aan de hand van een voorbeeld. Ik zal hierbij abstraheren van de afschrijvingslasten, omdat die ‘slechts’ een timing effect hebben.5
Een lichaam heeft begin jaar 1 een pand gekocht voor een bedrag van € 900.000.
Het lichaam heeft het vastgoed direct verhuurd voor een periode van 10 jaar tegen een marktconforme huur van € 60.000 per jaar.
Met ingang van jaar 6 wordt het lichaam belastingplichtig. De marktwaarde van vergelijkbaar vastgoed zonder voordelig huurcontract is € 870.000.
De huren zijn gedaald, zodat een marktconforme huur op het moment van sfeerovergang € 58.000 per jaar is. Het huurrecht heeft derhalve een waardevermeerderende effect van € 9.080.6 De waarde op de fiscale openingsbalans van het vastgoed bedraagt derhalve € 879.080.
Eind jaar 10 eindigt het huurcontract (conform de overeengekomen periode) en wordt het vastgoed verkocht voor een bedrag van € 960.000.
Het vastgoed dient op de fiscale openingsbalans te worden gewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer. Op het moment dat een belastingplichtige een huurcontract afsluit, is dat van invloed op de waarde van het vastgoed, omdat de waarde gelijk is aan de contante waarde van de toekomstige kasstromen. Bij een daling van de huren in de markt zal het vastgoed met een gunstig huurcontract zijn waarde behouden als gevolg van dit gunstige huurrecht. Het huurrecht heeft dan een waardevermeerderende effect. In casu heeft huurrecht een waardevermeerderend effect van € 9.080. De waarde in het economische verkeer is hierdoor € 879.080. Voor die waarde dient het vastgoed te worden gewaardeerd op de fiscale openingsbalans. Gedurende de belastingplichtige periode komen hierdoor de volgende resultaten tot uitdrukking:7
Onbelaste periode
Belaste periode
totaal
Huurinkomsten
€
300.000
€
300.000
€
600.000
Waardevermeerdering als gevolg van gunstige huurrecht
€
9.080
€
-9.080
€
0
Waardemutatie
€
-30.000
€
90.000
€
60.000
Totaal
€
279.080
€
380.920
€
660.000
Het gevolg van de waardering van het vastgoed op de fiscale openingsbalans is dat de vermogensaanwas in de belaste periode in de heffing wordt betrokken. Dit is niet gelijk ook de draagkrachtaanwas. Hiervoor is mijns inziens realisatie nodig. Door uit te gaan van de vermogensaanwas sluit de belastingheffing aan bij de economische realiteit. In de belastingplichtige periode heeft immers een waardemutatie van € 90.000 plaatsgevonden. Als we naar de levensduur van het lichaam kijken, moeten we concluderen dat meer winst in de heffing wordt betrokken dan het lichaam heeft gerealiseerd. De vraag is of dat terecht is. Een uitgangspunt is dat de winstbepaling moet aansluiten bij de werkelijkheid en de financiële werkelijkheid is dat geen winst wordt gemaakt.8 De belastingplichtige is nimmer in staat geweest een winst van € 90.000 te realiseren. De onderneming zou hypothetisch gezien op het moment van sfeerovergang een pand ter waarde van € 870.000 kunnen kopen. Bij latere verkoop was dan een winst van € 90.000 gemaakt, maar dan laten we buiten beschouwing dat in werkelijkheid het pand al eigendom was. Feitelijk is een vermogenswinst van € 60.000 gerealiseerd en de onderneming had met deze aankoop gedurende haar bestaan nooit een winst kunnen behalen van € 90.000.
Hiermee komen we ook terug bij de vraag of realisatie noodzakelijk is om inkomen vast te stellen of dat voldoende is dat de winst potentieel realiseerbaar is. In hoofdstuk twee heb ik geconcludeerd dat uit het totaalwinstbeginsel voortvloeit dat alleen de werkelijke (genoten) voordelen in de belastingheffing worden betrokken. Dat impliceert mijns inziens dat realisatie moet hebben plaatsgevonden. Vermogenswinsten die de onderneming had kunnen genieten als het ondernemingsbeleid anders was ingericht, kunnen niet in de heffing worden betrokken.9 In casu komt door waardering tegen de waarde in het economische verkeer een winst tot uitdrukking die het lichaam niet heeft gerealiseerd. Hetzelfde geldt voor het verschil dat is ontstaan door de contante waardevermeerdering van het gunstige huurrecht ad € 9.080. Omdat de (zakelijke) overeengekomen huur afwijkt van een marktconforme huur ten tijde van de sfeerovergang gaan de netto huurinkomsten die in de belastingheffing worden betrokken afwijken van de overeengekomen huur. Hierdoor blijft uiteindelijk € 9.080 mijns inziens onterecht buiten de heffing.