Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.6.2:3.6.2 De herkomst van het eigendomsrecht op een afgescheiden zaak
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.6.2
3.6.2 De herkomst van het eigendomsrecht op een afgescheiden zaak
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644761:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 604: “Het bezit te goeder trouw geeft, ten opzigte der zaak, aan den bezitter het regt: (…) 3 o: Dat hij tot op de geregtelijke terugvordering de vruchten geniet, welke de zaak oplevert.” Art. 630 OBW: “De bezitter te goeder trouw heeft het regt om alle de vruchten, welke hij van de teruggevorderde zaak tot op den dag der regtsvordering genoten heeft, voor zich te behouden. (…).”
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Om na te gaan waaruit het eigendomsrecht van een afgescheiden bestanddeel voortkwam, is het nuttig om de regels omtrent vruchttrekking te bekijken. Over vruchttrekking was namelijk wel het een en ander wettelijk bepaald en een tak- of wortelvaste vrucht was bovendien een bestanddeel van de boom of plant. De hoofdregel bij vruchttrekking was dat de eigenaar van de vruchtdragende zaak ook eigenaar werd van de afgescheiden vruchten. Die regel werd als vanzelfsprekend beschouwd. De wet maakte in bepaalde gevallen een uitzondering op deze hoofdregel. Zo werd bijvoorbeeld de bezitter te goeder trouw eigenaar van de vruchten die hij van een zaak had getrokken.1 Een vruchtgebruiker werd eveneens eigenaar van de vruchten, net als een erfpachter en een pachter. Kortom, in beginsel werd degene die een (zakelijk) genots- of gebruiksrecht had op de grond eigenaar van de vruchten. Als de afscheider, bijvoorbeeld een niet-bezitter of een bezitter te kwader trouw zo’n recht niet had, dan viel de eigendom toe aan de eigenaar van de grond.