HR, 19-11-2019, nr. 18/04989
ECLI:NL:HR:2019:1809
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-11-2019
- Zaaknummer
18/04989
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Materieel strafrecht (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2019:1809, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 19‑11‑2019; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:966
ECLI:NL:PHR:2019:966, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 01‑10‑2019
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1809
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑02‑2019
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2019-0386
JM 2020/28 met annotatie van Pieters, S.
NbSr 2019/372
NbSr 2020/372
Uitspraak 19‑11‑2019
Inhoudsindicatie
Onvoldoende zorg dragen voor onder zijn hoede staand gevaarlijk dier doordat verdachtes hond (kruising tussen Mastino en Amerikaanse Stafford) andere hond (Jack Russel) heeft aangevallen en gebeten, waardoor andere hond letsel heeft opgelopen, art. 425.2 Sr. Ontvankelijkheid h.b. Kan veroordeling Ktr t.z.v. overtreding, waarbij geen straf maar wel schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, worden aangemerkt als einduitspraak waarbij met toepassing van art. 9a Sr geen straf of maatregel is opgelegd a.b.i. art. 404.2.a Sv? Gelet op totstandkomingsgeschiedenis van art. 404 Sv getuigt ‘s Hofs oordeel dat vonnis van Ktr, inhoudende dat verdachte t.z.v. overtreding schuldig is verklaard zonder oplegging van straf maar aan haar wel schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, dient te worden aangemerkt als einduitspraak waarbij met toepassing van art. 9a Sr “geen straf of maatregel” is opgelegd a.b.i. art. 404.2.a. Sv, van onjuiste rechtsopvatting. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 18/04989
Datum 19 november 2019
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 23 oktober 2018, nummer 22/001931-17, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De plaatsvervangend Advocaat-Generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het middel
2.1
Het middel klaagt - onder verwijzing naar de opgelegde schadevergoedingsmaatregel - dat het Hof de verdachte ten onrechte op de voet van art. 404, tweede lid aanhef en onder a, Sv niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar hoger beroep.
2.2.1
De Kantonrechter in de Rechtbank Rotterdam heeft de verdachte ter zake van “geen voldoende zorg dragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier” met toepassing van art. 9a Sr schuldig verklaard zonder oplegging van straf. Voorts heeft de Kantonrechter de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toegewezen tot het bedrag van € 5.432,80 te vermeerderen met de wettelijke rente en, met aanhaling van art. 36f Sr, een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij] tot het bedrag van € 5.432,80 te vermeerderen met de wettelijke rente, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 62 dagen hechtenis.
2.2.2
Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft de verdachte in dat beroep niet-ontvankelijk verklaard en heeft daartoe het volgende overwogen:
“Ingevolge artikel 404, tweede lid, onder a, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte in beginsel geen hoger beroep open tegen een vonnis betreffende een overtreding waarbij met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel is opgelegd. Nu het bestreden vonnis op tegenspraak is gewezen doet zich de in het derde lid van voormeld artikel omschreven uitzondering niet voor, en gelet op het ten laste gelegde ook niet de uitzondering van het vierde lid. Een absoluut recht op hoger beroep bestaat niet, gelet op de jurisprudentie. Voor zover hier van belang is protocol 7, artikel 2 EVRM, niet door Nederland geratificeerd.
Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het ingestelde hoger beroep.”
2.3.1
De tenlastelegging is toegesneden op art. 425, aanhef en onder 2°, Sr, welk delict gelet op de plaatsing daarvan in het Derde Boek van het Wetboek van Strafrecht wordt aangemerkt als overtreding.
2.3.2
Met betrekking tot de mogelijkheid hoger beroep in te stellen tegen een overtreding luidt art. 404 Sv, voor zover hier van belang, als volgt:
“2. Tegen de vonnissen betreffende overtredingen, door de rechtbank als einduitspraak of in de loop van het onderzoek gegeven, staat hoger beroep open voor de officier van justitie bij het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, en voor de verdachte die niet van de gehele telastlegging is vrijgesproken, tenzij terzake in de einduitspraak:
a. met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel werd opgelegd, of
b. geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum - of, wanneer bij het vonnis twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum - van € 50.”
2.3.3
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van art. 44 RO - de voorloper van art. 404 Sv - komt naar voren dat het de bedoeling van de wetgever is geweest, “gelet op de (ruimhartige) Nederlandse traditie bij het toekennen van rechtsmiddelen”, de uitsluiting van het hoger beroep te beperken tot de “echte bagatellen”, waarbij de opgelegde sanctie doorslaggevend is geweest (Kamerstukken II 1997/98, 26 027, nr. 3, p. 5 en 6).
2.4
In de overwegingen van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat het vonnis van de Kantonrechter, inhoudende dat de verdachte ter zake van een overtreding schuldig is verklaard zonder oplegging van straf maar aan haar wel een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd, dient te worden aangemerkt als een einduitspraak waarbij met toepassing van art. 9a Sr ‘geen straf of maatregel’ is opgelegd zoals bedoeld in art. 404, tweede lid aanhef en onder a, Sv. Gelet op de tekst en de strekking van deze bepaling, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Het Hof heeft de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.
2.5
Het middel is gegrond.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de bestreden uitspraak;
- wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2019.
Conclusie 01‑10‑2019
Inhoudsindicatie
Concl. plv. AG. Art. 404.2.a Sv. Stond voor verdachte hoger beroep open? Hof heeft verdachte niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep omdat de kantonrechter art. 9a Sr had toegepast. Conclusie plv. AG: art. 404.2.a Sv moet aldus worden gelezen dat indien met toepassing van art. 9a Sr weliswaar geen straf is opgelegd, maar de rechter wél aanleiding heeft gezien tot het opleggen van een maatregel, hoger beroep niet is uitgesloten. Strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 18/04989
Zitting 1 oktober 2019
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 23 oktober 2018 door de enkelvoudige kamer van het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam, waarbij de verdachte schuldig is verklaard “zonder oplegging van straf” aan “[g]een voldoende zorg dragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier” en waarbij de vordering van de benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 5.432,80, te vermeerderen met wettelijke rente, in combinatie met de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in art. 36f Sr tot hetzelfde bedrag, te vervangen door 62 dagen hechtenis.
Namens de verdachte heeft mr. J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel klaagt dat het hof “ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in art. 404, tweede lid onder a Wetboek van Strafvordering” omdat – naar het oordeel van het hof – “geen hoger beroep open[staat] tegen een vonnis betreffende een overtreding waarbij met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel is toegepast.” Aangevoerd wordt hoofdzakelijk dat het hof, door art. 404 Sv toe te passen in een zaak die gelet op de opgelegde schadevergoedingsmaatregel geen bagatelzaak betreft, inbreuk heeft gemaakt op het recht op berechting in twee instanties.
Voor de beoordeling van de ontvankelijkheid van de verdachte in haar hoger beroep is de regeling die is neergelegd in art. 404, Sv, tweede lid, onder a, Sv1.in combinatie met de tenlastelegging van belang.2.
5. In de onderhavige zaak is de tenlastelegging toegespitst op artikel 425 Sr. Zij ziet daarmee uitsluitend op een overtreding. De kantonrechter heeft de tenlastegelegde overtreding bewezen verklaard, maar, gelet op de opgelegde schadevergoedingsmaatregel, aanleiding gezien de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf.
6. Art. 404, tweede lid, Sv luidt als volgt:
“2. Tegen de vonnissen betreffende overtredingen, door de rechtbank als einduitspraak of in de loop van het onderzoek gegeven, staat hoger beroep open voor de officier van justitie bij het gerecht dat het vonnis heeft gewezen, en voor de verdachte die niet van de gehele telastlegging is vrijgesproken, tenzij terzake in de einduitspraak:
a. met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel werd opgelegd, of
b. geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum – of, wanneer bij het vonnis twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum – van € 50.”
7. Art. 9a Sr luidt als volgt:
“Indien de rechter dit raadzaam acht in verband met de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, dan wel die zich nadien hebben voorgedaan, kan hij in het vonnis bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.”
8. Art. 9a Sr is in 1983 ingevoerd met de inwerkingtreding van de Wet vermogenssancties3.en biedt de rechter in het algemeen de mogelijkheid van een rechterlijk pardon, waarbij hij afziet van het opleggen van een straf of maatregel. Voordien was die mogelijkheid – buiten het kinderrecht – voorbehouden aan de kantonrechter (art. 398, onder 9⁰ (oud) Sv). Voor het overige gold dat indien de rechter het tenlastegelegde feit bewezen achtte en de verdachte in verband daarmee strafbaar, hij verplicht was om een straf op te leggen.4.
9. Overeenkomstig art. 77f, derde lid (oud), Sr5.spreekt art. 9a Sr van straf of maatregel. Uit de memorie van toelichting op het voorstel van de Wet vermogenssancties blijkt dat het woord maatregel voor het volwassenenstrafrecht zonder betekenis is, omdat voor geen enkele strafrechtelijke maatregel geldt, dat zij in bepaalde gevallen moet worden opgelegd. Daarbij werd opgemerkt:
“In het kinderstrafrecht is dat anders en met het oog daarop is het woord maatregel opgenomen. Daarin geldt als hoofdregel, dat de rechter, indien hij het ten laste gelegde feit bewezen en strafbaar acht, een straf of een maatregel moet opleggen. De commissie [gedoeld wordt op de Commissie vermogensstraffen, D.P.] had in haar eindrapport in artikel 9a de woorden “of maatregel” willen weglaten en artikel 77f, derde lid, in een op artikel 9a afgestemde formulering willen handhaven. Ik geef de voorkeur aan één artikel over rechterlijk pardon, vooral met het oog op verwijzingen. Daar komt bij dat de woorden “of maatregel” voor het volwassenenstrafrecht weliswaar niet noodzakelijk zijn, maar wel bijdragen tot duidelijkheid.”6.
10. In de onderhavige zaak heeft de kantonrechter gebruik gemaakt van de mogelijkheid die art. 9a Sr de rechter biedt om in bepaalde gevallen geen straf op te leggen. Wel heeft zij als sanctie de schadevergoedingsmaatregel opgelegd en die mogelijkheid had zij gelet op het arrest van de Hoge Raad van 3 november 2015.7.In dit arrest heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de vraag of een schadevergoedingsmaatregel kan worden opgelegd indien de verdachte “op de voet van art. 9a Sr wordt veroordeeld zonder oplegging van straf”. Deze vraag hangt samen met de sinds 1 januari 2014 in art. 36f Sr gestelde eis voor het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel dat de verdachte wordt veroordeeld tot een straf of een last als bedoeld in art. 37 Sr wordt opgelegd. Niettegenstaande de letterlijke tekst van art. 36f Sr besliste de Hoge Raad dat de schadevergoedingsmaatregel ook kan worden opgelegd indien de verdachte is veroordeeld, maar aan hem op de voet van art. 9a Sr geen straf is opgelegd.
11. De vraag die in de onderhavige zaak centraal staat is of de door de kantonrechter opgelegde schadevergoedingsmaatregel maakt dat de verdachte, ondanks dat art. 9a Sr is toegepast ten aanzien van de straf, nog over een rechtsmiddel beschikt om tegen de schadevergoedingsmaatregel op te komen, dan wel of art. 404, tweede lid, onder a, Sv daaraan in de weg staat.
12. De mogelijkheid van hoger beroep tegen de vonnissen betreffende overtredingen, is sinds de inwerkingtreding van de Wet uitsluiting beroep in lichte overtredingszaken en invoering verplichte schriftuur van een advocaat (Stb. 1999, 467), uitgesloten voor zover in de einduitspraak:
“a. met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel werd opgelegd, of
b. geen andere straf of maatregel werd opgelegd dan een geldboete tot een maximum – of, wanneer bij het vonnis twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum – van € 50.”8.
Met het uitsluiten van hoger beroep in lichte overtredingszaken heeft de wetgever een drempel willen opwerpen voor het instellen van rechtsmiddelen in zogenaamde bagatelzaken, die in de memorie van toelichting zijn aangeduid als “de allerlichtste delicten, de echte bagatellen”.9.Voor de wetgever is daarbij niet de kwalificatie van een feit als overtreding doorslaggevend geweest maar de opgelegde sanctie.
13. De ratio van het uitsluiten van hoger beroep in bagatelzaken brengt mee dat art. 404, tweede lid, onder a, Sv aldus moet worden gelezen dat indien met toepassing van art. 9a Sr weliswaar geen straf is opgelegd, maar de rechter wél aanleiding heeft gezien tot het opleggen van een maatregel, hoger beroep niet is uitgesloten, omdat in dat geval de zaak niet kan worden aangemerkt als bagatelzaak ten aanzien waarvan de wetgever het recht op hoger beroep heeft willen uitsluiten.
14. Terug naar de onderhavige zaak, waarin de kantonrechter gemotiveerd heeft aangegeven waarom zij geen straf oplegt, maar wel een schadevergoedingsmaatregel, inhoudende de betalingsverplichting aan de staat ten behoeve van het slachtoffer van een bedrag van € 5.432,80, te vervangen door 62 dagen hechtenis.
15. Het middel is gegrond voor zover erover wordt geklaagd dat het hof “ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in art. 404, tweede lid onder a Wetboek van Strafvordering”. Uit het voorgaande volgt immers dat de kantonrechter niet “met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel [heeft] opgelegd”, zoals vermeld in artikel 404, tweede lid, onder a, Sv. Voor zover het middel erover klaagt dat het hof, door art. 404 Sv toe te passen, inbreuk zou hebben gemaakt op het recht op berechting in twee instanties, kan het daarom onbesproken blijven. Indien de Hoge Raad de klacht dat het hof “ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in art. 404, tweede lid onder a Wetboek van Strafvordering” anders zou beoordelen, zou ik graag in de gelegenheid worden gesteld aanvullend te concluderen over de resterende klacht.
16. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 01‑10‑2019
Zie HR 10 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1311 r.o. 3.3 waarin de Hoge Raad − onder verwijzing naar HR 29 mei 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1141, NJ 1991/41 – overweegt dat voor het antwoord op de vraag of sprake is van een in art. 404 lid 2 Sv bedoelde uitzondering op de mogelijkheid van de verdachte om hoger beroep in te stellen, niet de bewezenverklaring door de rechtbank, maar de tenlastelegging bepalend is.
Stb. 1983, 153.
Vgl. Kamerstukken II 1982/83, 17524, 6, p. 7.
Art. 77f, derde lid (oud) Sr luidde vóór de invoering van de Wet vermogenssancties (Stb. 1983, 153): “Indien de rechter dit in verband met de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden, waaronder het feit is begaan, raadzaam acht, kan hij in het vonnis bepalen, dat geen straf of maatregel zal worden toegepast.”
Kamerstukken II 1977/78, 15012, 3, p. 23-24.
HR 3 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3203, NJ 2015/460.
Art. 56 lid 6 (oud) RO zoals dat kwam te luiden met de genoemde wet, is overgebracht naar art. 404 lid 2 Sv met de inwerkingtreding van de Aanpassingswet modernisering rechterlijke organisatie, Stb. 2001, 584. In het geval dat de kantonrechter van de rechtbank de einduitspraak heeft gegeven, wordt op grond van art. 404 lid 3 Sv in het tweede lid, onder b, in plaats van «€ 50» gelezen: € 25.
Kamerstukken II 1997/98, 26027, 3, p. 5-6 (citaat) en 25-26.
Beroepschrift 11‑02‑2019
CASSATIESCHRIFTUUR
Inzake : [rekwirante]
Rolnummer: 22/001931-17
Kenmerk : 18/04989
Edelhoogachtbaar College,
Ondergetekende, als daartoe door rekwirant tot cassatie bijzonder gevolmachtigd, mr. J.T.C.M. Crepin, advocaat te Rotterdam, heeft hierbij de eer aan u, Edelhoogachtbaar College, te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het namens rekwirant ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het gerechtshof te Den Haag d.d. 23 oktober 2018.
In genoemd arrest heeft het Gerechtshof rekwirant niet-ontvankelijk verklaard in het, weliswaar tijdig ingestelde, hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter d.d. 21 april 2017, waarbij rekwirant wegens het onvoldoende zorg dragen voor het onschadelijk houden van een onder zijn hoede staand gevaarlijk dier schuldig werd verklaard zonder oplegging van straf en de vordering benadeelde partij tot een bedrag van € 5432,80 werd toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, vanwege het bepaalde in art. 404, tweede lid onder a Wetboek van Strafvordering.
Belang
Het belang voor rekwirant is evident.
Zij is, los van de bewijsvragen, weliswaar ‘slechts’ schuldig verklaard zonder oplegging van een straf en/of maatregel, maar heeft daarnaast wel een zeer forse schadevergoedingsmaatregel opgelegd gekregen middels toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.
Zulks klemt in dit geval des te meer, nu rekwirant onder bewind voering stond en staat en de kantonrechter in strijd met geldende jurisprudentie, alvorens een dergelijke vordering te kunnen beoordelen en eventueel toewijzen, verzuimd heeft de bewindvoerder ter zake op te roepen.
Rekwirant was in principe procesonbevoegd en de vordering van de benadeelde partij had derhalve niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden (zie onder meer Rechtbank Amsterdam 13 juni 2018 (2018:5235) en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 19 juli 2018 (2018:6710).
Het niet kunnen appelleren in het onderhavige geval levert mogelijk strijd op met het bepaalde in art. 6 van het EVRM en/of art. 14 lid 5 van het BuPo-verdrag op en is een aanzienlijke schending van haar belangen.
Als grond van cassatie heeft ondergetekende de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan niet naleving nietigheid medebrengt. In het bijzonder zijn de artikelen 404 en 415 Wetboek van Strafvordering, alsmede art. 6 EVRM en art. 14 lid 5 BuPo geschonden, omdat het gerechtshof in dit geval ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in art. 404 , tweede lid onder a Wetboek van Strafvordering, mede in het licht van de mogelijke uitzonderingen ter zake en de bepalingen in het EVRM en het BuPo-verdrag, die rekwirant in principe recht geven op een berechting in twee instanties.
Het arrest van het Hof leidt daarmee aan nietigheid, althans is onvoldoende naar de eis der wet met redenen omkleed.
Toelichting
De vraag in de onderhavige zaak is, of ondanks het bepaalde in art 404, tweede lid onder a Wetboek van Strafvordering, hoger beroep (berechting in 2 instanties) mogelijk had moeten zijn.
Zoals gezegd bij het geschetste belang klemt zulks des te meer, nu weliswaar geen straf, of maatregel is opgelegd en art 9 a Wetboek van Strafvordering is toegepast, maar wel de schadevergoedingsmaatregel is opgelegd met betrekking tot een zeer fors bedrag aan rekwirant, die bovendien procesonbevoegd was.
De bewindvoerder had ter zake opgeroepen moeten worden.
Er bestaat weliswaar geen onbeperkt recht op hoger beroep, zoals het gerechtshof in haar arrest stelt, maar gelet op het vorenstaande zou in het licht van het EVRM en het BuPo-verdrag er toch in dit geval een aanzienlijk belang bij een rechtsmiddel bestaan en had het gerechtshof rekwirant niet niet-ontvankelijk dienen te verklaren, maar rekwirant in haar appel moeten ontvangen.
Bestaat er een mensenrecht op een rechtsmiddel?
Art. 14 lid 5 BuPo-verdrag garandeert elke veroordeelde een rechtsmiddel. Een vergelijkbare regeling is te vinden in art. 2 Protocol 7 EVRM. Nederland heeft dit echter (nog) niet geratificeerd.
Voor bagatelzaken zijn deze regelingen weliswaar niet bedoeld, maar rekwirant meent nu juist dat met name de opgelegde schadevergoedingsmaatregel de zaak geen bagatelzaak doet zijn.
Het Nederlandse stelsel, waarin de beperking van hoger beroep geldt indien geen straf, of maatregel is opgelegd, kent echter in de meeste strafzaken met een andere afdoening qua strafmodaliteit, uitgezonderd nog weer de taken waarop ex art. 410 a Wetboek van Strafvordering het verlofstelsel van toepassing is en geen verlof wordt verleend, de mogelijkheid van een of meer gewone rechtsmiddelen (naast bijzondere rechtsmiddelen).
In algemene zin kan dit stelsel de mensenrechtelijke toets doorstaan.
Zie bv. HR 18 februari 1986, NJ 1987/62 en HR 7 mei 1996, NJ 1996/584.
In bijzondere gevallen zou dat oordeel anders kunnen luiden, o.a. impliciet in HR0 6 januari 1998, NJ 1998/644.
Het verlofstelsel richt zich op een categorie van lichte strafzaken die net buiten de beperking van het hoger beroep in relatief lichte strafzaken. Voor de zaken die onder het verlofstelsel vallen staat (wel) hoger beroep open. Dit beroep wordt alleen met verlof van de voorzitter van de het gerechtshof als enkelvoudige kamer in behandeling genomen.
Ook deze beperking van de mogelijkheden van een hoger beroep is volgens het EHRM niet zonder meer in strijd met het EVRM.
In de zaak (EHRM 22 februari 2011, 26036/08 (Lalmahomed)) ontbrak het echter in de specifieke omstandigheden van het geval aan een ‘full and thorough evaluation of the relevant factors’.
Daarbij nam het EHRM afstand van het standpunt van het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties (kennisgevingnr. 1797/2008 (Th.W.H. Mennen/Nederland)), dat het weigeren van verlof voor hoger beroep in strijd met art. 14 lid 5 BuPo-verdrag is als dit gebaseerd is op een uitgewerkt vonnis, een proces-verbaal van de terechtzitting, of een lijst van bewijsmiddelen.
Desalniettemin liggen er plannen om het verlofstelsel af te schaffen.
Bij brief van 3 februari 2015 heeft de Minister van Veiligheid en Justitie de Tweede Kamer der Staten-Generaal nader geïnformeerd over de voorgenomen modernisering van het Wetboek van Strafvordering, namelijk door het overleggen van een zogeheten Contourennota.
De nota houdt onder meer in dat de genoemde bewindsman het voornemen heeft om het verlofstelsel (art. 410 a) af te schaffen, een en ander in verband met bij de toepassing gerezen problemen die betrekking hebben op de bescherming van verdedigingsrechten door internationale mensenrechtenverdragen en met de hem gebleken tegenvallende effectiviteit van het verlofstelsel.
Het vorenstaande laat zien dat genoemde Verdragen (EVRM en BuPo) weliswaar beperkingen op de mogelijkheden van een rechtsmiddel (berechting in 2 instanties) in het algemeen mogelijk maken, althans niet uitsluiten, maar uitzonderingen in specifieke omstandigheden van het geval mogelijk zijn.
De bescherming, die deze Verdragen aan verdachten bieden zijn blijkbaar ook voor de Minister aanleiding in ieder geval het verlofstelsel in een nieuw Wetboek van Strafvordering af te schaffen.
Op de hoofdregel van art 404 Wetboek van Strafvordering dat in beginsel hoger beroep openstaat wordt een uitzondering gemaakt in lid 2 voor de zogenaamde bagatellen.
Zo zijn uitgesloten overtredingen waarbij met toepassing van art. 9 a Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel is opgelegd.
Aan rekwirant is met toepassing van art. 9 a Wetboek van Strafrecht geen straf opgelegd, maar is het, gelet op de opgelegde schadevergoedingsmaatregel aan een procesonbevoegde, ook een bagatelzaak? Rekwirant betoogt dat zulks niet het geval is en in het licht van genoemde Verdragen in dit geval het gerechtshof een uitzondering had dienen te maken en rekwirant in het hoger beroep had moeten ontvangen.
In dit verband nogmaals het bepaalde in art. 14 lid 5 BuPo-verdrag. Eenieder, die wegens een strafbaar feit is veroordeeld, heeft het recht de schuldigverklaring en de veroordeling opnieuw door een hoger college en overeenkomstig de wet te laten beoordelen.
Bij de interpretatie daarvan rezen onder meer wel vragen, zoals wat onder ‘overeenkomstig de wet’ moet worden verstaan en het recht op een hogere voorziening ook bestaat, indien de veroordeling een minder zwaar feit betreft.
Uit uitspraken van het VN-Mensenrechtencomité zou kunnen volgen, dat onder ‘overeenkomstig de wet’ toch een recht op hoger beroep valt af te leiden. Zie bijvoorbeeld General Comment No.32, UN Doc. CCPR/C/GC,/32, 23 augustus 2007, par. 45.
In een algemeen commentaar op art. 14 stelt het VN- Mensenrechtencomité, dat vertalingen van het woord ‘crime’ uit art. 14 lid 5 er op duiden dat het recht op hoger beroep niet alleen geldt ten aanzien van zware delicten (zie commentaar uit vorige alinea No. 32 d.d. 23 augustus 2007.
Al wordt in de literatuur verondersteld dat het comité toch (ook) belang hecht aan de zwaarte van de sanctie.
Daar komt bij dat Nederland ten aanzien van art. 14 lid 5 een voorbehoud heeft gemaakt en Uw Raad klachten over schending van art. 14 lid 5 tot op heden heeft verworpen, omdat deze bepaling zich niet leent voor rechtstreekse toepassing door de rechter, zodat deze niet kan worden aangemerkt als eenieder verbindende bepaling in de zin van art. 94 Gw.
In ECLI:NL:HR:2011:BQ7790, NJ 2013/533 toetste Uw Raad wel aan art. 14 lid 5 BuPo-verdrag, zij het dat het beroep op dit artikel werd verworpen.
Uw Raad oordeelde dat art. 14 lid 5 BuPo-verdrag zich niet verzet tegen niet-ontvankelijk verklaring van het door verdachte ingestelde hoger beroep op de op art. 416 lid 2 Wetboek van Strafvordering gebaseerde grond (geen grieven opgegeven.).
In de visie van rekwirant zou zulks in het onderhavige geval mogelijk wel tot toetsing aan art. 14 lid 5 BuPo-verdrag moeten leiden, mede ook nu het geen bagatel zaak betreft, gelet op de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
Art 6 EVRM daarnaast geeft op zich evenmin de veroordeelde recht op een nieuwe behandeling van zijn zaak in hoger beroep.
Teneinde het verschil tussen beide verdragen op te heffen, is Protocol 7 opgesteld dat in art. 2 wel een recht op hoger beroep garandeert.
Dit Protocol 7 EVRM is door Nederland echter (nog) niet geratificeerd. Zulks werd aanvankelijk door de regering niet wenselijk geacht vanwege juist dit gegarandeerde recht op hoger beroep.
In 2009 heeft de regering echter aangegeven dit standpunt niet langer meer te huldigen (Kamerstukken II 2008/09, 31700-V, p.4)!
Desalniettemin heeft Nederland het Protocol tot op heden niet geratificeerd, nu het volgens de regering geen prioriteit heeft?
Zie verder Kamerstukken II 2012/13, 33400-V, p. 5 (antwoord op vraag 10); en Kamerstukken II 2015/16, 34300-V, 54, lijst II, p.1.
Uit het vorenstaande valt af te leiden, dat er geen principiële bezwaren (meer) tegen erkenning van het recht op hoger beroep (berechting altijd in 2 instanties) lijken te bestaan.
Art. 14 BuPo-verdrag heeft verder ten opzichte van het EVRM voor de Nederlandse praktijk wel degelijk meerwaarde is de conclusie.
Rekwirant meent, gelet op al het vorenstaande, dat in haar zaak voldoende belang en reden was om een uitzondering op art 404 lid 2 Wetboek van Strafvordering mogelijk te maken en het gerechtshof haar in het appel had dienen te ontvangen.
Dat
Op vorenstaande grond het U, Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 11 februari 2019
Raadsman,
J.T.C.M. Crepin