Einde inhoudsopgave
Bewijsrechtelijke verhoudingen verzekeringsrecht (Verzekeringsrecht) 2008/
Verhandeling
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde, datum 26-05-2008
- Datum
26-05-2008
- Auteur
prof.mr. N. van Tiggele-van der Velde
- JCDI
JCDI:ADS353478:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor het buitenland par. 82-83VVG 2008 (Berettungspflicht, Duitsland), art. 20 en 52 Wet op de Landverzekeringsovereenkomst (België) en - uitsluitend voor brandverzekering en zeeverzekering - art. L 122 en 172-23 Code des Assurances (obligation de sauve-tage, Frankrijk). Zie voor het Engelse recht ('duty to prevent and minimise loss') bij gebreke van een wettelijke regeling Clarke 1997, p. 779 e.v.
In dezelfde zin M.L. Hendrikse, Eigen schuld, bereddingsplicht en medewerkingsplicht in het schadeverzekeringsrecht, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink (2002), p. 194.
Zie over de (niet-)toerekening van nalatig gedrag van de verzekerde en de verzekeringnemer ook Frenk oratie 2006, p. 68 en 80.
Een van de belangrijkste verschillen is - kort gezegd - dat in de situatie, waarin de verzekeringnemer en verzekerde één zijn, de verzekeraar de schade die hij lijdt door de niet-nakoming van de bereddingsplicht, kan verrekenen. In de situatie waarin dat niet zo is, rust op verzekeraar de verplichting om de verzekerde volledig schadeloos te stellen, waarbij hij een vorderingsrecht op verzekeringnemer kan hebben. Zie hierover uitgebreid hierna onder 5.1.2. Tevens zal ik daar ingaan op de situatie waarin sprake is van meerdere verzekerden en de gevolgen daarvan.
Ingevolge het bepaalde in art. 7:957 BW rust op zowel de verzekeringnemer als de verzekerde (naarmate hij daartoe in de gelegenheid is), zodra deze van de verwezenlijking van het risico of het ophanden zijn daarvan op de hoogte is, of behoort te zijn, de verplichting om binnen redelijke grenzen alle maatregelen te nemen, die tot voorkoming of vermindering van de schade kunnen leiden.1
Reeds deze weergave van hetgeen volgens de wet onder 'beredding' dient te worden verstaan, geeft aan dat bij een voorgevallen (of, door ingrijpen: voorkómen) evenement, op de onderscheiden elementen van het artikel zich een veelheid van twistpunten kan voordoen. Ook geeft de korte inleiding aan dat naast de verzekerde, op wie de verplichting tot beredding in beginsel rust (het is zijn belang dat door de verzekering wordt gedekt), ook op de verzekeringnemer, niet zijnde verzekerde, een verplichting tot beredding rust. Daardoor speelt de vraag van toerekening van nalatig gedrag van één van de verzekerden aan (de) andere verzekerde(n) geen rol:2 er bestaat immers voor verzekeraar ten opzichte van ieder der nalatige partijen een geëigende grondslag, ofwel op basis van 6:74 BW (indien de nemer niet nakomt en hij zelf of een derde verzekerde is), ofwel op basis van 957 lid 3 (indien de verzekerde niet nakomt), die de noodzaak voor toerekening doet verdwijnen.3
De vraag op wie de betreffende verplichting rust, is voornamelijk van belang voor de (grondslag voor de) afwikkeling van de schade. Ik ga hierop hierna onder 5.1.2 nader in.4 Voor de overzichtelijkheid van de materie zal ik hieronder eerst uitgaan van de situatie waarin de verzekeringnemer en de verzekerde dezelfde zijn.
De in te nemen standpunten ingedeeld in twee posities
Ondanks de veelheid van (hieronder te bespreken) elementen die binnen de bereddingsplicht onderscheiden kunnen worden, valt er juridisch in grote lijnen een tweetal situaties te onderscheiden, te weten (a) die waarin door de verzekerde bereddingsmaatregelen zijn genomen, waarvoor hij een vergoeding van kosten wenst te ontvangen en (b) die waarin de verzekeraar juist stelt dat de verzekerde maatregelen had dienen te nemen en waarin hij, verzekeraar, aanspraak maakt op vergoeding van door de niet-nako-ming van de bereddingsplicht geleden schade, al dan niet in de vorm van een vermindering van de uitkering.