Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/3.0
3.0 Introductie
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS355922:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Hoofdstuk 1, par. 1.5.7.
Wat betreft art. 120 Gw: Kamerstukken II 1979/80, 16162, 3, p. 20. Voor art. 94 Gw: Fleuren 2004, p. 42, 346-348, onder verwijzing naar vele anderen; Fleuren, in: T&C Gw 2015, art. 94 Gw (online in Kluwer Navigator, bijgewerkt 1 oktober 2015), aant. 1, onder verwijzing naar Kamerstukken II 1984/85, 18950 (R 1281), 3, p. 7 en Kamerstukken II 1992/93, 22855 (R 1451), 3, p. 8; Kortmann/Bovend’Eert e.a. 2012, p. 175; ABRvS 12 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4117 (Sinterklaasintocht), r.o. 6.3; annotatie R.J.B. Schutgens bij deze uitspraak, JB 2014/245, par. 5; Rb. Gelderland 19 juli 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016: 3970.
Het wordt besproken in het strafrechtelijke hoofdstuk (hoofdstuk 5) en het bestuursrechtelijke hoofdstuk (hoofdstuk 6).
Dit hoofdstuk schetst de algemene staatsrechtelijke eisen aan billijkheidsuitzonderingen die in elk rechtsgebied van toepassing zijn. Voorop staat dat billijkheidsuitzonderingen daadwerkelijk uitzonderlijk dienen te blijven. In beginsel moeten tekstueel toepasselijke wettelijke voorschriften worden toegepast (par. 3.1). De formele wet mag vanwege artikel 120 Gw in een individueel geval alleen buiten toepassing worden gelaten onder de voorwaarde dat haar geldigheid niet wordt aangetast; voor een (ongeschreven of wettelijke) billijkheidsuitzondering erop is alleen plaats als niet-verdisconteerde omstandigheden strikte wetstoepassing zozeer in strijd doen zijn met fundamentele of algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht, dat toepassing achterwege moet blijven (par. 3.2). Voor het buiten toepassing laten van lagere wetgeving is minder relevant of de omstandigheden van het geval reeds zijn verdisconteerd. De geldigheid van deze voorschriften mag namelijk wél worden beoordeeld, namelijk door ze vanwege reeds verdisconteerde omstandigheden buiten toepassing te laten op grond van een fundamenteel of algemeen rechtsbeginsel. Gelet op artikel 11 Wet AB past de rechter hierbij wel terughoudendheid. Alléén het buiten toepassing laten van lagere wetgeving vanwege niet-verdisconteerde omstandigheden is echter een billijkheidsuitzondering. Ook deze mag slechts worden gemaakt als toepassing in hoge mate in strijd is met een rechtsbeginsel (par. 3.3). Voor het buiten toepassing laten van een voorschrift krachtens artikel 94 Gw gelden minder staatsrechtelijke beperkingen (par. 3.4). Op corrigerende interpretatie1 zijn constitutionele eisen van toepassing vergelijkbaar met die van uitzonderingen. In bepaalde gevallen heeft interpretatie vanuit staatsrechtelijk oogpunt echter niet de voorkeur (par. 3.5).
Het toetsingsverbod richt zich naar zijn tekst slechts tot de rechter; artikel 94 Gw kent geen adressaat. Uit de grondwetsgeschiedenis, literatuur en rechtspraak mag echter worden afgeleid dat beide bepalingen ook gelden voor bestuursorganen als toepassers van wetgeving.2 Wat in dit hoofdstuk voor rechters wordt besproken, geldt daarom mutatis mutandis ook voor bestuursorganen.
Hoewel het legaliteitsbeginsel ook beschouwd kan worden als constitutionele beperking van billijkheidsuitzonderingen, is dit met name van betekenis in het publiekrecht, en komt het daarom niet aan de orde in dit hoofdstuk over de constitutionele beperkingen van uitzonderingen die voor ieder rechtsgebied relevant zijn.3