Einde inhoudsopgave
Aanwijzing kader voor toepassing van voorwaarden, gedragsaanwijzingen en maatregelen (2023A004)
5.2 Vrijheidsbeperkende maatregel ex art. 38v Sr
Geldend
Geldend vanaf 01-01-2024
- Redactionele toelichting
De datum van afkondiging is de datum van de Staatscourant. Herplaatst in Staatscourant 32927-n1 van 15-01-2024.
- Bronpublicatie:
30-11-2023, Stcrt. 2023, 32927 (uitgifte: 30-11-2023, regelingnummer: 2023A004)
- Inwerkingtreding
01-01-2024
- Bronpublicatie inwerkingtreding:
30-11-2023, Stcrt. 2023, 32927 (uitgifte: 30-11-2023, regelingnummer: 2023A004)
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Sancties
Strafprocesrecht / Tenuitvoerlegging
Strafprocesrecht / Voorfase
Art. 38v Sr voorziet in de mogelijkheid tot vordering van vrijheidsbeperkende maatregelen als zelfstandige sanctie via de rechter. Een vrijheidsbeperkende maatregel kan alleen worden gevorderd wanneer de veroordeling wegens een strafbaar feit wordt gevorderd. Dat kan ook als daarvoor geen straf of maatregel wordt geëist op grond van art. 9a Sr.
De maatregel dient te strekken tot beveiliging van de maatschappij of tot voorkoming van strafbare feiten (art. 38v lid 1 Sr). Bij dat eerste wordt met name gedoeld op het voorkomen van belastend gedrag jegens personen.
In art. 38v lid 2 Sr is een limitatieve opsomming1. gegeven van de mogelijke maatregelen: een gebiedsverbod, een contactverbod, een locatiegebod of een meldplicht bij de politie. Deze maatregelen kunnen cumuleren, maar die cumulatie mag in het licht van de ernst van het feit niet onevenredig bezwarend zijn.
De vrijheidsbeperkende maatregel kan zowel bij (relatief) lichte als zwaardere feiten worden ingezet.
Bij oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel wordt tevens door de rechter bevolen dat vervangende hechtenis zal worden toegepast indien de maatregel niet wordt nageleefd (art. 38w lid 1 Sr). In beginsel vordert het OM één week vervangende hechtenis voor iedere overtreding.
Binnen het voorwaardelijk kader van de voorwaardelijke veroordeling kan worden gewerkt aan gedragsverandering door het toezicht van de reclassering. Dat kan niet binnen het kader van een vrijheidsbeperkende maatregel. In bepaalde gevallen kan het echter de voorkeur verdienen om (ook) een vrijheidsbeperkende maatregel te vorderen voor oplegging van een contactverbod, locatieverbod en/of locatiegebod. Bij de vrijheidsbeperkende maatregel hangt de mogelijkheid om overtreding van het verbod of gebod te sanctioneren niet af van de hoogte van het (resterende) voorwaardelijk strafdeel. Voorts gaat het sanctioneren van overtreding van het verbod of gebod niet ten koste van een voorwaardelijk strafdeel indien naast de vrijheidsbeperkende maatregel een voorwaardelijke straf wordt opgelegd met andere voorwaarden. De eisen aan dadelijke uitvoerbaarheid zijn verder minder zwaar. Wel is het zo dat bij de vrijheidsbeperkende maatregel ex 38v Sr de vervangende hechtenis gemaximeerd is tot 6 maanden en de vervangende hechtenis in beginsel is beperkt tot één week.
Binnen de jurisprudentie wordt verschillend gedacht over de mogelijkheid om elektronisch toezicht te koppelen aan de vrijheidsbeperkende maatregel.2. Het OM gaat ervan uit dat dit wel kan.3. Bij het vorderen van de vrijheidsbeperkende maatregel met elektronisch toezicht dient zekerheidshalve subsidiair altijd een voorwaardelijke veroordeling met contactverbod, locatieverbod en/of locatiegebod te worden gevorderd met elektronisch toezicht. De vrijheidsbeperkende maatregel met elektronisch toezicht wordt slechts (primair) gevorderd indien dat om bovengenoemde redenen de voorkeur verdient. Als dadelijke uitvoerbaarheid van bijzondere voorwaarden haalbaar is en een voorwaardelijke strafdeel niet te kort zal zijn, wordt een voorwaardelijke veroordeling met elektronisch toezicht gevorderd.
Voorts kan een voorwaardelijke veroordeling de voorkeur verdienen boven een vrijheidsbeperkende maatregel, als de periode van de maatregel met elektronisch toezicht niet gelijktijdig zal lopen met een proeftijd van andere bijzondere voorwaarden. Elektronisch toezicht kan een bijdrage leveren aan gedragsverandering tijdens het reclasseringstoezicht op de bijzondere voorwaarden. Een mogelijkheid is ook om zowel de vrijheidsbeperkende maatregel als bijzondere voorwaarden met elektronisch toezicht (primair) te vorderen.
Een vrijheidsbeperkende maatregel met elektronisch toezicht wordt slechts (primair) gevorderd nadat de reclasseringsofficier of bij diens afwezigheid een senior officier van justitie daarmee heeft ingestemd.
Voor het vorderen van elektronisch toezicht gelden de voorschriften in de Aanwijzing voorwaardelijke straffen en schorsing van voorlopige hechtenis onder voorwaarden. De officier van justitie dient bij een vrijheidsbeperkende maatregel met elektronisch toezicht nadrukkelijk te vorderen dat de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de vrijheidsbeperkende maatregel door middel van elektronisch toezicht.
Voetnoten
Op grond van artikel 8.11a Wet Dieren is het naast een gebiedsverbod ook mogelijk om een vrijheidsbeperkende maatregel betreffende een houdverbod dieren op te leggen. Dit artikel kan worden beschouwd als een lex specialis ten opzichte van artikel 38v Sr.
In Rechtbank Gelderland 7 februari 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:462 werd elektronisch toezicht gekoppeld aan de vrijheidsbeperkende maatregel.
De achtergrond van dit standpunt is als volgt: Weliswaar is anders dan bij 38v Sr bij de voorwaardelijke kaders waarbij elektronisch toezicht mogelijk is dit expliciet bepaald in de betreffende wetsbepalingen maar de wetgever heeft bij gelegenheid van de behandeling van het wetsvoorstel waarmee 38v Sr is ingevoerd nimmer uitdrukkelijk elektronisch toezicht (ET) uitgesloten. Wel heeft de wetgever aangegeven dat ET niet met de met de maatregel beoogde geringe beperking van de vrijheid van bewegen van de veroordeelde in verhouding lijkt te staan. Deze voorzichtige formulering sluit ET wat het OM betreft niet uit. Dit kan immers ook zo worden gelezen dat (bijv. als 38v Sr wordt toegepast bij lichtere feiten) de beperking van de vrijheid gering kan zijn en dat daarbij dan geen ET past. Wanneer de vrijheidsbeperking meer dan gering is (bijv. als 38v Sr wordt toegepast terzake zwaardere feiten) dan past ET daar wel bij. In die situaties wordt dan ook wat het OM betreft geen reden gezien om ET niet mogelijk te achten. ET is als gezegd mogelijk langs de weg van 14c Sr en zelfs voor een veel langere duur (tien in plaats van vijf jaar). Er valt niet in te zien waarom ET niet bij de maatregel die ’maar’ vijf jaar mag duren mag worden toegepast, maar wel bij potentieel langer durende interventie van 14c Sr. Verder speelt mee dat net als bij 14c Sr uiteindelijk de rechter beslist over ET; er is dus altijd een rechterlijke toets. De rechter bepaalt de uiteindelijk vrijheidsbeperking (gering of niet) en het bijbehorende handhavingsregime. En als de rechter tot ET beslist, is er gegeven bovenstaande interpretatie weinig reden om dat als OM niet te vorderen.