Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/5.6
5.6 Mogelijke andere grondslagen in de toekomst
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS494690:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge), § 68: ‘Their relations lies, inter alia, in protecting the ‘person charged’ against improper compulsion by the authorities and thereby contributing to the avoidance of miscarriages of justice and to the fulfillment of the aims of Article 6.’
In pt. 9 van zijn dissenting opinion bij EHRM 17 december 1996 (Saunders t. Verenigd Koninkrijk),BNB 1997/254 (m.nt. Feteris); NJ 1997, 699 (m.nt. Knigge), merkt rechter Martens de onschuldpresumptie aan als zelfstandige ratio van het recht tegen gedwongen zelfbelasting.
In zijn overwegingen betreffende de ratio van het recht tegen gedwongen zelfbelasting maakt het EHRM consequent een voorbehoud.1 Dit samen met het sterk feitelijke en (daarom) open en dynamische karakter van dit recht, maakt dat niet kan worden uitgesloten dat het Hof bij de beoordeling van toekomstige klachten, doel en strekking van het recht tegen gedwongen zelfbelasting zal verbreden of verfijnen. Bijvoorbeeld wanneer het van oordeel is dat sprake is van een schending die niet (voldoende) kan steunen op de al erkende grondslagen. Ik wijs hier ook op de meer genoemde dissenting opinion van rechter Martens bij de zaak Saunders. Daarin oppert hij dat de kwalificatie in die zaak van het recht tegen gedwongen zelfbelasting als ‘lying at the heart of the notion of a fair procedure’, onvoldoende wordt gerechtvaardigd door het voorkomen van rechterlijke dwalingen en de onschuldpresumptie.2 Reden waarom hij vermoedt dat er andere, niet door het Hof erkende ratio’s aan die kwalificatie hebben bijgedragen.
Niet gecultiveerde ratio’s van het recht tegen gedwongen zelfbelasting
De vraag is welke ratio’s dat kunnen zijn. In hoofdstuk 1 kwam ter sprake dat nemo tenetur een vrij lange geschiedenis kent. Slechts enkele van de (mogelijke) grondslagen die gaandeweg in de doctrine en rechtspraak zijn ontwikkeld, keren uitdrukkelijk terug in de Straatsburgse rechtspraak, in het bijzonder de deugdelijkheid van het bewijs en – als dilemma – de keuzevrijheid tussen zwijgen en verklaren. Tegelijk is het zo dat de grondslagen die daarin niet uitdrukkelijk terugkeren, goeddeels een precisering of afgeleide zijn van de door het Hof erkende grondslagen. Vgl. de instandhouding van het adversaire strafgeding en het respecteren van de morele autonomie.
Minder voor de hand liggend is mijns inziens dat het Hof één of meer grondslagen zou erkennen die min of meer losstaan van de integriteit van het strafproces (vgl. de onschendbaarheid van de privacy ex art. 8 EVRM).