Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.4.3
4.4.3 Doelwijziging door de rechter
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS384889:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Blanco Fernández schrijft in zijn noot bij HR 12 mei 2000, JOR 2000/145 (Geestelijk Leider) dat een van de gevolgen van de erkenning van vrijheid van statutaire inrichting is dat de wet van de rechter een groot respect eist voor de in de statuten neergelegde wil van de oprichter. De oprichters van Stichting Islamitisch Sociaal Cultureel Centrum voor Flevoland (“ISCC”) hadden in de statuten vergaande bevoegdheden toegekend aan de Geestelijk Leider, waaronder de bevoegdheid het bestuur gevraagd en ongevraagd bindend advies te geven. Het bestuur van de stichting wenste enkele bepalingen in de statuten die de bevoegdheden van de Geestelijk Leider betroffen te schrappen. De voor statutenwijziging vereiste goedkeuring van de Geestelijke Leider verkregen zij niet. Zij verzochten de rechtbank machtiging te verlenen de statuten van de stichting te wijzigen overeenkomstig het door hun opgestelde concept van de akte van statutenwijziging. Het verzoek tot statutenwijziging werd in alle instanties afgewezen. Ook de Hoge Raad oordeelde dat het verzoek tot statutenwijziging moest worden afgewezen. Hoewel het hier niet ging om een doelwijziging maar om wijziging van bepalingen die vergaande bevoegdheden gaven aan de Geestelijk Leider, is interessant de overweging van de Hoge Raad dat niet was gebleken dat de oprichters de statutaire positie van de Geestelijk Leider niet zouden hebben gewild. Overigens kan de rechter, indien hij het verzoek tot statutenwijziging afwijst, ambtshalve de stichting ontbinden (artikel 2:301 lid 2 BW), zo volgt ook uit dit arrest. Een voorbeeld van het toewijzen van een verzoek tot wijziging van de statuten is Hof Amsterdam 30 mei 2017, ECLI:GHAMS:2017:2070. Anders dan de Rechtbank wees het Hof het verzoek tot statutenwijziging toe en oordeelde dat de onduidelijkheid (in feite: tegenstrijdigheid) in de statuten van de stichting wat betreft de wijze van benoeming van bestuurders bij oprichting redelijkerwijs niet kan zijn gewild.
Kamerstukken II 1954-1955, 3463, nr. 3, p. 9-10.
Anders dan nu bepaalde artikel 9WS 1956 dat de rechtbank geen wijziging kan brengen “in het doel of de doelomschrijving voor zover de statuten deze wijziging hebben uitgesloten”. De mogelijkheid van wijziging door de rechtbank werd in een dergelijk geval dus niet geboden, ook niet indien handhaving van het doel leidt tot gevolgen die bij de oprichting redelijkerwijs niet gewild kunnen zijn. De MvT (Kamerstukken II 1954- 1955, 3463, nr. 3, p. 9-10) vermeldt hierover: “De wil van de stichter bij de oprichting is aldus de rechter tot richtsnoer gegeven. Vandaar ook, dat de door de rechter vast te stellen wijzigingen zo min mogelijk mogen afwijken van de statuten, waarvan wijziging wordt gevraagd. En vandaar dan ook, dat wanneer de statuten doelwijziging hebben uitgesloten, de rechter deze niet mag aanbrengen. In aansluiting aan hetgeen in overeenkomstige gevallen door de jurisprudentie is uitgemaakt, zal de bepaling welke wijziging van doel uitsluit, ook zelf niet voor wijziging vatbaar zijn (Vgl. artikel 45, 2e en 3e lid W.v.K.). Is ongewijzigde handhaving van het doel niet mogelijk, omdat het oorspronkelijke doel is bereikt, of niet meer bereikt kan worden, en hebben de statuten wijziging van het doel uitgesloten, dan zal ontbinding van de stichting moeten worden uitgesproken cf. artikel 15, lid 1, onder c.”
Door de veranderde omstandigheden kan ongewijzigde naleving van andere statutaire bepalingen eveneens tot ongewenste gevolgen leiden. Bijvoorbeeld de bepaling dat een bepaalde persoon het bestuur benoemt. Wanneer deze persoon is overleden moet de wijze van benoeming worden herzien, aldus de MvT.
Polak 1956, p. 108.
Van der Burg 1999, p. 29 e.v.
Een voorbeeld van toewijzing door de rechter van een verzoek tot wijziging van het statutaire doel is Rechtbank Breda 20 december 1996, TVVS 1997, 49 met noot W.J. Slagter, zie ook de andere voorbeelden hierna.
De Duitse stichting (Stiftung) is geregeld op Bondsstaatniveau in artikel 80-88 BGB (het Duitse Bürgerliches Gesetzbuch) en, in aanvulling daarop, op deelstaatniveau in afzonderlijke stichtingenwetten. In Duitsland kunnen de statuten van een Stiftung worden gewijzigd door een stichtingsorgaan indien de statuten dit bepalen. De statuten kunnen bovendien worden gewijzigd door de (deelstaat)overheid indien wijziging van het doel noodzakelijk is omdat het doel niet meer bereikt kan worden of wanneer een wijziging gewenst is met het oog op het algemeen belang (par. 87 lid 1 BGB). Par. 87 lid 3 BGB schrijft voor dat bij doelwijziging het bestuur van de stichting gehoord moet worden. Bij een doelwijziging moet volgens de BGB bovendien de wil van de stichter in acht genomen worden (par. 87 lid 2 BGB). In het bijzonder dient er voor gezorgd te worden dat opbrengsten van het stichtingsvermogen na wijziging ten goede blijven komen aan de groep van personen die de oprichter voor ogen had. Par. 87 BGB (Zweckänderung; Aufhebung) luidt letterlijk als volgt: (1)Ist die Erfüllung des Stiftungszwecks unmöglich geworden oder gefährdet sie das Gemeinwohl, so kann die zuständige Behörde der Stiftung eine andere Zweckbestimmung geben oder sie aufheben. (2)Bei der Umwandlung des Zweckes soll der Wille des Stifters berücksichtigt werden, insbesondere soll dafür gesorgt werden, dass die Erträge des Stiftungsvermögens dem Personenkreis, dem sie zustatten kommen sollten, im Sinne des Stifters erhalten bleiben. Die Behörde kann die Verfassung der Stiftung ändern, soweit die Umwandlung des Zweckes es erfordert. (3)Vor der Umwandlung des Zweckes und der Änderung der Verfassung soll der Vorstand der Stiftung gehört werden.
Quist 2015. Quist merkt op dat dit in de praktijk het nodige gewicht in de schaal blijkt te leggen. Als de oprichter is overleden kan het in sommige gevallen helpen als de erven van oprichter het verzoek ondersteunen.
Hof Amsterdam 26 april 2001, weergegeven in HR 7 december 2001, NJ 2002, 27 (Stichting Henriëtte Sara de Lanoy Meijer). Zie hierover Dijk/Van der Ploeg 2013, par. 12.3, p. 338-339.
R.o. 2.6.
R.o. 2.13.
Hof Arnhem 9 maart 2006, JOR 2006/121 (Stichting Werkmansbelang Beuningen-Weurt).
Hof Amsterdam 14 april 2016, JOR 2016/154 met noot Blanco Fernández.
Rechtbank Amsterdam 23 april 2015, JOR 2015/202 (Stichting Fonds Nederlands Sanatorium te Davos) met noot Quist die de in het verzoekschrift voorgestelde introductie van de mogelijkheid tot onbeperkte wijziging van de statuten verstrekkend en onvoldoende onderbouwd noemt. Quist noemt het verzoekschrift in dit geval kansloos aangezien niet in strikte zin werd voldaan aan de wettelijke criteria voor wijziging en de voorgestelde wijzigingen verstrekkender waren dan door veranderde tijden werd gerechtvaardigd. Zie ook Quist 2015.
Zie noot Blanco Fernández en r.o. 2.3 van de Rechtbank-beschikking.
Hof Amsterdam 26 april 2001 weergegeven in HR 7 december 2001, NJ 2002, 27 (Henriëtte Sara de Lanoy Meijer Stichting). Dijk/Van der Ploeg 2013, par. 12.3, p. 338- 339.
Dijk/Van der Ploeg 2013, par. 12.3, p. 338-339.
Van der Ploeg 2011, p. 92.
Het huidige stichtingenrecht (artikel 2:294 lid 1 BW) biedt, evenals de eerste regeling in de WS 1956 (artikel 9WS 1956), de rechtbank de bevoegdheid om op verzoek de statuten te wijzigen. De tekst van artikel 9 WS 1956 en artikel 2:294 BW is echter wat betreft wijziging van het statutaire doel verschillend. De huidige bepaling (leden 1 en 2 van artikel 2:294 BW) luidt als volgt:
Artikel 2:294 BW
Indien ongewijzigde handhaving zou leiden tot gevolgen die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild, en de statuten de mogelijkheid van wijziging niet voorzien, of zij die tot wijziging bevoegd zijn zulks nalaten, kan de rechtbank op verzoek van een oprichter, het bestuur of het openbaar ministerie de statuten wijzigen.
De rechtbank wijkt daarbij zo min mogelijk van de bestaande statuten af; indien wijziging van het doel noodzakelijk is, wijst zij een doel aan dat aan het bestaande verwant is. Met inachtneming van het vorenstaande is de rechtbank bevoegd, zo nodig, de statuten op andere wijze te wijzigen dan is verzocht.
De rechtbank is dus bevoegd om (a) de statuten niet te wijzigen; (b) de statuten te wijzigen overeenkomstig het verzoek; of (c) de statuten anders te wijzigen dan is verzocht.
Wil van de stichter
De wet gaat er van uit dat de rechter de wil van de oprichter, zoals deze in de statuten tot uitdrukking komt, zo veel mogelijk eerbiedigt. Dat de intenties van de oprichter van belang zijn volgt uit de wetsgeschiedenis en uit jurisprudentie.1 Over de vraag wanneer ongewijzigde handhaving van de statuten zou leiden tot gevolgen die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild zegt de MvT bij artikel 9WS 1956 het volgende:
“De wil van de stichter bij de oprichting is, zoals hierboven gezegd, de rechter voor zijn beslissing als richtsnoer gegeven, d.w.z. de rechter heeft rekening te houden met die wil, getransponeerd naar de huidige omstandigheden. De term “redelijkerwijze” brengt bij de beoordeling een objectief element naar voren.”2
De WS 1956
De mogelijkheid voor de rechter om het doel te wijzigen, indien de statuten dit niet toelaten, bestond nog niet onder de WS 1956. Volgens de MvT bij de WS 1956 moest de rechter ontbinding van de stichting uitspreken als ongewijzigde handhaving van het doel niet mogelijk is omdat het oorspronkelijke doel is bereikt of niet meer bereikt kan worden en de statuten de wijziging van het doel hebben uitgesloten.3 Om ontbinding van de stichting te voorkomen was het dus noodzakelijk bij de oprichting te bepalen dat het doel gewijzigd kan worden.
De Minister noemde het dan ook, blijkens de MvT bij de WS 1956, mede om die reden raadzaam om doelwijziging in de statuten mogelijk te maken. Doelwijziging kan om verschillende redenen nodig zijn, aldus de MvT. Ten eerste is het mogelijk dat het statutaire doel verwezenlijkt is. In de MvT wordt als voorbeeld een stichting pensioenfonds genoemd die is opgericht voor een bepaalde onderneming terwijl de onderneming niet meer bestaat en de beneficianten zijn overleden. De beschikbare gelden behoren in dat geval een andere bestemming te krijgen, aldus de MvT. Ten tweede kan wijziging van het statutaire doel noodzakelijk zijn indien een stichting een doel heeft dat door veranderde wetgeving niet meer verwezenlijkt kan worden. Tot slot wordt in de MvT de mogelijkheid genoemd dat weliswaar het statutaire doel de facto nog wel te bereiken is, maar dat de veranderde omstandigheden ongewijzigde naleving van het statutaire doel ongewenst maken. Daarbij werd het voorbeeld van een aanvankelijk “rijke” stichting genoemd die jaarlijks tientallen studiebeurzen verleent. Statutenwijziging tot inkrimping van het aantal beurzen op grond van achteruitgang van het kapitaal van de stichting kan noodzakelijk zijn om beter aan het doel te kunnen beantwoorden, aldus de MvT.4
Ook Polak merkte op dat ter voorkoming van moeilijkheden statutenwijziging goed geregeld moet worden en dat het bijvoorbeeld praktisch is te bepalen dat het doel slechts kan worden gewijzigd met toestemming van een “nader te bepalen autoriteit”.5
Wijziging wettekst in Invoeringswet NBW
In 1992 werd bij de Invoeringswet NBW de wettekst over statutenwijziging aangepast en kwam deze te luiden zoals thans is neergelegd in artikel 2:294 lid 2 BW. In de MvT is te lezen:
“De wet maakt een rechterlijke wijziging van de statuten mogelijk, doch verbiedt wijziging van het doel en doelomschrijving, indien de statuten die hebben uitgesloten. In deze tijd van snelle wisseling van technische mogelijkheden en sociale omstandigheden, is deze beperking niet wenselijk, en de voorgestelde wijziging strekt ertoe, haar weg te nemen, zij het onder het voorschrift dat de rechter bij wijziging van het bestaande doel een verwant doel moet uitkiezen.”6
In de literatuur werd opgemerkt dat de rechtsorde er belang bij heeft om ‘verstening’ tegen te gaan.7 Sommige auteurs meenden – mijns inziens terecht – dat de oprichter van een stichting de aanwending van een rechtsgoed niet kan blokkeren (evenmin als de erflater en de schenker) indien gewijzigde omstandigheden of het algemeen belang zich daartegen verzetten. Doelwijziging door de rechter werd dus door de wet mogelijk gemaakt, met inachtneming van een aantal restricties.
Een verzoek tot wijziging van het stichtingsdoel kan – net als een verzoek tot wijziging van andere onderdelen van de statuten – slechts worden ingediend door de oprichter, het bestuur of het openbaar ministerie. Indien een beroep wordt gedaan op gewijzigde omstandigheden en/of het algemeen belang dient de rechter, net als bij wijziging van andere onderdelen van de statuten, op grond van lid 1 van artikel 2:294 BW te toetsen of ongewijzigde handhaving van het statutaire doel leidt tot gevolgen die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild.8 Tot slot bepaalt de wet dat de rechter een doel aanwijst dat aan het bestaande doel verwant is. Hierna worden deze restricties uitgewerkt.
Intenties van de oprichter; horen van de oprichter?
Een rechter die moet beslissen omtrent doelwijziging dient in beginsel het op dat moment in de statuten opgenomen doel zo veel mogelijk te benaderen. Het in de statuten door de oprichter omschreven doel is daarbij het uitgangspunt. Soms blijken de motieven van de oprichter echter tevens uit de considerans van de akte van oprichting. Zou een rechter er voor kunnen kiezen de oprichter die het bestaande doel vaststelde te horen, zodat hij met zijn wensen en bedoeling rekening kan houden?
In andere Europese landen, zoals Duitsland, wordt bij wijziging van het stichtingsdoel rekening gehouden met de intenties en de wil van de oprichters. De bevoegde autoriteit die wil overgaan tot doelwijziging van een Stiftung dient niet alleen de wil van de oprichter in acht te nemen maar dient ook het bestuur te horen.9 Het horen van de oprichter wordt in Nederland niet door de wet voorgeschreven, maar is ook niet verboden. In de literatuur is opgemerkt dat het mogelijk en in sommige gevallen ondersteunend aan het verzoekschrift is als de verzoeker in (bijlagen bij) het verzoekschrift aantoont dat de oprichter het verzoek tot wijziging ondersteunt.10
Nieuwe “wil van de oprichter”
Uit de MvT bij de WS 1956 is af te leiden dat het eenmaal gewijzigde doel wordt geacht de nieuwe “wil van de oprichter” te zijn:
“Indien eenmaal een wijziging van het doel in de oorspronkelijke statuten is aangebracht krachtens rechterlijke beschikking, dan wordt het gewijzigde doel geacht de wil van de stichter weer te geven, daar de stichter die wijziging heeft toegelaten door haar niet uit te sluiten en bij de doelwijziging wordt de oorspronkelijke bedoeling van de stichter zoveel mogelijk benaderd. Is nu doelwijziging opnieuw nodig, dan zal de rechter, bij de nieuwe vaststelling van het doel, aansluiting zoeken bij de “bestaande statuten”, d.z. de statuten zoals zij gewijzigd golden op het ogenblik, dat nieuwe wijziging nodig wordt.” [**]
“Wanneer een oprichter van een stichting nog leeft op het tijdstip dat de vraag van wijziging van de statuten ter sprake komt, zal zijn alsdan tot uiting komende wil niet beslissend zijn voor het oordeel van de rechter omtrent de wijziging.”11
Marginale toets; voorbeelden van doelwijziging door de rechter
De wet draagt de rechter op om bij de statutenwijziging zo min mogelijk af te wijken van de bestaande statuten en bij doelwijziging een doel aan te wijzen dat verwant is met het bestaande doel. Met andere woorden: de rechter mag het doel slechts marginaal toetsen.
– Henriëtte Sara de Lanoy Meijer Stichting
Een voorbeeld van het restrictief interpreteren van de mogelijkheid tot wijziging van het doel door de rechter is de uitspraak uit 2001 van het Hof Amsterdam inzake de Henriëtte Sara de Lanoy Meijer Stichting.12 Deze stichting had ten doel “het geven van financiële en morele steun aan bij voorkeur Protestantse inwoners van de Gemeente Driebergen-Rijsenburg, die tengevolge van hun leeftijd of andere redenen deze steun behoeven, zulks te bepalen door het bestuur”. Het bestuur van deze stichting diende bij de rechter een verzoek tot doelwijziging in omdat, bij gebrek aan verzoeken en gelet op de beperkte doelstelling van de stichting en de veranderde omstandigheden in Nederland, de stichting veel geld overhield en het vermogen van de stichting jaarlijks steeg, hetgeen volgens het bestuur niet overeenkomstig de bedoelingen van mevrouw De Lanoy Meijer is of kan zijn geweest.13 Voorgesteld werd het doel dusdanig te wijzigen dat naast het verlenen van steun aan natuurlijke personen werd toegevoegd dat steun kan worden verleend “aan in de Gemeente Driebergen-Rijsenburg gevestigde Protestantse kerkgenootschappen of aan in die gemeente gevestigde instellingen of rechtspersonen met een bij voorkeur Protestantse signatuur en voor wat betreft deze laatstbedoelde instellingen en rechtspersonen met een sociaal-culturele doelstelling, een en ander te bepalen door het bestuur”.
De Rechtbank wijst het verzoek tot verruiming van het doel toe maar het Hof vernietigt de beschikking van de Rechtbank. De doelomschrijving kan niet anders worden gelezen dan dat deze uitsluitend betrekking heeft op natuurlijke personen, aldus het Hof. Het Hof overweegt voorts dat het feit dat er slechts in geringe mate steunaanvragen worden ontvangen en als gevolg daarvan een grote hoeveelheid geld resteert nog niet betekent dat ongewijzigde handhaving van de statuten leidt tot gevolgen die bij de oprichting redelijkerwijs niet kunnen zijn gewild. Aangezien er nog voldoende mogelijkheden bestaan om overeenkomstig het oorspronkelijke doel van de stichting steun te verstrekken is er onvoldoende grond tot wijziging van de statuten.14
– Stichting Werkmansbelang Beuningen-Weurt
Een voorbeeld van een uitspraak waarin de rechter wel overging tot doelwijziging is de uitspraak van het Hof Arnhem 2006 inzake Stichting Werkmansbelang Beuningen-Weurt.15 Het doel van deze stichting was gericht op de volkshuisvesting van werknemers van de steenfabrieken in de plaatsen Weurt en Beuningen. Door het sluiten van de steenfabrieken en de ontwikkelingen op het gebied van volkshuisvesting werd het in de statuten omschreven doel, zoals dat de oprichters in 1906 voor ogen stond, door de rechter niet meer reëel geacht. Daarmee was een situatie ontstaan die bij de oprichting van de stichting niet was voorzien en die bij ongewijzigde handhaving van de statuten leidt tot gevolgen die de oprichters redelijkerwijs niet hebben gewild. In dit geval was dus het statutaire doel door tijdsverloop achterhaald.
– Stichting Fonds Nederlands Sanatorium te Davos
Een ander voorbeeld waarin het Hof Amsterdam in hoger beroep,16 anders dan de Rechtbank,17 het verzoek tot doelwijziging inwilligde, is de uitspraak uit 2016 inzake Stichting Fonds Nederlands Sanatorium te Davos. De beschikking van het Hof wekt verbazing en Blanco Fernández is in zijn noot bij de beschikking van het Hof, mijns inziens terecht, kritisch.
Het doel van de stichting was het volgende: “Het doel der stichting is het bevorderen der weldadigheid, welk doel de stichting zal trachten te bereiken door het steunen van de Vereniging tot Behartiging der Belangen van Nederlandse Longlijders, gevestigd te ’s-Gravenhage. Daartoe zal jaarlijks het gehele zuivere inkomen der stichting (...) aan genoemde Vereniging moeten worden uitgekeerd, (...), terwijl de Vereniging dit geld speciaal zal moeten besteden voor de door haar te Davos geëxploiteerde of te exploiteren inrichtingen voor weinig vermogende Nederlanders, die lijden aan tuberculose, dan wel aan astma of andere ziekten der ademhalingsorganen. (...) Indien genoemde Vereniging tot Behartiging der Belangen van Nederlandse Longlijders mocht ophouden te bestaan, of mocht ophouden te Davos inrichtingen te exploiteren voor weinig vermogende Nederlanders, die lijden aan tuberculose, dan wel astma of andere ziekten der ademhalingsorganen, zal de stichting haar doel verder trachten te bereiken door op dezelfde wijze als ten aanzien van de Vereniging tot Behartiging der Belangen van Nederlandse Longlijders is omschreven, te steunen het Nederlands Kankerinstituut te Amsterdam; mocht ook dit instituut ontbonden of geliquideerd worden (of zijn), zo zullen de inkomsten worden besteed tot bestrijding van de tuberculose in Nederland”.18
In het verzoekschrift is het volgende doel voorgesteld:
“De Stichting heeft ten doel: het bevorderen der weldadigheid, welk doel de Stichting zal bereiken door: (i) het steunen van de Vereniging Nederland Davos (voorheen Vereniging tot Behartiging der Belangen van Nederlandse Longlijders), gevestigd te ’s-Gravenhage. Daartoe zal jaarlijks het gehele zuivere inkomen der Stichting (...) aan genoemde Vereniging moeten worden uitgekeerd, (...) terwijl de Vereniging dit geld speciaal zal moeten besteden voor ‘kwaliteit van leven’ in het algemeen en in het bijzonder voor weinig vermogende Nederlanders, die lijden aan tuberculose, dan wel aan astma of andere ziekten der ademhalingsorganen en (ii) indien genoemde Vereniging Nederland Davos mocht ophouden te bestaan, dan wel geen activiteiten mocht verrichten terzake van kwaliteit van leven als hiervoor omschreven, zal de Stichting haar doel verder trachten te bereiken door op dezelfde wijze als ten aanzien van de Vereniging Nederland Davos is omschreven, te steunen het Nederlands Kankerinstituut te Amsterdam. Mocht ook dit instituut ontbonden of geliquideerd worden (of zijn), zo zullen de inkomsten worden besteed tot bestrijding van de tuberculose in Nederland, en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daar toe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord.”
Het Hof overweegt dat de Stichting ter motivering van de voorgestelde doelwijziging heeft aangevoerd dat het voor patiënten met longziekten (zoals moeilijk behandelbare astma) niet altijd meer noodzakelijk is om een behandeling te Davos te ondergaan: “Er zijn tegenwoordig goede alternatieven in Nederland, die bovendien minder kostbaar zijn. Daarnaast is de rol van de Vereniging veranderd. Zo heeft de Vereniging ook als taak de bemiddeling tussen de zorgverzekeraar en de patiënt, om de patiënt te helpen een deel van zijn kosten via de zorgverzekeraar vergoed te krijgen. Verder zijn de patiënten die nog wel te Davos worden behandeld steeds vaker kinderen. Onder het voorgestelde bredere begrip ‘kwaliteit van leven’ wordt het voor de Vereniging mogelijk om de gelden ook aan te wenden om ouders de gelegenheid te geven om hun kinderen in Davos op te zoeken. De Stichting wil haar gelden blijven uitkeren aan de Vereniging. Uitkering aan het Nederlands Kankerinstituut kan volgens haar redelijkerwijs niet door de erflater zijn gewild. Het Nederlands Kankerinstituut richt zich niet op het welzijn van de patiënt en de financiële ondersteuning van de patiënt, terwijl dit voor de Stichting essentieel is.”
“Het hof is, anders dan de rechtbank van oordeel dat de Stichting voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat – met inachtneming van de omstandigheden zoals deze zich thans voordoen, de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan in de medische wetenschap en de wijze van en de kosten voor behandeling in Davos – ongewijzigde handhaving van de statutaire doelstelling leidt tot gevolgen, die bij de oprichting redelijkerwijze niet kunnen zijn gewild.”
Blanco Fernández schrijft in zijn noot dat het respect voor de wil van de oprichter waarop het wettelijk stelsel gebaseerd is, onder meer tot gevolg heeft dat de statuten niet gewijzigd kunnen worden omdat een andere statutaire inrichting, naar objectieve maatstaven geoordeeld, wenselijker, of zelfs veel wenselijker zou zijn. Het komt bij de beoordeling van de mogelijkheid tot statutenwijziging niet aan op de wenselijkheid van de wijziging, maar op de vraag of ongewijzigde handhaving van de statuten tot gevolgen leidt die bij de oprichting redelijkerwijs niet kunnen zijn gewild. Het komt derhalve in het bijzonder aan op de vaststelling van de wil van de oprichter. Aan deze maatstaf gemeten doet de beschikking vragen rijzen. Blanco Fernández merkt op dat het nieuwe doel niet verwant aan het oude kan worden genoemd (zoals voorgeschreven in artikel 2:294 lid 2 BW). De oprichter heeft bij de oprichting een specifiek doel voor ogen gestaan, te weten: de ondersteuning van een vereniging die een inrichting in Davos in stand houdt. Van dit doel staat het nieuwe doel nogal ver af. De bevordering van de kwaliteit van leven is een ruime doelstelling, die volgens Blanco Fernández in haar algemeenheid op gespannen voet staat met het specifieke karakter van het doel dat de oprichter bij de oprichting van de stichting blijkens de statuten voor ogen stond. De wijziging is des te minder overtuigend omdat de oprichter in de statuten voorzien heeft in de mogelijkheid dat de specifieke doelstelling niet zou kunnen worden nagestreefd en voor die eventualiteit twee subsidiaire doelstellingen heeft vastgesteld.
Indienen verzoek tot wijziging; belanghebbenden
Uit de wettekst blijkt dat de bevoegdheid om een verzoek tot statutenwijziging bij de rechter in te dienen niet toekomt aan een ander stichtingsorgaan dan het bestuur, tenzij de oprichter een stichtingsorgaan vormt. In de MvT bij de WS 1956 is hierover te lezen:
“Aan anderen dan de oprichters, het bestuur en het openbaar ministerie wordt niet de bevoegdheid toegekend om een wijziging van de statuten aan de rechter te verzoeken. Het ontwerp laat overigens voldoende recht wedervaren aan dergelijke andere belanghebbenden, doordat de rechter die belanghebbenden kan horen, wanneer degenen, die het recht hebben bij de rechter een verzoek tot wijziging van de statuten aanhangig te maken, dat recht benutten en doordat bedoelde andere belanghebbenden van ’s rechters beschikking in hoger beroep en cassatie kunnen komen.”19
Indien de stichting een raad van toezicht heeft ingesteld, heeft deze dus niet de bevoegdheid om de rechter te verzoeken om de statuten te wijzigen. De enige mogelijkheid die de raad van toezicht heeft is de oprichter, het bestuur of, in het uiterste geval, het openbaar ministerie te benaderen. Ik zou menen dat de raad van toezicht een eigen bevoegdheid zou moeten krijgen om een verzoekschrift tot statutenwijziging bij de rechter in te dienen. Evenals het bestuur dient de raad van toezicht bij de uitvoering van zijn taak te handelen in het belang van de stichting. De raad van toezicht staat echter vaak meer “op afstand” dan het bestuur en zal evenals het bestuur in staat zijn om in te schatten of doelwijziging noodzakelijk is. Een tegenargument zou kunnen zijn dat een conflict tussen bestuur en raad van toezicht kan ontstaan omdat de raad van toezicht over de noodzaak van een statutenwijziging een andere mening is toegedaan dan het bestuur. De rechter heeft hierover het laatste woord, maar voorgeschreven zou kunnen worden dat, indien het verzoek wordt ingediend door de raad van toezicht, de rechter het bestuur hoort alvorens een beslissing te nemen.
Belanghebbenden op de hoogte stellen
Een belanghebbende, waaronder een lid van de raad van toezicht, die het niet eens is met een beschikking van de rechter kan wel hoger beroep instellen. In de uitspraak van het Hof Amsterdam inzake de Henriëtte Sara de Lanoy Meijer Stichting werd door Jongeneel, die op grond van de oorspronkelijke doelomschrijving aanspraak kon maken op steun van de stichting, aanvankelijk met succes beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank die de hiervoor aangehaalde ruimere doelstelling toeliet.20 De Hoge Raad oordeelde echter dat het Hof Jongeneel niet ontvankelijk had moeten verklaren aangezien hij het hoger beroep niet binnen de daarvoor gestelde termijn had ingesteld. Op grond van artikel 996 aanhef en sub d Rv dient een beroep ingesteld te worden binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Dit is een erg korte termijn waarbij er bovendien van uit wordt gegaan dat de belanghebbende op de hoogte is van de beschikking en statutenwijziging. De beschikking behoeft echter niet aan belanghebbenden betekend of aangekondigd te worden. De uiteindelijke statutenwijziging dient wel gepubliceerd te worden bij het handelsregister maar mogelijk zijn belanghebbenden hierop niet bedacht. Er bestaat geen verplichting om belanghebbenden op de hoogte te stellen. In de literatuur wordt opgemerkt dat de rechtbank belanghebbenden in een dergelijk geval dient op te roepen.21
Van der Ploeg pleit er mijns inziens terecht voor dat de hiervoor genoemde procedure verbeterd dient te worden, zodat degenen die bezwaar kunnen maken tegen een voorgenomen rechterlijke statutenwijziging (dit is vooral van belang bij wijziging van het doel) op de hoogte zijn.22 In de wet zou bepaald dienen te worden dat de rechterlijke beslissing om het doel te wijzigen onverwijld bekend wordt gemaakt (via een advertentie of op website van de stichting), zodat belanghebbenden van de stichting de mogelijkheid hebben om binnen de door de wet gestelde termijn bezwaar aan te tekenen. Dit laat overigens onverlet dat het bestuur of de raad van toezicht in overleg met het bestuur, uit zichzelf (“fatsoenshalve”) belanghebbenden op dergelijke wijze de hoogte kan stellen (dus ook zonder wettelijke plicht daartoe).