Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.4.4
4.4.4 Is doelwijziging geoorloofd?
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS387352:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Van der Grinten 2-II 1991/495 en Asser/Van der Grinten & Maeijer 2-II 1997/495.
In dat geval kan de rechtbank echter ook de statuten wijzigen teneinde ontbinding te voorkomen (artikel 2:294 lid 3 BW).
Quist 2008.
Zie Asser/Rensen 2-III* 2012/361 en Snijder-Kuipers 2010, p. 122.
Door de statuten in te schrijven bij het handelsregister maakt een stichting een statutenwijziging in beginsel voldoende bekend en begint de termijn te lopen, tenzij de belanghebbende eerder van het besluit kennis heeft kunnen nemen. Zie Rechtbank Alkmaar/Hof Amsterdam 31 oktober 2012, RO 2014/52. De Rechtbank Utrecht oordeelde in 1974 dat een bestuursbesluit tot statutenwijziging, hoewel formeel op de juiste wijze tot stand gekomen, aanvechtbaar was wegens strijd met de goede trouw (Rechtbank Utrecht 11 oktober 1974, NJ 1975, 262).
Indien een stichtingsorgaan op grond van de statuten bevoegd is om het doel te wijzigen, is het orgaan – anders dan de rechter – niet op grond van de wet, althans niet uitdrukkelijk, gehouden om een nieuw doel aan te wijzen dat verwant is aan het bestaande doel. Betekent dit dat het wijzigingsbevoegde stichtingsorgaan volledig vrij is in het aanwijzen van een nieuw doel?
Evenals voor de rechter geldt mijns inziens als uitgangspunt voor het bestuur en de raad van toezicht dat getracht moet worden zo veel mogelijk aansluiting te houden bij het – op dat moment – in de statuten geformuleerde doel. De oprichter kan echter bewust aan het bestuur en/of de raad van toezicht meer vrijheid en flexibiliteit ten aanzien van doelwijziging hebben geboden.
Het bestuur en de raad van toezicht die tot doelwijziging willen overgaan dienen echter niet alleen met het belang van de oprichter – welk belang mede tot uitdrukking komt in het doel en de overige bepalingen in de statuten – rekening te houden, maar ook met de belangen van anderen die bij de stichting zijn betrokken.
Van der Grinten, Maeijer en Rensen
Van der Grinten en Maeijer meenden dat een statutaire wijzigingsbevoegdheid restrictief moet worden uitgelegd:
“Indien wijziging van het doel is toegelaten, betekent dit niet een algehele vrijheid van de instantie die tot wijziging bevoegd is. Bij de vereniging kan men stellen dat het doel waarvan wijziging niet statutair is uitgesloten, ter dispositie van de leden staat. De verenigde leden – de algemene vergadering – kunnen door middel van statutenwijziging het doel van hun samenwerkingsverband veranderen. Het doel van de vereniging kan ‘naar willekeur’ van de leden worden gewijzigd. Bij de stichting ligt dit anders. De stichting is niet een samenwerkingsverband van leden. Hoofdregel bij stichtingen is dat de statuten niet kunnen worden veranderd. Een statutaire wijzigingsbevoegdheid moet restrictief worden verstaan. Een wijziging van het doel behoort slechts plaats te vinden, indien gewijzigde omstandigheden dit wenselijk doen zijn; de wijziging zal voorts het karakter van de werkzaamheden van de stichting zoveel mogelijk intact moeten laten.
Tot verdergaande wijziging ontbreekt de bevoegdheid. Iedere belanghebbende zal een vordering kunnen instellen tot verklaring voor recht, dat het wijzigingsbesluit nietig is.”1
Rensen schrijft zijn bewerking van Asser echter:2
“Anders dan Maeijer zou ik menen dat, gelet op de autonomie van de oprichter en anderen die de inhoud van statuten kunnen bepalen, meer betekenis moet worden toegekend aan de formulering van de wijzigingsbevoegdheid in de statuten. In het bijzonder ten aanzien van doelomschrijvingen wordt in de praktijk wel wijziging daarvan uitgesloten of onderworpen aan goedkeuring van een ander orgaan of externe instantie. Is een dergelijke beperking niet opgenomen in de statuten dan is er in beginsel geen aanleiding om een voorgenomen wijziging van de doelomschrijving niet toelaatbaar te achten, maar dit kan anders zijn op grond van de aard van de wijziging in verband met de oorspronkelijke activiteiten van de stichting.”
Begrijp ik het goed dan meent hij – mijns inziens terecht – dat aan de oprichter vrijheid moet worden gelaten om een stichtingsorgaan de bevoegdheid te geven om zelfs een ingrijpende doelwijziging door te voeren. Soms bestaan er immers weinig bezwaren tegen een statutenwijziging die inhoudt dat het doel ingrijpend wordt gewijzigd, aangezien dit – al dan niet bewust gewenste – flexibiliteit biedt. Bovendien voorkomt de bevoegdheid om de statuten te wijzigen dat de stichting ontbindbaar wordt omdat het doel niet meer kan worden bereikt (artikel 2:301 lid 1 sub b BW). Wanneer een stichting geen vermogen meer heeft of het vermogen onvoldoende is om het stichtingsdoel te verwezenlijken en het bovendien niet waarschijnlijk is dat de stichting binnen afzienbare tijd wel voldoende vermogen heeft (artikel 2:301 lid 1 sub a BW) kan een stichting worden ontbonden door de rechter.3 De bevoegdheid om het doel te wijzigen zou dit kunnen voorkomen.
Terughoudendheid in verband met doelgebondenheid van het vermogen
Quist merkt – naar mijn mening eveneens terecht – op dat het bestuur bij besluiten tot doelwijziging terughoudendheid dient te betrachten indien de stichting vermogen heeft dat met een bepaald doel bijeen is gebracht.4 Een doelwijziging betekent, in het geval dat de stichting vermogen heeft, dat de bestemming van het doelvermogen gewijzigd wordt. Anders dan bij omzetting is de wettelijke regeling omtrent beklemd vermogen (artikel 2:18 lid 6 BW, waarover hierna in par. 4.5.3 meer) bij een statutenwijziging niet van toepassing. Indien een stichting begunstigden van het stichtingsvermogen heeft, heeft doelwijziging bovendien mogelijk (ingrijpende) consequenties voor die begunstigden, die op een dergelijke wijziging vaak geen invloed hebben. Degenen die hebben bijgedragen aan het vermogen van de stichting, zoals bijvoorbeeld donateurs, vertrouwden er op dat het gevormde vermogen zou worden aangewend ter bereiking van het voorgehouden stichtingsdoel. Bovendien zijn donateurs en begunstigden vaak niet bij de organisatie van de stichting betrokken; zij zijn relatieve buitenstaanders.
Betrokken belangen
Bij een besluit tot doelwijziging dient het bestuur de bij de stichting betrokken belangen in acht te nemen. De vraag of een besluit tot wijziging geoorloofd is, hangt dus samen met de bij de stichting betrokken belangen (zie hierover ook paragraaf 6.2). In lijn met Quist meen ik dat in het bijzonder rekening gehouden dient te worden met de belangen van degenen die hebben bijgedragen aan de totstandkoming van het stichtingsvermogen, maar ook met de belangen van degenen die op grond van het stichtingsdoel bepaalde verwachtingen hebben, zoals de begunstigden.
Als het wijzigingsbevoegde orgaan zelf het vermogen heeft bijeengebracht, lijkt een wijziging minder snel ongeoorloofd dan wanneer het vermogen is gevormd door bijdragen van derden, zeker als deze derden niet met de wijziging (kunnen) instemmen. Een ingrijpende wijziging van het doel van een fondsenwervende instelling zou bijvoorbeeld onredelijk kunnen zijn, aangezien donateurs destijds een donatie hebben gedaan voor een specifiek doel. Andere bij de stichting betrokken belangen kunnen zijn de belangen van degenen ten opzichte van wie de stichting contractuele verplichtingen is aangegaan. Indien aan de stichting een onderneming is verbonden, kunnen ook de belangen van bijvoorbeeld werknemers betrokken zijn (zie ook paragraaf 6.2 en 6.5 hierna).
Aard van de wijzigingen
Voor de vraag of een wijziging geoorloofd is, is van belang hoe ver het nieuwe doel verwijderd is van het oorspronkelijke doel en de oorspronkelijke activiteiten van de stichting.5 Bovendien dient gekeken te worden naar de aard van de wijzigingen. Ik meen dat in dit verband relevant is om een onderscheid te maken tussen de voornaamste, primaire statutaire doelstellingen en de meer “ondersteunende” doelstellingen. Bijvoorbeeld: een stichting die ten doel heeft een bepaalde ziekte te bestrijden, kan als “ondersteunende doelstelling” hebben: het organiseren van lezingen en wetenschappelijke congressen. Wijziging van dergelijke ondersteunende doelstellingen zal minder snel ongeoorloofd zijn, zeker als de nieuwe ondersteunende doelstellingen de hoofddoelstelling beter dragen.
Vernietigingsgronden
De vrijheid van het bestuur en de raad van toezicht, indien deze is ingesteld, wordt dus in zoverre beperkt dat niet iedere wijziging geoorloofd is jegens degenen die bij de stichting zijn betrokken (de belanghebbenden). Een besluit tot doelwijziging kan onder omstandigheden door een dergelijke belanghebbende worden aangetast. Een besluit tot doelwijziging kan – ook als wijziging op grond van de statuten is toegestaan – in bepaalde gevallen jegens belanghebbenden in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn. Deze belanghebbenden kunnen met een beroep op van artikel 2:15 lid sub b BW het besluit tot doelwijziging trachten te vernietigen. Of een dergelijk beroep slaagt hangt als gezegd mede af van de vraag hoe ver het nieuwe doel verwijderd is van het oorspronkelijke doel.
Voor een beroep op de vernietigingsgrond van artikel 2:15 BW geldt een korte termijn van een jaar, die ingaat na het einde van de dag waarop, hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van het besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd (artikel 2:15 lid 5 BW).
Een belanghebbende, die de notulen van de vergadering waarin is besloten tot statutenwijziging of de akte van statutenwijziging niet heeft gelezen, zal al snel aanlopen tegen deze vervaltermijn.6
Vastleggen van overwegingen
Indien het bestuur en/of de raad van toezicht veel vrijheid tot wijziging van het doel hebben gekregen, maar er verschillende belanghebbenden zijn betrokken, kan het dus verstandig zijn om zo veel mogelijk aan te sluiten bij (de strekking van) het oorspronkelijke doel. Indien het bestuur en/of de raad van toezicht een wijziging van het doel gewenst achten, bijvoorbeeld omdat het huidige doel sterk verouderd is of andere omstandigheden wijziging noodzakelijk maken, zouden zij er voor kunnen er voor kiezen om hun motivering, dat wil zeggen: de overwegingen die hebben geleid tot het vaststellen van een nieuw afwijkend doel, schriftelijk vast te leggen. Gedacht kan worden aan het vastleggen van deze overwegingen in de statuten zelf (de statuten zijn middels het handelsregister immers voor derden inzichtelijk) of in de overwegingen van de akte voorafgaand aan de tekst van de nieuwe statuten.